Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.7.4
II.7.4 Specifieke vereisten ingeval van een aantasting van het recht op eigendom
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS376497:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
In art. 17 lid 1 Handvest wordt onderscheid gemaakt tussen ontneming en gebruik.
Sanderink 2012, p. 111.
Sanderink 2012, p. 113-114 met een verwijzing naar EHRM 14 september 2010, zaaknr. 38224/03 (Sanoma Uitgevers BV t. Nederland).
EHRM 14 september 2010, zaaknr. 38224/03 (Sanoma Uitgevers BV t. Nederland).
Gerards 2011, p. 119-120.
Barkhuysen en Van Emmerik 2005, p. 62. Zie ook EHRM 24 november 2005, zaaknr. 49429/99 (Capital Bank AD t. Bulgarije).
EHRM 10 juli 2007, zaaknr. 15084/03 (Bimer S.A. t. Moldavië).
Barkhuysen en Van Emmerik 2005, p. 63. Zie voorts art. 17 lid 1 Handvest.
EHRM 7 juli 1989, zaaknr. 10873/84. Zie ook EHRM 24 september 2002, zaaknr. 27824/95 (Posti en Rahko t. Finland), waarin het beschermen van de visvoorraad werd beschouwd als zijnde een algemeen belang.
EHRM 21 februari 1986, zaaknr. 8793/79 (James e.a. t. Verenigd Koninkrijk). Zie voor een voorbeeld van een situatie waarin het Hof wel concludeerde dat het algemeen belang een inbreuk niet rechtvaardigde EHRM 14 februari 2012, EHRC 2012/86 m.nt. Tjepkema.
Barkhuysen en Van Emmerik 2005, p. 63.
Barkhuysen en Van Emmerik 2005, p. 66.
Tenzij sprake is van buitengewone omstandigheden. Zie Barkhuysen en Van Emmerik 2013, p. 319.
Zie bijvoorbeeld EHRM 29 maart 2011, EHRC 2011/106 m.nt. De Kam (Kemal Uzan t. Turkije) § 102. Zie recent over nadeelcompensatie op grond van art. 1 EP bijvoorbeeld Tjepkema 2014, p. 190 e.v.
EHRM 21 juli 2015, EHRC 2015/204.
HvJ EU 11 juni 2015, zaaknr. C-98/14.
R.o. 79.
R.o. 85.
EHRM 13 januari 2015, JB 2015/82 m.nt. Tjepkema en EHRC 2015/74 m.nt. Tjepkema.
R.o. 87.
HvJ EU 30 april 2014, zaaknr. C-390-12: ‘Een beperkende nationale regeling in de zin van artikel 56 VWEU, zoals die in de hoofdgedingen, kan eveneens een beperking inhouden van de vrijheid van beroep, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom zoals neergelegd in de artikelen 15 tot en met 17 van het Handvest. […] Zoals de advocaat-generaal in de punten 63 tot en met 70 van haar conclusie heeft opgemerkt, is in omstandigheden zoals die van de hoofdgedingen een niet-gerechtvaardigde of onevenredige beperking van de vrijheid van dienstverlening uit hoofde van artikel 56 VWEU krachtens artikel 52, lid 1, van het Handvest evenmin toelaatbaar met betrekking tot de artikelen 15 tot en met 17 daarvan.’
Wanneer is vastgesteld dat een beschikking kan worden aangemerkt als eigendom in de zin van art. 1 EP respectievelijk art. 17 Handvest, dan betekent dat dat een inbreuk op deze eigendom moet voldoen aan de eisen die deze bepaling daaraan stelt. Daarbij is van belang of sprake is van een ontneming of een regulering van eigendom.1 Wanneer een inbreuk als ontneming wordt gekwalificeerd, dan gelden strengere eisen dan wanneer sprake is van regulering. Zoals aangetoond in paragraaf 6.4.3 wordt een intrekkingsbeslissing door het EHRM veelal gekwalificeerd als regulering van eigendom.
Grofweg gelden drie eisen voor een gerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht. In de eerste plaats moet de inbreuk in de wet (law) zijn voorzien. Het begrip ‘law’ wordt door het EHRM ook autonoom uitgelegd.2 In de eerste plaats mag een inbreuk slechts plaatsvinden, wanneer deze geschiedt op grond van een nationale rechtsregel. Dit kan ook een ongeschreven regel zijn.3 Zo overwoog het EHRM in het arrest Sanoma Uitgevers BV t. Nederland:
‘Further, as regards the words “in accordance with the law” and “prescribed by law” which appear in Articles 8 to 11 of the Convention, the Court observes that it has always understood the term “law” in its “substantive” sense, not its “formal” one; it has included both “written law”, encompassing enactments of lower ranking statutes and regulatory measures taken by professional regulatory bodies under independent rule-making powers delegated to them by Parliament, and unwritten law. “Law” must be understood to include both statutory law and judge-made “law”.’4
Vereist is voorts dat de wettelijke basis voldoende precies, toegankelijk en voorzienbaar is. Zo is de burger op de hoogte van de beperkingen die zijn gesteld op de uitoefening van een bepaald grondrecht.5 Van belang is voorts dat de inmenging aan de orde gesteld kan worden in een nationale procedure.6 Het arrest Bimer t. Moldavië biedt een mooi voorbeeld van toepassing van het vereiste dat een inbreuk bij wet moet zijn voorzien. Een vergunning voor het in werking hebben van een taxfree winkel werd ingetrokken vanwege nieuwe wetgeving. Het EHRM overwoog:
‘The Court of Appeal further held that […] enterprises such as the applicant company with foreign capital, which had enjoyed customs, tax and other incentives in accordance with the legislation of the Republic of Moldova formerly in force, had the right to enjoy those incentives for ten years after the new legislation came into effect. Accordingly, the Order which resulted in the immediate termination of those customs incentives was illegal as it was contrary to the legislation in force. […] [The Court] finds no grounds in the present case to call into question the view of the Court of Appeal […] that the Order which required the immediate closure of the applicant's duty-free business […] was not lawful under domestic law.’7
Ten tweede is voor een gerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht vereist dat de inbreuk een gerechtvaardigd algemeen belang dient.8 In het hiervoor reeds besproken arrest Tre Traktörer Aktiebolag t. Zweden9 werd bijvoorbeeld ‘the “great social responsibility” involved in the selling of alcoholicbeverages’ gezien als rechtvaardiging voor de intrekking van een drankvergunning. De vergunninghoudster bleek niet in staat een goede boekhouding bij te houden en interne controle uit te voeren. Met de intrekking werd dan ook naar het oordeel van het EHRM het algemeen belang gediend. Het komt niet vaak voor dat het EHRM van oordeel is dat aan dit vereiste niet is voldaan. Een en ander hangt samen met de zogenaamde margin of appreciation die een lidstaat heeft. De lidstaat wordt geacht zelf het beste in staat te zijn om te beoordelen welke maatregelen het algemeen belang dienen.10
Tot slot is op grond van art. 1 EP vereist dat de inbreuk proportioneel moet zijn. Er moet, met andere woorden, sprake zijn van een fair balance tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. De te verrichten proportionaliteitstoets kan worden vergeleken met de evenredigheidstoets in het Nederlandse recht. Nagegaan moet worden of ten opzichte van een klager al dan niet sprake is van een individual and excessive burden. Een belangrijk aspect bij deze toets is of schadevergoeding is geboden.11 Een en ander is in het bijzonder van belang wanneer de inbreuk wordt gekwalificeerd als ontneming van eigendom. Normaliter zal ontneming niet mogen plaatsvinden zonder dat compensatie wordt aangeboden.12 Een en ander blijkt letterlijk uit art. 17 lid 1 tweede volzin Handvest:
‘Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed.’
Een ontneming van eigendom zonder enige compensatie wordt geacht disproportioneel te zijn.13 Betreft het regulering van eigendom, dan is het al dan niet bieden van compensatie slechts één van de aspecten die wordt meegenomen bij de vraag of de inmenging proportioneel is.14 Zo wordt bijvoorbeeld bezien hoe de gevolgen van de intrekking zich verhouden tot de de aanleiding voor intrekking. In het arrest Donprut S.R.L. tegen Moldavië15 betrof het bijvoorbeeld de intrekking van een taxivergunning (met als gevolg dat alle medewerkers moesten worden ontslagen) vanwege het niet voldoen aan de eis om nieuwe medewerkers en auto’s binnen en termijn van 10 dagen te registreren. Het EHRM merkt op dat het hooggerechtshof van Moldavië niet in staat was geweest aan te geven tot welke negatieve consequenties voornoemde overtreding had geleid. Tevens leek het erop dat (mede) niet aan de registratieverplichting was voldaan vanwege een grote mate van bureaucratie. Het EHRM concludeerde dat de intrekking niet proportioneel was.
In het kader van de intrekking is onder omstandigheden vereist dat een overgangstermijn wordt geboden alvorens daadwerkelijk tot intrekking over te gaan. Een mooi voorbeeld biedt het arrest Berlington van het HvJ EU.16 In geding is een Hongaarse wetswijziging op grond waarvan de kansspelbelasting drastisch werd verhoogd en de exploitatie van speelautomaten buiten casino’s van de een op de andere dag werd verboden. Eventuele vergunningen vervielen van rechtswege met ingang van de dag volgend op de dag waarop de wetswijziging in werking trad. De nationale rechter stelde prejudiciële vragen aan het HvJ EU, onder andere met betrekking tot de verhouding tussen de genoemde wetswijzigingen en art. 56 VWEU (vrijheid van dienstverlening). In het kader van de vraag of sprake was van een rechtvaardiging als bedoeld in deze bepaling, toetst het HvJ EU of de maatregelen al dan niet in overeenstemming zijn met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Het HvJ EU staat uitgebreid stil bij deze beginselen. Overwogen wordt dat de nationale wetgever ingeval van een wetswijziging rekening moet houden met de situatie van de betrokken marktdeelnemers en eventueel zorgt voor aanpassingen aan de toepassing van de nieuwe rechtsregels.17 Wat de situatie van de exploitanten vooral klemmend maakte was dat de vergunningen direct van rechtswege vervielen, zonder dat werd voorzien in een overgangstermijn of financiële genoegdoening. Dat was volgens het HvJ EU dan ook in strijd met voornoemde beginselen:
‘Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de nationale wetgever, wanneer hij vergunningen intrekt op grond waarvan de houders een economische activiteit mogen uitoefenen, ten voordele van die houders moet voorzien in een voldoende lange overgangsperiode zodat zij zich kunnen aanpassen, of in een billijke vergoedingsregeling […].’18
Het HvJ EU verwijst naar het arrest Vékony van het EHRM.19 In dit arrest betrof het de intrekking van een tabaksvergunning, eveneens op grond van een wetswijziging. Klager kon op grond van de nieuwe wet weliswaar (opnieuw) een concessie aanvragen, zij het dat deze werd afgewezen. Ongeveer 10 maanden na inwerkingtreding van de wet moest de verkoop van tabak worden beëindigd (nadat zo’n 20 jaar van de vergunning gebruik was gemaakt). Voor klager betekende dit een fors omzetverlies. Ook was de manier waarop de concessieprocedure had plaatsgevonden arbitrair. Tot slot was volgens het EHRM van belang dat niet was voorzien in enige vorm van financiële genoegdoening. De conclusie van het EHRM luidt dan ook dat art. 1 EP geschonden is, omdat sprake is van een individual and excessive burden.
Terug naar het arrest Berlington. Het HvJ EU acht ook van belang dat betrokkenen wellicht allerlei investeringen hadden gedaan, met andere woorden: hadden gedisponeerd:
‘In dit verband zij in herinnering gebracht dat een marktdeelnemer die dure investeringen heeft gedaan om zich te conformeren aan een eerder door de wetgever vastgestelde regeling, aanzienlijk kan worden geschaad door een voortijdige afschaffing van die regeling, zeker wanneer de afschaffing plotseling en op niet-voorzienbare wijze geschiedt, zonder dat hij de nodige tijd krijgt om zich aan de nieuwe wettelijke toestand aan te passen.’20
Het HvJ EU legt tot slot een relatie tussen art. 56 VWEU en het recht op eigendom zoals neergelegd in art. 17 Handvest. Het HvJ EU overweegt dat een beperking van de vrijheid van dienstverlening tevens een beperking op voornoemd recht op eigendom kan inhouden. Als een maatregel een beperking inhoudt die op grond van art. 56 VWEU niet gerechtvaardigd of een onevenredig is, dan is de maatregel eveneens ontoelaatbaar op grond van art. 17 Handvest. Het HvJ EU verwijst hierbij naar het arrest Pfleger,21 waar in soortgelijke zin werd overwogen.