Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/7.4.2
7.4.2 De wenselijke juridische organisatiestructuur van de optimale rechtsvorm voor samenwerkende beroepsbeoefenaren
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS390359:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, JOR 2015/181 (Bepro).
Zie over het belang van een heldere terminologie in dit kader ook Stokkermans 2016, p. 410.
Zie o.a. in kritische zin Wuisman 2015a, p. 67 en Huizink 2014, p. 21-22.
Van Olffen e.a., p. 13.
Van Olffen e.a., p. 66.
In het kader van de juridische organisatiestructuur is er overigens nog veel meer te zeggen over de nieuw voorgestelde regeling van Van Olffen e.a. Een dergelijke bespreking gaat het kader van dit onderzoek en de hier besproken aanbevelingen echter te buiten. Derhalve wordt volstaan met hetgeen hiervoor besproken is.
De optimale rechtsvorm heeft een flexibele organisatiestructuur die tevens continuïteit en rechtszekerheid biedt. Naar huidig recht biedt geen van de onderzochte rechtsvormen een dergelijke combinatie. Toch is het naar mijn mening – in dit kader – niet nodig om een nieuwe rechtsvorm voor beroepsbeoefenaren in te voeren; zowel de coöperatie als de maatschap beschikken immers wel in grote mate over deze eigenschappen. Als we beide rechtsvormen met elkaar vergelijken, is de maatschap nog altijd de rechtsvorm die de meest optimale organisatiestructuur biedt voor de samenwerking in het beroep. Onder andere haar contractuele karakter, de toepasselijke regelgeving (geen dwingend recht) en haar weinig openbare karakter (geen plicht tot het openbaar maken van de jaarrekening), maken dat de huidige organisatiestructuur van de maatschap, ondanks haar nadelen, nog altijd een goede basis vormt voor de vormgeving van samenwerking in het beroep. Zij is – in tegenstelling tot de coöperatie – bovendien klassiek en expliciet geschikt voor beroepsuitoefening en biedt daarnaast een organisatiestructuur die van nature gericht is op gelijkwaardige samenwerking (platte organisatiestructuur). Tevens is ze (zeer) flexibel in te richten en daarmee aan te passen aan de specifieke wensen van beroepsbeoefenaren.
Uit mijn onderzoek komt echter ook naar voren dat de maatschap naar huidig recht een aantal organisatorische knelpunten kent. Zoals in hoofdstuk 1 en 5 uitgebreid aan de orde kwam, gaat het hierbij onder meer om de verouderde, onduidelijke en versnipperde wettelijke regeling die van toepassing is. Het grootste pijnpunt zit echter in het feit dat het de maatschap – naar huidig recht – aan rechtspersoonlijkheid ontbreekt, met als gevolg (met name) de goederenrechtelijke problematiek van dien. Rechtspersoonlijkheid voor de maatschap (en de andere personenvennootschappen) zou – naar Amerikaans en Brits voorbeeld – dit knelpunt oplossen. De verkenning van een aantal buitenlandse rechtsvormen in hoofdstuk 6 van dit proefschrift toont aan dat een rechtspersoon-contract (civielrechtelijk gezien) goed bestaanbaar is. Een andere optie om dit knelpunt op te lossen, is om – naar Duits voorbeeld – in de wet een definitie op te nemen van het begrip rechtssubjectiviteit, of in ieder geval dit begrip helder af te bakenen ten opzichte van het begrip rechtspersoon, zodat voor eenieder duidelijk is wat beide begrippen inhouden. Waar nu de onderlinge verhouding niet scherp is, zou in ieder geval duidelijk vast moeten komen staan dat iedere rechtspersoon rechtssubjectiviteit heeft, maar niet ieder rechtssubject (beschikt over) rechtspersoonlijkheid. Personenvennootschappen worden dan rechtssubject; de rechtsvormen uit Boek 2 BW blijven rechtspersonen maar dan op basis van een heldere definitie van beide begrippen in de wet. Het begrip ‘rechtspersoonlijkheid’ is al gedefinieerd in Boek 2 BW (artikel 2:5 BW), en de definitie van rechtssubject zou kunnen worden opgenomen in Boek 7 BW. Daarmee wordt – in het belang van de rechtszekerheid – de (als gevolg van de recente jurisprudentie1 ontstane) onduidelijkheid over de inhoud van het begrip ‘rechtssubjectiviteit’ weggenomen.2 Uit mijn onderzoek blijkt namelijk dat het met het oog op het waarborgen van continuïteit en rechtszekerheid vooral van belang is dat de maatschap (goederenrechtelijk gezien) houder kan zijn van eigen rechten en verplichtingen. Dit zou als een van de (wettelijke) kenmerken van rechtssubjectiviteit kunnen worden aangemerkt.
Een ander punt dat verbeterd kan worden aan de rechtsvorm van de maatschap ziet op de continuïteit ervan. Deze zou aanzienlijk versterkt kunnen en, naar mijn mening, ook moeten worden. Bijvoorbeeld door middel van een heldere wettelijke ontbindings-, voortzettings- en vereffeningsregeling. Het toe- en uittreden van vennoten zou bovendien in beginsel niet tot ontbinding moeten leiden. Daarnaast verdienen de herstructureringsmogelijkheden van de maatschap aandacht.
In het conceptwetsvoorstel van Van Olffen e.a. komen de meeste van de door mij in dit onderzoek gesignaleerde knelpunten aan de orde en worden deze op een – mijns inziens – grotendeels heldere wijze opgelost. De belangrijkste vernieuwing van het conceptwetsvoorstel is dat de openbare vennootschap – de broodnodige en gewenste – rechtspersoonlijkheid verwerft door middel van inschrijving in het handelsregister. Deze methode van verkrijging lijkt mij rechtszeker en (kosten)efficiënt en bovendien blijkt uit mijn onderzoek dat een dergelijke methode ook aansluit bij regelingen in dit kader in (de in dit onderzoek besproken) buitenlandse rechtsstelsels.
Notariële tussenkomst is dus wat mij betreft niet noodzakelijk. Ook niet omdat de aard van (de gevolgen van de) rechtspersoonlijkheid zoals die door Van Olffen e.a. wordt voorgesteld, – vanwege het contractuele karakter van de personenvennootschap – blijft verschillen van de rechtspersoonlijkheid van de rechtspersonen uit Boek 2 BW. De vennoten blijven (in beginsel) persoonlijk verbonden voor verbintenissen uit rechtshandeling van de vennootschap en ook de titels 2.1 en 2.6 t/m 2.9 BW zijn niet van toepassing op de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid. Het is daarmee in mijn ogen dan ook logisch dat de voorgestelde regeling over personenvennootschappen door Van Olffen e.a. wordt opgenomen in titel 7.13 en niet in Boek 2 BW. Wel zou ik de suggestie willen doen om de ‘rechtspersoon(lijkheid)’ van Boek 7 BW (dan ook) een ander ‘etiket’ te geven. Dit helpt verwarring over de inhoud en betekenis van beide ‘soorten’ rechtspersonen te voorkomen en dat is in het belang van de rechtszekerheid. Wellicht dat mijn hierboven beschreven suggestie om de inhoud van ‘rechtssubjectiviteit’ nader te omschrijven en deze definitie op te nemen in de nieuwe titel 7.13, hieraan kan bijdragen.
De Werkgroep Personenvennootschappen heeft er voorts voor gekozen om het onderscheid tussen de maatschap (beroep) en de v.o.f. (bedrijf) in de nieuwe regeling te behouden. Hoewel het onderscheid tussen beroep en bedrijf door velen bekritiseerd wordt,3 stelt de werkgroep terecht dat de praktijk vertrouwd is met dit onderscheid en dat het bovendien in de praktijk tot weinig problemen leidt.4 De keuze van de werkgroep is daarnaast consistent met haar uitgangspunt bij het opstellen van een nieuwe regeling: ‘if it ain’t broke, don’t fix it’. Op basis hiervan omvat het ontwerp zo min mogelijk fundamentele veranderingen, maar is het erop gericht om de beginselen, ontwikkelingen en tendensen in jurisprudentie en de samenleving te codificeren.5 Bovendien is het praktisch om uit te gaan van het bestaande systeem, omdat het ontwerpen van een of meer nieuwe rechtsvormen veel tijd zou kosten, terwijl een herziening op korte termijn gewenst is. Uit mijn onderzoek volgt voorts dat de maatschap – afgezien van de hiervoor besproken knelpunten – qua organisatiestructuur in belangrijke mate voldoet aan de besproken drijfveren bij de keuze voor een interne structuur van een rechtsvorm. Desondanks kunnen – in het kader van de organisatiestructuur – vraagtekens geplaatst worden bij het handhaven van het onderscheid tussen beroep en bedrijf. Immers, op dit moment zijn qua interne structuur de verschillen tussen de v.o.f. en de maatschap beperkt. Deze zien zuiver op de vertegenwoordigingsregeling. Omdat beide rechtsvormen (via de omweg van de doorlopende volmacht) per saldo op dezelfde wijze vertegenwoordigd kunnen worden, verdient het mijns inziens de voorkeur om – conform het ontwerp van Van Olffen e.a. – deze regeling gelijk te trekken. Een dergelijke gelijktrekking leidt ertoe dat er in het kader van de organisatiestructuur op zichzelf geen reden bestaat voor handhaving van het onderscheid tussen beroep en bedrijf. Anderzijds zit het onderscheid in dit kader ook niet in de weg. Of het onderscheid gehandhaafd dient te worden, is daarom mijns inziens met name afhankelijk van andere factoren dan organisatiestructuur; met name aansprakelijkheid lijkt hier een belangrijke rol te spelen. Zo draagt de werkgroep als argument voor de handhaving van het onderscheid (tussen beroep en bedrijf) aan dat dit de mogelijkheid biedt om een eigen aansprakelijkheidsregime voor beroepsbeoefenaren in te voeren. Op het antwoord op de vraag of het gerechtvaardigd is om (ook) in het kader van aansprakelijkheid een onderscheid te maken tussen beroep en bedrijf, zal ik in de volgende paragraaf dieper ingaan.
Zoals gezegd, is de maatschap een verouderde rechtsvorm en vormt de problematiek hieromtrent een belangrijke aanleiding voor mijn onderzoek. Deze problematiek zal door middel van die hiervoor door mij besproken suggesties, die in het voorstel van Van Olffen e.a. ook voor een groot deel naar voren komen, (en in ieder geval wat betreft de juridische organisatiestructuur) grotendeels worden opgelost.6