Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.5.4.1:II.5.4.1 Interpretatie artikel 11, lid 1, onderdeel i, ten tweede, Wet OB 1968
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.5.4.1
II.5.4.1 Interpretatie artikel 11, lid 1, onderdeel i, ten tweede, Wet OB 1968
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS497845:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bv. HvJ 15 juni 1989, zaak 348/87, FED 1989/559, r.o. 11 (SUFA; m.aant. D.B. Bijl); HvJ 5 juni 1997, zaak C-2/95,V-N 1997, p. 2606, punt 15, r.o. 21 (SDC). Zie ook Henkow 2008, p. 90-91.
HvJ 12 juni 2014, zaak C-461/12, BNB 2014/210, r.o. 22 (concl. A-G Kokott; Granton Advertising; m.nt. C.J. Hummel).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Omdat het begrip ‘obligatie’ voorkomt in artikel 135, lid 1, onderdeel f, Btwrichtlijn en aan de lidstaten geen mogelijkheid is geboden dit begrip zelf nader in te vullen, moet het een eigen, Unierechtelijke betekenis hebben.1 Op basis van artikel 135, lid 1, onderdeel f, Btw-richtlijn zijn de meeste handelingen inzake obligaties, en ook inzake aandelen, andere deelnemingen en andere waardepapieren, vrijgesteld. Uit artikel 135, lid 1, onderdeel f, Btw-richtlijn volgt dus dat obligaties waardepapieren zijn. Wat precies de kenmerken van obligaties zijn, is niet verduidelijkt. Uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Harnas & Helm, waarin het verkrijgen en houden van door de verwijzende rechter als obligaties aangeduide instrumenten aan de orde was, blijkt hoegenaamd niets over de invulling van het begrip ‘obligatie’. De verwijzende rechter (de Hoge Raad) refereert aan schuldvorderingen belichaamd in verhandelbare effecten, waarna het Hof van Justitie veronderstelt dat inderdaad sprake is van obligaties. In de zaak Granton Advertising duidt het Hof van Justitie obligaties als ‘waardepapieren die een schuld vertegenwoordigen’.2
Artikel 11, lid 1, onderdeel i, ten tweede, Wet OB 1968 is iets anders geformuleerd dan artikel 135, lid 1, onderdeel f, Btw-richtlijn. Het verwijst naar effecten en andere waardepapieren. Het is naar mijn mening mogelijk deze bepaling richtlijnconform te interpreteren (zie ook par. 4.4). Afgezien van de vraag wat een (verhandelbaar) schuldinstrument onderscheidt van een deelneming (zie par. 4.4.3), speelt dan nog wel de vraag wat verhandelbaarheid inhoudt.