Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.7.5.4:II.7.5.4 Invloed op het recht op aftrek van voorbelasting
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.7.5.4
II.7.5.4 Invloed op het recht op aftrek van voorbelasting
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS501383:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 8 juni 2000, zaak C-98/98, BNB 2001/118, r.o. 30 (concl. A-G Saggio; Midland Bank; m.nt. M.E. van Hilten).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor zover het kopen van schuldvorderingen een belaste dienst impliceert, bestaat daarvoor ook recht op aftrek van voorbelasting. Als inning van schuldvorderingen daadwerkelijk vooropstaat in de werkzaamheden die de koper met de schuldvorderingen onderneemt, mag verwacht worden dat de meeste kosten na de koop opkomen. De inning zal immers daarna haar beslag krijgen. Dit doet de vraag rijzen of de kosten op basis van het arrest in de zaak MidlandBank tot de algemene kosten van de koper behoren (zie par. 3.3.6). 1 Mijns inziens bestaat aanleiding voor een uitzondering. Als de (primaire) dienst van de koper moet worden geduid als het innen van schuldvorderingen, dan is het vreemd alle inningskosten als algemene kosten aan te merken, enkel en alleen omdat ze opkomen na de overname van de schuldvorderingen. Bovendien mag worden aangenomen dat inningskosten in de vergoeding voor de inningsdienst zijn opgenomen. Dit is uiteraard enkel van belang als een koper tevens vrijgestelde prestaties verricht, zoals het verlenen van krediet.
Wanneer het kopen van schuldvorderingen naast een inningsdienst tevens kredietverlening aan de verkoper impliceert, rijst de vraag of de kredietverlening een bijkomstige financiële handeling is. In dat geval blijft namelijk de ontvangen rente buiten de berekening van het pro rata op grond van (rechtstreekse werking van) artikel 174, lid 2, onderdeel b of c, Btw-richtlijn (zie par. 6.5.4.3). Mijn opvatting is dat onder huidig recht slechts in uitzonderingssituaties van bijkomstigheid sprake is. Bij factoring althans, waarbij financiering vaak een voornaam doel is, is het tegenstrijdig de financieringscomponent als bijkomstig aan te merken. Dat zou impliceren dat het geen onderdeel is van de ‘gewone activiteit’ van de factor.
Recht op aftrek van voorbelasting is in elk geval niet aanwezig als de overnemer van de schuldvorderingen geen ondernemer is in de zin van artikel 7 Wet OB 1968. Dat kan, bijvoorbeeld, aan de orde zijn omdat hij enkel tegen de economische waarde schuldvorderingen koopt.