Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/1.4
1.4 Methode
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS458051:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014, nr. 8; Smits 2009, p. 31, 134-135.
Fleuren 2008.
Een ‘inhoudsanalyse’, zie Van Schaaijk 2011, p. 88.
Tijssen 2009, p. 107. Deze methode is vooral van belang waar het wat oudere literatuur betreft, die niet is gedigitaliseerd en dus niet via een zoekopdracht in databases kan worden gevonden.
Zie voor andere redenen waarom een bron al dan niet geselecteerd wordt, Van Schaaijk 2011, p. 121.
Vgl. De Boer 1992.
Zie paragraaf 2.3.3.
Zie paragraaf 2.3.4.
Zweigert & Kötz 1998, p. 73, 101-103. Zie ook Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 243; De Blécourt & Fischer 1969, p. 45; Hartkamp 2010, nr. 7; Hol 2014; C.J.H. Jansen 2014; Lokin & Zwalve 2006, p. 305-306.
Desalniettemin kan de Engelse floating charge (een zekerheidsrecht op een verzameling bedrijfsgoederen, Goode & McKendrick 2010, p. 722-724) in een proefschrift over het uniciteitsbeginsel niet onbesproken blijven en zal de floating charge kort aan bod komen in paragraaf 4.4.2.
9. Er zijn verschillende manieren om te beschrijven wat ik in dit onderzoek doe. Dit onderzoek is een juridisch-dogmatisch1 onderzoek. Meer specifiek geef ik in dit onderzoek door middel van een rationele reconstructie2 van het positieve recht en rechtsvergelijking antwoord op de opgeworpen vragen. Op basis van argumenten ontleend aan gedachte-experimenten en vergelijking met buitenlandse rechtsstelsels ga ik na wat de rol van het uniciteitsbeginsel is. Door te vergelijken met de situatie waarin het uniciteitsbeginsel er niet is of niet zou zijn, kan achterhaald worden welke rol het speelt. Hiertoe onderzoek ik het geldende recht zoals neergelegd in de wet en jurisprudentie en verricht ik tevens literatuuronderzoek.3
De gebruikte bronnen (wet, jurisprudentie en literatuur) heb ik gevonden door systematisch zoekopdrachten uit te voeren in diverse digitale databases, catalogi en andere zoeksystemen. Daarnaast heb ik ook gebruik gemaakt van de ‘sneeuwbalmethode’.4 De selectie van de gehanteerde bronnen (ook in de tijd) is gestuurd vanuit mijn onderzoeksvraag.5 Na een quickscan van de gevonden bronnen, vallen er telkens al veel af omdat zij niet over het gezochte onderwerp gaan. De resterende bronnen heb ik diepgaander bestudeerd. Ook daarvan vallen weer bronnen af, bijvoorbeeld omdat zij bij nader inzien toch niet over het gezochte onderwerp gaan, of daar wel over gaan, maar niet kunnen bijdragen aan een beantwoording van mijn hoofd- of deelvragen.6 Op die manier blijven uiteindelijk de bronnen over zoals ik ze heb weergegeven in de tekst, voetnoten en lijsten van aangehaalde literatuur en jurisprudentie achterin dit boek.
10. In het onderzoek betrek ik het Nederlandse, Duitse en Franse recht. Omdat de functie van het uniciteitsbeginsel vooralsnog onduidelijk is, zijn er in principe geen beperkingen te stellen aan de te onderzoeken rechtsstelsels. Ieder rechtsstelsel waarin het uniciteitsbeginsel niet wordt aangehangen kan inzicht verschaffen in de rol van het uniciteitsbeginsel door het Nederlandse recht daarmee te vergelijken. Ieder rechtsstelsel waarin het uniciteitsbeginsel wel wordt aangehangen kan potentieel inzicht verschaffen in de rol van het uniciteitsbeginsel doordat in dat rechtstelsel wellicht al meer bekend is over de functie van het beginsel, bijvoorbeeld uit jurisprudentie of literatuur. Niettemin ligt het voor de hand te kiezen voor rechtsstelsels waarvan bekend is dat ze gebaseerd zijn op een maatschappij(visie) die vergelijkbaar is met de Nederlandse. Daar zullen immers waarschijnlijk dezelfde soort vraagstukken spelen als die waar het Nederlandse recht mee wordt geconfronteerd. Bovendien zijn deze stelsels qua taal en beschikbaarheid van literatuur en rechtsbronnen voor mij toegankelijk; weliswaar praktische overwegingen, maar daardoor niet minder relevant.7
De uiteindelijke keuze van rechtsstelsels is erop gebaseerd twee uitersten te kunnen bestuderen: enerzijds een land waarin het uniciteitsbeginsel net zo strikt lijkt te gelden als in Nederland, namelijk Duitsland, en anderzijds een land dat het uniciteitsbeginsel niet hanteert, Frankrijk. In het Duitse recht wordt het uniciteitsbeginsel onder de naam Spezialitätsgrundsatz strikt aangehangen.8 Zoals gezegd wordt in het Franse recht juist de algemeenheid van goederen als object van goederenrechtelijke rechten erkend, zodat het uniciteitsbeginsel niet aan het Franse recht ten grondslag lijkt te liggen.9 Voorts vertegenwoordigen deze rechtsstelsels ieder één van de grote ‘rechtsfamilies’ en is het BW aan beide stelsels verwant.10 Daardoor kan de keuze van de rechtstelsels vóór respectievelijk tegen het uniciteitsbeginsel, en de gevolgen daarvan, inzicht geven in de functie die het beginsel in het Nederlandse recht vervult. Vanwege de beschikbare tijd voor dit onderzoek heb ik me beperkt tot het onderzoek van Duits en Frans recht naast het Nederlandse recht.11
Ook in het rechtsvergelijkend onderzoek heb ik me voor de selectie van bronnen en te behandelen gevallen laten leiden door mijn onderzoeksvraag. Dit heeft als gevolg dat wanneer een bepaald verschil of een bepaalde overeenkomst tussen het onderzochte rechtsstelsel en het Nederlandse recht geen inzicht verschaft in het uniciteitsbeginsel, ik dit niet behandel in dit proefschrift. Om die reden sta ik bij bepaalde onderwerpen wél stil bij het Duitse recht, maar niet of minder bij het Franse, of andersom.