De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.12.3.1.2:III.12.3.1.2 Vormgeving intrekkingsbevoegdheid
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.12.3.1.2
III.12.3.1.2 Vormgeving intrekkingsbevoegdheid
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS376507:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 7 lid 2 WWM.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De twee onderzochte wetten bevatten beide zowel gebonden als discretionaire intrekkingsbevoegdheden. In de WWM is slechts een beleidsvrije bevoegdheid tot intrekking opgenomen. Daarvoor is door de wetgever gekozen, nu bij intrekking in een concreet geval een proportionaliteitstoets wenselijk werd geacht. Dit heeft er mee te maken dat volgens de wetgever de ernst van de feiten die tot intrekking kunnen leiden dermate verschillen, dat een afweging in het concrete geval wenselijk is. Een ander argument was dat in de WWM zowel de bevoegdheid tot wijziging als de bevoegdheid tot intrekking in een en dezelfde bepaling is neergelegd.1 De wetgever achtte het dan ook wenselijk dat wanneer intrekking niet noodzakelijk was, volstaan kon worden met een wijziging.2 In de DHw daarentegen, zijn de intrekkingsbevoegdheden soms gebonden, soms discretionair geformuleerd. Voor een beleidsvrije bevoegdheid tot intrekking wordt gekozen in gevallen waarin de wetgever het wenselijk acht dat, gelet op het evenredigheidsvereiste, in een concreet geval kan worden afgezien van intrekking. Ten aanzien van art. 31 lid 2 DHw heeft de wetgever bijvoorbeeld overwogen dat niet iedere overtreding hoeft te leiden tot intrekking van de vergunning.3
In de onderzochte wetten komen soms dezelfde intrekkingsgronden voor. Gedacht kan worden aan de intrekking vanwege het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens door de aanvrager, intrekking wegens overtreding van (vergunning)voorschriften en intrekking wegens het niet meer voldoen aan bepaalde bij of krachtens de wet gestelde eisen. Nadere bestudering van de intrekkingsregelingen leert echter dat de wetgever in de ene wet een bepaalde intrekkingsgrond een gebonden karakter geeft en in een andere wet een discretionair karakter. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het de intrekking vanwege het door de aanvrager verstrekken van onjuiste dan wel onvolledige informatie betreft. In de DHw is dit een gebonden bevoegdheid. Als dus blijkt dat de op grond van die wetten verleende vergunning is verleend ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave, dan moet die vergunning worden ingetrokken. In de WWM daarentegen, is in dat geval intrekking een beleidsvrije bevoegdheid. Gelet op de in art. 7 lid 2 WWM gegeven beleidsvrijheid, kan dus ook van intrekking afgezien worden. Zoals gezegd achtte de wetgever onder de WWM een belangenafweging gewenst en koos om die reden voor een beleidsvrije intrekkingsbevoegdheid. Waarom dat onder de DHw eventueel anders zou liggen, is mij niet duidelijk.