Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/10.2.2
10.2.2 Consequenties voor toerekening van kennis
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS600778:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Evenzo voor het Duitse recht Römmer-Collmann 1997, p. 194 en (t.a.v. een bankier die commissaris is van een onderneming en het bankgeheim zou schenden indien hij zijn bancaire kennis zou doorleiden aan zijn medecommissarissen) Paulus 2000, p. 2226.
Art. 47 Sr. In geval van medeplegen hoeft niet elk van de medeplegers alle bestanddelen van de delictsomschrijving te vervullen; het feit dat de medewerker van de rechtspersoon niet zelf een geheimhoudingsplicht heeft tegenover de leverancier, staat er dus niet aan in de weg dat hij de schending van bedrijfsgeheimen kan medeplegen. Zie Machielse, Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 8 en 21 bij art. 47 Sr (bijgewerkt tot en met 26 mei 2015). Op de mogelijkheid dat – in dit toch al wat buitenissige voorbeeld – sprake kan zijn van medeplichtigheid van de medewerker van de rechtspersoon of ‘doen plegen’ door de medewerker van de leverancier zal ik hier niet ingaan.
Van Nispen, GS Onrechtmatige daad, aant. IV.5.6.2 en IV.6.2.18 (bijgewerkt tot 24 juni 2016); Van der Korst 2007, p. 62. Zie ook art. 4 lid 3 en 4 van Richtlijn (EU) 2016/943 (Richtlijn bedrijfsgeheimen), dat het gebruik of openbaar maken van bedrijfsgeheimen onder omstandigheden als onrechtmatig bestempelt. Deze richtlijn moet uiterlijk op 9 juni 2018 zijn geïmplementeerd.
Schending van een geheimhoudingsplicht wordt slechts vervolgd op klacht van degene jegens wie het misdrijf is gepleegd, art. 272 lid 2 Sr. In geval van schending van de geheimhouding van persoonsgegevens is art. 272 lid 2 Sr niet van toepassing, zie art. 12 lid 2 Wbp.
Bij kleine samenwerkingsverbanden tussen beroepsbeoefenaren zal beperking van de informatie-uitwisseling veelal praktisch minder goed mogelijk zijn, bijvoorbeeld omdat zij elk in dezelfde ruimte werken; het zal ook lastiger zijn aan te tonen dat de handelende functionaris het relevante feit niet kende.
HR 9 januari 1998, NJ 1998/586.
Mits hij niet door dat enkele feit een geheimhoudingsplicht schendt of het belang schendt van de persoon ten gunste van wie de geheimhoudingsplicht bestaat.
Gevallen waarin de wederpartij erop heeft vertrouwd dat bepaalde informatie bij de rechtspersoon aanwezig was; zie par. 5.6.2.
415.Wanneer het delen van informatie met collega’s op zich al strafbaar is, mag de geheimhoudingsplicht naar mijn mening veel gewicht in de schaal leggen bij het oordeel over kennistoerekening. Neem als voorbeeld de rechtspersoon die een machine koopt die volgens de verkoper een revolutionaire nieuwe technologie bevat. Na levering blijkt de machine ernstige gebreken te vertonen wegens een groot aantal bugs in de software. Stel dat een medewerker van de rechtspersoon tot voor kort bij de verkoper werkzaam was en wist dat de software niet goed getest was, maar dat zijn arbeidsovereenkomst bij de verkoper een geheimhoudingsbeding bevatte. Dergelijke geheimhoudingsbedingen blijven vaak ook na het einde van de arbeidsovereenkomst van kracht. Zou deze medewerker een strafbaar feit plegen (art. 273 Sr) door zijn kennis over de bugs te delen met zijn nieuwe collega’s, dan mag niet van de rechtspersoon (de nieuwe werkgever) worden verwacht dat die de medewerker ertoe brengt om die kennis wel te delen.
De leer inzake toerekening van kennis mag de rechtspersoon er niet de facto toe dwingen het begaan van strafbare feiten te stimuleren of zelfs af te dwingen. Dit brengt mee dat de rechtspersoon in beginsel een beroep toekomt op de onwetendheid van de handelende functionaris, indien die functionaris onwetend is gebleven omdat de wetende functionaris de informatie voor zich heeft gehouden met als reden te voorkomen dat hij een bedrijfsgeheim van zijn vorige werkgever of opdrachtgever zou schenden.1 Indien de wetende functionaris zijn kennis niet behoorde door te geven aan de handelende functionaris, wordt zijn kennis niet toegerekend aan de rechtspersoon.
Ditzelfde geldt bij informatie die is verkregen doordat een derde zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Stel dat een medewerker van een leverancier van de rechtspersoon (de ‘informant’) aan een medewerker van de rechtspersoon een mededeling doet die geldt als schending van een bedrijfsgeheim van die leverancier (art. 273 Sr). Indien de medewerker van de rechtspersoon (de wetende functionaris) die kennis verder verspreidt binnen de rechtspersoon, kan hij onder omstandigheden dit feit medeplegen met de medewerker van de leverancier.2 De wetende functionaris en ook de rechtspersoon zouden daarnaast mogelijk onrechtmatig handelen jegens de leverancier, indien de wetende functionaris zijn kennis verder zou verspreiden binnen de rechtspersoon en de rechtspersoon van die kennis gebruik zou maken.3 Van de rechtspersoon mag niet worden verwacht dat hij zijn organisatie zodanig inricht dat medewerkers strafbare feiten begaan of onrechtmatig handelen. Blijft de handelende functionaris onwetend omdat de wetende functionaris heeft besloten de van de informant verkregen gegevens niet verder te verspreiden, dan komt de rechtspersoon dus in beginsel een beroep toe op deze onwetendheid.
416. Wanneer op de rechtspersoon of op de voor die rechtspersoon werkzame individuele beroepsbeoefenaren een geheimhoudingsplicht rust in de zin van art. 272 Sr, is de kans verwaarloosbaar dat de enkele interne informatie-uitwisseling zal leiden tot een klacht4 van de betrokkene en tot vervolging (zie par. 10.2.1). De eventuele strafbaarheid daarvan zal vermoedelijk weinig rechtspersonen aanleiding geven tot het afschermen van informatie. Wel is aannemelijk dat de rechtspersoon de uitwisseling van informatie binnen zijn organisatie beperkt om te voorkomen dat die informatie buiten de organisatie bekend wordt. Immers: hoe minder mensen bekend zijn met vertrouwelijke informatie, hoe minder mensen die informatie kunnen lekken. De vraag is of een dergelijke beperking kan rechtvaardigen dat de handelende functionaris onwetend blijft van een relevant feit dat elders binnen de organisatie wel bekend was. De beoordeling van deze kwestie is complex. Oorzaak daarvan is dat het zowel voor de rechtspersoon als voor de wederpartij afhangt van de situatie of het in diens belang is dat gegevensuitwisseling binnen de rechtspersoon wordt beperkt of juist wordt gestimuleerd.
Ik neem als voorbeeld een groot advocatenkantoor dat de praktijk uitoefent in een rechtspersoon.5 Enerzijds heeft de cliënt van het kantoor er belang bij dat de over hem beschikbare vertrouwelijke informatie niet bij derden terechtkomt. Met het oog daarop heeft hij belang bij een beperking van de interne informatie-uitwisseling, want hoe minder advocaten over zijn vertrouwelijke informatie beschikken, hoe kleiner de kans feitelijk is dat die informatie uitlekt. Ook het advocatenkantoor heeft belang bij een beperking van de informatie-uitwisseling. Hoe minder personen feitelijk kennis dragen van vertrouwelijke informatie, des te kleiner is de kans dat de rechtspersoon zijn (afgeleide) geheimhoudingsplicht schendt. Een ander belang dat het kantoor kan hebben bij een beperking van de informatie-uitwisseling is zijn belang om als goed werkgever de voor hem werkzame beroepsbeoefenaren te beschermen: hoe minder de beroepsbeoefenaar weet, hoe minder kans er is dat hij een op hem persoonlijk rustende geheimhoudingsplicht schendt en dus wordt blootgesteld aan mogelijke strafvervolging.
Een cliënt van het kantoor heeft echter niet alleen belang bij een beperkte, maar ook bij een ruime interne uitwisseling van informatie. Het is in zijn belang dat alle medewerkers van het kantoor op de hoogte zijn van of ten minste toegang hebben tot de informatie die binnen de organisatie over die cliënt beschikbaar is. Hoe beter een medewerker op de hoogte is van de situatie van de cliënt, hoe beter de dienstverlening kan zijn en hoe kleiner de kans op fouten. De cliënt wil niet aan elke medewerker elke keer dezelfde situatie hoeven uitleggen en kan niet altijd zelf voorzien of zijn situatie noopt tot maatregelen door andere medewerkers (vgl. Rabobank Gorredijk6). De contractuele zorgplicht van de rechtspersoon zal vaak juist tot kennisdeling nopen; niet uitgesloten is dat de (grootzakelijke) cliënt uitdrukkelijk eist dat het kantoor een bepaald niveau van interne kennisdeling garandeert. Meer in het algemeen kan het uitwisselen van ervaringen tussen beroepsbeoefenaren leiden tot een hogere deskundigheid en daarmee een betere dienstverlening. In een concreet geval kan een cliënt er een gerechtvaardigd belang bij hebben dat de advocaat informatie uit een ander dossier met de cliënt deelt ten aanzien waarvan de advocaat geen geheimhoudingsplicht heeft, bijvoorbeeld over een wederpartij in dat andere dossier. En aangezien de cliënt deze belangen heeft, heeft het kantoor die ook: hoe beter de dienstverlening is die het kantoor kan aanbieden, hoe beter zijn concurrentiepositie.
Problematisch is dat de rechtspersoon niet al deze belangen tegelijkertijd optimaal kan bedienen: dezelfde functionaris die gegevens over deze cliënt nodig heeft voor een goede dienstverlening aan de cliënt, kan die gegevens ook lekken; dezelfde functionaris die niet-vertrouwelijke gegevens uit het dossier van cliënt B deelt met cliënt A, kan ook vertrouwelijke gegevens uit dat dossier delen met cliënt A. Op voorhand is niet te zeggen welke situaties zich zullen voordoen.
417. Met de hier gesignaleerde spanning zal rekening moeten worden gehouden bij het oordeel inzake de toerekening van kennis. Ondervindt een cliënt of een derde op enig moment nadeel van de beperkte informatie-uitwisseling, dan zal een beroep op de onwetendheid van de handelende functionaris niet aan de rechtspersoon mogen worden ontzegd op grond van het enkele feit dat in dit specifieke geval een soepeler informatie-uitwisseling mogelijk was geweest zonder schending van de in acht te nemen belangen. Legitiem beleid inzake de beperking van de interne informatie-uitwisseling zal er namelijk noodzakelijkerwijs toe leiden dat de wetende functionaris veelal niet meer op de hoogte raakt van het feit dat zich binnen de rechtspersoon een geval voordoet waarvoor de doorgifte van zijn kennis van belang kan zijn. De wetende functionaris is dan niet in staat om de belangen voor dat specifieke geval af te wegen (of de situatie voor te leggen aan een leidinggevende die de afweging moet maken). De rechter zal moeten meewegen in hoeverre het beleid van de rechtspersoon dat tot deze situatie leidde, legitiem was.
Het lijkt mij dat dienstverleners bij de keuze voor de inrichting van hun organisatie enige vrijheid hebben in de afweging van de tegengestelde belangen waar zij mee te maken krijgen. De rechtspersoon kan op andere wijzen dan door beperking van de interne informatie-uitwisseling zorgen voor de naleving van geheimhoudingsplichten, bijvoorbeeld door goede opleiding en begeleiding van medewerkers en een goed toezicht. Dit biedt wel minder waarborgen dan een systeem waarin (tevens) de rechten op inzage in bepaalde elektronische dossiers worden beperkt. Indien de rechtspersoon er echter voor kiest om dergelijke maatregelen niet of nauwelijks te treffen en eenvoudigweg de interne informatie-uitwisseling sterk beperkt, kan ik mij voorstellen dat dit bij de toerekening van kennis in het nadeel van de rechtspersoon zal werken. Dat wil zeggen: een beroep op de onwetendheid van de handelende functionaris zal dan mogelijk minder snel worden gehonoreerd.
418. Bij het vaststellen van het beleid inzake interne informatie-uitwisseling zal de rechtspersoon rekening moeten houden met gevallen waarvan op voorhand goed voorzienbaar is dat het belang van de wederpartij bij doorgifte van de informatie zwaarder moet wegen dan het belang bij beperking van de informatie-uitwisseling. Voorzienbaar is bijvoorbeeld dat handelingen waarvoor een cliënt aanklopt bij de afdeling bestuursrecht van een groot advocatenkantoor, tevens strafbare handelingen kunnen zijn, zoals in het geval van milieuvervuiling. Van het advocatenkantoor mag worden verwacht dat het de bestuursrechtadvocaten zodanig opleidt, dat zij herkennen wanneer een dergelijke situatie zich voordoet en dan strafrechtspecialisten inschakelen, zodat de rechtspositie van de cliënt op adequate wijze wordt beschermd.
Meer in het algemeen geldt mijns inziens dat, indien de wetende functionaris ondanks de opgelegde beperkingen in de informatie-uitwisseling ontdekt dat zich elders binnen de organisatie een situatie voordoet waarvoor zijn kennis relevant is of waarschijnlijk zal worden, mag worden verwacht dat hij de handelende functionaris inlicht.7 Laat de wetende functionaris dat na, dan komt de rechtspersoon in beginsel geen beroep toe op de onwetendheid van de handelende functionaris.
Indien de rechtspersoon ervoor kiest om de onderlinge informatie-uitwisseling tussen medewerkers te beperken, doet hij er verstandig aan om de cliënt hierover in te lichten. Is ten onrechte de verwachting gewekt of ten onrechte niet de verwachting getemperd dat binnen de rechtspersoon de relevante gegevens werden uitgewisseld, kan dit er in ‘vertrouwensgevallen’8 toe leiden dat de rechtspersoon ondanks de legitieme beperking van interne informatie-uitwisseling geen beroep toekomt op de onwetendheid van de handelende functionaris.