Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.3.1
3.4.3.1 De kapitaalvennootschap en gebruik in het beroep
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS386778:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Groot & Stein 2002, p. 97.
Mits de beroepsbeoefenaar er bovendien zorg voor draagt dat hij tevens niet kan worden aangemerkt als medebeleidsbepaler in de zin van art. 2:248 lid 7 BW en 2:216 lid 4 BW.
Voor een uitgebreide bespreking van de bestuurdersaansprakelijkheid wordt verwezen naar Van de Bunt 2013 en Strik 2010.
Beroepsbeoefenaren kunnen als aandeelhouder van de vennootschap immers gewoon hun beroep uitoefenen binnen de vennootschap en tevens delen in de winst, maar zullen (en kunnen) uiteraard wel minder invloed uitoefenen op het beleid dan wanneer zij tevens bestuurder van de vennootschap zijn, of het bestuur van de vennootschap overlaten aan een deel van de vennoten. De vraag is of dit in alle gevallen wenselijk is. Dit is o.a. afhankelijk van de grootte van het samenwerkingsverband maar ook de beschikbaarheid en geschiktheid van een kantoordirecteur. Hierover meer in hoofdstuk 5.
Ook binnen die BV zullen de risico’s op bestuurdersaansprakelijkheid echter beperkt zijn.
Het grote voordeel van de kapitaalvennootschappen op aansprakelijkheidsvlak is, zoals gezegd, dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten en dat deze rechtspersoonlijkheid betekent dat de vennoten (aandeelhouders) in beginsel niet aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap. Dit geldt overigens in beginsel ook voor de overige betrokkenen bij de vennootschap: de vennootschap zelf raakt immers gebonden.
Naast de hiervoor in paragraaf 3.4.3 besproken redenen, is deze beperkte aansprakelijkheid dan ook vaak een belangrijk argument voor de keuze voor de NV of de BV: het financieel risico van de aandeelhouders is in beginsel niet groter dan hun aandeel in het kapitaal van de vennootschap.1 Ook voor toezichthouders en bestuurders geldt dat zij in beginsel niet aansprakelijk zijn voor de verplichtingen van de vennootschap. Voor zowel aandeelhouders, bestuurders als toezichthouders gelden echter wel een aantal normen waaraan zij zich bij hun taakuitoefening dienen te houden en op basis waarvan zij, bij niet-naleving, aansprakelijk kunnen zijn. Beroepsbeoefenaren die, omwille van aansprakelijkheidsbeperking, gebruik willen maken van een kapitaalvennootschap zouden er derhalve voor kunnen kiezen om geen bestuurder te worden van de kapitaalvennootschap waarin zij willen samenwerken. Zij zouden slechts als aandeelhouder bij de vennootschap betrokken kunnen zijn en het bestuur van de vennootschap kunnen overlaten aan een zogenoemde kantoordirecteur (derde). Wat betreft aansprakelijkheid is dit de veiligste optie2 nu, zoals nog zal worden toegelicht in paragraaf 3.4.3.3, de kans op aansprakelijkheid dan het kleinst is. In beginsel zal (daarom) in dit onderzoek worden uitgegaan van deze keuze door beroepsbeoefenaren. Vanwege de keuzemogelijkheid van beroepsbeoefenaren, maar ook vanwege het feit dat er al heel veel onderzoek verricht is naar bestuurders- én aandeelhoudersaansprakelijkheid, is er in dit proefschrift voor gekozen om de bestuurders- en aandeelhoudersaansprakelijkheid slechts zeer beknopt te bespreken.3 Deze aansprakelijkheden zijn immers eigen aan het gebruik van een kapitaalvennootschap maar zien niet specifiek op beroepsuitoefening. Bovendien is, zoals hierna aan de orde zal komen, het risico op zowel bestuurders- als aandeelhoudersaansprakelijkheid in de meeste gevallen (goed) beheersbaar. Het risico is redelijk beperkt omdat veel van deze vormen van aansprakelijkheid slechts in zeer specifieke gevallen aan de orde zijn en bovendien de normen die gelden, in verband met de beleidsvrijheid van bestuurders, strikt geformuleerd zijn.
De keuze van beroepsbeoefenaren om niet als bestuurder van het samenwerkingsverband te fungeren is overigens op het gebied van aansprakelijkheid misschien het veiligst, maar in sommige gevallen organisatorisch minder gewenst.4 (Ook) daarom kunnen deze vormen van aansprakelijkheid niet geheel buiten beschouwing blijven en zal hier in paragraaf 3.4.3.4 en 3.4.3.5 toch beknopt aandacht aan worden besteed. Wanneer het, om redenen van organisatorische aard, niet gewenst is dat derden als bestuurder worden benoemd, krijgen de bestuurders-beroepsbeoefenaren te maken met zowel interne als externe aansprakelijkheid. Het gebruik van een (praktijk)vennootschap als bestuurder kan op grond van artikel 2:11 BW niet tegen deze aansprakelijkheid beschermen.
Opgemerkt moet bovendien worden dat bovengenoemde keuze (voor een derde-bestuurder) niet mogelijk is ingeval men gebruikmaakt van een praktijkvennootschap (die als vennoot deelneemt in een maatschap dan wel een kapitaalvennootschap): in dit geval dient de beroepsbeoefenaar zowel bestuurder als aandeelhouder van deze BV te zijn.5