Het legaliteitsbeginsel en de doorwerking van Europees recht in het Nederlandse materiële strafrecht
Einde inhoudsopgave
Het legaliteitsbeginsel en de doorwerking van Europees recht (Meijers-reeks) 2016/4.5:4.5 Bronnen van strafrechtelijke aansprakelijkheid in het Nederlandse strafrecht
Het legaliteitsbeginsel en de doorwerking van Europees recht (Meijers-reeks) 2016/4.5
4.5 Bronnen van strafrechtelijke aansprakelijkheid in het Nederlandse strafrecht
Documentgegevens:
J.G.H. Altena, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
J.G.H. Altena
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Materieel strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 5 februari 1963 26/62, ECLI:EU:C:1963:1 (Van Gend & Loos).
HR 2 november 2004, NJ 2005/80, m.nt. E.A. Alkema (Verplichte rusttijden).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 3.2.1 zijn de verschillende theorieën over de doorwerking van het Europees recht besproken. Het Hof van Justitie beschouwt doorwerking als een kwestie van Europees recht.1 In Nederland is dat uitgangspunt aanvaard door de Hoge Raad.2 Daarmee is artikel 1 Sr noch artikel 16 GW relevant voor de vraag of op Europees niveau strafbepalingen kunnen worden geformuleerd die rechtstreeks toepasselijk zijn op Nederlands grondgebied. Een dergelijke bepaling is rechtstreeks toepasselijk in Nederland op grond van het Europees recht, en heeft voorrang op het Nederlandse recht – ook op de Grondwet. Niettemin roept de mogelijkheid van rechtstreeks toepasselijke verordeningen de vraag op of rechtstreekse werking van een verordening een breuk met de gangbare uitleg van het Nederlands legaliteitsbeginsel zou betekenen. In het legaliteitsbeginsel ligt immers een politieke keuze besloten ten aanzien van de soorten wetgeving die kunnen worden aanvaard als grondslag voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.
In deze paragraaf wordt gekeken welk type bronnen in het Nederlandse strafrecht wordt aanvaard als bron van strafrechtelijke aansprakelijkheid, alsmede welke herkomst die bronnen kunnen hebben. Eerst komt het rechtsbegrip in artikel 1 lid 1 Sr en artikel 16 Gw aan bod, daarna ga ik specifiek in op de doorwerking van verordeningen in het Nederlandse recht vanuit het perspectief van het legaliteitsbeginsel.
4.5.1 Het rechtsbegrip in artikel 1 lid 1 Wetboek van Strafrecht en artikel16 Grondwet en internationaal recht4.5.2 Rechtstreekse werking van verordeningen in het Nederlandse strafrecht?