Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10.2.3.1
10.2.3.1 De grondslag van gebondenheid: het samenspel tussen wil, verklaring en vertrouwen
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS380450:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Vormgegeven door Savigny, zie diens System III, p. 258 en 264, in Nederland aangehangen door o.m. Goudsmit, Pandectensysteem I, p. 112 e.v.; C.W. Opzoomer, Het Burgerlijk Wetboek, Verklaard, deel V, ’s-Gravenhage 1891, p. 28 e.v. Zie P.C. Kop, ‘Savigny en de wetenschap van het privaatrecht in Nederland in de negentiende eeuw’, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 1989, p. 120, 131, 132.
Land/De Savornin Lohman 1907, p. 180; Losecaat Vermeer 1913, p. 238 en 242, hoewel volgens de auteur handelingswil vereist is voor een geldige wilsverklaring. Recenter Hijma 1988, p. 32.
Pitlo/Bolweg 1979, p. 199 e.v.; Schoordijk 1984, p. 68 en 89; Eggens, ‘De bronnen van verbintenis’, VPO II, p. 239 en ‘Een man een man, een woord een woord’, VPO II, p. 204.
E.M. Meijers, ‘De grondslag der aansprakelijkheid bij contractueele verplichtingen’, VPO III, p. 83. Zo ook Van der Heijden 1928, p. 41; Bregstein, Preadvies 1936, Verzameld Werk, p. 207; Asser/Rutten 4-II 1982, p. 72; Hofmann & Van Opstall 1959, p. 322 (een omslag ten opzichte van de zevende druk, waarin nog de vertrouwensleer werd aangehangen); Hofmann & Abas 1977, p. 53.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 164 (TM).
Meijers 1948, p. 214-216.
Meijers, ‘De grondslag der aansprakelijkheid bij contractueele verplichtingen’, VPO III, p. 83.
Nieuwenhuis 1979, p. 63-64; Sieburgh 2004, p. 20-21.
Sieburgh 2004, p. 22.
Nieskens-Isphording 1991, p. 24.
Storme 1993, p. 117, 124. Dit hangt ook samen met Nieuwenhuis’ visie op de rechtshandeling als taalhandeling, Nieuwenhuis 1979, p. 82 e.v.
Storme 1993, p. 124. Zie ook Drucker 1882, p. 49.
Van Dunné 1971, p. 198. Hieraan verwant, maar genuanceerder: Van Schilfgaarde 1969, p. 3. Zie ook P. van Schilfgaarde, ‘J.M. van Dunné, Normatieve uitleg van rechtshandelingen’, RM Themis 1976, p. 548-551, waarin hij erkent dat de wilsleer de theoretisch-systematische grondslag van een rechtshandeling is, maar wat betreft het bindend element van de rechtshandeling naast de vrije wil een belangrijke rol ziet voor normatieve toerekening, p. 547, 550.
Bakker 2012, p. 38-39; zie kritisch hierover W.L. Valk, ‘Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm. Proefschrift van mr. P.S. Bakker’, MvV 2014, nr. 1, p. 3.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 877 (MvA II).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 167 (NvW); Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/126.
Zie hierover, naar aanleiding van de discussie over schrapping van het causavereiste in het Franse contractenrecht C.M.D.S. Pavillon, ‘Een nieuw contractenrecht voor Frankrijk’, NTBR 2015/11, par. 2.1.
Nieuwenhuis 1979, p. 72.
Smits 1995, p. 238.
409. Privaatrechtelijke verbintenissen kunnen vrijwillig worden aangegaan en onvrijwillig worden opgelegd. Het instrument dat aan de rechtssubjecten ten dienste staat voor het vrijwillig vormgeven van hun rechtsverhoudingen is de rechtshandeling. De onderliggende vraag is, waarom iemand gebonden is. Is dat omdat hij dat heeft gewild, omdat hij dat heeft verklaard of omdat een ander erop heeft vertrouwd? Drie theorieën leggen het zwaartepunt elk bij een ander van deze elementen.
In de in de negentiende eeuw populaire wilsleer is de primaire grondslag van gebondenheid de wil van partijen.1 Deze wil moet weliswaar naar buiten toe kenbaar zijn, maar het is de wil en niet de verklaring die de rechtshandeling in het leven roept. Als wil en verklaring niet overeenstemmen, ontstaat geen gebondenheid. Een strikte interpretatie van de wilsleer leidt ertoe dat een verklarende niet langer gebonden is als hij van gedachten verandert. De wilstheorie heeft als bezwaar dat de eisen van het rechtsverkeer en de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij worden ondermijnd als niet op de verklaringen van de handelende kan worden afgegaan.2 De verklaringsleer beschouwt de wil als te onbetrouwbaar om als grondslag voor gebondenheid te dienen, nu wilsvorming een innerlijk en niet voor derden kenbaar proces is. Volgens deze theorie is gebondenheid gegrond in de verklaring. Als de interne wil niet (langer) overeenstemt met de verklaarde wil, is de handelende persoon toch gebonden op grond van zijn verklaring. De verklaring vormt het bindende element.3 Strikt doorgevoerd leidt deze leer echter tot onbillijke resultaten, als de wederpartij de verklarende gebonden mag houden aan een verklaring waaraan geen wil ten grondslag ligt en waar de wederpartij evenmin op heeft vertrouwd.4 De vertrouwensleer mitigeert dat bezwaar. Volgens deze leer leidt niet iedere wilsverklaring tot gebondenheid, maar slechts die verklaringen die bij de wederpartij redelijkerwijs het vertrouwen mochten wekken dat de wil van de verklarende overeenstemde met wat hij heeft verklaard.5 Bij de invulling van het ‘redelijk vertrouwen’ spelen de eisen van het maatschappelijk verkeer een rol, evenals een inschatting van de betekenis die een normaal mens onder de gegeven omstandigheden aan de verklaring mocht toekennen. Bovendien wordt rekening gehouden met de goede trouw van de wederpartij. Dat ondervangt een belangrijk bezwaar tegen de verklaringsleer – de handelende persoon wordt niet gebonden aan een verklaring waarvan de wederpartij wist of behoorde te weten dat de handelende persoon iets anders wilde dan in de verklaring tot uitdrukking komt.
410. Uiteindelijk was geen van deze stromingen in onversneden vorm overtuigend. Meijers betoogde dat de grondslag van gebondenheid moest worden verklaard door wil, verklaring en vertrouwen te combineren. Het rechtsgevolg kent een dubbele grondslag, zowel de verklaarde wil als het opgewekte vertrouwen.6 Dit wordt in de artikelen 3:33 en 3:35 BW tot uitdrukking gebracht.7 De wilsvertrouwensleer is een correctie van de wilsleer. Uiteindelijk is volgens Meijers de wil van de verklarende nog steeds het uitgangspunt voor gebondenheid.8 In het normale geval is gebondenheid gestoeld op de naar buiten toe kenbare wil van de verklarende. In het abnormale geval dat wil en verklaring uit elkaar lopen en gebondenheid niet op die basis kan worden aangenomen, geldt als aanvullende grondslag het gerechtvaardigd vertrouwen dat de wederpartij heeft gesteld in de verklaring.9 Nieuwenhuis en Sieburgh hebben zich tegen de idee gekeerd dat één hoofdthema moet worden uitverkoren (het recht op zelfbeschikking), dat bijgestuurd wordt door een tweede beginsel (beschermen van opgewekt vertrouwen).10 Te verkiezen is een denkkader waarin wil, vertrouwen en een derde beginsel, dat van het algemeen belang, naast elkaar staan. Dat neemt niet weg dat het volgens Sieburgh uit oogpunt van wetgevingstechniek en rechtszekerheid gerechtvaardigd is, dat de wetgever ervoor heeft gekozen het zwaartepunt bij de wil te leggen.11 Nieskens-Isphording schrijft dat de kern van het privaatrecht bestaat uit erkenning van de autonomie van het individu, maar dat daaraan niet in de weg staat dat de gemeenschap verbintenissen aan een individu kan opleggen. Dat kan op allerlei gronden, één daarvan is het opgewekte vertrouwen.12
Het vrijwillig aangaan van een verbintenis begint met de wil daartoe van de handelende. De gebondenheid berust echter niet zozeer op wat de handelende persoon gewild heeft, maar op het feit dat hij zijn autonomie heeft uitgeoefend, dat hij vrijwillig een handeling heeft verricht.13 Het feit dat niet de wil op zichzelf, maar de belofte of vrijwillige handeling als grondslag van de gebondenheid geldt, verklaart ook waarom een persoon gebonden is aan rechtsgevolgen van een handeling waar zijn wil niet per se op was gericht. Door het vrijwillig verrichten van een handeling brengt hij zichzelf in een positie waar de wet rechtsgevolg aan vastknoopt.14
411. Een aantal auteurs heeft een alternatief voorgesteld voor de wilsvertrouwensleer. Van Dunné heeft betoogd dat rechtshandelingen normatief moeten worden uitgelegd. Een rechtshandeling is een handeling waardoor krachtens de normen van het geldende recht rechtsgevolgen ontstaan, die de handelende worden toegerekend.15 Meer recent heeft Bakker betoogd dat de redelijkheid en billijkheid als norm voor behoorlijk en fatsoenlijk handelen de grondslag vormen voor het adagium pacta sunt servanda en daarmee voor gebondenheid.16 Hoewel de artikelen 3:33 en 3:35 BW de geest van Meijers’ wilsleer ademen, wordt in de parlementaire geschiedenis ook opgemerkt dat beantwoording van de vraag naar gebondenheid aan de rechtshandeling aan de doctrine wordt overgelaten. Het komt bij de totstandkoming van een overeenkomst aan, op wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen omtrent hun wederzijdse bedoelingen (wil) hebben mogen afleiden en op wat partijen op die grond aan rechtsgevolgen kan worden toegerekend.17 Bovendien wordt aan de rechter de vrijheid gelaten om niet alleen betekenis toe te kennen aan partijwil en -vertrouwen, maar om ook andere normatieve overwegingen een rol te laten spelen.18 Nieuwenhuis baseert gebondenheid aan overeenkomsten op drie beginselen: autonomie, vertrouwen en causa. Het causavereiste geldt naar Nederlands recht niet meer,19 het beginsel (zoals door Nieuwenhuis omschreven) daarentegen oefent nog steeds invloed uit. Vermogensverschuivingen dienen gegrond te zijn, anders moeten ze wegens ongerechtvaardigde verrijking ongedaan gemaakt worden. Een legitimatie voor een vermogensverschuiving is een vermogensverschuiving de andere kant op.20 Smits ziet de oorzaak van gebondenheid aan rechtshandelingen in het wederkerig verband, de samenhang tussen verrichte of nog te verrichten prestaties.21 Smits’ causatheorie vertoont sterke gelijkenis met het Engelse consideration-vereiste.