Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.2.1
8.5.2.1 Tijdens de totstandkoming van het ESM-verdrag
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS458918:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2010/11, 21501-20, 523; Handelingen II 2010/11, 64, 5, p. 51-52; Handelingen II 2010/11, 65, 6, p. 24. Zie voor een reactie van de regering op de aangenomen motie: Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 818.
Het IMF heeft daarbij als schuldeiser wel een hogere status dan het ESM.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 778, p. 2.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 798, p. 2.
Kamerstukken II 2010/11, 21501-07, 798, p. 22.
Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 877. Zie voor vragen en antwoorden over deze brief: Kamerstukken II 2011/12, 21501-07, 903.
Niet alleen probeerde het parlement de zeggenschap over de daadwerkelijke inzet van het ESM veilig te stellen, ook ten aanzien van de inrichting van het ESM waren er duidelijke wensen. Zo nam de Tweede Kamer al in maart 2011 een motie aan die eisen stelde aan het ESM.1 De initiatiefnemers achter de motie wilden dat alle leningen en garanties van het ESM een zogenoemde ‘preferred creditor’-status kregen, en zo voorrang behielden ten opzichte van andere schuldeisers. Ook wilden zij dat het IMF een actieve bijdrage zou leveren bij iedere inzet van het ESM, zowel qua leningen als qua expertise. Beide punten zijn zoals hierboven besproken in het ESM-verdrag terechtgekomen.2 In zoverre zijn de wensen van de Tweede Kamer bij de inrichting van het ESM dus gevolgd.
Naast de focus op de inrichting van het ESM had het parlement ook vanaf het begin veel aandacht voor de eigen betrokkenheid bij de inzet van het ESM en de gevolgen daarvan voor het budgetrecht. Zo stelde minister van Financiën De Jager al in februari 2011:
‘Ik ben mij terdege bewust van het budgetrecht van de Kamer. Voordat ik namens Nederland in zal stemmen met zaken die hieraan raken, zoals het vaststellen van een capaciteit van het ESM […], zal ik de Kamer consulteren en me vergewissen van voldoende parlementaire steun. Als dat onverhoopt niet mogelijk is, zal ik een parlementair voorbehoud maken.’3
Enkele maanden later stelde VVD-Tweede Kamerlid Harbers tijdens een algemeen overleg:
‘De parlementen in de lidstaten zouden in de toekomst buiten spel komen te staan bij aanvragen voor het permanente noodfonds. Ik vind dat dat niet mag gebeuren. Parlementen van de leden van de Eurogroepen zouden over een aanvraag tot steun moeten kunnen meepraten, op zijn zachtst gezegd. […] Ik zie dat er nu een rol weggelegd is voor de minister van Financiën, als voting members in de board of governors, zoals dat heet. Dat leidt echter tot de vraag hoe de minister de rol van de parlementen, in concreto onze Tweede Kamer, ziet in de aansturing van dat ESM?’4
De Jager antwoordde daarop:
‘De heer Harbers vroeg of het parlement grip verliest vanwege de condities van het ESM. Het verdrag ESM is in de maak. […] Het ESM wordt bestuurd door een board of governors. Belangrijke beslissingen worden bij unanimiteit door de board of governors, waar de ministers in zitten, besproken. […] Het budgetrecht wordt natuurlijk niet aangetast, omdat dit geregeld wordt met het verdrag waarmee het parlement moet instemmen. Per programma per land is inderdaad geen parlementaire goedkeuring vereist, maar het parlement heeft natuurlijk altijd invloed op zijn minister van Financiën.’5
Nog voor de definitieve versie van het ESM-verdrag tot stand kwam, stuurde de minister van Financiën een brief naar de Tweede Kamer over de parlementaire betrokkenheid bij de hierboven besproken EFSF.6 Hierin stelde hij voor om nadere afspraken te maken over de manier waarop aan die parlementaire betrokkenheid invulling kan worden gegeven. Die afspraken wilde hij ook van toepassing laten zijn op het ESM.