Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/200:200 Bescherming van de pandgever
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/200
200 Bescherming van de pandgever
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD26638:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een argument om de mogelijkheid tot stille verpanding van toekomstige vorderingen te beperken, is dat een rechtssubject tegen te ondoordachte vervreemding of het in zekerheid geven van (een bepaalde categorie van) al zijn (bestaande en toekomstige) vermogensbestanddelen moet worden beschermd. De mogelijkheid dat een rechtssubject als het ware met één pennenstreek al zijn (toekomstige) vorderingen verpandt houdt het gevaar in dat hij of zij te ondoordacht te werk gaat. Als die mogelijkheid bestaat zullen schuldeisers met een sterke onderhandelingspositie van hun kredietnemers kunnen eisen dat zij al hun toekomstige vorderingen verpanden.
Met een beroep op deze beschermingsgedachte is in de literatuur ook gepleit voor een streng bepaaldheidsvereiste. Een pandgever zou vooral tegen al te gemakkelijke verpanding van toekomstige goederen beschermd moeten worden; hij kan de gevolgen van de vervreemding of bezwaring van zijn toekomstige goederen nog moeilijker overzien dan de gevolgen van de vervreemding van zijn tegenwoordige goederen.1
In paragraaf 2.2.1 is bescherming van zekerheidsgevers door voor alle rechtssubjecten geldende goederenrechtelijke beperkingen reeds als te ongenuanceerd van de hand gewezen. Voor zover bescherming van de pandgever geïndiceerd is, dient deze naar mijn mening te worden gezocht in algemene leerstukken als de aantastbaarheid van rechtshandelingen wegens wilsgebreken2 en in regelingen voor specifieke groepen, zoals in het consumentenrecht. Een voorbeeld van de laatste beschermingsmethode is art. 33 aanhef en sub d Wet op het consumentenkrediet dat een aan die wet onderworpen overeenkomst waarbij op bepaalde vorderingen, zoals loon- of alimentatievorderingen, een pandrecht wordt bedongen nietig doet zijn.
Denkbaar is ook dat de redelijkheid en billijkheid gebiedt dat een houder van zekerheidsrechten een deel van die rechten prijsgeeft door daar afstand van te doen.3 Een pandhouder die geen door een pandrecht verzekerde vorderingen meer heeft op zijn debiteur en die ook niet meer door in het verleden gelegen oorzaken zal verkrijgen, is naar mijn mening zonder meer gehouden afstand van zijn pandrecht te doen.