Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.2.2.2:8.5.2.2.2 De schriftelijke en mondelinge behandeling
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.2.2.2
8.5.2.2.2 De schriftelijke en mondelinge behandeling
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS451688:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 5, zesde lid, sub c, ESM-verdrag.
Handelingen II 2011/12, 86, 3, p. 11.
Handelingen II 2011/12, 86, 3, p. 12.
Handelingen II 2011/12, 86, 3, p. 13.
Handelingen II 2011/12, 87, 5, p. 19.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-20, 590; Handelingen II 2011/12, 33, 8, p. 87; Handelingen II 2011/12, 34, 4, p. 24.
Kamerstukken II 2011/12, 33221, 9; Handelingen II 2011/12, 87, 5, p. 7.
Handelingen II 2011/12, 87, 9, p. 25.
Artikel 4, vierde lid, ESM-verdrag.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook bij de schriftelijke en mondelinge behandeling van de wetsvoorstellen kwam de positie van het parlement bij het verlenen van steun en bij het ophogen van het kapitaal steeds opnieuw aan de orde. De rol van de Staten-Generaal bij een steunbesluit werd hierbij nader ingevuld. In een discussie kwam de vraag aan de orde wat er moest gebeuren indien steun werd verleend voor een hoger bedrag dan het gestorte kapitaal. Zoals gezegd verplichtte Nederland zich bij instemming met het ESM-verdrag tot een steunplafond van 40 miljard euro. Slechts een deel hiervan werd daadwerkelijk gestort, het overige was opvraagbaar. Het opvragen van dat overige kapitaal is op grond van het ESM-verdrag aan de raad van gouverneurs, met daarin de minister van Financiën, die hierover besluiten nemen in onderlinge overeenstemming.1
De Jager stelde in een reactie op vragen hierover dat in dat geval garanties worden omgezet in gestort kapitaal, waarvoor een suppletoire begroting is vereist.2 Aangezien het parlement moet instemmen met een suppletoire begroting, zou dit de positie van de Staten-Generaal versterken. Direct voegde De Jager daar echter aan toe dat het hierbij gaat om formele instemming, waarvoor al een voorwaardelijke verdragsverplichting geldt zodra met het ESM-verdrag is ingestemd en de minister van Financiën binnen de raad van gouverneurs met de ophoging van niet-gestort kapitaal heeft ingestemd. Nederland behoort aan die verdragsverplichting te voldoen. Hoewel de minister toezegde altijd zo snel mogelijk te komen met een suppletoire begroting, hoefde die volgens hem daarom niet langs het parlement voordat steun kan worden verleend.3 Ondanks de noodzaak van een suppletoire begroting bij het verlenen van steun voor het meerdere dan reeds gestort is, leverde dit dus nog steeds geen instemmingsrecht op voor het parlement bij dit type steunbesluiten. Dit riep de vraag op wat er zou gebeuren op het moment dat het parlement zou instemmen met het ESM-verdrag, maar dat het, op het moment dat steun wordt verleend vanuit het ESM en er in dit kader een suppletoire begroting nodig is, die begroting niet zou goedkeuren.4 De Jager stelde dat Nederland ook dan aan de financiële verplichting moet voldoen. Het parlement stemde met de goedkeuring van het ESM-verdrag dus in met de daaraan gekoppelde financiële verplichtingen. Bij steunverzoeken zou het parlement, ondanks de noodzaak van een suppletoire begroting bij bedragen die het gestorte te boven gaan, geen voorafgaand instemmingsrecht hebben. Wel zou de minister van Financiën akkoord moeten gaan met een verzoek om steun binnen de reguliere procedure en met een opvraging van niet-gestort kapitaal, waardoor overleg met de Staten-Generaal voor de hand zou liggen.
Ook werden er tijdens de behandeling van de wetsvoorstellen veel vragen gesteld over de hierboven beschreven spoedstemprocedure. In dat geval kan de Nederlandse minister van Financiën worden overstemd door andere ministers. Dit leverde volgens het kabinet geen problemen op voor het budgetrecht, nu het parlement het ESM-verdrag zelf diende goed te keuren.5 Ook stelde De Jager:
‘Er wordt heel veel gesproken over het vetorecht. In normale situaties heeft Nederland vetorecht bij steunverlening, maar er kan ook sprake zijn van een noodprocedure. Er wordt gezegd dat de minister-president en ik anders hadden moeten onderhandelen, maar wij hebben dit op verzoek van de Kamer in de huidige samenstelling op deze manier gedaan. De Kamer zei namelijk dat het ESM wel slagvaardig moet zijn. Als wij de brandweer vragen om uit te rukken in uiterste noodsituaties, moet niet iedereen in het dorp daarvoor in alle situaties toestemming geven. Als een of twee kleine landen er moeite mee hebben en een vetorecht hebben, kan dat de bestrijding van de Europese brand ernstig belemmeren. De Kamer heeft het kabinet uitdrukkelijk verzocht om die boodschap in Europa over te brengen. Daar was een aantal partijen het toen al niet mee eens, voor alle duidelijkheid, maar de grote meerderheid van de Kamer vond deze slagvaardigheid belangrijk en wilde die in de conceptteksten verwerkt zien; het verdrag en de maatregelen hebben hier eerder al in concept gelegen. Het kabinet dient de wensen van de meerderheid van de Kamer te respecteren en wist zich de afgelopen maanden steeds gesteund door die meerderheid, juist ook op dit punt […].’6
De Jager kon hierbij wijzen op het verwerpen van een motie die al tijdens de totstandkoming van het ESM was voorgesteld en die de regering verzocht om vast te houden aan unanimiteit bij de belangrijkste besluiten van het ESM.7 Ook tijdens de behandeling van het ESM-verdrag werd de regering in een motie opgeroepen om alsnog het vetorecht van Nederland in het verdrag vast te leggen door de onderhandelingen hierover te heropenen.8 Deze motie was hetzelfde lot toegedaan.9
De spoedstemprocedure riep ook de vraag op wanneer die precies gevolgd zou moeten worden. Het ESM-verdrag geeft aan dat die procedure van toepassing is als zonder snel steunbesluit de duurzaamheid van de eurozone in gevaar kan komen.10 Of hiervan sprake is, bepalen de Europese Commissie en de ECB. Een van de voorwaarden voor steun is echter überhaupt dat dit ‘onontbeerlijk is om de financiële stabiliteit van de eurozone in haar geheel en van de lidstaten ervan te vrijwaren’.11 De SP-fractie vroeg zich dan ook af wat precies moet worden verstaan onder het begrip ‘onontbeerlijk’ en wanneer er sprake is van een noodsituatie waarin de spoedstemprocedure kan worden toegepast.12 Met een sluitend antwoord op deze vraag kwam de regering niet. Zij stelde slechts dat het onderscheid hiertussen primair zit in het acute karakter van een noodsituatie.13 Er dient dan direct gehandeld te worden omdat de dreiging acuut is, aldus de regering. Een nadere invulling van de begrippen was volgens de regering uiteindelijk aan het Hof van Justitie, die op grond van het ESM-verdrag geschillen daarover kan beslechten.