De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV
Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/9.3.0:9.3.0 Introductie
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/9.3.0
9.3.0 Introductie
Documentgegevens:
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS388951:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit dit onderzoek volgt enige kritiek op de wijze waarop de wetgever het stemrechtloze aandeel en de rechten van de houder van dat aandeel heeft vormgegeven. In deze paragraaf doe ik aanbevelingen tot wijziging of interpretatie van de wet.
Voor aanbevelingen voor de rechtspraktijk verwijs ik naar Bijlagen 3, 4 en 5. Zij zien vooral op de voor- en nadelen van de diverse rechtsfiguren zonder stemrecht en aandachtspunten bij het gebruik van deze rechtsfiguren, bijvoorbeeld in het kader van structurering van vennootschappen. Ik beperk mij daarbij tot het stemrechtloze aandeel (Bijlage 3), het certificaat van aandeel (Bijlage 4) en het participatiebewijs (Bijlage 5). De rechtsfiguren van pandrecht of vruchtgebruik op aandelen worden in de praktijk in andere situaties gebruikt en zien niet op de keuze tussen (het gebruik van) het stemrechtloze aandeel, het certificaat van aandeel of het participatiebewijs.
Mijn belangrijkste aanbevelingen tot verbetering of interpretatie van de wet zijn:
Aanbevelingen tot wijziging of interpretatie van de wet
Paragraaf
1.
Het opnemen in de wet van een wettelijke definitie van het stemrechtloze aandeel, luidende als volgt: “Het stemrechtloze aandeel is een vermogensrecht op naam, in de vorm van een aandeel uitgegeven door de BV, dat kapitaal in een BV vertegenwoordigt, waaraan de rechten volgens de wet en de statuten van de BV zijn verbonden, waaronder het recht – al dan niet beperkt – op winst en/of reserves van die BV, doch aan welk aandeel geen stemrecht in de algemene vergadering is verbonden.”
4.2.4
2.
Het wijzigen van de tweede volzin van art. 2:228 lid 5 BW in: “Een dergelijke regeling kan slechts worden getroffen ten aanzien van alle aandelen van een bepaalde soort of aanduiding waarvan alle aandeelhouders instemmen, dan wel ten aanzien van alle aandelen van een bepaalde soort of aanduiding die niet zijn geplaatst.”
4.2.2
3.
Art. 2:228 lid 5 laatste volzin BW kan beter als volgt worden geformuleerd: “Ten aanzien van stemrechtloze aandelen kan niet op grond van art. 216 lid 7 worden bepaald dat zij geen enkel recht geven tot deling in de winst of de reserves van de vennootschap.”
4.2.5
4.
Aan art. 2:178 lid 1 BW moeten de woorden “van een bepaalde aanduiding” worden toegevoegd.
4.2.6
5.
Het bestuur van de vennootschap moet wettelijk verplicht worden schriftelijk aantekening te houden van besluiten van de vergadering van stemrechtloze aandeelhouders.
4.2.8
6.
Het zou wettelijk verplicht moeten worden dat notulen worden opgemaakt van de vergadering van houders van stemrechtloze aandelen en de algemene vergadering. Dat komt de toetsing van de besluiten en de besluitvorming ten goede.
4.2.8
7.
Met de invoering van het stemrechtloze aandeel is niet duidelijk wat onder het begrip ‘de meerderheid der aandelen’ in de zin van art. 1:88 lid 5 BW moet worden verstaan. Dat begrip wordt ingevuld door het formele criterium van de vennootschapsstructuur en het materiële criterium van de combinatie van zeggenschap en financieel belang. Voor de invulling van het financiële belang van het materiële criterium zou ik een proportionele minimumgrens van tien procent in het kapitaal van de BV aan door de handelend bestuurder te houden stemrechtloze aandelen willen stellen.
4.3.8
8.
Onder het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende’ in de Wwft en Wtt moet (ook) worden verstaan de stemrechtloze aandeelhouder met een zodanig kapitaalsbelang dat hij ten minste 25 procent van het geplaatste kapitaal in de BV houdt. Via zijn aandeelhouderschap heeft hij immers een meer dan substantieel, financieel belang in de (doel)vennootschap. Dat die stemrechtloze aandeelhouder het stemrecht ontbeert, doet daaraan niet af.
4.3.9
9.
Gelet op de achtergrond en de strekking van art. 43 Fw, meer in het bijzonder de in dat artikel opgenomen bewijsvermoedens, pleit ik ervoor in situaties als bedoeld in art. 43 lid 1 sub 4 onder c en sub 5 onder c en d Fw onder de woorden ‘ten minste de helft van het geplaatste kapitaal’ ook te verstaan de stemrechtloze aandeelhouder met een zodanig kapitaalsbelang dat hij ten minste de helft van het geplaatste kapitaal in de BV houdt.
4.3.10
10.
Het begrip ‘in overwegende mate bij machte’ als bedoeld in art. 1:141 lid 4 BW moet worden uitgelegd als een feitelijk zeggenschapscriterium. Dat criterium lijkt in de flex-BV wegens de introductie van het stemrechtloze aandeel niet goed hanteerbaar. Daardoor kan willekeur ontstaan. Indien tussen echtelieden een periodiek verrekenbeding is overeengekomen, dat mede winst uit onderneming omvat terwijl een van de echtgenoten stemrechtloze aandelen in een BV houdt, zouden de ingehouden winsten, naar evenredigheid van het aandelenbezit, in de verrekening betrokken moeten worden.
4.3.11
11.
Art. V.2 lid 1 eerste volzin van het Overgangsrecht moet luiden dat het bestuur van de vennootschap voldoet aan het bepaalde in art. 2:194 lid 1 laatste volzin BW conform de verplichting van dat laatste artikel dat het bestuur van de vennootschap het aandeelhoudersregister bijhoudt.
4.4.6.3
12.
Art. V.2 lid 1 laatste volzin van het Overgangsrecht moet bepalen dat inschrijving van de certificaathouder als vergadergerechtigde in het aandeelhoudersregister op last van de rechter of voorzieningenrechter tot gevolg heeft dat certificaathoudersrechten ontstaan.
4.4.6.3
13.
Art. V.2 lid 6 van het Overgangsrecht moet luiden dat “de vennootschap bij de eerstvolgende statutenwijziging vergaderrecht [dient] te verbinden aan deze certificaten overeenkomstig artikel 227 lid 2”. Blijkens art. 2:227 lid 2 BW wordt immers vergaderrecht aan certificaten verbonden en niet aan de houders van certificaten.
4.4.6.3
14.
Aan de eerste volzin van art. V.2 lid 1 van het Overgangsrecht moet na de punt worden toegevoegd: “Indien sprake is van houders van certificaten van aandelen, welke certificaten voor inwerkingtreding van de wet met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven en de vennootschap en haar organen zulks hebben erkend of dienovereenkomstig hebben gehandeld, voldoet het bestuur van de vennootschap omgaand na inwerkingtreding van de wet aan artikel 194 lid 1, laatste volzin.”
4.4.6.3
15.
Aan de eerste volzin van art. V.2 lid 1 van het Overgangsrecht moet tevens na de punt worden toegevoegd: “Indien sprake is van houders van certificaten van aandelen waaraan vergaderrecht is verbonden, welke certificaten na inwerkingtreding van de wet zijn uitgegeven, voldoet het bestuur van de vennootschap omgaand na uitgifte van die certificaten aan artikel 194 lid 1, laatste volzin.”
4.4.6.3
16.
Houders van participatiebewijzen met vergaderrecht moeten in het aandeelhoudersregister worden opgenomen.
4.11
17.
Ter bescherming van de vergadergerechtigde kapitaalverschaffer zonder stemrecht zou de wetgever aan art. 2:238 lid 1 BW het woord ‘voorafgaand’ moeten toevoegen.
6.2.3.8
18.
Wegens gebrek aan toegevoegde waarde kunnen de woorden ‘vaststelling van de waarde van de aandelen’ in art. 2:181 lid 4 BW worden geschrapt.
6.2.3.13
19.
Als eenvoudige oplossing voor de omzetting van een BV in een NV stel ik voor de regel dat stemrechtloze aandelen in een BV tot aandelen met stemrecht in een NV verworden.
6.2.3.13
20.
Een meer eenvoudige oplossing voor de omzetting van een BV in een NV lijkt mij de introductie van stemrechtloze aandelen in de NV.
6.2.3.13
21.
Indien bij een driehoeksfusie of driehoeksplitsing de groepsmaatschappij een BV is, kunnen de stemrechtloze aandeelhouders van de verdwijnende vennootschap ook stemrechtloze aandelen verkrijgen in de groepsmaatschappij-BV. De wet zou in dat geval in een vrijstelling voor de schadeloosstelling moeten voorzien.
6.2.3.15 en 6.2.3.16
22.
Aan de certificaathouder met vergaderrecht moet de vordering tot uitstoting en de vordering tot uittreding in de geschillenregeling toekomen. Ik pleit er bovendien voor de kapitaaleis van art. 2:336 BW gelijk te trekken met de kapitaaleis voor het indienen van een enquêteverzoek ex art. 2:346 lid 1 onder b BW, zijnde ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal.
8.9