Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.5.2.2.1
II.5.2.2.1 Aflopende beschikkingen
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS382535:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Ortlep 2011, p. 199.
Het feit dat de beschikking uitgewerkt raakt, betekent uiteraard niet dat de rechtsgrondslag vervalt voor handelingen die in het verleden op basis van de beschikking zijn verricht. Ten tijde van deze handelingen was de beschikking immers niet uitgewerkt.
Van Wijk/Konijnenbelt en Van Male 2014, p. 191-192.
Ortlep 2011, p. 199.
Rapport ABAR, 1984, p. 217, Scheltema 1975, p. 20.
Ten Berge en Michiels 2001, p. 355, Dieperink 2003, p. 60.
Art. 26 APV Tilburg.
ABRvS 3 februari 2010, AB 2010/275 m.nt. Nijmeijer. Zie voorts ABRvS 4 augustus 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ6033 en Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 22.
Nijmeijer in AB 2010/275.
ABRvS 29 februari 2012, AB 2012/138 m.nt. Nijmeijer en JB 2012/91.
De geldingsduur bedraagt 5 jaar. Vgl. artt. 3.5 lid 2 en 3.105 Vb 2000.
Onder een aflopende beschikking wordt verstaan een beschikking die is gericht op een aflopend rechtsgevolg.1 De beschikking raakt uitgewerkt.2 Daarmee komt de rechtsbetrekking tussen bestuursorgaan en geadresseerde van de beschikking tot een einde.3 In de woorden van Ortlep:
‘[…] zodra met een bouwvergunning een voltooid bouwwerk gebouwd is, heeft die toestand van vergund zijn zijn bestaansreden verloren. Met andere woorden, een bouwvergunning is dan uitgewerkt […].’4
Het betreft beschikkingen die worden gegeven voor een eenmalige situatie,5 of aflopende handeling of activiteit.6 Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een evenementenvergunning, zoals de vergunning die jaarlijks wordt verleend voor de Tilburgse kermis.7 De kermis kan worden gekwalificeerd als een aflopende activiteit: de duur ervan is beperkt. De evenementenvergunning heeft slechts betrekking op de duur van de kermis. Er is dus sprake van een aflopende beschikking.
De kwalificatie van een beschikking als aflopende of duurbeschikking blijkt in een concreet geval niet altijd eenvoudig. Een voorbeeld is de omgevingsvergunning om te bouwen. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog ten aanzien van deze vergunning in een uitspraak uit 2010:
‘Het betoog van wederpartij dat hij voor de realisering van het bouwplan opnieuw gebruik kan maken van de in het verleden voor de voormalige chauffeurswoning verleende vergunning, faalt. Onweersproken is dat deze woning overeenkomstig de daarvoor destijds verleende bouwvergunning is gebouwd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen […] is daarmee de bouwvergunning uitgewerkt.’8
De Afdeling bestuursrechtspraak gaat er blijkbaar vanuit dat de omgevingsvergunning om te bouwen een aflopend karakter heeft. Deze vergunning heeft echter, op grond van de Wabo ook een voortdurend element in zich. In art. 2.3a lid 1 Wabo is namelijk bepaald dat het verboden is om een bouwwerk (of een deel daarvan) dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten. Ten aanzien van deze bepaling merkt Nijmeijer op dat een handelen in strijd met dit verbod enkel kan worden opgeheven door ervan uit te gaan dat de omgevingsvergunning om te bouwen nadat het bouwwerk is verwezenlijkt een normerende werking behoudt.9 In een meer recente uitspraak wijst de Afdeling in het kader van een belanghebbendekwestie ook op de betekenis van art. 2.3a lid 1 Wabo. Het betrof eveneens een op grond van de Woningwet verleende bouwvergunning, welke met terugwerkende kracht werd ingetrokken. De op grond van deze vergunning gerealiseerde bouwwerken waren dus naderhand zonder vergunning gebouwd. De vraag die centraal stond was of de rechtsopvolger van de (voormalig) vergunninghouder belanghebbende was bij de intrekkingsbeslissing. De Afdeling beantwoordde deze vraag, aan de hand van art. 2.3a Wabo, bevestigend:
‘De intrekking van de bouwvergunningen bij het besluit van 12 maart 2010 heeft terugwerkende kracht. Dat betekent dat het hoofdgebouw, de veldschuur, de mestbak en de rijbak geacht worden zonder bouwvergunning te zijn gebouwd, zodat verwijdering daarvan kan worden gelast. Niet valt in te zien waarom [appellante] als opvolgend eigenares van het perceel en de zich daarop bevindende gebouwen, geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de intrekking van de ten behoeve van deze gebouwen verleende bouwvergunningen. […] Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat het ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang (thans: artikel 2.3a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), verboden is een bouwwerk dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten.’10
De Afdeling erkent dus dat de intrekking ex tunc van een omgevingsvergunning om te bouwen consequenties heeft in het licht van art. 2.3a Wabo. Een en ander rijmt niet volledig met het oordeel dat de omgevingsvergunning om te bouwen een aflopende beschikking is.
Een tweede nuancering is dat aan een aflopende beschikking voorschriften worden verbonden die een meer voortdurende werking hebben. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een boom. Aan een dergelijke vergunning kan veelal een voorschrift worden verbonden inhoudende een herplantingsplicht. De vergunninghouder dient dan na het kappen een nieuwe boom te planten. Wanneer de betreffende boom is gekapt, raakt de omgevingsvergunning niet uitgewerkt, in die zin dat zij geen rechtsgevolg meer genereert. De herplantingsplicht blijft namelijk voor de vergunninghouder gelden.
Een bijzondere categorie beschikkingen is de categorie die ziet op het creëren van een duurzame rechtsverhouding tussen de geadresseerde en het bestuursorgaan, maar die een beperkte geldingsduur hebben. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.11 Een ander voorbeeld zijn de subsidies die voor voortdurende activiteiten worden verleend, maar waarbij verlening steeds voor een bepaald subsidietijdvak plaatsvindt.12 Dergelijke beschikkingen zien veelal op een voortdurende activiteit, maar hebben een aflopend rechtsgevolg. De activiteit mag immers maar voor een in de vergunning bepaalde duur worden verricht en de aanspraak op subsidie bestaat slechts ten aanzien van het betreffende subsidietijdvak. Om die reden kunnen dergelijke beschikkingen dan ook als aflopende beschikkingen te worden gekwalificeerd.