Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/5.4.2
5.4.2 De holistische opvatting
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS385299:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Maeijer 1990, p. 465 en Maeijer 2000, p. 282-284.
Mendel 1989, p. 10 en 14 en de reactie van Maeijer 1990, p. 466, daarop.
Ook hierin komt de tegenstelling tussen het (meer Angelsaksische) shareholders- en het (meer Europese) stakeholdersmodel terug.
Delfos-Roy, p. 9-20 en Slagter 2005, par. 2, p. 12-14 en het schema op p. 20. In gelijke zin Hammerstein 2011, p. 600.
Slagter 2005, p. 12.
Assink 2010, p. 47. Dat leid ik ook af uit Assink 2009, p. 60-61. Assink 2010, p. 47, lijkt daarmee afstand te doen van de resultante benadering, die hij eerder verdedigde; zie Assink 2007, p. 79-80.
Eijsbouts & Kemp 2012, p. 129.
Een aantal schrijvers hangt de holistische opvatting van het vennootschappelijk belang aan. Maeijer is aanhanger van het vennootschappelijk belang als een zelfstandig belang. De vennootschap heeft belang bij haar eigen gezonde bestaan, uitgroei en voortbestaan met het oog op het door haar te bereiken doel. Onder dat belang valt ook de continuïteit van de door de vennootschap gedreven onderneming en de daarin werkzame werknemers.1 Mendel heeft een met Maeijer vergelijkbare opvatting en noemt deze opvatting holistisch.2 Ook Delfos-Roy en Slagter zijn onder de holistische opvatting te scharen. Zij stellen dat het belang van de vennootschap wordt bepaald door het vennootschappelijke doel en de continuïteit op de lange termijn. Het maken van winst is een korte termijn gedachte dat een noodzakelijke voorwaarde is van de continuïteit van de vennootschap op lange(re) termijn.3 Het vennootschappelijk belang varieert naar de aard en de omvang van de vennootschap en is geen optelsom van de deelbelangen van de bij de vennootschap betrokkenen, zoals aandeelhouders, werknemers, leveranciers, afnemers, schuldeisers, banken, overheid etc. Daarbij kan niet worden volstaan met een afweging tussen de belangen van de bij de vennootschap betrokkenen, omdat een vennootschap rechtspersoonlijkheid heeft en aldus zelfstandig rechten en verplichtingen draagt. Een vennootschap heeft aldus een eigen belang, dat slechts deels afhankelijk is van de belangen van de bij de vennootschap betrokkenen, meer in het bijzonder van haar aandeelhouders.4 Slagter betrekt bovendien de aard van de door de vennootschap gedreven onderneming bij het vennootschappelijk belang. Slagter noemt als voorbeelden dat bij een beleggingsmaatschappij of een praktijkvennootschap het vennootschappelijk belang bijna identiek aan het belang van de collectiviteit van de aandeelhouders is en dat bij een kleine vennootschap of bij een kapitaalintensieve (grote) vennootschap de belangen van de aandeelhouders zwaarder wegen dan bij een grote industriële, arbeidsintensieve vennootschap.5 Begrijp ik Assink goed, dan sluit ook hij zich aan bij de holistische opvatting, daar waar hij spreekt van het belang van een autonoom begrip ‘belang van de vennootschap’.6 Ook Eijsbouts & Kemp zijn voorstanders van deze leer.7