Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/386:386 Andersluidende partijbedingen
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/386
386 Andersluidende partijbedingen
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 15-05-2026
- Datum
15-05-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD105919:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit volgt uit HR 16 september 1988, NJ 1989, 10 (Onderdrecht/FGH en PHP). Zie over deze mogelijkheid om de overgang van een hypotheekrecht uit te sluiten, met verdere verwijzingen, Timmerman 2002.
Zie hiervóór par. 6.4.4.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Partijen hebben de vrijheid om te bepalen dat een recht van pand, hypotheek of borgtocht na overgang van de door een dergelijk recht verzekerde vordering niet door de verkrijger van die vordering kan worden uitgeoefend. Hebben partijen dit bepaald, dan kan de verkrijger van de vordering het recht niet uitoefenen.1
Of partijen zulks zijn overeengekomen moet worden vastgesteld door uitleg van hetgeen zij te dien aanzien zijn overeengekomen in de betreffende akte of overeenkomst. Het gaat daarbij in het bijzonder om uitleg van de omschrijving van de vorderingen tot zekerheid waarvoor het zekerheidsrecht is gevestigd.
Analoog hieraan staat het partijen vrij om overeen te komen dat een recht van pand, hypotheek of borgtocht niet kan worden uitgeoefend door de houder van een pandrecht op de door het zekerheidsrecht verzekerde vordering. Of partijen dit zijn overeengekomen zal op dezelfde wijze door uitleg moeten worden vastgesteld.
Partijen kunnen niet met werking jegens een beslaglegger of curator overeenkomen dat beslag op een vordering op naam niet mogelijk is en/of dat de vordering niet door een beslaglegger kan worden geïnd.2 Zou die mogelijkheid wel bestaan dan zouden zij door een enkel beding de wettelijke verhaalsmogelijkheden van hun schuldeisers kunnen beperken. Het staat partijen mijns inziens, om dezelfde reden, evenmin vrij om met werking jegens een beslaglegger overeen te komen dat deze aan de vordering verbonden afhankelijke zekerheidsrechten niet kan uitoefenen.