Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/1.1
1.1 Introductie van het onderwerp en aanleiding voor het onderzoek
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS456754:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zo loopt bij het WODC sinds enkele jaren een onderzoek naar het gebruik van neuropsychologische methoden in strafzaken. Een overzicht van de resultaten van dat onderzoek zijn onder andere te vinden in: C.H. de Kogel & L. Westgeest, ‘Neurobiologische informatie in strafzaken’, NJB 2013, 45, p. 3132-3136.
Rechtbank Zutphen 9 november 2007, ECLI:NL:RBZUT:2007:BB7529 en Rechtbank ’s- Hertogenbosch 5 september 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BB2861. Zie daarover ook E. Aharoni, C. Funk, A. Sinnott-Armstrong & M. Gazzaniga, ‘Can Neurological Evidence Help Courts Assess Criminal Responsibility? Lessons from Law and Neuroscience’, Annals of the New York Academy of Sciences 2008, 1124, p. 145-160 en S. Batts, ‘Brain lesions and their implications in criminal responsibility’, Behavioral Sciences and the Law 2009, 2, p. 261-272 en S. Morse, ‘Brain Overclaim Syndrome and Criminal Responsibility: A Diagnostic Note’, Faculty Scholarship Paper 2006, 117, http://scholarship.law. upenn.edu/faculty_scholarship/117, laatst geraadpleegd op 6 januari 2017.
Hof ’s-Gravenhage 22 februari 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7187. Zie daarover ook J.L. Müller, ‘Psychopathy – an Approach to Neuroscientific Research in Forensic Psychiatry’, Behav. Sci. Law 2010, 2, p. 129-147 en S. Morse, ‘Mental Disorders and Criminal Law’, Journal of Criminal Law and Criminology 2011, 3, p. 886-968 en G. Meynen, ‘A neurolaw perspective on psychiatric assessments of criminal responsibility: Decisionmaking, mental disorder, and the brain’, International Journal of Law and Psychiatry 2013, 2, p. 93-99.
R.J. Bonnie, D.T. Chen & C.P. O’Brien, ‘The Impact of Modern Neuroscience on Treatment of Parolees: Ethical Considerations in Using Pharmacology to Prevent Addiction Relapse’, 2008, http://ssrn.com/abstract=1758835 or http://dx.doi.org/10.2139/ssrn. 1758835, laatst geraadpleegd op 13 april 2015 en A. Lamparello, ‘Using Cognitive Neuroscience to Predict Future Dangerousness’, Columbia Human Rights Law Review, 2011, 2, p. 481-539 en A.L. Glenn & A. Raine, ‘Neurocriminology: implications for the punishment,prediction and prevention of criminal behavior’, Nature Reviews Neuroscience 2014, 1, p. 54-63.
Met invasieve technieken: K. Fountas & J. Smith, ‘Historical Evolution of Sterotactic Amygdalotomy for the management of Severe Aggression’, J. Neurosurg 2007, 4, p. 710- 713 en C.C. Joyal, D.N. Black & B. Dassylva, ‘The Neuropsychology and Neurology of Sexual Deviance. A Review and Pilot Study’, Sex Abuse 2007, 2, p. 115-173 en H.T. Greely, ‘Direct Brain Interventions to “Treat” Disfavored Human Behaviors: Ethical and Social Issues’, Clinical Pharmacology and Therapeutics 2012, 2, p. 163-165 en N.A. Vincent, ‘Neurolaw and direct brain interventions’, Crim Law Philos 2014, 8, p. 43-50. Voor de non-invasieve neurofeedback-methode: P. Smith & M. Sams, ‘Neurofeedback with juvenile offenders: A pilot study in the use of QEEG-based and analog-based remedial neurofeedback training’, Journal of Neurotherapy 2005, 3, p. 87-99 en D.C. Hammond, ‘What is Neurofeedback: An Update’, Journal of Neurotherapy 2011, 4, p. 305-336.
B. Verschuere, G. Ben-Shakhar & E. Meijer (eds.), Memory Detection: Theory and Application of the Concealed Information Test, Cambridge: Cambridge University Press 2011.
J.P. Rosenfeld, ‘“Brain Fingerprinting”: A critical analysis’, The Scientific Review of Mental Health Practice 2005, 1, p. 21.
E. Elaad, A. Ginton & N. Jungman, ‘Detection Measures in Real-Life Criminal Guilty Knowledge Tests’, Journal of Applied Psychology 1992, 5, p. 757-767.
E.H. Meijer, F.T.Y. Smulders & A. Wolf, ‘The Contribution of Mere Recognition of the P300 Effect in a Concealed Information Test’, Appl. Psychophysiol Biofeedback 2009, 34, p. 221-226.
Ik gebruik de afkorting GKT waar ik spreek over het scala aan geheugendetectiemethoden. Ik gebruik neurogeheugendetectie wanneer het enkel de neuropsychologische variant van de methode betreft. Ik gebruik (neuro)geheugendetectie wanneer zowel de fysiologische als de neurologische variant van de methode wordt bedoeld. Op het verschil wordt later in hoofdstuk 2 ingegaan.
In India is de GKT gebruikt in verschillende strafzaken, zie bijvoorbeeld Rechtbank Pune (India) 12 juni 2008, nr. 508/07. Maar de Supreme Court of India heeft het gebruik van de GKT in strijd met de constitutie geacht: Supreme Court of India 5 mei 2010, nr. 1267/2004.
Geheugendetectie kan overigens ook met fysieke meetinstrumenten worden afgenomen, bijvoorbeeld door hartslag, ademhaling en zweetproductie te monitoren. Bij het gebruik van elektro-encefalografie als methode is sprake van neurogeheugendetectie, anders betreft het een ‘normale’ geheugendetectie.
Deze discussie komt regelmatig terug. Bijvoorbeeld bij de introductie (en de uitbreiding) van het DNA-onderzoek, het gebruik van technologische hulpmiddelen om te observeren en communicatie te onderscheppen en de mogelijkheden die computers bieden bij de opslag en analyse van data. Zie onder andere E. Myjer, Van duimschroefnaar bloedproef, Deventer: Kluwer, 1978 en Th. de Roos, ‘Slachtoffer, verdachte en de DNA-proef’, Nemesis 1990, 3, p. 123-129 en J.M. Reijntjes, ‘Rondom DNA: Over opsporing en bewijsvoering’, RM Themis 1991, p. 267-284 en J.H. Moor, ‘Towards a Theory of Privacy in the Information Age’, Computers and Society 1997, 1, p. 27-32 en Y. Buruma, Buitengewone opsporingsmethoden, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, p. 6 en E.J. Koops, ‘Tijd voor Computercriminaliteit III’, NJB 2010, 36, p. 2461-2466 en P.H.P.H.M.C. van Kempen & M.G.J.M. van der Staak, Een meewerkverplichting bij grootschaligDNA-onderzoek in strafzaken?, Deventer: Kluwer 2013.
‘For the law, neuroscience changes nothing and everything.’
– Joshua Greene & Jonathan Cohen (titel artikel) (2004)
De kennis over de structuren en de werking van de hersenen is de afgelopen decennia sterk toegenomen, mede dankzij technologische ontwikkelingen die het mogelijk maken de hersenen in levende en actieve toestand goed in beeld te brengen. De ontwikkeling in de neuropsychologie is ook voor het straf- (proces)recht belangrijk.1 Zo zijn in Nederland al verschillende strafrechtszaken geweest waarin in vivo hersenbeeldvorming een rol speelde, dit zijn methoden waarbij de hersenen in actie, in levende werking (in tegenstelling tot post mortem onderzoek) worden geobserveerd. Hersenonderzoek kan bijvoorbeeld behulpzaam zijn bij het bewijzen van subjectieve bestanddelen2 en bij de beoordeling van de (on)toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.3 Ook voor het penitentiaire recht bieden neuropsychologische methoden interessante mogelijkheden, bijvoorbeeld bij het onderzoek naar het voorspellen van het recidivegevaar4 en het vaststellen en/of behandelen van een stoornis.5
In de neuropsychologische wetenschap wordt daarnaast veel onderzoek gedaan naar onder andere geheugen- en leugendetectie met fMRI en EEG.6 Ook deze tak van de wetenschap is uitermate interessant voor het straf(proces) recht, en dan met name de opsporingsfase. Geheugen- en leugendetectie kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de waarheidsvinding. In het geheugen van de dader zijn herinneringen over het strafbare feit opgeslagen, en wat is voor de waarheidsvinding mooier dan die herinneringen direct te raadplegen zonder dat de persoon hoeft te spreken? En als de verdachte (of getuige) wel spreekt, kan de vaststelling van de waarheidsgetrouwheid met een neuropsychologische leugendetectie ook de waarheidsvinding versterken. In verschillende landen worden in een strafrechtelijke context de zojuist (zeer kort aangestipte) methoden gebruikt.
Hoogstwaarschijnlijk wordt op enig moment in een Nederlandse strafzaak door een officier van justitie of een advocaat geroepen dat een geheugendetectietest, die bekend staat onder de namen ‘Brain Fingerprinting’,7 ‘Guilty Knowledge Test’ (GKT)8 en ‘Concealed Information Test’ (CIT)9,10 moet worden afgenomen.11 Geheugendetectie onderzoekt het geheugen van een persoon door hersenactiviteit12 bij een herinneringstaak in kaart te brengen. In een strafrechtelijke context wordt met deze test onderzoek gedaan naar het ‘schuldige geheugen’ van een persoon. Meer specifiek, met deze test kan worden onderzocht of een persoon bepaalde daderkennis (bijvoorbeeld het moordwapen en specifieke details van de plaats delict of het slachtoffer) eerder heeft gezien of dat hij de informatie voor het eerst waarneemt. Onderzoek naar het geheugen van burgers kan voor de waarheidsvinding in het straf(proces)recht een belangrijk middel zijn om enerzijds belastend bewijs over betrokkenheid bij een bepaald delict te verkrijgen, anderzijds om te voorkomen dat een persoon ten onrechte wordt veroordeeld. Veel specifieke, niet bij het grote publiek bekende daderkennis eerder te hebben waargenomen, is een (sterke) aanwijzing voor betrokkenheid bij het strafbare feit. Afwezigheid van daderkennis is een (sterk) ontlastende aanwijzing. Het introduceren van een nieuwe, revolutionaire methode heeft echter niet alleen een instrumentele zijde. Met deze test wordt de ‘essentie’ van de mens, zijn kennis en herinneringen opgeslagen in het neurale netwerk, object van onderzoek `in een strafzaak. Is het wenselijk dat zo’n bevoegdheid in de strafvordering wordt opgenomen? Hoe verhoudt (neuro)geheugendetectie zich met verschillende mensenrechten zoals het zwijgrecht en het recht op privacy?
De wetenschap in de biologie en neuropsychologie heeft zich de afgelopen decennia sterk ontwikkeld en blijft zich ontwikkelen. Nieuwe wetenschappelijke methoden zijn vaak, in vergelijking met bijvoorbeeld het stelselmatige observeren en het afluisteren, relatief eenvoudig (qua tijd en dwang) te gebruiken strafvorderlijke instrumenten. Voor een DNA-analyse is een korte beperking van de fysieke vrijheid en een lichte inbreuk op de lichamelijke integriteit (als onderdeel van het recht op respect voor privacy noodzakelijk. De beperking duurt slechts zolang nodig is om het te analyseren lichaamsmateriaal af te nemen, waarschijnlijk amper enkele minuten. Voor bijvoorbeeld het stelselmatig observeren of tappen van de verdachte en zijn omgeving, zijn veel meer arbeidsuren noodzakelijk dan voor het afnemen en analyseren van lichaamsmateriaal. Maar, met het stelselmatig observeren van de verdachte kan een compleet beeld van zijn leven worden gekregen, terwijl met een DNA-analyse alleen een compleet beeld van de biologische opbouw van een persoon wordt verkregen. Het opslaan van het DNA-profiel in een databank om daarop in de toekomst nadere analyses los te laten, levert echter weer een andere, grotere inbreuk op grondrechten op. In ieder geval wordt hiermee duidelijk dat elke opsporingsmethode andere inbreuken, van verschillende grootte, op grondrechten maakt.
Hiervoor werd ook al kort aangestipt dat moderne opsporingsmethoden de rechtsbescherming op een andere, onduidelijkere manier onder druk zetten dan ‘traditionele’ strafvorderlijke instrumenten, terwijl die nieuwe methode meestal naar voren wordt gebracht als sterke vooruitgang voor de waarheidsvinding.13 Voor de (neuro)geheugendetectie in het bijzonder kan worden gedacht aan problematiek die tijdens een verhoorsituatie ontstaat. Bij een verhoor is het gebruikelijk dat een verdachte het zwijgrecht heeft en rechtsbijstand mag eisen als rechtsbeschermende elementen. Maar hoe moeten traditionele rechtsbeschermende waarden worden gehanteerd bij moderne onderzoeksmethoden zoals geheugendetectie met fMRI en EEG? Telt het stellen van vragen aan het brein, zonder dat van de verdachte verbale antwoorden worden verwacht, als een verhoor? Zo ja, zou bij neuropsychologische onderzoeksmethoden het zwijgrecht dan onverkort moeten gelden? Kan het brein zwijgen? Mag de raadsman het neuropsychologische ‘verhoor’ bijwonen? Voordat de GKT, of andere nieuwe, revolutionaire onderzoekstechnieken, in het strafprocesrecht worden geïntroduceerd, is het belangrijk te bekijken of en hoe de nieuwe opsporingsbevoegdheid past in het strafprocesrecht.