Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/363:363 Opzegging
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/363
363 Opzegging
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD104858:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo begrijp ik ook Stein 2006 (Vermogensrecht), art. 3:246, aant. 23.2.
Zie hiervóór par. 1.4. Zie voor enkele voorbeelden van situaties waarin gebruikmaking van de bevoegdheid tot opzegging van de vordering in strijd zou kunnen zijn met de regel dat van die bevoegdheid geen nodeloos gebruik gemaakt mag worden Reehuis 1987, nr. 384.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de overeenkomst waaruit een vordering voortkomt, kan zijn bepaald dat de vordering door de schuldeiser opeisbaar kan worden gemaakt doordat deze een wilsrecht uitoefent. Aan de schuldeiser kan bijvoorbeeld het recht tot opzegging van de vordering zijn toegekend. Het bestaan van het opzeggingsrecht kan aan voorwaarden onderworpen zijn. Een voorbeeld is de bepaling dat de schuldeiser de vordering door opzegging opeisbaar kan maken indien de voorwaarde vervuld is dat de debiteur gedurende een termijn van 30 dagen in verzuim is voor wat betreft de betaling van de verschuldigde rente.
Naar geldend recht komt de mogelijkheid om een vordering door opzegging opeisbaar te maken met uitsluiting van de overige pandhouders aan de hoogst gerangschikte openbaar pandhouder toe.1 Uit de tekst van art. 3:246 lid 2 BW lijkt te volgen dat de bevoegdheid na mededeling van het pandrecht (behoudens toestemming van de kantonrechter of de pandhouder2) niet langer door de pandgever kan worden uitgeoefend.3 Dat de pandgever de vordering nog opzegt lijkt mij echter niet bezwaarlijk.
In de wet is bepaald dat de pandgever en de pandhouder jegens elkaar van de opzeggingsbevoegdheid geen nodeloos gebruik mogen maken. Deze bepaling lijkt een uitdrukking te zijn van de ook voor de uitoefening van andere rechten geldende algemene regels, zoals de regel dat rechtsverhoudingen worden beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Zo zal de uitoefening van de opzeggingsbevoegdheid ook jegens de debiteur in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid moeten zijn. Voorstelbaar is ook, dat de pandgever op grond van de redelijkheid en billijkheid tegenover de stil pandhouder gehouden is van zijn opzeggingsbevoegdheid gebruik te maken als hij kan voorzien dat de solvabiliteit van de debiteur verslechtert. Zoals eerder aangekondigd, blijft de toepassing van dergelijke algemene regels buiten beschouwing.4
Dat (ook) de inningsbevoegde pandhouder bevoegd is een recht tot opzegging van een vordering uit te oefenen is mijns inziens in overeenstemming met het wenselijke recht. De opzegging heeft uitsluitend gevolgen voor de verpande vordering, is te beschouwen als een beheersdaad en is geen persoonlijk recht van de pandgever. Ook is de uitoefening van het opzeggingsrecht door de openbaar pandhouder in overeenstemming met het doel van het pandrecht, verhaal door de pandhouder op de verpande vordering.