Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.3.0
II.3.0 Introductie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS455599:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitgebreide behandeling van het belang en de inhoud van waarheidsvinding onder andere de preadviezen van M.A. Loth, G. de Groot, A. Gerbrandy & M.S. Groenhuijsen in Waarheid en waarheidsvinding in het recht (Handelingen Nederlandse Juristen- Vereniging 2012-I), Deventer: Kluwer 2012. Zie verder C.P.M. Cleiren, ‘Waarheid in het strafrecht: Niet tot elke prijs’, in: C.P.M. Cleiren, R.H. de Bock, C.J.M. Klaassen (red.), Het procesrecht en de waarheidsvinding, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2001, p. 9-31 en J.H. Crijns, P.P.J. van der Meij & J.M. ten Voorde (red.), De waarde vanwaarheid. Opstellen over waarheid en waarheidsvinding in het strafrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2008 en A.R. Mackor, ‘‘Wat is waarheid?’ De rol van deskundigen bij waarheidsvinding in het strafrecht’, Netherlands Journal of Legal Philosophy 2010, 1, p. 52-66 en N. Rozemond, ‘Slapende rechters, dwalende rechtspsychologen en het hypothetische karakter van feitelijke oordelen’, Netherlands Journal of Legal Philosophy 2010, 1, p. 35-51.
Zie bijvoorbeeld J.H. Crijns & P.P.J. van der Meij, ‘Over de grenzen van de materiële waarheidsvinding’, in: R.H. Haveman & H.C. Wiersinga (red.), Langs de randen van hetstrafrecht, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005, p. 47-53.
Overigens wordt in de criminologie ‘verrassend weinig aandacht besteed aan opsporingsvraagstukken’, zie E.R. Kleemans, C. de Poot & A. Verhage, ‘Criminologie en opsporing’, Tijdschrift voor Criminologie 2014, 4, p. 5-9.
R. Salet, Opsporing, tegenspraak en veranderende frames. Een onderzoek naar tegenspraak ingrootschalige rechercheonderzoeken (diss. Nijmegen), Den Haag: Boom Lemma uitgevers 2015, p. 113.
‘Alles wat je kunt gebruiken, kun je verkeerd gebruiken.’
– Marinus Voeten & John van de Bercken ~ Lineaire regressieanalyse (2003)
‘The truth’, Dumbledore sighed.
‘It is a beautiful and terrible thing, and should therefore be treated with great caution.’
– J.K. Rowling ~ Harry Potter and the Philospher’s Stone (1997)
De beoordeling of een nieuwe opsporingsbevoegdheid een wettelijke grondslag krijgt, hangt af van de afweging tussen instrumentele en rechtsbeschermende aspecten van de bevoegdheid. Ten opzichte van andere opsporingsmethoden moet duidelijk zijn dat de nieuwe opsporingsbevoegdheid onder andere een goedkopere, betrouwbaardere en/of efficiëntere methode is of resultaten kan bereiken die met andere methoden niet mogelijk zijn (tenzij de methode hetzelfde resultaat oplevert maar een minder vergaande inbreuk op een grondrecht maakt). Anders is de nieuwe bevoegdheid inferieur aan de al bestaande mogelijkheden en zal zij niet worden gebruikt. In dit hoofdstuk wordt (neuro)geheugendetectie bekeken vanuit het oogpunt van de waarheidsvinding. Omdat er veel opsporingsbevoegdheden bestaan en worden gecreëerd, is het belangrijk deze bevoegdheden te beoordelen op hun bijdrage aan de waarheidsvinding. Ten eerste is dat noodzakelijk om te beoordelen of een nieuwe opsporingsmethode een wettelijke grondslag verdient gezien zijn unieke kenmerken ten opzichte van andere methoden. Ten tweede zorgt een correcte beoordeling van de bijdrage aan de waarheidsvinding van een opsporingsmethode dat in de praktijk de ene bevoegdheid in een concrete casus de voorkeur boven een andere methode krijgt. Omdat telkens nieuwe opsporingsmethoden worden ontwikkeld, door onder andere technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen, is het belangrijk om de opsporingsmethoden op de bijdrage aan de materiële waarheidsvinding te kunnen beoordelen. Centraal staat derhalve het opstellen van een kader waarmee kan worden beoordeeld welke opsporingsbevoegdheid, gezien zijn belang voor de waarheidsvinding, (1) een wettelijke grondslag moet krijgen en; (2) in een concrete zaak de voorkeur dient te krijgen.
Om (neuro)geheugendetectie in het licht van de waarheidsvinding te bekijken, wordt in het eerste deel van dit hoofdstuk (paragrafen 1.1 en 2) een toetsingskader beschreven waarmee opsporingsbevoegdheden op hun belang voor de waarheidsvinding kunnen worden beoordeeld. Dit hoofdstuk heeft niet als doel het belang van de waarheidsvinding op zichzelf te bespreken of uiteen te zetten wat waarheidsvinding in het strafprocesrecht inhoudt.1 Mijn uitgangspunt is dat materiële, en niet consensuele, waarheidsvinding2 noodzakelijk is voor de strafvordering.
In het kader staan de effectiviteit en efficiëntie als beoordelingspunten centraal, op grond van een analyse van de instrumentele toetsing van opsporingsmethoden in parlementaire stukken (zie hieronder in paragraaf 1.1).3 Opsporing – en dus ook de inzet van een opsporingsmethode – is (ten minste gedeeltelijk) een kosten-batenafweging omdat er altijd minder capaciteit beschikbaar is om strafbare feiten op te sporen dan het aantal geregistreerde strafbare feiten.4 Bereikt de methode het gewenste doel? Past de inzet van een bepaalde methode binnen het budget? Welke factoren zijn van belang om de effectiviteit en efficiëntie te beoordelen? Onder andere deze vragen komen aan bod in dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk bevat de antwoorden op de volgende, in de inleiding opgestelde, subvragen: (1) is de GKT een effectieve, in de zin van valide en betrouwbare, onderzoeksmethode? en; (2) is de GKT een efficiënte onderzoeksmethode? Om deze vragen te kunnen beantwoorden, moeten de begrippen effectiviteit en efficiëntie worden geoperationaliseerd, omdat niet direct duidelijk is aan welke criteria nieuwe opsporingsmethoden moeten worden getoetst om de effectiviteit en efficiëntie te bepalen.
In paragraaf 3 wordt de betekenis van effectiviteit in relatie tot opsporingsmethoden verder uitgewerkt. De effectiviteit van de methode is de vraag naar de doeltreffendheid: bereikt de methode zijn doel en zo ja in welke mate? De betrouwbaarheid en validiteit van een opsporingsmethode zijn belangrijke onderdelen om te bepalen of en in welke mate de opsporingsmethode zijn doel bereikt (i.e. of de methode effectief is). Om het toetsingskader op (neuro)geheugendetectie toe te kunnen passen, wordt eerst de instrumentele zijde van de GKT beschreven. De betrouwbaarheid en validiteit van (neuro)geheugendetectie zijn enkel te beoordelen als de hypotheses en afname van de test tot in de details bekend zijn. Daarom wordt van zowel het opstellen van de GKT – hoe en welke onderwerpen worden voor de meerkeuzevragen geselecteerd – als het afnemen van de test punten van aandacht besproken (paragrafen 3.2 en 3.3). Deze aandachtspunten moeten in ogenschouw worden genomen om de GKT betrouwbaar en valide op te stellen en af te nemen. Deze procedurele voorwaarden worden in paragraaf 3.4 op een rij gezet. Die paragraaf geeft derhalve een overzicht van verplichte randvoorwaarden om (neuro)geheugendetectie op zulk een manier te gebruiken in het strafprocesrecht zodat de test betrouwbaar en valide, dat wil zeggen efficiënt, kan worden ingezet. Als aan deze formele vereisten niet is of kan worden voldaan, heeft het gebruik van (neuro)geheugendetectie in het strafprocesrecht geen zin. Dit laat echter de vraag onbeantwoord of de test, indien hij wel op een correcte manier wordt afgenomen, valide en betrouwbare resultaten oplevert. Het antwoord op die vraag volgt in paragraaf 3.5. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en validiteit van de GKT worden de classificatieresultaten – i.e. de grootte van de kans dat een persoon correct als (on)schuldig wordt beoordeeld op grond van de methode – uit wetenschappelijk onderzoek met de GKT gepresenteerd. Wat is de kans dat een (on-) schuldig persoon daadwerkelijk als (on)schuldig wordt beoordeeld door de test, als de test op een correcte wijze wordt afgenomen?
Effectiviteit is echter niet de enige maatstaf die van belang is om een opsporingsmethode op zijn mogelijke bijdrage aan de waarheidsvinding te beoordelen. Een opsporingsmethode die altijd precies weergeeft hoe en door wie een strafbaar feit is gepleegd, is voor de praktijk toch niet geschikt als het eenmaal inzetten van die methode bijvoorbeeld het volledige jaarbudget van de politie verbruikt. Naast de effecten van de methode is het daarom ook belangrijk de efficiëntie van de methode te bekijken. In paragraaf 4 wordt een overzicht gegeven van aandachtspunten van de efficiëntie van een opsporingsbevoegdheid. In de daaropvolgende paragraaf (4.1) worden de opgestelde aandachtspunten toegepast op de GKT.