Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.13.2:9.13.2 Kennis, deskundigheid en hoedanigheid wederpartij
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.13.2
9.13.2 Kennis, deskundigheid en hoedanigheid wederpartij
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS598506:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de maatstaf die de Hoge Raad formuleerde in HR 11 mei 1990, NJ 1990/544 (Los Gauchos) en HR 11 maart 2005, NJ 2005/576 (Idee 2).
De rechtbank Rotterdam liet deze factor meewegen in Rb Rotterdam 1 december 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BP1254 (parkeergarage Schiecentrale), par. 9.12.9. Dat was echter geen vertrouwensgeval en het is mij niet duidelijk waarom volgens de rechtbank de wetenschap van Q-Park invloed had op de toerekening van kennis.
Klaassen 1999, p. 97.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
399. De kennis van de wederpartij is in vertrouwensgevallen zonder meer een relevante factor. Het gaat dan bijvoorbeeld om kennis over de organisatie en interne werkverdeling bij deze rechtspersoon of meer in het algemeen kennis over de werkwijze bij het type ondernemingen waartoe de rechtspersoon behoort. Draagt de wederpartij hier kennis van, dan mag die meewegen bij de beantwoording van de vraag of de wederpartij het ervoor mocht houden dat met de handelende functionaris ook de rechtspersoon het relevante feit kende.1 De kennis van de wederpartij die moet worden meegewogen, zal doorgaans haar objectieve kennis zijn: bij de in vertrouwensgevallen toepasselijke normen gaat het meestal om waar de wederpartij ‘gerechtvaardigd’ op heeft vertrouwd, hetgeen zij uit de verklaringen van de ander ‘mocht’ afleiden of de zin die zij ‘redelijkerwijs’ aan een bepaling ‘mocht’ toekennen. Behoorde zij beter te weten, dan wordt haar vertrouwen niet beschermd. Welke kennis de wederpartij behoorde te hebben omtrent de organisatie van de rechtspersoon en de daar aanwezige informatie, zal mede afhangen van haar deskundigheid en hoedanigheid.2
In dit verband speelt de professionaliteit van de organisatie van de rechtspersoon mede een rol, maar een iets andere rol dan bij de bepaling van de verkeersopvattingen. Zoals toegelicht in par. 9.12.13, houden de verkeersopvattingen naar mijn idee grosso modo in: een rechtspersoon draagt verantwoordelijkheid voor de activiteiten die hij in het maatschappelijk verkeer onderneemt, ook al is hij geen professionele organisatie. Gaat het echter om de verwachtingen die deze wederpartij mocht koesteren, dan komt meer gewicht toe aan de (on)professionaliteit van de organisatie. Het is bijvoorbeeld een feit van algemene bekendheid dat bij een studentenvereniging met een jaarlijks wisselend bestuur de kennis die in eerdere jaren is verworven, minder adequaat wordt opgeslagen en doorgegeven dan bij een professionele organisatie met een langzittend bestuur en professionele ondersteuning. Een dergelijk feit beïnvloedt naar mijn mening niet hetgeen naar verkeersopvattingen van de studentenvereniging mag worden verwacht. Het kan wel beïnvloeden wat de wederpartij aan interne communicatie en informatiemanagement mag verwachten, of in hoeverre van de wederpartij kan worden verwacht dat die haar gedrag daarop afstemt. Heel kort samengevat: onprofessionaliteit is geen excuus, maar de wederpartij moet er wel rekening mee houden.
De kenbaarheid van de interne organisatie van de rechtspersoon voor de wederpartij wordt door Klaassen genoemd als een factor van belang. In het geval van een cliënt die meerdere zaken heeft lopen bij een advocatenkantoor moet volgens Klaassen de vraag worden beantwoord of deze cliënt er, gelet op zijn positie en ervaring, van mocht uitgaan dat een mededeling aan een individuele advocaat daarmee het kantoor als geheel had bereikt.3 In dat kader acht Klaassen naast de kenbaarheid van de onderlinge taakverdeling ook de hoedanigheid en persoonlijke kwalificaties (kennis, ervaring, etc.) van de cliënt van belang, evenals de mate waarin het advocatenkantoor zich jegens de cliënt als eenheid heeft gepresenteerd.
Realiseerde de wederpartij zich of had zij uit de omstandigheden moeten afleiden dat de handelende functionaris de relevante kennis niet zou verkrijgen, dan weegt deze factor mee in het nadeel van toerekening. Dit geldt in het bijzonder wanneer de wederpartij bepaalde, voor haarzelf nadelige gegevens niet heeft gedeeld met haar contactpersoon bij de rechtspersoon, en zich er vervolgens op beroept dat de rechtspersoon toch zelf toegang had tot deze informatie. Denk aan een registratie bij het Bureau Kredietregistratie, een opname in een frauderegister of een aantekening in een oud dossier van de rechtspersoon.