Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.4.2.1
IV.19.4.2.1 Termijnen
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS382569:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Ook voor terugvordering geldt een vervaltermijn. Vgl. art. 4:57 Awb.
Stb. 2000, 497, p. 159-160. Met de termijn van 12 jaar wordt aangesloten bij het strafrecht.
Art. 14 lid 1 RWN.
Zie bijvoorbeeld art. 58 Pw.
Zie hierover voorts Ortlep 2011, p. 311 e.v. en Sanderink 2014, p. 13.
CRvB 10 november 2009, USZ 2010/8.
Sanderink 2014, p. 13.
Vgl. Ortlep in zijn noot bij ABRvS 5 februari 2014, AB 2014/223 en Sanderink 2014, p. 13.
Op grond van art. 3:306 BW geldt een algemene verjaringstermijn van 20 jaar. Daarnaast kent het BW een aantal meer specifieke verjaringstermijnen, zoals de termijn van 5 jaar die op grond van art. 3:309 BW geldt in geval van onverschuldigde betaling. Zie voor andere uitzonderingen de artikelen 3:307, 3:308, 3:310 t/m 3:312 BW.
CRvB 8 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD6928. Kritisch daarover: Sanderink 2014, p. 12.
Voor de volledigheid wordt nog gewezen op art. 58 lid 6 Pw, waarin een specifieke vervaltermijn is neergelegd. De reikwijdte van deze bepaling is echter beperkt.
In het Nederlandse bestuursrecht zijn intrekkingsbepalingen waarin een termijn is opgenomen binnen welke een beschikking moet worden ingetrokken schaars. Een voorbeeld is te vinden in het subsidierecht. Op grond van art. 4:49 lid 3 Awb geldt dat een subsidievaststellingsbeschikking dient te worden ingetrokken binnen vijf jaar nadat deze bekend is gemaakt, respectievelijk nadat is gehandeld in strijd met een aan de vaststellingsbeschikking verbonden verplichting. Dit betreft een vervaltermijn. Wanneer de termijn is verstreken, mag de subsidiebeschikking niet meer worden ingetrokken.1 Een ander voorbeeld biedt het vreemdelingenrecht. In art. 3.97 Vb 2000 is bijvoorbeeld bepaald dat de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd niet meer mag worden ingetrokken indien sinds de verlening 12 jaren zijn verstreken. De gedachte is dat wanneer 12 jaren zijn verstreken, het belang van de vreemdeling zwaarder weegt dan het belang van de overheid om onjuiste besluiten te corrigeren, nu de vreemdeling gedurende lange tijd in Nederland verblijft.2 De verjaringstermijn van 12 jaar geldt eveneens bij de bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap wegens fraude.3
In de tweede plaats valt te wijzen op diverse termijnen die zijn te vinden in het socialezekerheidsrecht. Om te beginnen hanteert de CRvB ten aanzien van de bevoegdheid tot terugvordering4 de zogenaamde zesmaandenjurisprudentie.5 De CRvB omschrijft een en ander als volgt:
‘Deze jurisprudentie houdt in dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen in de tijd wordt beperkt indien niet adequaat wordt gereageerd op signalen van een betrokkene waaruit kan worden afgeleid dat te veel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt. Onder een signaal dient in dit verband te worden verstaan relevante informatie van de belanghebbende, waaruit concreet kan worden afgeleid dat er sprake is van een fout op grond waarvan het bestuursorgaan actie dient te ondernemen. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog zes maanden om tot deze actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden kan dan geen gebruik meer worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvorderen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel.’6
De zesmaandenjurisprudentie is dus geen vervaltermijn, in die zin dat het bestuursorgaan nadat sinds een signaal als hiervoor genoemd is ontvangen, zes maanden zijn verstreken, van de bevoegdheid tot terugvordering geen gebruik meer mag worden gemaakt. De bevoegdheid tot terugvordering wordt enkel in tijd beperkt tot een bepaalde periode, in die zin dat slechts over een periode van zes maanden nadat een signaal is ontvangen mag worden teruggevorderd. Over de periode gelegen na deze zes maanden, komt terugvordering in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Een belangrijke kanttekening is dat de zesmaandenjurisprudentie niet van toepassing is, indien terugvordering plaatsvindt vanwege schending van de inlichtingenverplichting door de ontvanger van de uitkering.7 De gedachte lijkt te zijn dat wanneer de geadresseerde zelf verantwoordelijk is voor het feit dat ten onrechte uitkering wordt verstrekt, deze ten onrechte betaalde bedragen ook steeds volledig moeten kunnen worden teruggevorderd. Ook wanneer sprake is van een gebonden bevoegdheid tot terugvordering, gaat de zesmaandenjurisprudentie niet op.8 Een verplichting tot terugvordering staat immers op gespannen voet met een beperking van het terug te vorderen bedrag. Al met al lijkt de reikwijdte van de zesmaandenjurisprudentie beperkt.
Voorts kent het socialezekerheidsrecht vervaltermijnen. De CRvB sluit hiervoor aan bij de vervaltermijn van vijf jaar welke is neergelegd in art. 3:309 BW. Deze termijn geldt in het burgerlijk recht voor de verjaring van rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling:9
‘Aansluiting zoekend bij dit artikel is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van bijstandsuitkering aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt.’10,11