Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/2.2.2
2.2.2 De rechtspraak
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS414504:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit is dan ook de reden dat ik in deze paragraaf het Hof van Justitie en niet de Hoge Raad of lagere Nederlandse rechters centraal stel. Nederlandse rechters functioneren door de prejudiciële procedure feitelijk als Unierechtelijke rechters en zijn in die zin afhankelijk van de rechtspraak van het Hof van Justitie. In een onderzoek naar de rechtsvinding in een Unierechtelijk rechtsgebied is de jurisprudentie van het Hof van Justitie daarom de voornaamste object van aandacht. Voor het geharmoniseerde btw-recht geldt dan ook dat het Hof van Justitie grote invloed heeft op de rechtspraak van de Nederlandse belastingrechter.
Zelfs termen en begrippen uit de Btw-richtlijn waarvan de invulling expliciet aan de lidstaten is overgelaten, worden in toenemende mate ingevuld of ingekaderd door het Hof van Justitie. Zie bijvoorbeeld HvJ EG 28 juni 2007, nr. C-363/05, V-N 2007/36.25 (JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust plc) over het begrip “collectieve beleggingsinstellingen zoals door de lidstaten nader omschreven.”
R. Barents en L.J. Brinkhorst, Grondlijnen van Europees Recht, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, blz. 246.
In 2015 deed het Hof van Justitie uitspraak in 41 zaken met betrekking tot de Btw-richtlijn (inclusief beschikkingen). In 2014: 36 en 2013: 58.
Dat geen vragen worden gesteld betekent niet per definitie dat bepalingen voldoende duidelijk zijn. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat nationale rechters hun verdragsplicht om onopgehelderde vragen van Unierecht voor te leggen aan het Hof van Justitie niet in alle gevallen even voortvarend opnemen. Zie ook H.C.F.J.A. de Waele, Rechterlijkactivisme en het Europees Hof van Justitie, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, blz. 58 e.v.
Zie bijvoorbeeld de vragen van de Hoge Raad in HvJ EU 30 mei 2013, nr. C-651/11, BNB 2014/113 (X bv) gesteld naar aanleiding van HvJ EG 29 oktober 2009, nr. C-29/08, BNB 2010/251 (AB SKF), die uitgebreid aan de orde komen in hoofdstuk 6. Een ander duidelijk voorbeeld zijn de vragen in HvJ EU 17 januari 2013, nr. C-543/11, BNB 2013/85 (Gemeente Maasdriel) die zijn gesteld naar aanleiding van het arrest HvJ EU 19 november 2009, nr. C-461/08, BNB 2011/14 (Don Bosco).
De rechtspraak is een belangrijke bron van positief btw-recht. Dit geldt in het bijzonder voor de rechtspraak van het Hof van Justitie dat in laatste instantie de uitlegging bepaalt van begrippen in de Btw-richtlijn.1 Deze uitlegging heeft grote invloed op de toepassing van btw-recht op nationaal niveau.2
Op basis van artikel 267 VWEU is het Hof van Justitie bevoegd om bij prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitleg van Verdragen en over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie. De mogelijkheid om te verzoeken om de uitleg van een vraag van Unierecht wordt op basis van het artikel gegeven aan alle rechterlijke instanties van de lidstaten. In het geval een rechter de uitleg van Unierecht noodzakelijk acht voor een bij die rechterlijke instantie aanhangig geschil, dan bestaat de mogelijkheid om de behandeling van het geschil te schorsen en prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. Indien een dergelijke situatie zich voordoet bij een rechterlijke instantie tegen wiens uitspraak geen beroep meer openstaat, dan is deze instantie het voorleggen van vragen aan het Hof van Justitie zelfs verplicht. Na beantwoording van de prejudiciële vragen is het aan de nationale rechter om aan de hand van de beantwoording het voorliggende geschil te beslechten. Op deze wijze werken feitelijk alle rechters in de EU als Unie-rechters. Het Hof van Justitie heeft als gevolg hiervan het uitleggingsmonopolie voor het Unierecht.3
Door het verlenen van deze bevoegdheden aan het Hof van Justitie wordt bewerkstelligd dat het Unierecht zo min mogelijk uiteenloopt in de verschillende lidstaten. Het Hof van Justitie onderkent het dan ook als zijn taak ervoor te zorgen dat het Unierecht onder alle omstandigheden in alle lidstaten dezelfde werking heeft. Hoewel het niet in artikel 267 VWEU is neergelegd, is de beantwoording van prejudiciële vragen bindend voor de nationale rechter die de vragen heeft gesteld. Deze verbindendheid vloeit voort uit de verplichting van gemeenschapstrouw die artikel 4 lid 3 VEU alle organen van een lidstaat oplegt.
Het geharmoniseerde btw-recht roept veel prejudiciële vragen op met betrekking tot de verenigbaarheid van nationale regelingen met de Btw-richtlijn.4 Er bestaat hierdoor een steeds grotere bijdrage van het Hof van Justitie aan de invulling van het btw-recht. Daarbij moet evenwel worden opgemerkt dat de bijdrage van het Hof van Justitie aan de uitleg van het btw-recht wordt beperkt door de rechters in de lidstaten. Het Hof van Justitie bepaalt weliswaar welke begrippen in de Btw-richtlijn Unierechtelijke begrippen zijn, maar kan dit pas doen wanneer een nationale rechter tot het stellen van prejudiciële vragen is overgegaan. Het Hof van Justitie kan niet uitleggen wat niet gevraagd wordt.5 Deze afhankelijkheid leidt ertoe dat de harmonisering door de rechtspraak van het Hof van Justitie per definitie niet evenwichtig verloopt. Daarbij komt dat beantwoording van prejudiciële vragen niet zelden nieuwe prejudiciële vragen oproept.6 Dit draagt eveneens bij aan de onevenwichtige rechtsontwikkeling.
Zoals hiervoor reeds kort werd gememoreerd, vervult het Hof van Justitie eveneens een rol bij inbreukprocedures. Wanneer een lidstaat een richtlijn niet, onvolledig of onjuist implementeert, kan de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen deze lidstaat starten op basis van artikel 267 VWEU. Het is dan aan het Hof van Justitie te bepalen in hoeverre de nationale implementatie tekortschiet. In voorkomend geval gebiedt het Hof van Justitie een (verdere) implementatie. Wanneer aan een dergelijk gebod geen gehoor wordt gegeven riskeert de lidstaat een dwangsom.