Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/1.3.2
1.3.2 Relevantie van het onderzoek
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS390335:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Daaronder begrepen beroepsbeoefenaren.
Van der Sangen & Zaman 2012, p. 157.
Europese Raad van Lissabon (2000), ‘Conclusies van het voorzitterschap’, punt 5 en Commissie van de Europese Gemeenschappen (2003), ‘Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement; modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie – Een actieplan’, Brussel 21 mei 2003, COM (2003) 284 definitief.
Zie hierover o.a. Boschma 2013 en in meer kritische zin McCahery & Vermeulen 2005.
Door Wuisman wordt dit verschijnsel aangeduid als ‘jurisdictionele competitie’. Zie Wuisman 2011, p. 11.
De relevantie van dit onderzoek komt voort uit het in de samenleving/beroepspraktijk ervaren probleem (zoals omschreven in paragraaf 1.2) en de noodzaak voor dit probleem een oplossing te vinden. Een belangrijke functie van het ondernemingsrecht is immers het bevorderen van ondernemerschap. Het aanreiken van een passende rechtsvorm aan ondernemers1 speelt daarbij een belangrijke rol. Zoals Van der Sangen en Zaman het treffend verwoorden:
‘Het ondernemingsrecht dient rechtsvormen aan te bieden tegen aanvaardbare kosten voor oprichting, instandhouding en regulering van de interne verhoudingen, afhankelijk van de wijze waarop de ondernemers de rechtsvorm van de onderneming wensen te organiseren.’2
Of, zoals de minister het stelt in zijn brief aan de Tweede Kamer van 15 december 2011:
‘Het doel van wetgeving op het terrein van het vennootschapsrecht is enerzijds om ondernemers een juridische infrastructuur te bieden waardoor zij in staat worden gesteld hun activiteiten ten volle te ontplooien en anderzijds om de bij de vennootschap betrokkenen- vennoten respectievelijk aandeelhouders, crediteuren- voldoende bescherming te bieden tegen (machts)misbruik.’3
Bovendien heeft de Nederlandse wetgever, mede met het oog op de Lissabonstrategie en het actieplan voor de modernisering van het vennootschapsrecht van de Europese Unie,4 het bevorderen van de aantrekkelijkheid van Nederland (als vestigingsland) voor ondernemers hoog op de agenda staan.5 Zeker nu er een tendens te zien is van beroepsbeoefenaren die hun heil zoeken in een buitenlandse rechtsvorm zoals de LLP,6 is het ook in dat kader relevant om kritisch te (blijven) kijken naar hun wensen en het (voor hen) beschikbare palet aan rechtsvormen.