Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.16:9.16 Conclusie
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.16
9.16 Conclusie
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS596151:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Mits uiteraard aan de overige vereisten wordt voldaan, zoals schade en causaal verband.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
408. In dit hoofdstuk heb ik het fenomeen kennisversplintering behandeld en daarvoor een beoordelingskader voorgesteld. Uitgangspunt is dat een geschil bestaat tussen de rechtspersoon en de wederpartij. De wederpartij beroept zich op de rechtsgevolgen van een tussen haar en de rechtspersoon toepasselijke norm. Die rechtsgevolgen treden slechts in indien vaststaat dat de rechtspersoon kennis droeg van een bepaald feit. In het geschil staat vast dat het individu dat voor de rechtspersoon handelde (de handelende functionaris) die kennis niet had, maar dat de informatie wel elders binnen de organisatie aanwezig is of is geweest. Een andere functionaris (de wetende functionaris) kan kennis van het feit hebben gehad, maar de informatie kan ook zijn opgeslagen in een archief of database. Deze situatie noem ik kennisversplintering. De wederpartij ontdekt of vermoedt dat de informatie elders binnen de rechtspersoon aanwezig was en stelt zich op het standpunt dat die informatie als kennis aan de rechtspersoon moet worden toegerekend en dat het door de wederpartij voorgestane rechtsgevolg dus is ingetreden. Dit hoofdstuk behandelt de vraag of een norm of beginsel kan worden geïdentificeerd – als uitdrukking van de verkeersopvattingen – waaruit volgt welke kennis in geval van kennisversplintering kan worden toegerekend aan de rechtspersoon. Daarnaast gaat het in op de gezichtspunten en omstandigheden die bij de beoordeling van individuele gevallen van belang zijn. Overigens begint dit hoofdstuk (in par. 9.2) met de constatering dat geen harde grens bestaat tussen standaardgevallen en gevallen van kennisversplintering – en dat dat niet erg is.
Het beoordelingskader dat in dit hoofdstuk wordt geschetst, vindt geen toepassing wanneer het niet-opslaan, niet-doorgeven of niet-raadplegen van de informatie in feite een schadetoebrengende handeling is van een hulppersoon die is ingeschakeld bij de uitvoering van een overeenkomst of een fout van een ondergeschikte. Dan treedt het door de wederpartij gewenste rechtsgevolg, te weten dat de rechtspersoon schadeplichtig is, in op grond van art. 6:76 resp. 6:170 BW.1 Afzonderlijke kennistoerekening is dan niet nodig. Datzelfde geldt mogelijk indien een gebrekkig informatiemanagementsysteem kwalificeert als gebrekkige hulpzaak in de zin van art. 6:77 BW. Over dit alles schreef ik in par. 9.3.
In andere gevallen zal de rechter moeten oordelen of de rechtspersoon naar verkeersopvattingen een beroep toekomt op de onwetendheid van de handelende functionaris. In vertrouwensgevallen is de te beantwoorden vraag of de wederpartij er in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat een bepaald feit bekend was bij de handelende functionaris. Zie par. 9.4. De Nederlandse jurisprudentie en literatuur over kennisversplintering bieden weinig houvast bij het bepalen van de verkeersopvattingen (par. 9.5). Het Duitse recht biedt op dit vlak echter inspiratie: het kent een rijke traditie van het denken over kennisversplintering en veel BGH-jurisprudentie (par. 9.6). In Duitsland is de idee van de Organisationspflicht ontwikkeld: de rechtspersoon heeft een plicht tot een behoorlijke organisatie van de interne communicatie en omgang met informatie. De rechtspersoon moet zijn organisatie zodanig inrichten dat informatie op adequate wijze wordt opgeslagen, doorgegeven en geraadpleegd. Heeft de rechtspersoon niet aan deze plicht voldaan, dan wordt hij behandeld alsof hij het relevante feit kende. Dit gebeurt zowel wanneer voor het intreden van het rechtsgevolg volstaat dat de rechtspersoon het feit behoorde te kennen als wanneer vereist is dat de rechtspersoon het feit daadwerkelijk kende of zelfs arglistig verzweeg. Dit laatste is overigens niet zonder kritiek gebleven.
409. De opvatting dat een rechtspersoon ervoor moet zorgen dat informatie binnen zijn organisatie op behoorlijke wijze wordt opgeslagen, doorgegeven en geraadpleegd, maakt naar mijn idee onderdeel uit van de Nederlandse verkeersopvattingen. Dit komt aan de orde in par. 9.7. De organisatieplicht is in essentie een obliegenheit. Verzaakt een rechtspersoon zijn organisatieplicht, dan zal hij het gevolg moeten dragen dat daaraan verbonden is, namelijk dat hij wordt behandeld alsof hij het relevante feit (objectief of subjectief) kende. De idee waar de organisatieplicht uit voortvloeit, door mij ‘organisatiebeginsel’ genoemd, helpt de rechter bij het selecteren en wegen van de relevante omstandigheden. Het organisatiebeginsel brengt de rechter ertoe de vraag te beantwoorden: zou in een behoorlijk functionerende organisatie de informatie (tijdig) bij de handelende functionaris terecht zijn gekomen en door hem zijn benut? Dit doet de focus verschuiven van de functie of positie van de kennisdrager naar de aard van de informatie: de voorzienbare relevantie van de informatie is een van de belangrijkste factoren bij de toerekening van kennis in geval van kennisversplintering. Niettemin omvat het organisatiebeginsel naar mijn idee niet alle opvattingen die in het maatschappelijk verkeer bestaan over de toerekening van kennis in geval van kennisversplintering: sommige omstandigheden leggen bij de beoordeling gewicht in de schaal, maar houden geen verband met de wijze waarop de rechtspersoon de interne informatiestromen heeft georganiseerd. Zie over dit alles par. 9.8.
De organisatieplicht stelt de rechter wel in staat om te bepalen of de rechtspersoon subjectief wetend kan worden geacht in gevallen waarin de handelende functionaris in werkelijkheid van niets wist, en die onwetendheid het gevolg was van een imperfecte organisatie van de interne communicatie. Naar mijn mening mag in geval van kennisversplintering subjectieve kennis bij de rechtspersoon alleen worden aangenomen indien de rechtspersoon zich ‘van de domme heeft gehouden’ (par. 9.9). In par. 9.10 behandel ik de vraag of de rechtspersoon als wetend kan worden beschouwd wanneer hij voldoende heeft gedaan om een behoorlijk informatiemanagement tot stand te brengen, maar de relevante informatie toch niet bij de handelende functionaris terecht is gekomen, bijvoorbeeld vanwege ziekte of fraude. Met andere woorden: is toerekening van kennis aan de hand van de organisatieplicht een toerekening op basis van schuld of van risico? Ik zie geen eenduidig antwoord op die vraag: het zal naar mijn mening vooral afhangen van het type kennis dat door de toepasselijke norm wordt vereist, de betrokkenheid van de functionaris bij de rechtsverhouding in kwestie en de oorzaak van de kennisversplintering.
Een beoordeling van gevallen van kennisversplintering aan de hand van de organisatieplicht heeft implicaties voor de stelplicht en het bewijsrisico van partijen. De interne organisatie ligt immers geheel in de sfeer van de rechtspersoon. Voor de wederpartij zal een ‘schending’ van de organisatieplicht daarom moeilijk te onderbouwen zijn. Het kan dan passend zijn om op de rechtspersoon een verzwaarde motiveringsplicht van het verweer te leggen. Ook kan de rechter op basis van de voorliggende feiten voorshands aannemen dat het informatiemanagement van de rechtspersoon onbehoorlijk was georganiseerd (par. 9.11).
410. Verkeersopvattingen over hoe een organisatie zou moeten functioneren, bepalen mede welke omstandigheden relevant zijn en welk gewicht daaraan toekomt. In par. 9.12 en 9.13 besprak ik vijftien omstandigheden of gezichtspunten die van belang zijn of kunnen zijn bij de toerekening van kennis. Het leeuwendeel daarvan houdt verband met de organisatieplicht. Het meeste gewicht komt naar mijn mening toe aan:
de voorzienbare relevantie van de informatie (voor de wetende functionaris);
de aanleiding voor het opvragen van informatie (voor de handelende functionaris);
de strekking van de toepasselijke norm.
Deze zullen (vrijwel) altijd in aanmerking moeten worden genomen. Daarnaast kunnen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, de volgende omstandigheden gewicht in de schaal leggen:
de functie, positie of deskundigheid van de wetende of handelende functionaris;
de oorzaak voor kennisversplintering;
het tijdsverloop tussen kennisverkrijging en het moment waarop de kennis moet worden benut;
de bezwaarlijkheid van opslag, doorgifte en raadpleging van informatie;
de samenhang tussen de activiteiten van de wetende en de handelende functionaris;
de presentatie van de organisatie als eenheid;
het motief voor het niet-delen of niet-opvragen van kennis;
de bron van de kennis;
de (te verwachten) professionaliteit van de rechtspersoon;
de aard en inhoud van de rechtsverhouding.
In vertrouwensgevallen zijn drie aanvullende omstandigheden van belang, te weten:
de kennis, deskundigheid en hoedanigheid van de wederpartij;
de door de rechtspersoon bij de wederpartij gewekte verwachtingen ten aanzien van interne kennisdeling;
(nogmaals) de aard en inhoud van de rechtsverhouding.
Organen van de rechtspersoon verdienen geen afzonderlijk beoordelingskader: hun functie of positie dient te worden meegewogen in het geheel van de omstandigheden (par. 9.14).
In geval van omstandigheden die rechtvaardigen dat de kennis van de wetende functionaris niet bij alle handelende functionarissen terecht is gekomen, heeft het in dogmatisch opzicht mijn voorkeur dat wordt geoordeeld dat de rechtspersoon onwetend was. Het is soms echter ook mogelijk om de rechtspersoon wel wetend te achten, maar de rechtsgevolgen van die kennis op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing te laten (par. 9.15).
De toegevoegde waarde van de in dit hoofdstuk gemaakte analyse van het begrip kennisversplintering en de gegeven gezichtspuntencatalogus is ten eerste dat deze partijen in een geschil in staat stellen om ter zake doende argumenten naar voren te brengen in het (processuele) debat. Die analyse en gezichtspuntencatalogus maken het de rechter daarnaast gemakkelijker om de juiste vragen te stellen en het oordeel over kennistoerekening op een begrijpelijke en aanvaardbare wijze te motiveren.