Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/8.6.1
8.6.1 Inleiding
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS387070:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Snijder-Kuipers, GS Rechtspersonen, art. 2:18 BW, aant. 1 (online, laatst bijgewerkt op 1 oktober 2012).
Braaksma & Bangma 2004.
Zie bijv. Wuisman 2013, p. 56 en Wuisman 2011.
Kamerstukken II 2006/07, 31058, 3, p. 23.
Een VOF kon zich volgens het Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het statuut van de Europese besloten vennootschap (COM(2008)396 def.) omzetten in een Europese BVof met een andere VOF fuseren in een Europese BV. Zie ook Maul & Röhricht 2008, p. 1575; Boschma & Schutte-Veenstra 2008, p. 180; Oostenbrink 2009, p. 17. Het plan voor de Europese BV is echter van de baan.
Art. 2:18 BW regelt de omzetting van rechtspersonen, waarbij de rechtsvorm wijzigt terwijl de rechtspersoon in stand blijft. De omzettingsbepaling is ontworpen om te voorkomen dat een rechtspersoon die niet voldeed aan de wettelijke vereisten van zijn rechtsvorm dreigde te worden ontbonden op grond van art. 2:21 BW, maar tegenwoordig staat de omzettingsfiguur ook open voor rechtspersonen die op een eerder gemaakte rechtsvormkeuze willen terugkomen, bijvoorbeeld vanwege gewijzigde activiteiten.1 Omdat op grond van art. 2:18 BW alleen rechtspersonen zich kunnen omzetten in een andere rechtsvorm (‘1. Een rechtspersoon kan zich met inachtneming van de volgende leden omzetten in een andere rechtsvorm.’), is omzetting in de zin van die bepaling van een VOF in een kapitaalvennootschap niet mogelijk. Niettemin kan ook bij de vennoten van een VOF de wens bestaan om de onderneming voort te zetten door middel van een kapitaalvennootschap. Uit een in 2004 in opdracht van het ministerie van Economische Zaken uitgevoerd onderzoek naar de motieven voor keuze voor een bepaalde rechtsvorm in het MKB kwam naar voren dat bijna één op de tien ondernemers met een eenmanszaak, VOF of CV actief bezig is met de omzetting naar een BV.2
Fiscale aspecten vormen een eerste belangrijke reden. Ten tweede kunnen vennoten, zodra de aansprakelijkheidsrisico’s te groot worden, een beperking van hun persoonlijke aansprakelijkheid voor (toekomstige) vennootschapsschulden wensen.3 De aandeelhouders van een BV zijn immers niet persoonlijk aansprakelijk jegens vennootschapscrediteuren (art. 2:175 BW), hetgeen overigens gerelativeerd dient te worden als men bedenkt dat ook een schuldeiser van een kapitaalvennootschap de persoonlijke borgstelling van de aandeelhouders van de BV kan verlangen. Dit neemt niet weg dat de aandeelhouders van die BV zélf met die borgstelling moeten instemmen, hetgeen voor aansprakelijkheid voor schulden van een VOF niet geldt. Beperking van aansprakelijkheid blijkt uit onderzoek van het ministerie van Economische Zaken voor ondernemers het belangrijkste motief te zijn om hun bedrijf op een later moment onder te brengen in een BV.4 Een derde motief kan zijn gelegen in de ruimere herstructureringsmogelijkheden die de BV ten dienste staan. Zo kunnen kapitaalvennootschappen wel juridisch fuseren, splitsen en zich omzetten in een andere rechtsvorm (art. 3:310 lid 1 jo. lid 3 BW).5 Ten vierde kan het eenvoudiger zijn om kapitaal aan te trekken als de onderneming wordt gedreven in een kapitaalvennootschap en ten vijfde kunnen de gewoonte, het aanzien in de branche waartoe de onderneming behoort en de persoonlijke voorkeur van de ondernemers een rol spelen bij de keuze voor een rechtsvorm. Ten slotte kan het overdragen van een aandeel in een BV eenvoudiger zijn dan het overdragen van een aandeel in een VOF.