Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:100 BW:Verrekening van voordeel
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:100 BW
Verrekening van voordeel
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 23-12-2025
Actueel t/m
23-12-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:100 BW
Deze bepaling ziet op het geval dat eenzelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd. Het moet daarbij gaan om een voordeel dat werkelijk is genoten of naar redelijke verwachtingen daadwerkelijk genoten zal worden.1 Een dergelijk werkelijkgenoten voordeel kan dan bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht, voor zover dit redelijk is. Onder deze bepaling valt niet de situatie waarin de benadeelde een voordeel had kunnen behalen als hij daartoe maatregelen had genomen. Een dergelijk hypothetisch voordeel zou op grond van art. 6:101 BW onder de noemer van schadebeperkingsplicht tot vermindering van de verplichting tot schadevergoeding kunnen leiden.2 Voor een eventuele voordeelstoerekening in het concrete geval zal dus in de eerste plaats vast moeten komen te staan dat dezelfde gebeurtenis die tot schade heeft geleid de benadeelde tevens een werkelijk voordeel heeft opgeleverd. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit dat volgt rusten op de schuldenaar die een beroep doet op voordeelstoerekening.3 Dat volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv omdat het de schuldenaar is die het rechtsgevolg van art. 6:100 BW inroept, te weten een beperking van zijn verplichting tot schadevergoeding. Dit betekent enerzijds dat de schuldenaar zal moeten stellen en bewijzen dat de benadeelde een werkelijk voordeel heeft genoten4 (of naar redelijke verwachtingen daadwerkelijk zal genieten) en anderzijds dat dit voordeel voortspruit uit dezelfde gebeurtenis als die tot schade heeft geleid. Ten aanzien van dat laatste zal de rechter moeten onderzoeken of het gestelde voordeel in voldoende causaal verband staat met de schadebrengende gebeurtenis.5 Het ligt voor de hand om aan te nemen dat daarvoor minimaal een condicio sine qua non-verband zal moeten worden vastgesteld tussen de schadebrengende gebeurtenis en het voordeel.6 In die zin heeft de Hoge Raad beslist in het arrest Tennet c.s./ABB c.s.7 waarin is overwogen:
āBij de beoordeling van een beroep op voordeelstoerekening (art. 6:100 BW) gaat het erom dat genoten voordelen, voor zover dat redelijk is, mede in aanmerking behoren te worden genomen bij de vaststelling van de te vergoeden schade (ā¦). Daarvoor is allereerst vereist dat tussen de normschending en de gestelde voordelen een condicio sine qua non-verband bestaat, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen.ā
Daarop zal echter een beperking moeten worden aangebracht. Verdedigd wordt dat daartoe een nader causaliteitscriterium moet worden gehanteerd, waarbij in belangrijke mate gewerkt moet worden met wat het naar ervaringsregelen te verwachten voorzienbare gevolg is van de gebeurtenis.8 Anderen zoeken de nadere beperking in een uit de rechtsgrond van voordeelstoerekening voortvloeiende samenhang.9 In de rechtspraak van de Hoge Raad lag een beperking in een strikte interpretatie van āeenzelfde gebeurtenisā.10 In het hiervoor reeds genoemde arrest Tennet c.s./ABB c.s.11 is de Hoge Raad hiervan klaarblijkelijk teruggekomen en is de nadere beperking in de toepassing van art. 6:98 BW gezocht. Behalve het hiervoor bedoelde condicio sine qua non-verband ādient het met inachtneming van de in art. 6:98 BW besloten maatstaf redelijk te zijn dat die voordelen in rekening worden gebracht bij de vaststelling van de te vergoeden schadeā, aldus de Hoge Raad. Voor zover het oordeel over de vraag of het voordeel in voldoende causaal verband staat met de schadebrengende gebeurtenis afhangt van bepaalde feiten en omstandigheden, ligt voor de hand om aan te nemen dat de schuldenaar die feiten en omstandigheden zal moeten stellen en bewijzen.12
Voor zover dit redelijk is
Indien ervan moet worden uitgegaan dat dezelfde gebeurtenis die de schade teweegbracht ook een werkelijk voordeel heeft opgeleverd dan moet dit bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening gebracht voor zover dit redelijk is. In de clausulering āvoor zover dit redelijk isā schuilt een bevoegdheid van de rechter die min of meer discretionair van aard is: āDe rechter is (ā¦) vrij bepaalde voordelen niet in rekening te brengen indien hem dat niet redelijk voorkomtā, aldus de Hoge Raad.13 Vragen van stelplicht en bewijslastverdeling zullen zich ten aanzien van deze clausulering niet gauw voordoen. Mocht de toepassing van deze redelijkheidsclausule afhangen van bepaalde feiten en omstandigheden die niet vaststaan dan zal de schuldenaar ook die moeten bewijzen. Dat ligt besloten in de in art. 6:100 BW gebruikte formulering. Daar staat immers: āvoor zover dit redelijk isā en niet ātenzij dit niet redelijk isā.
Voordeelstoerekening of schadebegroting
De vermindering van de verplichting tot schadevergoeding door het genieten van een voordeel kan worden betrokken zowel op het schadebegrip waarin de omvang van de schade wordt bepaald (art. 6:95-97 BW) als op de voordeelstoerekening van art. 6:100 BW. Een keuze tussen de beide benaderingen is in zoverre niet van belang dat door de benadeelde in verband met de schadeveroorzakende gebeurtenis behaalde voordelen in de toe te kennen schadevergoeding moeten worden betrokken voor zover dat redelijk is. In beide benaderingen gaat het uiteindelijk erom dat bij de vergelijking tussen de toestand zoals deze in werkelijkheid is en de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de normschending niet zou hebben plaatsgevonden, beoordeeld moet worden welke nadelen en welke voordelen in zodanig verband staan met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij redelijkerwijs als een gevolg van deze gebeurtenis aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend. Dat beide benaderingen mogelijk zijn, strookt met de totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:100 BW (TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 348), waarin in het midden is gelaten of āde noodzakelijkheid van voordeelstoerekening reeds in het begrip schade opgesloten ligt, daar het in ieder geval gewenst is, dat de negatieve factor, die bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking behoort te worden genomen, in de wet vermeld wordtā. De rechter is met inachtneming van het partijdebat vrij te bepalen welke van de twee benaderingen hij volgt.
Bij deze uitwisselbaarheid van benaderingen loopt men er wel tegenaan dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de schade in beginsel op de benadeelde liggen, terwijl die bij een beroep op voordeelstoerekening juist op de aansprakelijke partij rusten. Ten aanzien van het doorberekeningsverweer bij kartelschade heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor het maken van een keuze tussen beide benaderingen de stelplicht en bewijslast niet doorslaggevend zijn, aangezien de rechter daarvoor in beide benaderingen dezelfde regels kan hanteren. Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade gelden weliswaar in beginsel de gewone bewijsregels, maar daarbij is de rechter ingevolge art. 6:97 bevoegd de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Dit geeft voldoende ruimte om, evenals het geval is in de benadering op de voet van art. 6:100 BW, niet alleen de stelplicht, maar ook de bewijslast ten aanzien van de aan het doorberekeningsverweer ten grondslag gelegde feiten bij de aansprakelijke partij te leggen.14
Zie over het onderscheid tussen beide situaties en de daarmee corresponderende rechtsfiguren Hijma noot onder HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3402, NJ 2011/43 (Vos/TSN).
Aldus A.T. Bolt, Voordeelstoerekening bij de begroting van de schadevergoeding in geval van onrechtmatige daad en wanprestatie (dissertatie Groningen 1989), Kluwer: Deventer 1989, 4.5.1.
Aldus A.T. Bolt, Voordeelstoerekening bij de begroting van de schadevergoeding in geval van onrechtmatige daad en wanprestatie (dissertatie Groningen 1989), Kluwer: Deventer 1989, 4.5.2.
In die zin heeft de Hoge Raad ook beslist in het arrest Tennet c.s./ABB c.s. (HR 8 juli 2016 ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262 m.nt. Lindenbergh), zij het in dat geval specifiek ten aanzien het doorberekeningsverweer bij kartelschade.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:100 BW
Verrekening van voordeel
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 23-12-2025
23-12-2025
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:100 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 100
Verrekening van voordeel
Deze bepaling ziet op het geval dat eenzelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd. Het moet daarbij gaan om een voordeel dat werkelijk is genoten of naar redelijke verwachtingen daadwerkelijk genoten zal worden.1 Een dergelijk werkelijkgenoten voordeel kan dan bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht, voor zover dit redelijk is. Onder deze bepaling valt niet de situatie waarin de benadeelde een voordeel had kunnen behalen als hij daartoe maatregelen had genomen. Een dergelijk hypothetisch voordeel zou op grond van art. 6:101 BW onder de noemer van schadebeperkingsplicht tot vermindering van de verplichting tot schadevergoeding kunnen leiden.2 Voor een eventuele voordeelstoerekening in het concrete geval zal dus in de eerste plaats vast moeten komen te staan dat dezelfde gebeurtenis die tot schade heeft geleid de benadeelde tevens een werkelijk voordeel heeft opgeleverd. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit dat volgt rusten op de schuldenaar die een beroep doet op voordeelstoerekening.3 Dat volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv omdat het de schuldenaar is die het rechtsgevolg van art. 6:100 BW inroept, te weten een beperking van zijn verplichting tot schadevergoeding. Dit betekent enerzijds dat de schuldenaar zal moeten stellen en bewijzen dat de benadeelde een werkelijk voordeel heeft genoten4 (of naar redelijke verwachtingen daadwerkelijk zal genieten) en anderzijds dat dit voordeel voortspruit uit dezelfde gebeurtenis als die tot schade heeft geleid. Ten aanzien van dat laatste zal de rechter moeten onderzoeken of het gestelde voordeel in voldoende causaal verband staat met de schadebrengende gebeurtenis.5 Het ligt voor de hand om aan te nemen dat daarvoor minimaal een condicio sine qua non-verband zal moeten worden vastgesteld tussen de schadebrengende gebeurtenis en het voordeel.6 In die zin heeft de Hoge Raad beslist in het arrest Tennet c.s./ABB c.s.7 waarin is overwogen:
āBij de beoordeling van een beroep op voordeelstoerekening (art. 6:100 BW) gaat het erom dat genoten voordelen, voor zover dat redelijk is, mede in aanmerking behoren te worden genomen bij de vaststelling van de te vergoeden schade (ā¦). Daarvoor is allereerst vereist dat tussen de normschending en de gestelde voordelen een condicio sine qua non-verband bestaat, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen.ā
Daarop zal echter een beperking moeten worden aangebracht. Verdedigd wordt dat daartoe een nader causaliteitscriterium moet worden gehanteerd, waarbij in belangrijke mate gewerkt moet worden met wat het naar ervaringsregelen te verwachten voorzienbare gevolg is van de gebeurtenis.8 Anderen zoeken de nadere beperking in een uit de rechtsgrond van voordeelstoerekening voortvloeiende samenhang.9 In de rechtspraak van de Hoge Raad lag een beperking in een strikte interpretatie van āeenzelfde gebeurtenisā.10 In het hiervoor reeds genoemde arrest Tennet c.s./ABB c.s.11 is de Hoge Raad hiervan klaarblijkelijk teruggekomen en is de nadere beperking in de toepassing van art. 6:98 BW gezocht. Behalve het hiervoor bedoelde condicio sine qua non-verband ādient het met inachtneming van de in art. 6:98 BW besloten maatstaf redelijk te zijn dat die voordelen in rekening worden gebracht bij de vaststelling van de te vergoeden schadeā, aldus de Hoge Raad. Voor zover het oordeel over de vraag of het voordeel in voldoende causaal verband staat met de schadebrengende gebeurtenis afhangt van bepaalde feiten en omstandigheden, ligt voor de hand om aan te nemen dat de schuldenaar die feiten en omstandigheden zal moeten stellen en bewijzen.12
Voor zover dit redelijk is
Indien ervan moet worden uitgegaan dat dezelfde gebeurtenis die de schade teweegbracht ook een werkelijk voordeel heeft opgeleverd dan moet dit bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening gebracht voor zover dit redelijk is. In de clausulering āvoor zover dit redelijk isā schuilt een bevoegdheid van de rechter die min of meer discretionair van aard is: āDe rechter is (ā¦) vrij bepaalde voordelen niet in rekening te brengen indien hem dat niet redelijk voorkomtā, aldus de Hoge Raad.13 Vragen van stelplicht en bewijslastverdeling zullen zich ten aanzien van deze clausulering niet gauw voordoen. Mocht de toepassing van deze redelijkheidsclausule afhangen van bepaalde feiten en omstandigheden die niet vaststaan dan zal de schuldenaar ook die moeten bewijzen. Dat ligt besloten in de in art. 6:100 BW gebruikte formulering. Daar staat immers: āvoor zover dit redelijk isā en niet ātenzij dit niet redelijk isā.
Voordeelstoerekening of schadebegroting
De vermindering van de verplichting tot schadevergoeding door het genieten van een voordeel kan worden betrokken zowel op het schadebegrip waarin de omvang van de schade wordt bepaald (art. 6:95-97 BW) als op de voordeelstoerekening van art. 6:100 BW. Een keuze tussen de beide benaderingen is in zoverre niet van belang dat door de benadeelde in verband met de schadeveroorzakende gebeurtenis behaalde voordelen in de toe te kennen schadevergoeding moeten worden betrokken voor zover dat redelijk is. In beide benaderingen gaat het uiteindelijk erom dat bij de vergelijking tussen de toestand zoals deze in werkelijkheid is en de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de normschending niet zou hebben plaatsgevonden, beoordeeld moet worden welke nadelen en welke voordelen in zodanig verband staan met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij redelijkerwijs als een gevolg van deze gebeurtenis aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend. Dat beide benaderingen mogelijk zijn, strookt met de totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:100 BW (TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 348), waarin in het midden is gelaten of āde noodzakelijkheid van voordeelstoerekening reeds in het begrip schade opgesloten ligt, daar het in ieder geval gewenst is, dat de negatieve factor, die bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking behoort te worden genomen, in de wet vermeld wordtā. De rechter is met inachtneming van het partijdebat vrij te bepalen welke van de twee benaderingen hij volgt.
Bij deze uitwisselbaarheid van benaderingen loopt men er wel tegenaan dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de schade in beginsel op de benadeelde liggen, terwijl die bij een beroep op voordeelstoerekening juist op de aansprakelijke partij rusten. Ten aanzien van het doorberekeningsverweer bij kartelschade heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor het maken van een keuze tussen beide benaderingen de stelplicht en bewijslast niet doorslaggevend zijn, aangezien de rechter daarvoor in beide benaderingen dezelfde regels kan hanteren. Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade gelden weliswaar in beginsel de gewone bewijsregels, maar daarbij is de rechter ingevolge art. 6:97 bevoegd de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Dit geeft voldoende ruimte om, evenals het geval is in de benadering op de voet van art. 6:100 BW, niet alleen de stelplicht, maar ook de bewijslast ten aanzien van de aan het doorberekeningsverweer ten grondslag gelegde feiten bij de aansprakelijke partij te leggen.14
Voetnoten
1.
HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6627, NJ 2002/122 (Van Straaten/Brandts).
2.
Zie over het onderscheid tussen beide situaties en de daarmee corresponderende rechtsfiguren Hijma noot onder HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3402, NJ 2011/43 (Vos/TSN).
3.
HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3402, NJ 2011/43 (Vos/TSN) m.nt. Hijma.
4.
In die zin Lindenbergh, GS Schadevergoeding, art. 6:100 BW, aant. 7.
5.
HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6627, NJ 2002/122 (Van Straaten/Brandts).
6.
Aldus A.T. Bolt, Voordeelstoerekening bij de begroting van de schadevergoeding in geval van onrechtmatige daad en wanprestatie (dissertatie Groningen 1989), Kluwer: Deventer 1989, 4.5.1.
7.
HR 8 juli 2016 ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262 m.nt. Lindenbergh.
8.
Zie hierover Asser/Sieburgh 6-II 2025/100a e.v.
9.
Aldus A.T. Bolt, Voordeelstoerekening bij de begroting van de schadevergoeding in geval van onrechtmatige daad en wanprestatie (dissertatie Groningen 1989), Kluwer: Deventer 1989, 4.5.2.
10.
Zie daaroverLindenbergh, GS Schadevergoeding, art. 6:100 BW, aant. 2.1.1 en 2.1.2.
11.
HR 8 juli 2016 ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262 m.nt. Lindenbergh.
12.
In die zin heeft de Hoge Raad ook beslist in het arrest Tennet c.s./ABB c.s. (HR 8 juli 2016 ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262 m.nt. Lindenbergh), zij het in dat geval specifiek ten aanzien het doorberekeningsverweer bij kartelschade.
13.
HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6627, NJ 2002/122.
14.
HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262 (Tennet/ABB) m.nt. Lindenbergh.