Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/6.3.7:6.3.7 Rechtsverhouding tussen volmachtgever en een ander dan zijn wederpartij
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/6.3.7
6.3.7 Rechtsverhouding tussen volmachtgever en een ander dan zijn wederpartij
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS600763:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hof Amsterdam 8 februari 1996, NJ 1998/265 (Randstad/Rosenberg Polak q.q.) en de behandeling daarvan bij randnummer 158 hiervoor en zie HR 2 januari 1930, NJ 1930, p. 1254 e.v. (Van Dijk/Bankassociatie).
Tjittes 2001b, p. 14.
HR 11 februari 2000, NJ 2000/294 (Dijkstra/Batstra). Zie randnummer 157.
Vgl. HR 27 januari 1989, NJ 1989/816 (Van den Berg en Van Gestel/Hendriks).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
160. Een door een gevolmachtigde verrichte rechtshandeling zal doorgaans slechts invloed hebben op de rechtspositie van de volmachtgever en diens wederpartij. Die rechtshandeling en de daarvoor relevante kennis kunnen echter ook invloed hebben op de rechtspositie van derden. Voor de revindicerende eigenaar is van belang of de verkrijger ten tijde van de overdracht door de niet-beschikkingsbevoegde bezitter te goeder trouw was (art. 3:86 en 3:88 BW); voor de curator is van belang of de wederpartij van de schuldenaar wetenschap had van benadeling (art. 42 Fw); bij het onrechtmatig profiteren van wanprestatie is voor de gelaedeerde van belang of de laedens wist dat zijn wederpartij wanprestatie pleegde jegens de gelaedeerde. Ten aanzien van de actio pauliana staat buiten kijf dat de kennis van de gevolmachtigde op grond van art. 3:66 lid 2 BW aan de volmachtgever wordt toegerekend1 en ik zie niet in waarom dat voor de andere genoemde gevallen anders zou zijn. De tekst van art. 3:66 lid 2 BW wijst niet op het tegendeel. Steun hiervoor vind ik bij Tjittes2 en bij het BGH, dat in een arrest uit 1960 overwoog dat § 166 BGB bij revindicaties rechtstreeks van toepassing is op de vraag of volmachtgever gestolen goederen te goeder trouw heeft verkregen. Het BGH gaf daarvoor als reden dat de gevolmachtigde een wilsverklaring uit bij het aangaan van (het Duitsrechtelijke equivalent van) de goederenrechtelijke overeenkomst.3
161. Bij de toepassing van art. 3:66 lid 2 BW in de rechtsverhouding tussen de volmachtgever en een derde geldt wat mij betreft echter wel een duidelijke grens. De kennis van de gevolmachtigde kan slechts in aanmerking worden genomen wanneer de rechtshandeling die door die gevolmachtigdeis verricht ter beoordeling voorligt: was de volmachtgever te goeder trouw bij de overdracht van de zaak, had de volmachtgever wetenschap van benadeling bij het aangaan van de koopovereenkomst? De kennis van de gevolmachtigde mag niet op grond van art. 3:66 lid 2 BW worden toegerekend aan de volmachtgever wanneer een andere rechtshandeling ter beoordeling voorligt. Dit illustreer ik aan de hand van het eerder besproken arrest Dijkstra/Batstra.4 De koper van een huis sprak de verkoper aan tot schadevergoeding vanwege verzakking. Het hof had hetgeen de aannemer van de verkoper behoorde te weten – en zou hebben geweten indien hij het vereiste overleg met de gemeente had gevoerd – toegerekend aan de verkoper van het huis op grond van art. 3:66 lid 2 BW. De Hoge Raad oordeelde dat het overleg dat de aannemer had moeten voeren met de gemeente, niet kon worden aangemerkt als een door de aannemer verrichte rechtshandeling. Om het arrest van het hof te kunnen vernietigen, was niet méér nodig dan deze constatering. Maar ook als de aannemer wel een rechtshandeling had verricht, had zijn kennis volgens mij niet aan de verkoper mogen worden toegerekend. Stel dat de aannemer namens de verkoper een overeenkomst met de gemeente had gesloten. In de rechtsverhouding tussen de verkoper en de gemeente zou de kennis van de aannemer dan zijn toegerekend aan de verkoper. Het is echter bepaald niet evident dat die kennis ook aan de verkoper zou zijn toegerekend bij de beoordeling van de koopovereenkomst tussen verkoper en koper. Bij de totstandkoming van de koopovereenkomst en de bepaling van de inhoud daarvan was de aannemer immers niet betrokken. Andersom zou de kennis van de aannemer wellicht wel aan de verkoper zijn toegerekend indien hij de aannemer tijdens de bezichtiging uitgebreid overleg had laten voeren met de koper over bouwtechnische details. Het zou mij niet verbazen indien de Hoge Raad in dat geval wel zou toestaan dat de objectieve kennis van de aannemer aan de verkoper wordt toegerekend, al dan niet bij wijze van analoge toepassing van art. 3:66 lid 2 BW.5 Niet het karakter van de handelingen die de aannemer verrichtte, acht ik uiteindelijk doorslaggevend, maar de rechtsverhouding waarbinnen de aannemer optrad.
162. Meer in het algemeen geldt dat art. 3:66 lid 2 BW niet regelt welke kennis een volmachtgever in absolute zin geacht wordt te hebben. Art. 3:66 lid 2 BW gaat slechts over de beoordeling van een individuele rechtshandeling. De kennis van de gevolmachtigde wordt niet toegerekend aan de volmachtgever in de zin dat de volmachtgever wordt geacht ook in de toekomst die kennis te hebben. Heeft een gevolmachtigde kennis opgedaan bij een eerdere rechtshandeling, dan is die kennis relevant voor de beoordeling van die eerdere rechtshandeling, maar niet voor de beoordeling van een rechtshandeling die een andere gevolmachtigde op een later moment verricht namens dezelfde volmachtgever. Toepassing van art. 3:66 lid 2 BW op andere, latere rechtshandelingen zou ertoe leiden dat de kennis in acht moet worden genomen van iemand die in het geheel geen aandeel heeft gehad in de totstandkoming van de (latere) overeenkomst. Daarvoor biedt art. 3:66 lid 2 BW mijns inziens geen basis. In de Duitse juridische literatuur heeft lange tijd debat bestaan over de vraag of § 166 BGB zich leent voor analoge toepassing op een rechtsverhouding waarin de hulppersoon met de relevante kennis geen rol heeft gespeeld. Zie daarover par. 7.7.4.