Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/3.3:3.3 Is toegerekende kennis een vorm van objectieve kennis?
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/3.3
3.3 Is toegerekende kennis een vorm van objectieve kennis?
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS598483:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Jansen meent dat behoren te weten (“persoonsgerelateerde objectivering”) een vorm is van toerekening van kennis; zie Jansen 2012a, p. 539.
In par. 9.4 zal ik uiteenzetten dat ik het passender vind om premisse 2 te formuleren als ‘de onwetendheid van Y blijft voor rekening van de rechtspersoon’ en de conclusie als ‘de rechtspersoon komt geen beroep toe op de onwetendheid van Y’. Voor het onderwerp van deze paragraaf is dat echter niet relevant.
Waltermann 1992, p. 209; Buck 2001, p. 353, 356. Zie hierover ook par. 9.12.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
73. Uit de analyse in par. 2.5.4 van wat objectieve kennis inhoudt (nl. een bepaald verondersteld kennisniveau, doorgaans in combinatie met concrete aanwijzingen) kan worden afgeleid wat het verschil is tussen het toerekenen van kennis en het oordelen dat iemand bepaalde kennis behoorde te hebben.1 Het basale syllogisme bij toerekening van kennis aan rechtspersonen is:
Subjectieve kennis
Objectieve kennis
premisse 1
functionaris X kende het feit
functionaris X behoorde het feit te kennen (kende aanwijzingen + had kennisniveau)
premisse 2
de kennis van X wordt toegerekend aan de rechtspersoon
de kennis van X wordt toegerekend aan de rechtspersoon
conclusie
de rechtspersoon kende het feit
de rechtspersoon behoorde het feit te kennen
Hieruit volgt al dat toerekening van kennis niet samenvalt met het oordeel dat iemand iets behoorde te weten. Toerekening van kennis kan ook leiden tot het oordeel dat iemand subjectieve kennis had. De vraag die in dit proefschrift wordt behandeld, is echter breder dan de enkele vraag naar toerekening van kennis in de bovenbedoelde, enge zin. Het gaat erom of informatie die op enig moment binnen de rechtspersoon aanwezig is of is geweest, behoort te gelden als kennis van de rechtspersoon. Dat is immers wat in de praktijk steeds zal moeten worden beoordeeld. Die vraag kan ook neerkomen op: had de functionaris die voor een rechtspersoon heeft gehandeld (en wiens kennis aan de rechtspersoon wordt toegerekend) een feit behoren te kennen om andere redenen dan zijn kennisniveau en de aanwijzingen waarover hij beschikte? Had hij over dat feit bijvoorbeeld moeten zijn geïnformeerd door een collega? Had hij bepaalde gegevens moeten raadplegen? Enzovoort. Wanneer kennis verspreid is over meerdere individuen, kan het oordeel dat iemands kennis aan de rechtspersoon moet worden toegerekend in wezen een oordeel zijn over de mate van informatie-uitwisseling die binnen de rechtspersoon had moeten plaatsvinden. Dan kan ‘toerekening van kennis’ wel een vorm zijn van ‘behoren te weten’. Dat licht ik hierna toe.
Neem redenering A:
premisse 1
functionaris X kende het feit, maar functionaris Y niet (terwijl het feit
relevant was voor het handelen van Y)
premisse 2
de kennis van X wordt toegerekend aan de rechtspersoon
conclusie
de rechtspersoon, die handelde door het optreden van Y, kende het feit
Premisse 2 kan zijn gebaseerd op een wettelijke toerekeningsnorm. Indien bijvoorbeeld X gevolmachtigde is van de rechtspersoon en een aandeel had in de bepaling van de inhoud van de uiteindelijk door Y ondertekende overeenkomst, dan wordt zijn kennis toegerekend aan de rechtspersoon op grond van art. 3:66 lid 2 BW.
74. Indien echter niet zo’n wettelijke toerekeningsnorm van toepassing is, zal op andere wijze moeten worden beoordeeld of de kennis van X aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Dat is bijvoorbeeld mogelijk met de volgende redenering B:
premisse 1
functionaris X kende het feit, maar functionaris Y niet (terwijl het feit
relevant was voor het handelen van Y)
subpremisse 1
indien de informatiestromen binnen de rechtspersoon beter waren georganiseerd,zou functionaris X zijn kennis met Y hebben gedeeld
subpremisse 2
de gebrekkige informatie-uitwisseling komt voor risico van de rechtspersoon
subconclusie
de kennis van X wordt toegerekend aan de rechtspersoon
premisse 2
de kennis van X wordt toegerekend aan de rechtspersoon
conclusie
de rechtspersoon kende het feit2
Een van de kwesties die in deze studie wordt onderzocht, is in welke gevallen het geoorloofd is om te stellen dat de rechtspersoon subjectieve kennis had wanneer functionaris Y slechts onwetend is gebleven als gevolg van een nalatigheid. Indien Y had moeten vragen aan X of die meer van de zaak wist of had moeten nagaan of de relevante gegevens in de databank van de rechtspersoon voor handen waren, dan heeft Y feitelijk een onderzoeksplicht verzaakt. Maar een onderzoeksplicht bestaat nu juist alleen bij normen die objectieve kennis eisen. Wanneer het rechtsgevolg van een norm alleen intreedt bij subjectieve kennis, zal een gevolgtrekking zoals in redenering B daarom mogelijk niet of slechts in uitzonderingsgevallen mogen worden getrokken.
75. Wordt echter al aan de vereisten van de ingeroepen norm voldaan indien de rechtspersoon het feit behoorde te kennen, dan kan redenering B worden ‘omgebouwd’ tot een oordeel dat de rechtspersoon het feit behoorde te kennen, zonder de kwestie te formuleren in termen van toerekening van kennis. Dat levert redenering C op:
premisse 1
functionaris X kende het feit, maar functionaris Y niet (terwijl het feit
relevant was voor het handelen van Y)
premisse 2
indien de informatiestromen binnen de rechtspersoon beter waren
georganiseerd, zou functionaris X zijn kennis met Y hebben gedeeld
premisse 3
de informatiestromen binnen de rechtspersoon hadden beter moeten
worden georganiseerd
Conclusie
de rechtspersoon had het feit behoren te kennen
In deze redenering C vindt naar de letter geen toerekening van kennis plaats; er wordt eenvoudigweg geoordeeld dat de rechtspersoon een feit had behoren te kennen.3 Het ‘behoren te kennen’ heeft hier een andere inhoud dan bij individuen: er is hier niemand die over aanwijzingen beschikte en op basis van die aanwijzingen en zijn eigen kennisniveau onderzoek had moeten verrichten. Inhoudelijk wordt echter hetzelfde oordeel geveld als wanneer de te beantwoorden vraag wordt verwoord in termen van toerekening van kennis. Beoordeeld moet worden of sprake is van een gebrekkige informatie- uitwisseling en zo ja, of de rechtspersoon de gevolgen daarvan moet dragen.
Daarmee is de vraag beantwoord die in de titel van deze paragraaf wordt gesteld. De toerekening van kennis kan samenvallen met het oordeel dat iemand iets behoorde te weten, maar doet dat lang niet altijd.