Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/7.2.1
7.2.1 Achtergrond
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS413318:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Richtlijn 78/855/EEG van de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen van 9 oktober 1978.
Considerans bij Richtlijn 78/855/EEG, onderdelen 5 en 8.
D.F.M.M. Zaman, L.H. Donkers en P.H.M. Simonis, Juridische fusie en splitsing van NV’s en BV’s, Amersfoort: Sdu 2003, blz. 19.
Wet van 19 januari 1983, Stb. 1983, 59.
Wet van 21 april 1987, Stb. 1987, 209.
Wet van 24 december 1997, Stb. 1997, 776.
Anders dan de nationale (of: interne) juridische fusie, die van toepassing is op zowel de nv, de bv, de SCE, de vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij en stichting, bepaalt afdeling 3Atitel 7 Boek 2 BW dat de grensoverschrijdende juridische fusie beperkt wordt tot fusies tussen kapitaalvennootschappen en vergelijkbare vennootschappen uit andere lidstaten. Daarnaast biedt de regeling ruimte aan de grensoverschrijdende juridische fusie van een SCE met zetel in Nederland, met een coöperatieve vennootschap in een andere lidstaat. Het instrument van de grensoverschrijdende fusie is derhalve niet beschikbaar voor de Nederlandse coöperatie (behalve wanneer sprake is van een SCE), de stichting, onderlinge waarborgmaatschappij en de vereniging. Hiermee heeft de Nederlandse wetgever aan de grensoverschrijdende juridische fusie niet een bredere toepassing toegekend dan als minimum vereiste is neergelegd in de Tiende richtlijn. Met de implementatie van de Derde richtlijn inzake de interne juridische fusie paste Nederland wel een dergelijke uitbreiding van het toepassingsbereik toe door middel van de Nederlandse implementatie. Dit roept de vraag op of Nederland geheel aan haar Unierechtelijke verplichtingen voldoet. Immers, uit het Sevic-arrest (HvJ EG 13 december 2005, nr. C-411/1, Jur. 2005, p. I-10805 (Sevic)) vloeit voort dat de mogelijkheden voor een grensoverschrijdende fusie in beginsel niet mogen onderdoen voor de interne mogelijkheden. Met name voor de coöperatie (behalve wanneer sprake is van een SCE), de stichting, onderlinge waarborgmaatschappij en de vereniging lijkt een dergelijk onderscheid toch te bestaan. Hierbij dient overigens te worden aangetekend dat in alle niet geregelde gevallen het Sevic-arrest als vangnet lijkt te kunnen worden gebruikt en aldus tot de grensoverschrijdende fusie moet kunnen worden overgegaan.
De juridische fusie stamt uit het Unierecht. In de Derde richtlijn1 inzake het vennootschapsrecht (hierna: ‘Derde richtlijn’ of Richtlijn 78/855/EEG) is de juridische fusie geregeld, met als doel het verbeteren van de vrijheid van vestiging en als bescherming tegen de bij een fusie betrokken partijen, inclusief werknemers.2 De invoering van de Derde richtlijn heeft geleid tot harmonisatie van het interne fusierecht van de lidstaten van de EU.3 De Unieregeling voorziet in de juridische fusie van naamloze vennootschappen of vergelijkbare buitenlandse vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal.
In Nederland is bij Wet van 19 januari 1983 bij wijze van implementatie van de Derde richtlijn een regeling voor fusie opgenomen in het BW.4 Aanvankelijk werd de regeling alleen ingevoerd voor de nv en de bv. In 1987 werd het toepassingsbereik van de regeling uitgebreid.5 Als gevolg hiervan konden ook de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting juridisch fuseren. In 1998 werden de regels voor juridische splitsing toegevoegd.6 In 2008 werd de regeling uitgebreid naar grensoverschrijdende fusies van nv’s, bv’s en de Europese Coöperatieve vennootschap met in andere lidstaten van de EU of in de Europese Economische Ruimte gevestigde kapitaalvennootschappen en coöperatieve vennootschappen.7