Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.7.8.3:II.7.8.3 Stille cessie
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.7.8.3
II.7.8.3 Stille cessie
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS492983:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
I.H.T. Reiniers, Effecten van effectisering; BTW-consequenties van de securitisatie van hypothecaire vorderingen, Deventer: Kluwer 2007, p. 44.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het komt voor dat partijen een overdracht respectievelijk overname van schuldvorderingen overeenkomen, maar daarvan geen mededeling doen aan de debiteuren. In dat geval wordt gesproken van een stille cessie. Omdat de debiteur niet van de overdracht op de hoogte is, kan hij bevrijdend blijven betalen aan de oorspronkelijke crediteur en kan de cessie niet aan hem tegengeworpen worden (artikel 3:94, lid 3, BW). Bij securitisaties is stille cessie het uitgangspunt (zie par. 7.2.3). Ervan uitgaande dat de stille cessie geschiedt tegen de economische waarde van de vorderingen, rijst de vraag of de overnemer ondernemer kan worden vanwege het verlenen van krediet aan de debiteuren, net als bij een cessie waarvan mededeling is gedaan (zie par. 7.6). Daarvoor is in elk geval nodig dat een rechtsbetrekking bestaat tussen de overnemer en de debiteuren op grond waarvan de overnemer krediet verleent en de debiteuren gehouden zijn een vergoeding te betalen. Twijfel is mogelijk of dergelijke rechtsbetrekkingen kunnen worden aangenomen tussen een overnemer van schuldvorderingen en de debiteuren daarvan zolang die debiteuren niet beter weten dan dat zij een kredietrelatie hebben met de oorspronkelijke kredietverschaffer.
Zolang debiteuren niet bekend zijn met een cessie, ligt het naar mijn mening het meest voor de hand de rechtsbetrekkingen met de debiteuren te blijven construeren via de oorspronkelijke kredietverschaffer. Reiniers stelt dat dit via de commissionairsfictie van artikel 4, lid 4, Wet OB 1968 kan verlopen.1 Dit betekent dat de overnemer wordt geacht krediet te verlenen aan de oorspronkelijke crediteur, die op zijn beurt het krediet blijft verlenen aan de debiteuren. Hoewel een oorspronkelijke crediteur niet echt een commissionair is, welke een overeenkomst op eigen naam maar op order en voor rekening van een ander, de overnemer, sluit, is het wel een praktisch werkbare oplossing.