De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/9.1:9.1 Inleiding
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/9.1
9.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS370035:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens de acting in concert-definitie van art. 1:1 Wft moet er sprake zijn van samenwerking op grond van een overeenkomst met als doel het verwerven van overwegende zeggenschap of het dwarsbomen van een aangekondigd openbaar bod.1 In dit hoofdstuk bespreek ik het overeenkomst-vereiste. Steeds moet worden bedacht dat de biedplicht enkel ontstaat als gevolg van overeenkomsten met een bepaald doel (zie hoofdstuk 6-8).2
Eerst komt aan de orde wat wordt bedoeld met “overeenkomst” (§ 9.2). Bij de totstandkoming van de acting in concert-regels is daaraan weinig tot geen aandacht besteed. Consequent werd benadrukt dat het met name van het doel afhangt of er sprake is van handelen in onderling overleg. Dit is opmerkelijk aangezien uit ervaringen in de onderzochte landen blijkt dat ook ten aanzien van de vorm van de samenwerking veel discussie kan ontstaan.
Vervolgens wordt geanalyseerd wanneer nu van een dergelijke overeenkomst sprake kan zijn bij samenwerking door aandeelhouders (§ 9.3). Een belangrijke vraag is of het volstaat dat er een overeenkomst is, of dat er daarnaast ook een verbintenis moet bestaan en of die afdwingbaar moet zijn. In dit deel besteed ik ook aandacht aan voorwaardelijke verbintenissen (§ 9.3.4), zogenaamde onderling afgestemde feitelijke gedragingen (§ 9.3.5) en aan een aantal veel voorkomende praktijksituaties (§ 9.3.6).
Ten slotte komt het bewijzen van het bestaan van een overeenkomst aan bod (§ 9.4).