De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht
Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/2.4.3.0:2.4.3.0 Introductie
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/2.4.3.0
2.4.3.0 Introductie
Documentgegevens:
Datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- JCDI
JCDI:ADS374088:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:288, met conclusie ECLI:NL: PHR:2016:853 en ECLI:NL:PHR:2016:885.
Zie EHRM 24 november 2005, nr. 49429/99 (Capital Bank AD vs. Bulgarije).
Zie onder meer HR 8 november 1991, NJ 1992/277, r.o. 3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het behoeft geen betoog dat het proces van belangenafweging zuiver moet plaatsvinden: ieders belangen moeten van tevoren duidelijk zijn. Als algemeen uitgangspunt – en tevens als waarborg – geldt daarvoor het vereiste wettelijke kader met bevoegdheden dat de toezichthouders de mogelijkheden geeft tot inmenging in het persoonlijke domein van burgers en bedrijven (art. 8 EVRM).1 Hiermee samenhangend, geldt volgens het legaliteitsbeginsel dat een rechtvaardige inmenging in het eigendomsrecht slechts kan plaatsvinden als naast de wettelijk bepaalde inbreukmogelijkheid, de belastingplichtige kan beschikken over een rechtsmiddel om zich tegen de inbreuk op het beschermde recht te verzetten.2
Het individuele belang kan per situatie verschillen (zie par. 2.4.2). Het afwegen van die belangen kan zoals gezegd leiden tot verschillen in de medewerkingsverplichting: per toezichthouder en zelfs per situatie waarin dezelfde toezichthouder gegevens opvraagt.
Door het delen van gegevens met andere toezichthouders kan een toezichthouder op een indirecte wijze over gegevens beschikken waarvoor zijn eigen juridische kader en belangenafweging geen directe mogelijkheid biedt. Daar kom ik nog uitgebreid op terug (zie par. 6.3).
Een voorbeeld ter illustratie.
De Belastingdienst heeft de bevoegdheid om in het kader van de controle van een internationaal concern gegevens op te vragen van gelieerde buitenlandse vennootschappen (ex artt. 47 en 47a AWR). Deze gegevens kunnen ook relevant zijn voor het toezichthouden op het naleven van andere wet- en regelgeving (bijvoorbeeld mededingingswetgeving). De bevoegdheden van andere toezichthouders zijn echter beperkt tot de binnenlandse onder toezicht gestelden (ex art. 5:13 Awb). Wanneer een andere toezichthouder over deze gegevens uit de dossiers van de Belastingdienst de beschikking krijgt, dan heeft hij op indirecte wijze gebruik gemaakt van verderstrekkende bevoegdheden dan volgens de wetgever bij zijn taak ‘passend en geboden’ zijn.
Ook is het mogelijk dat het andere belang mogelijkerwijs bij de eerste gegevensverstrekking niet eens onderkend wordt of zelfs niet eens aanwezig was.
Degene die informatie verstrekt aan een toezichthouder moet echter niet in zijn transparantie worden weerhouden door de onzekerheid of de inlichtingen en bescheiden worden gebruikt anders dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de toezichthoudende taak (art. 2:5 Awb). Dit geldt onverkort voor de Belastingdienst.3 In de vorige paragraaf gaf ik al aan dat de Belastingdienst de verkregen gegevens en inlichtingen vanuit de belangenafweging alleen kan aanwenden voor de uitoefening van zijn taak, te weten de belastingheffing. Om het proces van belangenafweging juist te laten plaatsvinden geldt als waarborg dat degene die gegevens verstrekt aan een toezichthouder erop moet kunnen vertrouwen dat die alleen worden gebruikt voor een juiste en doelmatige uitvoering van die taak. De waarborgen van (1) de doelgebonden vertrouwelijke behandeling en (2) de rechtsbescherming zijn dan ook van wezenlijk belang voor het rechtvaardig uitoefenen van toezichtshandelen.