Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/9.2
9.2 Overeenkomst in de zin van art. 6:213 BW
J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS363958:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Waarmee overigens voor de praktijk weinig duidelijkheid wordt geschapen. Vgl. Van Schilfgaarde 1969, p. 3: “Als definitie laat [het huidige art. 6:213 BW, JHLB] namelijk alles, of in elk geval het meest wezenlijke, open.”
Zie over het onderscheid Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/80 e.v.
Of een overeenkomst van opdracht zonder loon, zie voor een praktijkvoorbeeld Hof Amsterdam 30 september 2008, JOR 2008/328 (Van der Mee c.s./Paarlberg).
Voor de totstandkoming daarvan gelden immers goeddeels dezelfde vereisten. Zo wordt bijvoorbeeld ook het bestaan van een maatschapsovereenkomst afgeleid uit verklaringen en gedragingen van partijen (HR 2 september 2011, NJ 2012/75 m.nt. Van Schilfgaarde en JOR 2011/361 m.nt. Stokkermans), zie nader hierover § 9.4.3.
Zie daarover nader Asser/Van Olffen 7-VII* 2010/34.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 4-III 2014/22. Voor het geregistreerd partnerschap geldt hetzelfde. Eventueel gemaakte (huwelijkse) voorwaarden kwalificeren wel als obligatoire overeenkomst.
Indien de maatschap of vof wordt aangemerkt als degene die het stemrecht kan uitoefenen, vindt er toerekening plaats aan de vof en ontstaat er bij een belang van 30% of meer een biedplicht ongeacht of de “vennoten” samenwerken met het oog op het verwerven van de controle of het dwarsbomen van een bod (zie nader § 12.4.2).
Denk aan een stemovereenkomst tussen twee hedgefondsen uit de VS die aandeelhouder zijn in een Nederlandse beursvennootschap, die is genoteerd aan de beurs in Londen.
Zie de analyses van Bologna 2009 (over stemovereenkomsten in het IPR) en Blanco Fernández 2007 (over het bankenconsortium dat ABN Amro overnam).
Volgens de acting in concert-definitie van art. 2 lid 1 sub d Overnamerichtlijn moet het gaan om samenwerking op basis van een overeenkomst. De richtlijn zelf bevat hierover geen nadere voorschriften. De invulling hiervan moet dus plaatsvinden aan de hand van het nationale recht, zij het dat de verplichting tot richtlijnconforme interpretatie daaraan enige richting geeft (zie ook § 9.3).
Naar Nederlands recht moet voor de term overeenkomst worden gelezen een overeenkomst zoals bedoeld in art. 6:213 BW.1 Bij de totstandkoming van de Wft is opgemerkt dat alleen in de gevallen waarin wordt afgeweken van de terminologie uit algemene wetten, een aparte definitiebepaling is opgenomen. Begrippen als “jaarrekening” (art. 2:361 BW), “dochtermaatschappij” (art. 2:24a BW) en “groep” (art. 2:24b BW) zijn om die reden niet gedefinieerd.2
Hoewel daarvan in de toelichting met geen woord over is gerept, moet worden aangenomen dat de definitie van onderling overleg van art. 1:1 Wft zowel ziet op eenzijdige als op wederkerige overeenkomsten (art. 6:261 BW).3 Bij een wederkerige overeenkomst kan worden gedacht aan een stemovereenkomst. Een voorbeeld van een eenzijdige overeenkomst betreft de overeenkomst van bruikleen.4 Afhankelijk van de precieze vormgeving kwalificeert een zogenaamde securities lending-transactie mogelijk als zodanig.
Van groot belang is dat onder de algemene verwijzing naar “overeenkomst” in de acting in concert-definitie van art. 1:1 Wft ook bijzondere of gekwalificeerde overeenkomsten vallen.5 Denk bijvoorbeeld aan de poolovereenkomst6 of het huwelijk als familierechtelijke overeenkomst sui generis.7 In beginsel zijn daaraan geen bijzondere rechtsgevolgen verbonden. In sommige gevallen is dat anders, zoals bij de maatschapsovereenkomst zoals bedoeld in art. 7A:1655 BW. Hier is weliswaar sprake van een overeenkomst zoals bedoeld in art. 6:213 BW, maar de rechtsgevolgen die hieraan verbonden zijn verschillen aanzienlijk van de “gewone” overeenkomsten.8 Een ander voorbeeld is de eerder genoemde huwelijksovereenkomst. In beginsel is er sprake van een overeenkomst, maar voor deze specifieke overeenkomst geldt een vrijstelling van de biedplicht (art. 5:71 lid 1 sub k Wft; zie uitgebreid § 15.2.11).
De kwalificatie en uitleg van een samenwerkingsovereenkomst kunnen in grensoverschrijdende situaties problemen van internationaal privaatrechtelijke aard geven.9 Ik laat dit verder buiten beschouwing.10