De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.6.2:IV.19.6.2 Nederland
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.6.2
IV.19.6.2 Nederland
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377680:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 4:48 lid 1 aanhef en onder d Awb en art. 4:49 lid 1 aanhef en onder b Awb.
Vgl. paragraaf 11.2.1.
Zie meer uitgebruik paragraaf 11.2.4.1.
Art. 4:49 lid 3 Awb en art. 4:57 lid 4 Awb.
Hetgeen bij één van de ESF-casus het geval was. Zie ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007/241 m. nt. Jacobs en Den Ouden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 11.2.4 is stilgestaan bij een aantal Unierechtelijke aspecten van intrekking van subsidiebeschikkingen en eventuele complicaties die zich hierbij voor kunnen doen. Kort gezegd kunnen problemen ontstaan wanneer sprake is van indirecte uitvoering van Unierecht, waarbij het Nederlandse recht inzake intrekking van subsidiebeschikkingen dient te worden toegepast. De reeds besproken ESF-casus laat zien dat de bepalingen van de subsidietitel niet steeds als basis kunnen dienen voor een intrekkingsbeslissing. Zo kan een subsidiebeschikking op grond van art. 4:48 lid 1 aanhef en onder d Awb bijvoorbeeld worden ingetrokken wanneer deze ‘kennelijk onjuist’ is. Van kennelijke onjuistheid is sprake wanneer de beschikkinghouder wist of behoorde te weten dat de subsidiebeschikking onjuist was.1 Voor het oordeel dat sprake is van een kennelijk onjuiste beschikking is naar het oordeel van de wetgever slechts aanleiding in gevallen van meer evidente onjuistheid van de subsidiebeschikking.2 Of van een subsidiebeschikking welke is gegeven in strijd met de staatssteunregels altijd kan worden gezegd dat de subsidieontvanger op de hoogte was of behoorde te zijn van de onjuistheid van die beschikking, kan worden betwijfeld.3
Daarnaast geldt op grond van de artikelen 4:49 lid 3 en 4:57 lid 4 Awb een termijn voor intrekking en terugvordering.4 Het ongebruikt laten verstrijken van deze termijn leidt er toe dat een beschikking tot subsidievaststelling niet meer kan worden ingetrokken dan wel dat onverschuldigd betaalde subsidies niet meer kunnen worden teruggevorderd. Voorts kan het vertrouwensbeginsel in de weg staan aan uitoefening van een dergelijke bevoegdheid, bijvoorbeeld doordat vanwege betrokkenheid van het bevoegde bestuursorgaan bij de wijze van uitvoering van een gesubsidieerde activiteit, vertrouwen is gewekt.5 In het Nederlandse recht wordt om die reden veelal de vraag gesteld of een bevoegdheid tot intrekking direct aan het Unierecht kan worden ontleend. Zoals bleek in paragraaf 11.2.4.2 lijkt de rechtspraak van het HvJ EU geneigd deze vraag positief te beantwoorden.