Lexplicatie, commentaar op art. 9 IVRK:Bronnen en citaten
Lexplicatie, commentaar op art. 9 IVRK
Bronnen en citaten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [kind] te dragen en niet te verwachten valt dat zij daartoe in staat is binnen een voor [kind] aanvaardbaar te achten termijn. Uit het voorgaande blijkt dat de moeder in het verleden niet in staat is gebleken een opvoedingsomgeving te creëren waarin [kind] zich veilig voelt en kan toekomen aan zijn ontwikkelingstaken. [kind] is geconfronteerd met huiselijk geweld, emotionele mishandeling en emotionele verwaarlozing. De uithuisplaatsing van [kind] is in de afgelopen jaren diverse keren getoetst door de kinderrechter, waarbij telkens is gebleken dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] nog steeds aanwezig waren. Een terugplaatsing van [kind] bij de moeder behoorde niet tot de mogelijkheden, omdat de moeder niet in staat bleek haar eigen problemen zodanig aan te pakken dat zij [kind] kan bieden wat hij nodig heeft. De recente politie-inval waarbij een nieuwe vriend van de moeder is aangetroffen die als vuurwapengevaarlijk en verslaafd bekend staat en waarbij de moeder onder invloed is aangetroffen, doet vermoeden dat zij haar leven niet op orde heeft. [kind] woont inmiddels meer dan drie jaar in het pleeggezin en is daar goed gehecht. Hij ontwikkelt zich daar positief. Het hof acht het in het belang van [kind] dat zijn plaatsing binnen het pleeggezin met het oog op zijn gehechtheid en verdere ontwikkeling wordt bestendigd. [kind] krijgt dan duidelijkheid over waar hij mag verblijven en opgroeien en kan vanuit die veilige situatie contact met de moeder hebben.
5.8
Nu er geen perspectief is op terugplaatsing bij de moeder binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [kind] aanvaardbaar te achten termijn wordt de doelstelling van een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing, te weten het tijdelijk voorzien in een opvoedsituatie met als uiteindelijk doel thuisplaatsing, niet langer gediend met deze maatregelen. Verdere verlengingen van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing zullen onzekerheid en onrust bij [kind] teweeg brengen, zeker nu hij zeer loyaal is aan de moeder, zij blijft benadrukken dat het haar wens is [kind] zelf op te voeden en hem geen emotionele toestemming voor de plaatsing in het pleeggezin kan geven. Hoe invoelbaar de wens van de moeder ook is, [kind] moet thans weten waar hij aan toe is. Het is in zijn belang dat het gezag over hem meer aansluit bij zijn huidige opvoedsituatie. Evenals de rechtbank, zal het hof het verzoek van de moeder om een contra-expertise afwijzen. Het belang van [kind] verzet zich tegen een hernieuwde beoordeling van zijn opvoedperspectief, omdat dit opnieuw langdurige onzekerheid voor [kind] betekent. Deze onzekerheid moet stoppen, omdat deze hem belemmert om de loyaliteit aan zijn moeder losser te laten. Als hij weet waar hij aan toe is, kan hij meer baat hebben bij de hem geboden hulp en behandeling voor de verwerking van het verleden.
5.9
In het voorgaande ligt besloten dat het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM en artikel 9 en 26 IVRK faalt."
Artikel 9 IVRK is als hoofdregel niet direct werkend
"De door [wederpartij] in beroep ingeroepen artikelen 2, 9 en 26 van het IVRK en artikel 23 van het IVBPR bevatten, gelet op hun formulering, geen norm die door de rechter rechtstreeks als toetsingsmaatstaf voor besluiten toepasbaar is, omdat deze bepalingen niet voldoende concreet zijn voor zodanige toepassing en daarom nadere uitwerking in nationale wetgeving behoeven."
"8.3. Nog daargelaten of de artikelen 5, 9 en 16 van het IVRK zich lenen voor rechtstreekse toepassing, strekken deze bepalingen niet zo ver dat hieruit de verplichting voor het college volgt om een urgentieverklaring aan [appellante] te verlenen. Daarbij acht de Afdeling het van belang dat [appellante], zoals hiervoor onder 7.1 is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar onmogelijk is om onzelfstandige woonruimte of woonruimte buiten Amsterdam te huren waar zij met haar dochter kan wonen en waar zij voor haar kan zorgen."
"4.5.3 Appellant heeft zich verder nog beroepen op artikel 9 van het IVRK. Daargelaten de vraag of deze bepaling kan worden beschouwd als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet en als zodanig rechtstreeks kan worden ingeroepen, leidt de in dit artikel vervatte norm niet tot meer waarborgen dan reeds voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM. Ook het beroep op artikel 9 van het IVRK slaagt daarom niet."
"7.1. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris in dit geval ten onrechte de door de vreemdeling aangevoerde en door haar als bijzonder aangemerkte omstandigheden in het geheel niet betrokken en dus voor de afwijzing van de aanvraag geen individuele beoordeling gemaakt. Dit betekent niet dat de staatssecretaris geen zwaar gewicht mag toekennen aan het feit dat het hier om een polygame situatie gaat die in Nederland in strijd met de openbare orde wordt geacht. Dit laat echter onverlet dat de staatssecretaris wel moet beoordelen of de vreemdeling dermate bijzondere omstandigheden en/of zwaarwegende belangen naar voren heeft gebracht dat voor de staatssecretaris desondanks aanleiding bestaat de aanvraag in te willigen. Daarbij moet de staatssecretaris in dit geval ook het beroep van de vreemdeling op de artikelen 3, 6, 9, 10 en 20 van het IVRK betrekken, voor zover deze bepalingen normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving toepasbaar zijn en niet al besloten liggen in de artikelen 5, vijfde lid, en 17 van de richtlijn en de artikelen 7 en 24 van het EU Handvest. De rechtbank heeft dit niet onderkend."
De advocaat van de moeder heeft zich verder nog beroepen op het evenredigheidsbeginsel en de artikelen 3 en 9 IVRK (zie hiervoor onder 3.3). Het hof overweegt dat de artikelen 3 en 9 van het IVRK op zichzelf niet aan de weg staan aan een toepassing van de regels rond rechtsmiddeltermijnen.
Met betrekking tot het beroep op het evenredigheidsbeginsel overweegt het hof dat, zoals in iedere jeugdbeschermingszaak, het hier gaat om potentieel ingrijpende beslissingen en verzoeken van een overheidsorgaan (hier: de raad en de GI) jegens een burger, waarvan de beoordeling aan de rechter wordt voorgelegd. In die zin heeft de zaak gelijkenissen met een bestuursrechtelijke zaak. Zoals de advocaat van de moeder heeft aangevoerd is in het bestuursprocesrecht een verschuiving gaande waar het betreft de strikte handhaving van rechtsmiddeltermijnen. De hoogste bestuursrechters zijn tot het oordeel gekomen, anders dan de Hoge Raad in zijn eerder genoemde uitspraak uit 2014, dat rechtsmiddeltermijnen niet van openbare orde zijn. De bestuursrechter niet meer of in de voorafgaande bezwaar- of beroepsfase sprake is geweest van een termijnoverschrijding indien daarop niet expliciet een beroep wordt gedaan door een betrokkene (CRvB 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500). Wel wordt nog steeds ambtshalve getoetst of in de eigen instantie het rechtsmiddel tijdig is ingesteld. Daarbij wordt ruimhartiger omgesprongen met beroepen op verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding, maar in beginsel niet als de burger wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener zoals een advocaat. Het handelen van die rechtshulpverlener komt in beginsel voor risico van de burger (CBB 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31).
Dit alles overziend, overweegt het hof dat in deze zaak de moeder (verplicht) werd bijgestaan door haar advocaat. Dat zij het hoger beroep te laat heeft ingediend, moet dan ook voor haar rekening blijven, ook al zijn de consequenties van de bestreden beschikking voor de moeder ingrijpend. Bijzondere omstandigheden aan de zijde van de advocaat zelf waarom dit anders zou moeten zijn, zijn gesteld noch gebleken. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Het hof zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.
3.7
Gelet op het voorgaande komt het hof aan een inhoudelijke behandeling van de zaken niet toe."
Gerechtshof Amsterdam 10 december 2024, 200.337.808/01 en 200.337.809/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:3388
Uit artikel 9 IVRK vloeien dezelfde waarborgen voort als uit artikel 8 EVRM
"5.10
Ten aanzien van het beroep van de moeder op verschillende verdragsbepalingen, waaronder artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK, deels neergelegd in een algemeen, niet op haar concrete geval toegesneden betoog, overweegt het hof dat op basis van het voorgaande vaststaat dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk was in het belang van de bescherming van de gezondheid van [minderjarige] en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] . Voornoemde bepalingen verzetten zich onder de gegeven omstandigheden dan ook niet tegen de ondertoezichtstelling."
"5.2. De artikelen 5, 9, tweede lid, en 10, tweede lid, van het IVRK, voor zover deze bepalingen, gelet op de formulering, al normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar zijn, roepen geen aanspraak in het leven die verder strekt dan artikel 8 van het EVRM. Reeds hierom faalt het beroep op deze verdragsbepalingen."
"4.7.6. Daargelaten de vraag of artikel 9 van het IVRK kan worden beschouwd als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94 van de Gw en als zodanig rechtstreeks kan worden ingeroepen, leidt de in dit artikel vervatte norm niet tot meer waarborgen dan reeds voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM. Artikel 9 van het IVRK behoeft daarom geen verdere bespreking."
"4.5. Daargelaten de vraag of artikel 9 van het IVRK kan worden beschouwd als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94 van de Gw en als zodanig rechtstreeks kan worden ingeroepen, leidt de in dit artikel vervatte norm niet tot meer waarborgen dan reeds voortvloeit uit artikel 8 van het EVRM. Artikel 9 van het IVRK behoeft derhalve geen verdere bespreking."
De bijzondere curator beroept zich namens [de minderjarige1] op de bescherming van het privé- en familieleven en het recht op naam, welke rechten zijn gewaarborgd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 3, 7 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
[de minderjarige1] is inmiddels elf jaar oud. Zij identificeert zich al haar hele leven met haar geslachtsnaam, ‘ [verzoekster] ’. De bijzondere curator verwacht dat het grote gevolgen zal hebben voor de ontwikkeling van [de minderjarige1] als haar geslachtsnaam wordt gewijzigd in die van haar vader, ‘ [verweerder] ’. Haar vader heeft jarenlang niet naar haar omgekeken en zij voelt zich door hem in de steek gelaten. Een wijziging van haar geslachtsnaam waar zij niet om heeft gevraagd, waar zij geen actief aandeel in heeft gehad en die zij niet wenst roept bij haar dan ook hevige emoties op."
De Nederlandse kinderrechter doet zelf geen feitenonderzoek
"5.12.
De moeder beroept zich in grieven 3, 4 (deels), 8, 9 en 12 erop dat sprake is van schending van diverse verdragen en ook van nationaal recht, waaronder artikel 8 EVRM, artikel 9 IVRK en artikel 21 Rv. Kort gezegd komt de inhoud van deze grieven erop neer dat de moeder vindt dat de Nederlandse kinderrechter niet aan waarheidsvinding doet. De Nederlandse kinderrechter doet zelf geen feitenonderzoek, maar besteedt dit onderzoek uit aan de raad. Vervolgens besteedt de raad dit uit aan de gecertificeerde instellingen. De gecertificeerde instellingen krijgen op hun beurt weer informatie van externen, zoals Veilig Thuis. Veilig Thuis krijgt weer informatie van gemeentelijke jeugdteams. Volgens de moeder doen al deze instellingen niet aan waarheidsvinding. Dit betekent volgens de moeder dat het raadsrapport feitelijk onjuist is met als gevolg dat de kinderrechter al jaren zijn oordeel niet baseert op basis van objectief en controleerbaar feitenonderzoek. Daarnaast is volgens de moeder de rol van de raad als verzoeker en onderzoeker in strijd met de goede rechtsorde en onder andere artikel 8 EVRM. Ook heeft de raad nagelaten de moeder te informeren over haar juridische mogelijkheden (zoals bijstand door een advocaat) en wat de raad doet met de verzamelde informatie. Ten slotte heeft de moeder bezwaren tegen het gebruik van de term belanghebbende in plaats van gezaghebbende ouder. Dit zou in strijd zijn met de vereisten die voortvloeien uit artikel 8 EVRM. De moeder stelt dat uit de kwalificatie als belanghebbende minder rechten voortvloeien dan uit haar hoedanigheid als gezaghebbende ouder.
5.13
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat geen sprake is van schending van verdragen, waaronder artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK nu de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing berusten op de wet en in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel worden geacht en de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen niet op een andere wijze kan worden afgewend. De raad heeft de wettelijke taak onderzoek te doen als er ernstige zorgen zijn over de opgroei- en opvoedsituatie van minderjarige kinderen en de wettelijke bevoegdheid de rechter te verzoeken een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen. Voor zover de moeder van mening is dat het raadsrapport berust op onjuiste feiten en onwaarheden en sprake is van schending van artikel 21 Rv, volgt het hof dit standpunt niet. Het behoort tot de onderzoekstaak van de raad dat de raad naast het spreken van de ouder(s) en (meestal ook) de kinderen informatie inwint bij instanties en/of personen die bij de kinderen betrokken zijn (geweest) die van belang kan zijn bij de beoordeling door de raad van de opvoedsituatie van de kinderen. Het hof heeft uit de inhoud van de raadsrapportage en de door de raad gehanteerde werkwijze niet de indruk gekregen dat de raad van onjuiste informatie is uitgegaan of dat feiten verkeerd zijn weergegeven. Het hof heeft ook niet de indruk gekregen dat de inhoud van het rapport de eindconclusie, dat een ondertoezichtstelling en toewijzing van het verzoek van SAVE om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk is, niet kan dragen. Bovendien is in het rapport de reactie van de moeder op het conceptrapport meegenomen en is de weergave van de door de informanten aan de raad verstrekte informatie bij de informanten gecheckt. Verder is de moeder juist omdát zij is belast met het gezag over de kinderen, belanghebbende in deze zaak. Zij heeft als belanghebbende het recht om bij de kinderrechter verweer te voeren tegen de verzochte kinderbeschermingsmaatregelen en in hoger beroep te komen van de beslissing van de kinderrechter. Wat de moeder voor het overige nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel."
19. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.
Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen, gelet op de door [appellante] aangevoerde omstandigheden, zich in het besluit van 15 april 2015 zoals nader toegelicht ter zitting bij de rechtbank, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellante], in het bijzonder haar [zoon]. Voorts heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat de belangen van de kinderen door de besluitvorming in het gedrang zijn gekomen. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat de gedragsproblemen van haar zoon verergeren als gevolg van een instabiele thuissituatie vanwege de mogelijke dreigende uitzetting van [appellante] en haar kinderen. Weliswaar wordt ook gewezen op financiële zorgen, doch niet is gebleken dat de mogelijke ondersteuning die nodig wordt geacht voor de zoon van [appellante] direct of indirect afhankelijk is van de financiële middelen die de zorgtoeslag of de huurtoeslag, het kindgebonden budget of de kinderopvangtoeslag zouden kunnen verschaffen.
20. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen artikel 9, tweede lid, van de Awir buiten toepassing had moeten laten."
Het kind heeft recht om betrekkingen met beide ouders te onderhouden (de met gezag en de niet met gezag belaste ouder)
"2.11
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).
2.12
Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar nadat de rechter – in dit geval het hof – een beslissing heeft gegeven opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen."
Het wettelijk uitgangspunt is dat een kind en zijn ouders recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a eerste lid BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 derde lid Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a derde lid BW limitatief opgesomde gronden, namelijk indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind."
"5.2. Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden, te weten als (voor zover hier van belang):
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
(…) of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU.
Ingevolge 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontzegt de rechter de ouder die niet met het gezag is belast het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.9
Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).
5.10
Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze rechterlijke gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, om zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09).
5.11
Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen.
Op grond van artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Het derde lid van dit artikel bepaald dat zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling geldt als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a, tweede lid, onder a, dan wel artikel 1:377a, tweede lid.
5.7
De moeder heeft verzocht om het recht op omgang te ontzeggen, gelet op het gedrag van [de minderjarige] en de inhoud van het verslag van Bijzondere Zorg Midden-Nederland van de omgang 2 februari 2022 (productie 8 bij het beroepschrift).
5.8
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.9
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Het hof stelt voorop dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Dit recht van de niet met het gezag belaste ouder wordt gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit recht van het kind wordt door die laatstgenoemde bepalingen, en ook door artikel 9 lid 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en artikel 24 lid 3Handvest van de grondrechten van de EU gewaarborgd.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a lid 2 BW stelt de rechter op verzoek van de ouders een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt het recht op omgang. Ontzegging van de omgang kan slechts plaatsvinden op de in artikel 1:377a, lid 3 BW genoemde gronden die gemeen hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind."
Artikel 10 lid 2 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) luidt: Een kind van wie de ouders in verschillende Staten verblijven, heeft het recht op regelmatige basis, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met beide ouders te onderhouden. Hiertoe, en in overeenstemming
met de verplichting van de Staten die partij zijn krachtens artikel 9, eerste lid, eerbiedigen de Staten die partij zijn het recht van het kind en van zijn of haar ouders welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten, en het eigen land binnen te gaan. Het recht welk land ook te verlaten is slechts onderworpen aan de beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die nodig zijn ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden, of van de rechten en vrijheden van anderen, en verenigbaar zijn met de andere in dit Verdrag erkende rechten.
3.8.3.
Tussen de ouders is niet in geschil dat [minderjarige] en de vader recht hebben om op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten te onderhouden. De ouders zijn alleen verdeeld over de vraag vanaf welke leeftijd [minderjarige] voor een periode van twee weken bij zijn vader in de VS zou kunnen verblijven."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).”
De met gezag belaste ouder moet aan de omgang met de andere ouder meewerken
"5.3
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Tevens recht op omgang met wie het kind in een nauwe persoonlijke betrekking staat
"5.2
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. De in de artikelen 1:377a en 1:377e BW aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast te stellen of te wijzigen komt mede toe aan de GI (zie de onder 5.1 vermelde beschikking van de Hoge Raad)."
"5.2. Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Op grond van artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Het derde lid van dit artikel bepaald dat zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling geldt als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a, tweede lid, onder a, dan wel artikel 1:377a, tweede lid.
5.7
De moeder heeft verzocht om het recht op omgang te ontzeggen, gelet op het gedrag van [de minderjarige] en de inhoud van het verslag van Bijzondere Zorg Midden-Nederland van de omgang 2 februari 2022 (productie 8 bij het beroepschrift).
5.8
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.9
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU.
Ingevolge 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontzegt de rechter de ouder die niet met het gezag is belast het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.9
Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).
5.10
Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze rechterlijke gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, om zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09).
5.11
Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen."
“5.2. Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (zie bijvoorbeeld: HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).”
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden.”
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748). De bepaling in de laatstgenoemde zin is van overeenkomstige toepassing op de voogd."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. Ingevolge lid 2 van artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter kan het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
"5.2. Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepalingen, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Ontzetting gezag van ene ouder vereist een verzoek van de andere ouder
"4.17.3 Uitgangspunt bij de beoordeling is dat [minderjarige] en de man recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat de man betreft, gewaarborgd door de art. 8 EVRM en 1:377a lid 1 BW en wat [minderjarige] aangaat niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door de art. 9 lid 3 IVRK en 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de man het recht op omgang met [minderjarige] uitsluitend ontzeggen op de in art. 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden.
Het is het hof tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de vrouw een procedure is gestart bij de rechtbank Noord-Nederland om de man het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen. Op de uitkomst van die procedure kan door het hof en overigens ook de GI, niet worden vooruit gelopen. Het hof stelt voorts vast dat in de procedure bij het hof geen sprake is van een verzoek van de vrouw tot ontzegging van het recht op omgang."
Gerechtshof Den Bosch 7 april 2022, 200.300.372_01, 200.300.372_02 en 200.300.373_01, ECLI:NL:GHSHE:2022:1138
Toetsingskader omgangsrecht
"5.2
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. De in de artikelen 1:377a en 1:377e BW aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast te stellen of te wijzigen komt mede toe aan de GI (zie de onder 5.1 vermelde beschikking van de Hoge Raad)."
De wens van de vader om één keer in de vier weken één uur omgang met [minderjarige] te hebben is vanuit zijn perspectief begrijpelijk. Niet ter discussie staat dat de vader belangrijk is voor [minderjarige] en dat zij goed weet wie haar vader is. Het hof is echter van oordeel dat een ruimere omgangsregeling dan die nu door de GI wordt gehanteerd, op dit moment niet in het belang is van [minderjarige] en overweegt daartoe als volgt.
Het hof acht het van groot belang dat er voor [minderjarige] , gelet op haar verstandelijke beperking, rust, structuur en voorspelbaarheid is. Uit de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken, volgt dat de huidige regeling met de vader reeds veel van [minderjarige] vraagt, zowel in fysiek als emotioneel opzicht. Zo is [minderjarige] moeilijk te motiveren voor het omgangsmoment met de vader en heeft zij erna meer tijd nodig om rustig te worden voor een volgende bezoek. Ook zoekt zij voor en na een omgangsmoment veel bevestiging bij de pleegouders. Daarnaast is gebleken dat sinds de omgang één keer in de acht weken is, [minderjarige] minder vaak in bed plast. Tevens is gebleken dat, anders dan tijdens de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , er tijdens de omgang tussen de vader en [minderjarige] sprake is van lichamelijk contact in de vorm van stoeien, waarbij het de vader niet lukt om dit te begrenzen. Dat brengt mee dat de omgang risicovoller is (dan de omgang tussen [minderjarige] en haar moeder), omdat er meer kans is dat [minderjarige] blaren of ontvellingen oploopt bij fysiek contact.
Het beroep van de vader op zijn recht op omgang met [minderjarige] , dat volgt uit de artikelen 8 EVRM, 9 lid 1 IVRK en 24 lid 3 van het Handvest van de grondrechten van de EU, wordt door het hof verworpen. Een inbreuk op het bij die artikelen beschermde recht op eerbiediging van family life is, gelet op het voorgaande, gerechtvaardigd, nu deze inbreuk noodzakelijk en tevens evenredig is aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] .
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn voor uitbreiding van de huidige omgangsregeling van de vader met [minderjarige] . Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen."
Het beroep van de moeder op schending van de artikelen 9 lid 3 IVRK en 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU, wordt door het hof verworpen. Een inbreuk op het bij die artikelen beschermde recht op eerbiediging van family life is, gelet op het voorgaande, gerechtvaardigd, want noodzakelijk en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van de kinderen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn voor uitbreiding van de huidige omgangsregeling van de moeder met de kinderen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen."
Gezamenlijk versus eenhoofdig gezag (artt. 1:251a lid 1 BW, 1:253aen art. 1:253c leden 1 en 3 BW
“3.1.2
Uitgangspunt is dat een kind en een ouder recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat de niet met het gezag belaste ouder betreft, gewaarborgd door art. 8 EVRM en art. 1:377a lid 1 BW, en wat het kind aangaat ook door art. 9 lid 3 IVRK en art. 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU.2 Art. 1:247 lid 3 BW bepaalt in dat verband dat het ouderlijk gezag mede de verplichting van de ouder omvat om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Deze norm richt zich zowel tot ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, als tot de ouder die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.
3.1.3
In geval van gezamenlijk gezag heeft de rechter op grond van art. 1:253a BW de mogelijkheid om de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, te verbieden op grote afstand van de andere ouder te gaan wonen, dan wel eerstgenoemde ouder te gelasten om terug te verhuizen, of zich te vestigen op zodanige afstand van de andere ouder dat omgang tussen het kind en die ouder kan plaatsvinden.
Hoewel de moeder ten tijde van haar verhuizing alleen met het gezag was belast en dus in beginsel vrij was in de keuze van de woonplaats van haar en de dochter, was de vader ten tijde van de beslissing van het hof inmiddels gezamenlijk met de moeder met het gezag belast. Het hof heeft miskend dat art. 1:253a BW ten tijde van zijn beslissing dus een grondslag bood om de moeder te gelasten terug te verhuizen. Het onderdeel slaagt dan ook.
3.1.4
Opmerking verdient dat ook bij eenhoofdig gezag een grondslag bestaat om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (art. 1:247 lid 3 BW). Op grond van art. 8 EVRM is de rechter in zodanig geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen het kind en de andere ouder.3 Een verbod aan de met het gezag belaste ouder om te verhuizen, dan wel een bevel aan deze om terug te verhuizen, kan een passende maatregel zijn. Daarbij valt in aanmerking te nemen dat zodanige maatregel minder ingrijpend is dan de toekenning van het eenhoofdig gezag aan de andere ouder, waarin de wet uitdrukkelijk voorziet (art. 1:251a lid 1 BW en art. 1:253c leden 1 en 3 BW).”
De relatie met de weigeringsgronden van artikel 1:377a, derde lid, BW
"5.1 Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Uitgangspunt is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan dit recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Het hof is op basis van het voorgaande van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is om op dit moment geen verandering aan te brengen in de bestaande gezagsverhouding. De kinderen hebben belang bij de rust die het eenhoofdig gezag met zich brengt. Het eenhoofdig gezag van de vrouw dient dan ook te worden gehandhaafd. Gezien het voorgaande is een inbreuk op het bij artikel 8 EVRM beschermde recht op ‘family life’ gerechtvaardigd. Nu deze inbreuk voorts niet disproportioneel is, kan het beroep van de man op dit artikel niet slagen. Om die reden moet ook aan het beroep op artikel 3 en 9 IVRK en artikel 24 derde lid EU-Handvest voorbij worden gegaan. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel dan ook bekrachtigen."
Gerechtshof Amsterdam 18 augustus 2020, 200.271.479/01, 200.271.479/02 en 200.271.479/03, ECLI:NL:GHAMS:2020:2353
Gezagsbeëindigende maatregel
"5.7
De moeder heeft met het onderhavige hoger beroep met name de vraag opgeworpen of het vervallen van haar voormelde verblijfstitel hier te lande en de mogelijke gevolgen daarvan voor het contact tussen de moeder en de kinderen, in de weg dient te staan aan de beëindiging van haar gezag over de kinderen, gelet op het bepaalde in artikel 8 EVRM en artikel 9 lid 3 van het IVRK. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende, in aanvulling op de bestreden beschikking.
5.8
Het hof stelt voorop dat in het licht van de internationale verdragsrechtelijke bepalingen, een gezagsbeëindigende maatregel slechts kan worden uitgesproken als die maatregel noodzakelijk en proportioneel is. De noodzaak van de maatregel staat voor het hof vast. Het hof verwijst naar hetgeen daarover hierboven onder 5.6 is overwogen. De maatregel is bovendien proportioneel. Zoals ook de GI heeft aangegeven, gaat het daarbij om een afweging van het recht van de moeder en de kinderen op –kort gezegd- de uitoefening van hun family life tegenover de belangen van de kinderen dat door de gezagsbeëindigende maatregel wordt gediend, zijnde continuïteit van hun opvoedingssituatie om hun ontwikkeling te borgen en een ongestoord (verdere) hechting.
Het hof is –met de raad- van mening dat in dit geval de laatstgenoemde belangen van de kinderen dienen te prevaleren. De kinderen zijn beschadigd in de opvoedsituatie bij de moeder en inmiddels steeds meer gehecht in hun pleeggezinnen. Ze zijn zeker van hun plek in de pleegezinnen en vertrouwen op hen. Ze ontwikkelen zich inmiddels goed. Met de raad vindt het hof dat die situatie, in hun belang, niet moet wijzigen. Het perspectief van de kinderen ligt daarmee in de pleeggezinnen en er is geen reden om dit opnieuw ter discussie te stellen, zeker niet vanwege een uiterst onzeker, mogelijk, perspectief in Slowakije. Het hof verwijst daarbij naar het standpunt van de raad, onder 5.4, waarmee het hof zich verenigt.
Mocht de uitzetting van de moeder naar Slowakije een feit worden, dan zal, vanuit die situatie en met het oog op de door de moeder genoemde internationale verdragsrechtelijke bepalingen, de GI als voogd zich moeten inspannen om het contact tussen de moeder en de kinderen zo goed mogelijk vorm te geven. In deze procedure ligt die kwestie echter niet aan het hof voor."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 augustus 2020, 200.275.880/01 en 200.275.881/01, ECLI:NL:GHARL:2020:6772
Recht op omgang van een moeder met haar minderjarige kind?
"5.5 Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken van het dossier en hetgeen op de zitting in hoger beroep is besproken, is onder meer het volgende gebleken. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje van zes jaar dat als baby al uit huis is geplaatst. Na veel wisselingen van woonplek en pleeggezinnen, verblijft zij in het huidige pleeggezin (gezinshuis). [minderjarige] heeft een ontwikkelingstrauma waarvoor zij behandeling krijgt binnen de GGZ. [minderjarige] laat zowel op school als in het pleeggezin zorgelijk gedrag zien, vooral op sociaal gebied, waarbij zij andere kinderen, ook die in het pleeggezin, pijn doet. Tevens heeft [minderjarige] een lichamelijke (visuele) beperking. [minderjarige] heeft na 8 mei 2023, toen de moeder haar onverhoeds bij het gezinshuis heeft aangesproken en vastgepakt, een achteruitgang in haar ontwikkeling gehad, met meer boosheid, opstandigheid en terugval in jonger gedrag.
Het hof acht het van groot belang dat er, gelet op haar kwetsbaarheid, trauma en gedrag, voor [minderjarige] rust, structuur en voorspelbaarheid is zodat zij een hechtingsrelatie met de pleegouders kan aangaan en opbouwen en kan toekomen aan het verwerken van de ingrijpende gebeurtenissen die in haar leven hebben plaatsgevonden. Juist ook voor de (EMDR)behandeling bij de GGZ is het van groot belang dat er voor haar voorspelbaarheid en veiligheid is.
Het hof is, met de GI en de raad, dan ook van oordeel dat omgang met de moeder aan dit kwetsbare proces van traumaverwerking en het aangaan van een veilige hechtingsrelatie in de weg zal staan. Daarnaast is gebleken dat het voor de GI niet goed mogelijk is om de veiligheid van [minderjarige] in het eventuele contact met de moeder te waarborgen, omdat de
moeder geen (volledige) openheid geeft over haar ziektebeeld en zij op momenten dat het niet goed met haar gaat, geen toestemming geeft aan de GI om contact op te nemen met haar behandelaren.
Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] dient te worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.
5.6
Het beroep van de moeder op schending van de artikelen 8 EVRM, 9 lid 3 IVRK en
24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU, wordt door het hof verworpen. Een inbreuk op het bij die artikelen beschermde recht op eerbiediging van family life is, gelet op het voorgaande, gerechtvaardigd, want noodzakelijk en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] .
5.7
Het hof merkt nog het volgende op. De wens van de moeder tot omgang met [minderjarige] is alleszins invoelbaar. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat het sinds kort iets beter lijkt te gaan met de moeder. Zij zegt stabiel te zijn, haar medicatie te nemen en onlangs een baan te hebben gevonden en zij lijkt zich meewerkend op te stellen ten opzichte van de hulpverlening. Dit zijn positieve ontwikkelingen, maar deze zijn nog pril. Wel is het feit dat de moeder ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij, ook met terugwerkende kracht, aan de GI toestemming geeft om contact te leggen met haar behandelaren, een stap in de goede richting die kan bijdragen aan het waarborgen van de veiligheid van [minderjarige] en daarmee wellicht ook aan het werken aan contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] , indien het belang van [minderjarige] zich daartegen niet verzet."
“5.1 [de minderjarige] beseft dat zij als minderjarige in beginsel procesonbekwaam is, maar meent dat zij in deze zaak wel ontvangen zou moeten worden in haar hoger beroep. Een minderjarige kan zelfstandig in appel tegen een (afwijzende) beslissing ex artikel 1:250 BW. Het is dan passend om de minderjarige ook die zelfstandige positie te geven als het gaat om beslissingen als gevolg van die benoeming ex artikel 1:250 BW. De huidige bijzondere curator rekent het instellen van dit hoger beroep niet tot haar taak. Daarnaast is sprake van een informele rechtsingang. [de minderjarige] heeft met haar brief voor de zitting in eerste aanleg van 15 april 2019 een aantal onderwerpen onder de aandacht van de kinderrechter gebracht die vallen onder het bereik van artikel 1:377g BW. De rechter heeft hierop ook beslissingen genomen. Op grond van artikel 806 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de verzoeker het recht om hoger beroep in te stellen. Daarbij geldt dat inmiddels door de Hoge Raad geaccepteerd is dat artikel 1:377g BW ook in appel van toepassing is. Weliswaar heeft de Hoge Raad daarbij overwogen dat het appel door een ander dan de minderjarige moet zijn ingesteld, maar dat zou in deze situatie ook mogelijk moeten zijn. Zou dat niet mogelijk zijn, dan zou sprake zijn van een ongelijke situatie die juridisch niet te verklaren is en die in strijd komt met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) juncto artikel 3, 9, 12, 18, 20 en 25 van het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK).
Mocht [de minderjarige] desondanks als procesonbekwaam worden aangemerkt, dan dient alsnog een bijzondere curator te worden benoemd om haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen en deze procedure omtrent het herstel van het gezag en de omgang namens haar te voeren. [de minderjarige] ’s toenmalige bijzondere curator zag daar namelijk geen taak voor zich weggelegd.”
Recht op omgang voor de niet met gezag belaste ouder
"5.2.
De moeder is in augustus 2023 met [de minderjarige] verhuisd naar [woonplaats1] , waar zij sindsdien ook staan ingeschreven. Omdat de moeder op dat moment alleen was belast met het gezag over [de minderjarige] was zij in beginsel vrij in de keuze van haar woonplaats en die van [de minderjarige] . Maar op grond van artikel 1:247 lid 3 BW omvat het ouderlijk gezag, ook in geval van eenhoofdig gezag, mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Deze verplichting hangt samen met het uitgangspunt dat een kind en een ouder (in dit geval [de minderjarige] en de vader) recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 januari 2025, 200.345.593/01 en 200.345.593/02, ECLI:NL:GHARL:2025:219
"Omgang
5.9
Los van het antwoord op de vraag of de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, is gebleken dat de vrouw in hoger beroep bekrachtiging van de bestreden beschikking heeft verzocht en daarmee ontzegging van de omgang tussen de man en de kinderen verzoekt, zodat het hof hierop een beslissing kan nemen.
Ter beoordeling aan het hof ligt dan ook voor of de man de omgang met de kinderen moet worden ontzegd.
Het wettelijk uitgangspunt is dat een kind en zijn ouders recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a eerste lid BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 derde lid Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a derde lid BW limitatief opgesomde gronden, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.”
Gerechtshof Amsterdam 18 augustus 2020, 200.271.479/01, 200.271.479/02 en 200.271.479/03, ECLI:NL:GHAMS:2020:2353
"5.5 Voor zover de moeder een beroep heeft gedaan op artikel 8 EVRM en 9IVRK overweegt het hof dat de inbreuk die de beëindiging van het gezag maakt in dit geval in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk en proportioneel wordt geacht. De beëindiging van het gezag van de moeder is dan ook niet in strijd met genoemde verdragsbepalingen."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRKen artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
"5.8 Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU."
Limitatieve uitzonderingsgronden op dit omgangsrecht
"5.6
Het hof overweegt als volgt. In zijn beschikking van 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91) heeft de Hoge Raad onder meer bepaald dat het uitgangspunt is dat een minderjarige en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
"De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien
a.
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b.
de ouder het gezag misbruikt.
Uitgangspunt is dus dat een kind opgroeit bij zijn ouders, zoals ook is vastgelegd in het internationaal recht. Op dat recht kunnen echter uitzonderingen worden gemaakt, zoals is vastgelegd in artikel 9 lid 1 van het IVRK, artikel 8 lid 2 van het EVRM en genoemd artikel 1:266 BW."
"7. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat deze zaak een complexe situatie betreft, waarbij het meest in het oog springende is dat sprake is van ernstige gedragsproblematiek bij de minderjarige. Het betreft een jong kind dat zeer zorgelijk gedrag vertoont en signalen afgeeft die duiden op een hechtingsstoornis. Observatie, onderzoek en behandeling van de minderjarige zijn derhalve geboden. De moeder erkent de problemen van de minderjarige, maar ziet de ernst van de situatie onvoldoende in. Daar komt bij dat de moeder-dochter relatie tevens zorgen baart en een onderdeel vormt van de aanwezige problematiek. Onderzoek vanuit de thuissituatie biedt op dit moment dan ook geen geschikt alternatief. De aanwezigheid van de moeder en/of haar vertrouwde omgeving zullen belemmerend kunnen werken. Daarbij is de medewerking van de moeder aan de hulpverlening onvoldoende consistent gebleken om opnieuw een traject in het vrijwillig kader in te gaan en daarmee het aanmerkelijke risico te lopen dat de minderjarige reeds tijdens het onderzoek opnieuw uit huis zou moeten worden geplaatst. De weerstand die de moeder tegen de hulpverlening heeft, is weliswaar op sommige punten begrijpelijk, zoals ook ter zitting met partijen besproken, maar niet in het belang van de minderjarige. Onder deze omstandigheden is een uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk. Daarmee is, juist ter bescherming van de minderjarige, een inbreuk op artikel 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waar de moeder aan refereert, gerechtvaardigd.
8. Het hof is dan ook van oordeel dat, zij het op enigszins andere gronden dan de rechtbank, de uithuisplaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht in een voorziening noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding en tot onderzoek van haar geestelijke gesteldheid. Daarmee is voldaan aan de wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd."
"8. De vader klaagt in zijn tweede grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat de moeder het geschil omtrent de zorgregeling via de weg van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) had moeten aanbrengen, dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op de door hem aangehaalde jurisprudentie en doctrine, op artikel 1:247 lid 3 BW en op de artikelen 3 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK).
9. Uit de overgelegde stukken is het hof niet gebleken dat de vader bij de voorzieningenrechter een beroep heeft gedaan op de door hem thans genoemde verdrags- en wetsartikelen. De (voorzieningen)rechter is vrij in het vonnis de motivering op te nemen die hij wenst en die de beslissing kan dragen. Zowel de vordering van de vader in eerste aanleg, te weten de veroordeling van de moeder mee te werken aan de overeengekomen zorgregeling, als de reconventionele vordering van de moeder, strekkende tot ontzegging van het contact, is materieel te beschouwen als een geschil als bedoeld in artikel 1:253a BW, waarbij de verplichting van artikel 1:247 lid 3 BW wordt betrokken. Het hof leidt uit de overwegingen in het bestreden vonnis af dat de voorzieningenrechter deze geschillen op de voet van voornoemd artikel heeft beoordeeld. De voorzieningrechter heeft bij de beoordeling van de geschillen het belang van de minderjarige vooropgesteld, hetgeen in overeenstemming is met artikel 3 en 9 IVRK. Het hof acht de beslissing van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd. De tweede grief van de vader faalt daarom."
"4. De moeder stelt dat haar verzoek onder meer gebaseerd is op de omstandigheid dat het wegens de werkzaamheden van haar nieuwe partner in [plaats B] niet mogelijk is om als gezin te functioneren in de buurt van [plaats A, huidige woonplaats]. Zij voert daartoe aan dat er in de omgeving van [plaats A] geen voltijds werk als tennisleraar voor haar partner te vinden is en dat ook de mogelijkheden van ander werk gezien zijn gespecialiseerde opleiding zeer beperkt zijn. Voorts stelt de moeder dat het, gezien de afstand tussen [plaats B] en [plaats A], onhaalbaar is om dagelijks heen en weer te rijden. Door de huidige zorgregeling worden de belangen van de moeder geschaad, daar zij in de onmogelijkheid verkeert een normaal en volledig gezinsleven te hebben met haar partner en haar partner de mogelijkheid ontbeert gedurende een substantieel deel van de week een gezinsleven te hebben met hun zoontje, hetgeen in strijd kan worden geacht met artikel 9 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind, hierna ook IVRK, aldus de moeder. De moeder is, in tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank, van mening dat het laten voortduren van de huidige zorgregeling niet in het belang van de kinderen kan worden geacht, mede gelet op de spanningen die de huidige situatie tussen de moeder en de vader met zich brengt. Ter zitting heeft de moeder gesteld een baan voor twee dagen per week in [plaats B] te hebben gevonden. Ook hebben de moeder en haar partner een woning gekocht in [plaats B], aangezien zij alleen daar een hypothecaire geldlening konden verkrijgen, aldus de moeder. De moeder heeft voorts te kennen gegeven dat een co-ouderschap niet meer mogelijk is gelet op het grote wantrouwen tussen partijen en de strijd tussen hen die daaruit voortvloeit.
(...).
6. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op juiste gronden heeft beslist zoals in de bestreden beschikking verwoord. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die een andere beslissing rechtvaardigen. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het belang van de minderjarigen met zich brengt dat er geen verandering komt in de situatie zoals die thans is. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de minderjarigen thans op een leeftijd zijn waarop het sociale leven, inclusief de sportactiviteiten, dat zij in [plaats A] hebben opgebouwd een belangrijke en steeds belangrijker rol in hun leven en in hun ontwikkeling speelt. Het feit dat de moeder een deeltijdbaan heeft in [plaats B] en zij daar met haar nieuwe partner recentelijk een huis heeft gekocht, doet naar het oordeel van het hof niet af aan het vorenoverwogene. Het hof is van oordeel dat partijen zich samen dienen in te zetten om, met het oog op het belang van de minderjarigen, tot een voor eenieder aanvaardbare oplossing van de problemen als gevolg van de huidige situatie te komen, en acht de mogelijkheden daartoe nog niet uitgeput. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen."
Het omgangsrecht van kinderen met hun beide ouders
"5.1
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU."
"5.9 Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
"5.1 Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Recht op omgang voor de niet met gezag belaste ouder
"5.4
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind."
"5.1 Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Verbetering omgang tussen niet met gezag belaste ouder en kinderen
"5.2 Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden.
5.3
De moeder kan zich met de wijziging (beperking) van de omgangsregeling niet verenigen. Zij stelt dat niet is komen vast te staan dat de zorgen met betrekking tot de kinderen worden veroorzaakt door de omgang met haar. Het is onacceptabel dat contact is teruggebracht in plaats van uitgebreid zoals eerder beloofd. Dit is bovendien niet in het belang van de kinderen. Voor een beperking is concrete objectieve informatie vereist op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat een hogere frequentie van de omgang ernstig nadelig is voor het kind. Indien de omgang moet worden beperkt had daar eerst nader onderzoek naar moeten worden gedaan door de raad. Mogelijk wordt de wijziging van het gedrag van de kinderen veroorzaakt doordat zij de ene keer apart van elkaar omgang hebben en de andere keer samen, aldus de moeder.
5.4
De GI onderschrijft dat het onduidelijk is waarom de kinderen na de omgangsmomenten met de moeder onrustig zijn. Wel staat vast dat zij na de omgangsmomenten ander gedrag vertonen bij de pleegouders. Conflicten lopen op en [de minderjarige1] vertoont fysiek geweld richting de pleegouders. Het is belangrijk dat de kinderen een rustige
en stabiele basis hebben zodat zij zich kunnen richten op de therapie die zij volgen. De therapie is intensief en mede daarom is de omgang op dit moment beperkt. De huidige omgangsregeling is in samenwerking met de therapeut van de kinderen tot stand gekomen. Rust, stabiliteit, structuur en één op één contact met de moeder zijn nu belangrijk voor de kinderen om zo een goed beeld te krijgen van hoe zij met alle gebeurtenissen omgaan. De kinderen vinden het erg lastig dat de moeder haar aandacht moet verdelen tussen hen tweeën. Daarom is gekozen voor aparte omgangsmomenten.
5.5
Naar het oordeel van het hof dient het verzoek van de moeder te worden afgewezen. Vaststaat dat de kinderen na de omgang met de moeder bij de pleegouders heftig gedrag laten zien. Hoewel niet duidelijk is of dit gedrag wordt veroorzaakt door de omgangsregeling, is uitbreiding van de omgangsregeling zoals door de moeder verzocht op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de kinderen nog erg jong en kwetsbaar zijn en al veel hebben meegemaakt. Zij volgen beiden sinds kort een intensieve, wekelijkse therapie die mede gericht is op het verwerken van hun ervaringen uit het verleden. Ook de moeder wordt daarbij betrokken. Deze therapie vraagt veel van de kinderen en het is nog onduidelijk wat deze therapie bij hen teweeg zal brengen. Daarom is het op dit moment van belang dat de kinderen rust, duidelijkheid en ruimte krijgen om zich te richten op deze therapie.
5.6
Op de zitting is gebleken dat de GI sinds de evaluatie van de omgangsregeling in maart 2022 inzet op uitbreiding van de omgangsregeling in die zin dat de moeder meer wordt betrokken bij het leven van de kinderen. Zij zal bijvoorbeeld meegaan naar de kapper of de bibliotheek. Ook is het niet langer noodzakelijk dat de omgang plaatsvindt op het kantoor van de GI en mag deze op een meer “natuurlijke” manier worden ingevuld. Het hof verwacht van de GI dat deze lijn wordt voortgezet en dat, met inachtneming van de zwaarwegende belangen en mogelijkheden van de kinderen, de omgang indien dit mogelijk is verder wordt uitgebreid. Dit betekent ook dat de mogelijkheid van extra omgang tijdens de vakanties door de GI in overweging dient te worden genomen.
5.7
Verder is op de zitting ook gebleken dat de relatie tussen de moeder en de pleegouders verstoord is geraakt. Het verbeteren van die relatie dient het belang van de kinderen. Onderzoeken wat op dat vlak mogelijk is, verdient naar het oordeel van het hof, blijvend aandacht van de GI."
Dwangsom mogelijk bij niet-nakoming omgangsregeling
"7.8.5 Gebleken is dat eerdere uitspraken niet hebben opgeleverd dat [minderjarige] een eigen vaderbeeld heeft kunnen vormen. Ondanks de afwijzing van het schorsingsverzoek van de moeder in de beschikking van 9 april 2020 is de moeder weigerachtig gebleven haar medewerking te verlenen aan een begeleide omgangsregeling binnen het omgangshuis. Het hof acht het zorgwekkend dat de moeder in het traject van het omgangshuis op enig moment niet meer communiceert en niet meer reageert op diverse mails en telefoontjes van de kant van het omgangshuis. Zij verbreekt eenzijdig het contact met het omgangshuis.
Het hof ziet in deze houding van de moeder en gelet ook op haar houding in het verleden, aanleiding ambtshalve over te gaan tot het opleggen van een dwangsom aan de moeder om de nakoming van het door Stichting [stichting] in te vullen traject in verband met de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] te bevorderen. De moeder heeft geen invulling gegeven aan de verplichting die op grond van artikel 1:247 lid 3 BW op haar rust. Het (ambtshalve) opleggen van een dwangsom om daarmee de nakoming van de omgang te bevorderen acht het hof in lijn met het recht dat een ouder en een kind hebben om omgang met elkaar te hebben. Dit recht wordt gewaarborgd door artikel 8 EVRM, artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 Handvest van de Grondrechten van de EU."
Voor zover de ouders stellen dat er sprake is van strijd met de verdragsbepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het IVKR overweegt het hof als volgt. Een beëindiging van het gezag is weliswaar een inbreuk op artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK, maar deze inbreuk acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel. Het hof is dan ook van oordeel dat de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en van de vader over [de minderjarige1] niet in strijd met voornoemde verdragen is.
5.12
Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de stabiliteit en continuïteit in hun opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de moeder en de vader te beëindigen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2019, 200.257.400/01 en 200.258.889/01, ECLI:NL:GHARL:2019:10761
“5.6
Voor zover de moeder stelt dat er sprake is van strijd met de verdragsbepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het IVRK overweegt het hof als volgt. Een beëindiging van het gezag is weliswaar een inbreuk op artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK, maar deze inbreuk acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel. Het hof is dan ook van oordeel dat de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] niet in strijd met voornoemde verdragen is."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2020, 200.266.837/01 en 200.266.839/01 en 200.268.396/01, ECLI:NL:GHARL:2020:3069
Omgangsregeling voor grootouders?
"5.2. Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden.
5.3. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank is het hof van oordeel dat geen sprake is van een nauwe, persoonlijke betrekking tussen de grootouders en de kinderen. De contacten met de kinderen, meer in het bijzonder [de minderjarige1] , gaan de normale band tussen grootouders en kleinkinderen niet te boven. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe."
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU.
(...).
5.7
Ook ten aanzien van de vraag of er een omgangsregeling tussen de grootmoeder vaderszijde en de minderjarige zou moeten worden vastgesteld, is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist. Het hof neemt de gronden over en maakt deze - na een eigen afweging - tot de zijne. Het hof neemt daarbij nog het volgende in aanmerking. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat er nog steeds sprake is van een verstoorde verhouding tussen de grootmoeder vaderszijde en de moeder. Zo is de moeder bijvoorbeeld niet door de grootmoeder vaderszijde op de hoogte gehouden over de detentie van de vader. Het was de moeder tot op de mondelinge behandeling niet duidelijk wat de reden is van zijn detentie, voor hoelang hij nog in detentie zal moeten blijven en zoals op de mondelinge behandeling door grootmoeder vaderszijde is toegelicht dat de vader mogelijk een deel van zijn straf in Nederland kan uitzitten. Ook de vader heeft de moeder hierover niet geïnformeerd, terwijl hij hiertoe wel de mogelijkheid heeft gehad gelet op het feit dat de moeder wekelijks het telefonisch contact tussen de vader en de minderjarige faciliteert. Het gevoel van wantrouwen van de moeder jegens de grootmoeder vaderszijde wordt hierdoor gevoed. Verder heeft de moeder aangegeven dat zij bang is dat de grootmoeder vaderszijde aan de minderjarige zal vertellen dat de vader gedetineerd zit, hetgeen de moeder de minderjarige zelf wil vertellen op het moment dat de minderjarige daar volgens de moeder oud genoeg voor is. Het is de moeder die hierover als gezagdragende ouder de beslissing dient te nemen en zij heeft dit kennelijk met de vader afgestemd. Gelet op de verstoorde verhouding en het wantrouwen tussen de grootmoeder vaderszijde en de moeder is de moeder niet in staat om de minderjarige te ondersteunen in de omgang met de grootmoeder vaderszijde. Volgens het hof is het vaststellen van een omgangsregeling tussen de grootmoeder vaderszijde en de minderjarige op dit moment dan ook in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Het hof is derhalve van oordeel dat de rechtbank terecht het verzoek van de grootmoeder vaderszijde heeft afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.
(Verlening en verlenging van de) machtiging uithuisplaatsing
"3.7.4.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof, na eigen onderzoek en beoordeling, overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een uithuisplaatsing wordt voldaan. Het hof voegt daaraan het volgende toe.
De vader is van mening dat hij inmiddels weer in staat is de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen omdat hij ook in staat is om zelfstandig voor de oudere zus van [minderjarige] , [zus] , te zorgen. [minderjarige] heeft echter, vanwege de traumatische gebeurtenissen die hij in het verleden in de gezinssituatie met de vader heeft meegemaakt, meer dan andere kinderen - zoals zijn zus [zus] - behoefte aan rust, structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid. In 2016 is er in de thuissituatie van de vader intensieve ambulante begeleiding van [instantie 1] ingezet om te onderzoeken of een terugplaatsing van [minderjarige] mogelijk was. Gebleken is toen dat de vader onvoldoende leerbaar is wat betreft de opvoedvaardigheden die passen bij de behoeften van [minderjarige] . De vraag die dan gesteld moet worden is of met het verstrijken van de tijd de vader wel voldoende opvoedvaardigheden heeft om tot thuisplaatsing over te kunnen gaan. De GI heeft in haar verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat uit de door [instantie 2] begeleide bezoeken is gebleken dat de vader onvoldoende in staat is om zelfstandig invulling te geven aan de bezoeken met [minderjarige] . Deze bezoeken zijn mede ook in verband met een Veilig Thuis melding en zorgelijke signalen in 2020 teruggebracht naar een frequentie van 1 keer per 3 weken, anderhalf uur begeleid. Het hof begrijpt hieruit dat er op dit moment nog geen voldoende stabiele situatie is bij de vader en juist die stabiele situatie is van groot belang van [minderjarige] met zijn gedrags- en traumaproblematiek. De pleegouders zijn, met behulp van ambulante ondersteuning van [instantie 1] , wel in staat [minderjarige] de duidelijkheid en structuur te bieden die hij nodig heeft. Het hof concludeert uit het voorgaande dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een voortduring van de uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is en die noodzaak bestaat ook nu nog steeds. Het hof ziet daarbij geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode te verlengen.
Ten aanzien van het beroep van de vader op de artikelen 3, 5, 9, 16 en 18 IVRK en artikel 8 EVRM, oordeelt het hof dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, voldoende is komen vast te staan dat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk was en is in het belang van [minderjarige] , en dat het IVRK en het EVRM zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten.
3.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd."
Naar het oordeel van het hof is de bestreden beschikking niet in strijd met artikel
8 EVRM en/of artikel 9 Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK). Met de moeder is het hof van oordeel dat door de uithuisplaatsing van [de minderjarige2] een inbreuk wordt gemaakt op het recht op ‘family life’ van de moeder, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Deze inbreuk op ‘family life’ door een uithuisplaatsing heeft een wettelijke grondslag. Wanneer een uithuisplaatsing noodzakelijk en in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind is, of tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van het kind noodzakelijk is, is deze inbreuk op ‘family life’ gerechtvaardigd. Dat is hier het geval. De uithuisplaatsing van [de minderjarige2] is noodzakelijk en in haar belang, zowel voorhaar verzorging en opvoeding als voor nader onderzoek naar welke hulp zij nodig heeft. Nu gebleken is dat alternatieve en lichtere maatregelen niet toereikend zijn, geldt dat de maatregel van uithuisplaatsing niet zwaarder is dan de omstandigheden rechtvaardigen. Van onrechtmatige inmenging, als bedoeld in artikel 9 IVRK, is, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, evenmin sprake."
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt in haar jonge leven. Voordat [minderjarige] uit huis werd geplaatst, waren er al lange tijd zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder. Het hof heeft deze zorgen uitvoerig beschreven in zijn beschikking van 17 januari 2023.
Thans ligt aan het hof de vraag voor of de gronden voor de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig waren ten tijde van de bestreden beschikking. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
Sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] , die het noodzakelijk maakte dat de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing werden verlengd. Er werden door de hulpverlening en pleegmoeder kenmerken gezien die wijzen op ernstige (gedrags)problematiek, waarvoor (EMDR) behandeling nodig is. Het was van groot belang dat er zicht kwam op [minderjarige] en dat de behandeling van [minderjarige] bij Levvel doorgang kon vinden. De moeder erkende deze zorgen niet, had veel weerstand tegen de hulpverlening en stemde niet in met de verblijfplaats van [minderjarige] in het pleeggezin. De moeder heeft evenmin inzicht willen geven in haar thuissituatie waardoor er nog steeds onvoldoende zicht was op de opvoedsituatie bij de moeder en op haar persoonlijke problematiek. In deze situatie is ook nu nog geen verandering gekomen.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de kinderrechter op goede gronden de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd en dat de gronden daarvoor op 24 november 2023, toen het ouderlijk gezag van de moeder werd beëindigd, nog steeds aanwezig waren. De moeder heeft zich nog beroepen op het bepaalde in artikel 8 EVRM. Het hof verwerpt het beroep. Gelet op het bovenstaande is een inbreuk op het bij dat artikel beschermde recht op de eerbiediging van family life gerechtvaardigd, want noodzakelijk en evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] . Om dezelfde reden faalt het beroep van de moeder op de artikelen 3, 5, 9, 18 en 25 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen."
Gerechtshof Amsterdam 5 maart 2024, 200.333.319/01 en 200.333.319/02, ECLI:NL:GHAMS:2024:479
"De beoordeling
5.6
Hoewel de termijn waarvoor de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verlengd inmiddels is verlopen, heeft de moeder, gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, niettemin een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de verlenging te laten toetsen. Het hof dient nu te beoordelen of de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van het geven van de beschikking en ook nog tot 11 april 2024 aanwezig waren, en of die verlenging ook noodzakelijk was. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dat het geval is. Verlenging was noodzakelijk. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing terecht verlengd. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
5.7
Het hof heeft zich bij beschikking van 26 september 2023 uitgesproken over de noodzaak van de (verlenging van de) de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. De rechtbank heeft de desbetreffende overwegingen herhaald in de bestreden beschikking. Kortheidshalve verwijst het hof daarnaar. Het hof moet constateren dat hetgeen is overwogen nog onverkort gelding heeft. Blijkens de inhoud van het beroepschrift en hetgeen ter zitting is hoger beroep door en namens de moeder is toegelicht, weegt voor haar zwaar haar vrijheid om zich met haar kinderen (in het buitenland) te vestigen zoals haar dat goeddunkt. Datzelfde geldt voor haar pedagogische visie ten aanzien van de kinderen. De interventies door de (jeugdbeschermings)autoriteiten in Denemarken, Portugal en Nederland waren en zijn volgens haar nog steeds onterecht en onnodig. De moeder lijkt tot op heden nog steeds onvoldoende te kunnen reflecteren op de gevolgen van haar beslissingen voor de kinderen. Haar wens tot systeemtherapie voor haar en de kinderen in dit stadium gaat hieraan voorbij. Met betrekking tot de noodzaak van stabiele en bestendige schoolgang verwijst het hof naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.9 van de beschikking van 18 oktober 2023. Naast het gebrek aan reflectie, is het nog steeds niet mogelijk gebleken om afspraken te maken met de moeder. Tot op heden is nog steeds geen samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de GI tot stand gekomen. Het hof vindt het zorgelijk dat bepaalde afspraken voor de kinderen, waaronder logopedie en een tandartsafspraak, slechts gemaakt konden worden in de periode waarin het gezag van de moeder was geschorst. Verder heeft het ontbreken van de samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de GI tot gevolg dat de kinderen de moeder al een lange tijd niet hebben gezien. Het gebrek aan samenwerking heeft hiermee ook zijn weerslag op de kinderen. Ter zitting is door zowel grootmoeder moederszijde als de GI aangegeven dat de kinderen de moeder missen en dat zij haar graag willen zien. De kinderen begrijpen niet waarom de moeder bepaalde voorwaarden blijft stellen voor het plaatsvinden van de omgang en dat zij deze belangrijker lijkt te vinden dan het zien van de kinderen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in het te beoordelen tijdvak (19 oktober 2023 tot 11 april 2024) nog steeds sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en dat een vrijwillig kader niet volstond om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
5.8
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het van groot belang is dat de kinderen in hun huidige, stabiele opvoedomgeving blijven, zodat zij zich op positieve wijze kunnen blijven ontwikkelen. De moeder is tot op heden niet in staat gebleken de noodzakelijke structuur en stabiliteit aan de kinderen te bieden. Dat zij een liefdevolle moeder is, wil het hof aannemen (en zoals hiervoor overwogen is ook duidelijk dat de kinderen haar missen). Maar er is meer nodig om de kinderen een opvoedomgeving te bieden die voor hen voldoende stabiel en veilig is en waarin zij voldoende aan hun eigen ontwikkeling toekomen. De kinderen ervaren thans de benodigde rust nu zij in een stabiele en voorspelbare situatie verblijven bij de grootmoeder moederszijde. De daarvoor noodzakelijke ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn dan ook terecht verlengd door de rechtbank. Minder verstrekkende maatregelen zouden de kinderen in het te beoordelen tijdvak onvoldoende bescherming hebben geboden.
5.9
Met betrekking tot de uithuisplaatsing geldt verder nog dat de moeder sinds 13 februari 2024 gedetineerd is. De door de moeder met het hoger beroep beoogde terugplaatsing van de kinderen was voor de periode van 13 februari tot 11 april 2024 reeds om die reden irreëel. Plaatsing van de kinderen bij grootmoeder moederszijde was noodzakelijk.
5.10
Hetgeen de moeder nog heeft aangevoerd met verwijzing naar de artikelen 8 EVRM en 3,5,9 en 18 IVRK stuit af op het vooroverwogene."
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de kinderrechter de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing terecht heeft verlengd en dat deze maatregelen ook nu nog moeten voortduren. Verder ziet het hof geen aanleiding om de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te verkorten, zoals de vader subsidiair heeft verzocht. [minderjarige] heeft door haar voorgeschiedenis veel behoefte aan duidelijkheid en structuur. Daarnaast heeft zij een sensitieve en responsieve opvoedingssituatie nodig. In de afgelopen jaren is – met de inzet van diverse hulpverleningsinstanties – herhaaldelijk geprobeerd bij de ouders een verandering teweeg te brengen en de situatie voor [minderjarige] te verbeteren, zodat zij bij de ouders kon blijven wonen. Telkens is dit tevergeefs gebleken en is weer een uithuisplaatsing van [minderjarige] gevolgd. Een laatste mogelijkheid om de problematiek van de ouders en [minderjarige] goed in kaart te kunnen brengen en zicht te krijgen op de mogelijkheden en onmogelijkheden van de ouders was de plaatsing van het gezin in een psychiatrische gezinskliniek. Maar ook aan deze opname hebben de ouders onvoldoende kunnen of willen meewerken. Bij uitstek was dit voor de vader de gelegenheid om te laten zien dat de door hem gewenste plaatsing van [minderjarige] bij hem thuis een geschikte alternatieve optie was. Het intimiderende en overlastgevende gedrag van de vader jegens de begeleiding van de gezinskliniek onderschrijft dat de ouders niet in staat zijn om keuzes te maken die in het belang zijn van [minderjarige] .
Het hof is dan ook – met de raad en de GI – van oordeel dat het noodzakelijk is dat [minderjarige] stabiele plek bij de pleegouders wordt gecontinueerd en dat zij binnen afzienbare tijd duidelijkheid krijgt over haar opgroeiperspectief en de rol van de ouders in haar leven. Zoals ook de raad en de GI ter zitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht, is het voor de (persoonlijkheids)ontwikkeling van [minderjarige] van belang dat zij contact houdt met haar ouders. De duur en frequentie van dit contact is echter afhankelijk van wat [minderjarige] aankan.
Het standpunt van zowel de vader als de moeder dat is gehandeld in strijd met art. 8 EVRM, gaat niet op. Wat er ook zij van het aspecifieke betoog van de advocaat van de moeder dat de Nederlandse overheid met haar jeugdbeschermingspraktijk stelselmatig artikel 8 EVRM schendt, in dit geval is geen sprake van een schending daarvan nu de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing berusten op de wet en in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel zijn en de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] niet op een andere wijze kan worden afgewend. Het beroep van de moeder op artikel 9 IVRK stuit op dezelfde gronden af.
Het hof overweegt daarnaast dat art. 11 van de Grondwet niet wordt geschonden. Anders dan de advocaat van de moeder meent, beschermt art. 11 Grondwet niet rechtstreeks de geestelijke integriteit van een persoon (zie Kamerstukken II 1979/80, 16086, 3, p. 3-5). Daarop stuit dit betoog reeds af. Bovendien geldt dat de wet voorziet in een grondslag om de onaantastbaarheid van het lichaam te beperken zoals artikel 11 Grondwet vereist, aangezien een beroep kan worden gedaan op eerder genoemde wettelijke bepalingen betreffende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Uit het voorgaande volgt dat die wettelijke uitzonderingen in deze zaak op juiste wijze zijn toegepast.
5.9
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing."
Gerechtshof Amsterdam 7 januari 2025, 200.343.600/01 en 200.344.308/01, ECLI:NL:GHAMS:2025:33
Ondertoezichtstelling, algemeen
"5.7. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van [kind A] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en thans nog aanwezig zijn. De moeder is ambivalent in het aanvaarden van hulp en is niet leerbaar genoeg gebleken om [kind A] de opvoeding te bieden die hij vergt. Doordat [kind A] het gezag van de moeder niet accepteert, wordt hij belemmerd in zijn kind zijn en is de kans groot dat hij (verdere) gedragsproblemen ontwikkelt. Nu de oma er is, is de situatie bij de moeder thuis stabieler geworden en is het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing ingetrokken. Deze nieuwe situatie is echter nog te prematuur om de ondertoezichtstelling slechts voor een beperktere duur op te leggen. De thans nog resterende periode van de ondertoezichtstelling, tot 22 mei 2019, kan dienen om te bezien of
met de aanwezigheid van de oma een meer veilige en op de behoeften van [kind A] toegesneden opvoedomgeving kan worden bereikt.
5.8. Het beroep op de artikelen 8 EVRM en 9 IVRK stuit af op het hiervoor overwogene."
Ten aanzien van het beroep van de moeder op verschillende verdragsbepalingen, waaronder artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK, deels neergelegd in een algemeen, niet op haar concrete geval toegesneden betoog, overweegt het hof dat op basis van het voorgaande vaststaat dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk was in het belang van de bescherming van de gezondheid van [minderjarige] en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] . Voornoemde bepalingen verzetten zich onder de gegeven omstandigheden dan ook niet tegen de ondertoezichtstelling."
"5.9 De uithuisplaatsing is niet in strijd met de artikelen 5, 9 en 18 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK). Weliswaar is uithuisplaatsing een inbreuk, maar deze inbreuk is bij wet geregeld, in het belang van de kinderen en noodzakelijk en proportioneel."
Ten aanzien van het beroep van de moeder op de artikelen 3, 5, 9, 16 en 18 IVRK en artikel 8 EVRM, oordeelt het hof dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, voldoende is komen vast te staan dat de (spoed)uithuisplaatsing noodzakelijk was in het belang van [minderjarige] , en dat het IVRK en het EVRM zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten.
3.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikkingen dienen te worden bekrachtigd.”
"5.9. Nu aan de vereisten voor uithuisplaatsing is voldaan, volgt daaruit tevens dat de inbreuk op het recht op ‘family life’ gerechtvaardigd is, omdat deze noodzakelijk is en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . Aan het beroep van de moeder op het bepaalde in artikel 8 EVRM jo. 9 IVRK moet daarom worden voorbij gegaan."
"4.6 Voor zover de moeder een beroep heeft gedaan op artikel 9 van het IVRK (Verdrag inzake de rechten van het kind) en artikel 8 van het EVRM (Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) is het hof, evenals in zijn beschikking van 11 mei 2021, van oordeel dat de inbreuk die de machtiging tot uithuisplaatsing in dit geval maakt in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk en proportioneel is en dat van enige strijd met genoemde verdragsbepalingen dan ook geen sprake is."
Ambulante hulpverlening versus (verlenging van de) uithuisplaatsing
"3.11.6. Tegelijkertijd bestaat nog grote onduidelijkheid over de (thuis)situatie van de moeder. De GI heeft nog geen zicht kunnen krijgen op de opvoedvaardigheden, de draagkracht en draaglast van de moeder. De moeder heeft op de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat zij bij het GGZ is getest en dat daaruit enkel is gebleken dat zij kampt met geheugenproblemen, maar de moeder heeft nagelaten deze informatie voldoende concreet - en voorzien van een schriftelijke rapportage - te onderbouwen. Dat lag wel op haar weg. De moeder heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij niet weet of de onderzoeksresultaten op schrift zijn gesteld, en de advocaat van de moeder was niet op de hoogte dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Anders dan de GI heeft verklaard, zijn volgens de moeder de resultaten van het onderzoek tijdens een MDO mondeling met de gezinsvoogd gedeeld. De GI heeft verklaard niet bekend te zijn met de onderzoeksresultaten en deze wel nodig te hebben om te beoordelen welke hulp en ondersteuning de moeder en de kinderen nodig hebben. De GI kan - vanwege privacy-redenen - deze onderzoeksresultaten niet zelf bij het GGZ opvragen. Het had daarom op de weg van de moeder gelegen om alles in het werk te stellen om de onderzoeksresultaten op schrift te krijgen en deze over te leggen aan de GI en het hof. Dat de moeder dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico.
Verder bestaat er nog steeds onduidelijkheid over de (woon)omstandigheden van de moeder. De moeder heeft na de relatiebreuk met haar partner een periode in [instantie 2] gewoond. Op de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat zij sinds mei 2021 weer zelfstandig woont, maar dat zij nog steeds iedere week begeleiding krijgt van [instantie 2] voor sociale zaken en financiële zaken. Ook heeft de moeder gesteld dat wanneer de kinderen thuis zouden worden geplaatst zij door middel van urgentie op korte termijn zou kunnen beschikken over een andere grotere woning. Verder heeft de moeder verklaard dat zij weer samen is met haar partner, maar dat zij (nog) niet samenwonen.
Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat niet, dan wel onvoldoende is gebleken dat de moeder op dit moment de kinderen de veilige, stabiele en rustige opvoedingssituatie kan bieden die zij nodig hebben tijdens hun onderzoeken, behandelingen en herstel. Omdat het gezinshuis de kinderen deze opvoedingssituatie wel kan bieden moet de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis worden voortgezet en is een thuisplaatsing van de kinderen niet aan de orde.
3.11.7.
Gelet op genoemde feiten en omstandigheden is het hof, anders dan de moeder van oordeel, dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen en kan niet worden volstaan met ambulante hulpverlening. De verlenging van de uithuisplaatsing levert daarom geen schending van artikel 8 EVRM en de artikelen 3, 5, 9, 16 en 18 IVRK op."
Voor zover de moeder een beroep heeft gedaan op artikel 9 van het IVRK (Verdrag inzake de rechten van het kind) en artikel 8 van het EVRM (Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) is het hof, evenals in zijn beschikking van 11 mei 2021, van oordeel dat de inbreuk die de machtiging tot uithuisplaatsing in dit geval maakt in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk en proportioneel is en dat van enige strijd met genoemde verdragsbepalingen dan ook geen sprake is.”
"2. Het hof passeert hierbij de stelling van de moeder dat de ontheffing in strijd is met artikel 9 IVRK. Dit artikel waarborgt het recht dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij deze scheiding in het belang van het kind noodzakelijk is. Dat de minderjarige wordt gescheiden tegen de wil van de moeder, wordt gerechtvaardigd door de bescherming van de belangen van de minderjarige, zoals uit het voorgaande blijkt. Nu alternatieve en lichtere maatregelen niet toereikend zijn, geldt naar het oordeel van het hof bovendien dat de maatregel van ontheffing niet zwaarder is dan de omstandigheden rechtvaardigen."
"5.8 Voor zover de moeder stelt dat er sprake is van strijd met de verdragsbepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het IVRK overweegt het hof als volgt. Een beëindiging van het gezag is weliswaar een inbreuk op artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK, maar deze inbreuk acht het hof gelet op het hiervoor overwogene in het belang van [de minderjarige1] noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel. Het hof is dan ook van oordeel dat de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] niet in strijd met voornoemde verdragen is."
"7. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat deze zaak een complexe situatie betreft, waarbij het meest in het oog springende is dat sprake is van ernstige gedragsproblematiek bij de minderjarige. Het betreft een jong kind dat zeer zorgelijk gedrag vertoont en signalen afgeeft die duiden op een hechtingsstoornis. Observatie, onderzoek en behandeling van de minderjarige zijn derhalve geboden. De moeder erkent de problemen van de minderjarige, maar ziet de ernst van de situatie onvoldoende in. Daar komt bij dat de moeder-dochter relatie tevens zorgen baart en een onderdeel vormt van de aanwezige problematiek. Onderzoek vanuit de thuissituatie biedt op dit moment dan ook geen geschikt alternatief. De aanwezigheid van de moeder en/of haar vertrouwde omgeving zullen belemmerend kunnen werken. Daarbij is de medewerking van de moeder aan de hulpverlening onvoldoende consistent gebleken om opnieuw een traject in het vrijwillig kader in te gaan en daarmee het aanmerkelijke risico te lopen dat de minderjarige reeds tijdens het onderzoek opnieuw uit huis zou moeten worden geplaatst. De weerstand die de moeder tegen de hulpverlening heeft, is weliswaar op sommige punten begrijpelijk, zoals ook ter zitting met partijen besproken, maar niet in het belang van de minderjarige. Onder deze omstandigheden is een uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk. Daarmee is, juist ter bescherming van de minderjarige, een inbreuk op artikel 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waar de moeder aan refereert, gerechtvaardigd.
8. Het hof is dan ook van oordeel dat, zij het op enigszins andere gronden dan de rechtbank, de uithuisplaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht in een voorziening noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding en tot onderzoek van haar geestelijke gesteldheid. Daarmee is voldaan aan de wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd."
"5.8 Het beroep op de artikelen 8 EVRM, 3 en 9IVRK en 9 IVBPR stuit af op het vooroverwogene, nu de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind A] en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van haar geestelijke en lichamelijke ontwikkeling."
Hoewel de plaatsing van [de minderjarige] in de pleeggezinnen dus ongelukkig hebben uitgepakt, is het hof desalniettemin van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin gedurende de periode van 21 januari 2019 tot 24 mei 2019 in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk was. De ernst van de problematiek van [de minderjarige] en wat zij in dit verband nodig heeft qua opvoedomgeving is immers pas in het voorjaar van dit jaar in volle omvang duidelijk geworden, hoe ongelukkig dat ook is.
De diepe wens van de moeder om zelf voor [de minderjarige] te zorgen is begrijpelijk. Sinds september 2018 krijgt zij vanuit Spirit Intensieve Pedagogische Gezinsbegeleiding krijgt. Het hof acht het echter niet aannemelijk dat zij de verzorging en opvoeding kan bieden die [de minderjarige] nodig heeft. Uit de analyse van Intermetzo blijkt dat [de minderjarige] vanwege haar eigen problematiek specifieke zorg- en behandelbehoeftes heeft en zich tot op heden niet echt veilig voelt in de relatie met haar moeder. Zij ervaart de moeder als onbetrouwbaar en dit geeft haar veel spanning. In de dagen voor en na de bezoekmomenten met de moeder laat [de minderjarige] veel onveilig gedrag en overlevingsgedrag zien, hetgeen zich uit in obsessief grenzen zoeken, schreeuwen en agressie. Daarnaast is er nog altijd sprake van sibling rivalry tussen [de minderjarige] en [kind C] , hetgeen mogelijk zal verergeren als beide kinderen weer bij elkaar wonen. Dit zal niet alleen ten koste gaan van [de minderjarige] maar ook van [kind C] . Ook bestaat er bij een terugplaatsing bij de moeder een risico op herbeleving van trauma, nu de woning van de moeder de plek is waar [de minderjarige] de traumatische ervaringen heeft opgedaan. Dit alles maakt dat een terugplaatsing bij de moeder ten tijde van de bestreden beschikking niet in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] was. Ook een plaatsing bij het door de moeder voorgestelde pleeggezin [Y] is gelet op het voorgaande niet in het belang van [de minderjarige] . Het voorgestelde pleeggezin heeft geen ervaring met het opvangen van kinderen met hechtingsproblemen en trauma, heeft twee thuiswonende kinderen (waarvan een nog jong en kwetsbaar) en de kans op herbeleving van trauma is op deze plek eveneens groot (het huis staat in de wijk waar de moeder woont). Het hof is dan ook van oordeel dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] terecht heeft verlengd, omdat dit in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk was.
Uit hetgeen hierboven is overwogen vloeit voort dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] en het niet onderbrengen van [de minderjarige] in het gezin [Y] geen schending van artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK oplevert."
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] stond de moeder onder curatele, waardoor zij onbevoegd was het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen. Om die reden heeft de rechtbank al voor de geboorte van [de minderjarige] een (tijdelijke) voogdijmaatregel uitgesproken. Direct na de geboorte van [de minderjarige] verbleven de moeder en [de minderjarige] in een moeder-kind huis. Na één week is [de minderjarige] in een crisispleeggezin geplaatst, omdat in het moeder-kind huis bleek dat de moeder onvoldoende zorg kon dragen voor een stabiele en veilige opvoedsituatie. Vanwege de onrust die dit besluit mogelijk zou veroorzaken, is er gekozen voor een spoeduithuisplaatsing. Toen [de minderjarige] drie maanden oud was, is zij vervolgens in een perspectief biedend pleeggezin geplaatst. Uit de rapportage van het moeder-kind huis van 20 augustus 2015 en van het rapport van de raad van 29 september 2016 blijkt dat de moeder niet in staat is de opvoedverantwoordelijkheid voor [de minderjarige] te kunnen dragen. Bij de moeder is sprake van complexe persoonlijke problematiek, waaronder emotionele instabiliteit, onvoorspelbaarheid in gedrag, explosiviteit en gebrek aan inzicht. De moeder is daarnaast onvoldoende leerbaar en kan onvoldoende aansluiten bij de behoeftes van [de minderjarige] . Overleg met haar over [de minderjarige] is lastig gebleken. Ook de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] verloopt nog moeizaam. De omgang kan alleen plaatsvinden onder begeleiding en met hulp van de jeugdzorgwerker en de pleegvader. De omgang heeft een tijd minder frequent plaatsgevonden, omdat de moeder de bezoeken niet door liet gaan. Sinds januari 2017 vindt de omgang weer op regelmatige basis plaats. Op dit moment heeft de moeder één uur per maand omgang met [de minderjarige] . De omgang lijkt een negatieve weerslag op [de minderjarige] te hebben. De omgang is dan ook vooralsnog niet uitgebreid. Tot slot is gebleken dat de moeder zich de afgelopen tijd positief heeft ontwikkeld. Het is mogelijk om een positief gesprek met de moeder te voeren over [de minderjarige] , de moeder is getrouwd en haar woonsituatie is gestabiliseerd.
5.6
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het belasten van de moeder met het ouderlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] is. Hoewel het zonder meer positief is dat er verbeteringen hebben plaatsgevonden in het leven van de moeder, acht het hof deze onvoldoende om te stellen dat de moeder nu of op termijn in staat is de opvoedverantwoordelijkheid over [de minderjarige] te dragen. De moeder heeft deze opvoedverantwoordelijkheid nooit gedragen en [de minderjarige] verblijft al vrijwel haar hele leven bij het huidige pleeggezin. Zij is daar goed gehecht en lijkt geborgenheid te hebben gevonden bij beide pleegouders. Met de GI en de raad is het hof dan ook van oordeel dat het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt. Als het gezag over [de minderjarige] weer bij de moeder zou komen te liggen, zou de juridische situatie niet overeen komen met de feitelijke situatie, hetgeen strijdig is met de belangen van [de minderjarige] . Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht het verzoek van de moeder, om haar opnieuw met het ouderlijk gezag te belasten, heeft afgewezen. De stelling van de moeder dat de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het raadsrapport van 29 september 2016 doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank heeft de raad ter zitting van 16 november 2017 gevraagd om mondeling advies uit te brengen. Het hof is van oordeel dat daarbij een dergelijk rapport ter informatie mag worden ingebracht en dat de raad de inhoud ervan mag gebruiken ter onderbouwing van zijn actuele mondelinge advies ter zitting en ter adstructie van mogelijke wijzigingen ten opzichte van dit rapport.
5.7
Gezien hetgeen hiervoor onder 5.5 en 5.6 overwogen, slaagt het beroep van de moeder op artikel 8 lid 2 EVRM en de artikelen 7 lid 1 en 9 lid 1 IVRK evenmin. Het hof is van oordeel dat de afwijzing van het verzoek van de moeder tot herstel van het ouderlijk gezag in dit geval noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] en tevens proportioneel is. De belangen van [de minderjarige] rechtvaardigen een inbreuk op het recht op ‘family life’ en er is voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt."
Wel heeft WSSjbjr (en daarmee [X] ) beperkingen ervaren van de inrichting van het systeem van jeugdzorg gedurende de periode die hier in geding is. Deze beperkingen betroffen met name het gebrek aan beschikbaarheid van geschikte plaatsen waar een kind als [X] - dat een complexe ontwikkelingshistorie heeft en in zijn ontwikkeling een beeld laat zien dat niet onder één noemer valt te brengen - langdurig kan opgroeien. Zoals hiervoor al is overwogen, kan WSSjbjr daarvoor niet aansprakelijk gehouden worden.
WSSjbjr heeft binnen dit systeem bij het maken en uitvoeren van haar keuzes de op haar rustende bijzondere zorgplicht naar behoren nageleefd en heeft daarbij ook in voldoende mate voldaan aan zijn uit artikel 3, 9 en 20 IVRK voortvloeiende verplichtingen. Niet kan worden volgehouden dat WSSjbjr bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling het belang van [X] niet steeds een overweging van de eerste orde heeft laten zijn of onvoldoende heeft getracht de zorg voor hem te waarborgen. [X] heeft nog aangevoerd dat de rechtbank alle over hem gestelde diagnoses, alle plaatsingen en alle behandelingen ten onrechte niet (ook) als één geheel heeft bezien. Dit betoog faalt reeds omdat geen van de daarmee verband houdende beslissingen van WSSjbjr als onzorgvuldig kan worden aangemerkt. Voor zover [X] heeft willen aanvoeren dat de rechtbank aldus artikel 6 EVRM heeft geschonden, faalt dit betoog.
Dat het geheel voor [X] zeer frustrerend heeft uitgepakt en het voelt alsof hem zijn jeugd is ontnomen, is invoelbaar en valt zonder meer te betreuren, maar is niet te wijten aan onrechtmatig handelen van WSSjbjr. Dat WSSjbjr, zoals [X] onder verwijzing naar een rapport van Defence for Children International heeft gesteld, desnoods een procedure tegen de Staat had moeten starten, bijvoorbeeld om een gewenste plek op school of in een pleeggezin af te dwingen, wijst het hof van de hand. Nog daargelaten of een dergelijke procedure voor [X] daadwerkelijk tot betere uitkomsten had geleid, reikt de bijzondere zorgplicht van WSSjbjr voor de aan haar zorg toevertrouwde minderjarigen niet zo ver."
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] stond de moeder onder curatele, waardoor zij onbevoegd was het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen. Om die reden heeft de rechtbank al voor de geboorte van [de minderjarige] een (tijdelijke) voogdijmaatregel uitgesproken. Direct na de geboorte van [de minderjarige] verbleven de moeder en [de minderjarige] in een moeder-kind huis. Na één week is [de minderjarige] in een crisispleeggezin geplaatst, omdat in het moeder-kind huis bleek dat de moeder onvoldoende zorg kon dragen voor een stabiele en veilige opvoedsituatie. Vanwege de onrust die dit besluit mogelijk zou veroorzaken, is er gekozen voor een spoeduithuisplaatsing. Toen [de minderjarige] drie maanden oud was, is zij vervolgens in een perspectief biedend pleeggezin geplaatst. Uit de rapportage van het moeder-kind huis van 20 augustus 2015 en van het rapport van de raad van 29 september 2016 blijkt dat de moeder niet in staat is de opvoedverantwoordelijkheid voor [de minderjarige] te kunnen dragen. Bij de moeder is sprake van complexe persoonlijke problematiek, waaronder emotionele instabiliteit, onvoorspelbaarheid in gedrag, explosiviteit en gebrek aan inzicht. De moeder is daarnaast onvoldoende leerbaar en kan onvoldoende aansluiten bij de behoeftes van [de minderjarige] . Overleg met haar over [de minderjarige] is lastig gebleken. Ook de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] verloopt nog moeizaam. De omgang kan alleen plaatsvinden onder begeleiding en met hulp van de jeugdzorgwerker en de pleegvader. De omgang heeft een tijd minder frequent plaatsgevonden, omdat de moeder de bezoeken niet door liet gaan. Sinds januari 2017 vindt de omgang weer op regelmatige basis plaats. Op dit moment heeft de moeder één uur per maand omgang met [de minderjarige] . De omgang lijkt een negatieve weerslag op [de minderjarige] te hebben. De omgang is dan ook vooralsnog niet uitgebreid. Tot slot is gebleken dat de moeder zich de afgelopen tijd positief heeft ontwikkeld. Het is mogelijk om een positief gesprek met de moeder te voeren over [de minderjarige] , de moeder is getrouwd en haar woonsituatie is gestabiliseerd.
5.6
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het belasten van de moeder met het ouderlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] is. Hoewel het zonder meer positief is dat er verbeteringen hebben plaatsgevonden in het leven van de moeder, acht het hof deze onvoldoende om te stellen dat de moeder nu of op termijn in staat is de opvoedverantwoordelijkheid over [de minderjarige] te dragen. De moeder heeft deze opvoedverantwoordelijkheid nooit gedragen en [de minderjarige] verblijft al vrijwel haar hele leven bij het huidige pleeggezin. Zij is daar goed gehecht en lijkt geborgenheid te hebben gevonden bij beide pleegouders. Met de GI en de raad is het hof dan ook van oordeel dat het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt. Als het gezag over [de minderjarige] weer bij de moeder zou komen te liggen, zou de juridische situatie niet overeen komen met de feitelijke situatie, hetgeen strijdig is met de belangen van [de minderjarige] . Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht het verzoek van de moeder, om haar opnieuw met het ouderlijk gezag te belasten, heeft afgewezen. De stelling van de moeder dat de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het raadsrapport van 29 september 2016 doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank heeft de raad ter zitting van 16 november 2017 gevraagd om mondeling advies uit te brengen. Het hof is van oordeel dat daarbij een dergelijk rapport ter informatie mag worden ingebracht en dat de raad de inhoud ervan mag gebruiken ter onderbouwing van zijn actuele mondelinge advies ter zitting en ter adstructie van mogelijke wijzigingen ten opzichte van dit rapport.
5.7
Gezien hetgeen hiervoor onder 5.5 en 5.6 overwogen, slaagt het beroep van de moeder op artikel 8 lid 2 EVRM en de artikelen 7 lid 1 en 9 lid 1 IVRK evenmin. Het hof is van oordeel dat de afwijzing van het verzoek van de moeder tot herstel van het ouderlijk gezag in dit geval noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] en tevens proportioneel is. De belangen van [de minderjarige] rechtvaardigen een inbreuk op het recht op ‘family life’ en er is voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt."
IVRK geeft geen mogelijkheid om de wettelijke bepaalde gezagsbeëindiging niet toe te passen
"5.8. De moeder heeft nog aangevoerd dat het een ‘hamerstuk’ lijkt te zijn dat het ouderlijk gezag wordt beëindigd na een uithuisplaatsing van twee jaren. Zij meent dat dit een onjuist uitgangspunt is, onder verwijzing naar artikel 8 EVRM, de artikelen 3, 7, 9 en 18 IVRK en jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en andere rechters. Wat er zij van dit betoog van de moeder, uit de tekst van de wet blijkt dat de rechter enige ruimte heeft om, ook als aan de gronden voor gezagsbeëindiging is voldaan, die maatregel desalniettemin achterwege te laten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het hof echter geen aanleiding om het verzoek van de raad af te wijzen. Het hof acht gezien het vorenstaande de beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk ter bescherming van het belang van de kinderen en tevens proportioneel. Het hof zal de beschikking waarvan beroep daarom bekrachtigen."
De vader verwijst nog naar de artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens in verbinding met artikel 3 van het VN-kinderverdrag en artikel 9 van het IVRK op grond waarvan artikel 1:306 BW analoog zou moeten worden toegepast in deze zaak.
Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is.
Uit het rapport van de raad van 20 oktober 2020 blijkt dat uitgebreid onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van de ouders en de andere voorgestelde voogden om als voogd voor het nog ongeboren kind te worden benoemd. De problematiek van de ouders en de onmogelijkheden voor benoeming van een ander tot voogd maakten dat benoeming van een onafhankelijke professionele voogd in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk was. In het rapport heeft de raad de zorgen en de krachten van het veilig opgroeien van het ongeboren kind benoemd en aangegeven wat er nog moest gebeuren om die zorgen weg te nemen en wat er gedaan kan worden om de gestelde doelen te bereiken. Met name diende de moeder/de ouders samen te werken met de GI om het kind een veilige en stabiele omgeving te bieden en moesten de ouders alles in het werk te stellen zodat het kind onvoorwaardelijk op de nodige zorg en aandacht van hen kan rekenen. Nu een en ander ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] nog niet was gerealiseerd, was en is een plaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk."
Lexplicatie, commentaar op art. 9 IVRK
Bronnen en citaten
mr. E. Thomas, actueel t/m 23-02-2025
23-02-2025
02-09-1990 tot: -
mr. E. Thomas
Lexplicatie, commentaar op art. 9 IVRK
JCDI:ADS9093:1
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Personen- en familierecht / Kinderbescherming
Verdrag inzake de rechten van het kind artikel 9
Jurisprudentie
Algemeen
"5.7
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [kind] te dragen en niet te verwachten valt dat zij daartoe in staat is binnen een voor [kind] aanvaardbaar te achten termijn. Uit het voorgaande blijkt dat de moeder in het verleden niet in staat is gebleken een opvoedingsomgeving te creëren waarin [kind] zich veilig voelt en kan toekomen aan zijn ontwikkelingstaken. [kind] is geconfronteerd met huiselijk geweld, emotionele mishandeling en emotionele verwaarlozing. De uithuisplaatsing van [kind] is in de afgelopen jaren diverse keren getoetst door de kinderrechter, waarbij telkens is gebleken dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] nog steeds aanwezig waren. Een terugplaatsing van [kind] bij de moeder behoorde niet tot de mogelijkheden, omdat de moeder niet in staat bleek haar eigen problemen zodanig aan te pakken dat zij [kind] kan bieden wat hij nodig heeft. De recente politie-inval waarbij een nieuwe vriend van de moeder is aangetroffen die als vuurwapengevaarlijk en verslaafd bekend staat en waarbij de moeder onder invloed is aangetroffen, doet vermoeden dat zij haar leven niet op orde heeft. [kind] woont inmiddels meer dan drie jaar in het pleeggezin en is daar goed gehecht. Hij ontwikkelt zich daar positief. Het hof acht het in het belang van [kind] dat zijn plaatsing binnen het pleeggezin met het oog op zijn gehechtheid en verdere ontwikkeling wordt bestendigd. [kind] krijgt dan duidelijkheid over waar hij mag verblijven en opgroeien en kan vanuit die veilige situatie contact met de moeder hebben.
5.8
Nu er geen perspectief is op terugplaatsing bij de moeder binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [kind] aanvaardbaar te achten termijn wordt de doelstelling van een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing, te weten het tijdelijk voorzien in een opvoedsituatie met als uiteindelijk doel thuisplaatsing, niet langer gediend met deze maatregelen. Verdere verlengingen van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing zullen onzekerheid en onrust bij [kind] teweeg brengen, zeker nu hij zeer loyaal is aan de moeder, zij blijft benadrukken dat het haar wens is [kind] zelf op te voeden en hem geen emotionele toestemming voor de plaatsing in het pleeggezin kan geven. Hoe invoelbaar de wens van de moeder ook is, [kind] moet thans weten waar hij aan toe is. Het is in zijn belang dat het gezag over hem meer aansluit bij zijn huidige opvoedsituatie. Evenals de rechtbank, zal het hof het verzoek van de moeder om een contra-expertise afwijzen. Het belang van [kind] verzet zich tegen een hernieuwde beoordeling van zijn opvoedperspectief, omdat dit opnieuw langdurige onzekerheid voor [kind] betekent. Deze onzekerheid moet stoppen, omdat deze hem belemmert om de loyaliteit aan zijn moeder losser te laten. Als hij weet waar hij aan toe is, kan hij meer baat hebben bij de hem geboden hulp en behandeling voor de verwerking van het verleden.
5.9
In het voorgaande ligt besloten dat het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM en artikel 9 en 26 IVRK faalt."
Gerechtshof Amsterdam 15 juni 2021, 200.277.024/01, ECLI:NL:GHAMS:2021:1943
Artikel 9 IVRK is als hoofdregel niet direct werkend
"De door [wederpartij] in beroep ingeroepen artikelen 2, 9 en 26 van het IVRK en artikel 23 van het IVBPR bevatten, gelet op hun formulering, geen norm die door de rechter rechtstreeks als toetsingsmaatstaf voor besluiten toepasbaar is, omdat deze bepalingen niet voldoende concreet zijn voor zodanige toepassing en daarom nadere uitwerking in nationale wetgeving behoeven."
ABRvS 9 april 2008, 200703321/1, ECLI:NL:RVS:2008:BC9087
"8.3. Nog daargelaten of de artikelen 5, 9 en 16 van het IVRK zich lenen voor rechtstreekse toepassing, strekken deze bepalingen niet zo ver dat hieruit de verplichting voor het college volgt om een urgentieverklaring aan [appellante] te verlenen. Daarbij acht de Afdeling het van belang dat [appellante], zoals hiervoor onder 7.1 is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar onmogelijk is om onzelfstandige woonruimte of woonruimte buiten Amsterdam te huren waar zij met haar dochter kan wonen en waar zij voor haar kan zorgen."
ABRvS 28 oktober 2020, 202004769/1/A3 en 202004769/2/A3, ECLI:NL:RVS:2020:2508
"4.5.3 Appellant heeft zich verder nog beroepen op artikel 9 van het IVRK. Daargelaten de vraag of deze bepaling kan worden beschouwd als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet en als zodanig rechtstreeks kan worden ingeroepen, leidt de in dit artikel vervatte norm niet tot meer waarborgen dan reeds voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM. Ook het beroep op artikel 9 van het IVRK slaagt daarom niet."
CRvB 8 augustus 2024, 21/4493 WMO15, ECLI:NL:CRVB:2024:1603, RSV 2024/179 en USZ 2024/271.
Aanvullende werking IVRK
"7.1. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris in dit geval ten onrechte de door de vreemdeling aangevoerde en door haar als bijzonder aangemerkte omstandigheden in het geheel niet betrokken en dus voor de afwijzing van de aanvraag geen individuele beoordeling gemaakt. Dit betekent niet dat de staatssecretaris geen zwaar gewicht mag toekennen aan het feit dat het hier om een polygame situatie gaat die in Nederland in strijd met de openbare orde wordt geacht. Dit laat echter onverlet dat de staatssecretaris wel moet beoordelen of de vreemdeling dermate bijzondere omstandigheden en/of zwaarwegende belangen naar voren heeft gebracht dat voor de staatssecretaris desondanks aanleiding bestaat de aanvraag in te willigen. Daarbij moet de staatssecretaris in dit geval ook het beroep van de vreemdeling op de artikelen 3, 6, 9, 10 en 20 van het IVRK betrekken, voor zover deze bepalingen normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving toepasbaar zijn en niet al besloten liggen in de artikelen 5, vijfde lid, en 17 van de richtlijn en de artikelen 7 en 24 van het EU Handvest. De rechtbank heeft dit niet onderkend."
ABRvS 31 januari 2020, 201805432/1/V1, ECLI:NL:RVS:2020:329
Rechtsmiddelentermijnen
"3.6
De advocaat van de moeder heeft zich verder nog beroepen op het evenredigheidsbeginsel en de artikelen 3 en 9 IVRK (zie hiervoor onder 3.3). Het hof overweegt dat de artikelen 3 en 9 van het IVRK op zichzelf niet aan de weg staan aan een toepassing van de regels rond rechtsmiddeltermijnen.
Met betrekking tot het beroep op het evenredigheidsbeginsel overweegt het hof dat, zoals in iedere jeugdbeschermingszaak, het hier gaat om potentieel ingrijpende beslissingen en verzoeken van een overheidsorgaan (hier: de raad en de GI) jegens een burger, waarvan de beoordeling aan de rechter wordt voorgelegd. In die zin heeft de zaak gelijkenissen met een bestuursrechtelijke zaak. Zoals de advocaat van de moeder heeft aangevoerd is in het bestuursprocesrecht een verschuiving gaande waar het betreft de strikte handhaving van rechtsmiddeltermijnen. De hoogste bestuursrechters zijn tot het oordeel gekomen, anders dan de Hoge Raad in zijn eerder genoemde uitspraak uit 2014, dat rechtsmiddeltermijnen niet van openbare orde zijn. De bestuursrechter niet meer of in de voorafgaande bezwaar- of beroepsfase sprake is geweest van een termijnoverschrijding indien daarop niet expliciet een beroep wordt gedaan door een betrokkene (CRvB 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500). Wel wordt nog steeds ambtshalve getoetst of in de eigen instantie het rechtsmiddel tijdig is ingesteld. Daarbij wordt ruimhartiger omgesprongen met beroepen op verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding, maar in beginsel niet als de burger wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener zoals een advocaat. Het handelen van die rechtshulpverlener komt in beginsel voor risico van de burger (CBB 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31).
Dit alles overziend, overweegt het hof dat in deze zaak de moeder (verplicht) werd bijgestaan door haar advocaat. Dat zij het hoger beroep te laat heeft ingediend, moet dan ook voor haar rekening blijven, ook al zijn de consequenties van de bestreden beschikking voor de moeder ingrijpend. Bijzondere omstandigheden aan de zijde van de advocaat zelf waarom dit anders zou moeten zijn, zijn gesteld noch gebleken. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Het hof zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.
3.7
Gelet op het voorgaande komt het hof aan een inhoudelijke behandeling van de zaken niet toe."
Gerechtshof Amsterdam 10 december 2024, 200.337.808/01 en 200.337.809/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:3388
Uit artikel 9 IVRK vloeien dezelfde waarborgen voort als uit artikel 8 EVRM
"5.10
Ten aanzien van het beroep van de moeder op verschillende verdragsbepalingen, waaronder artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK, deels neergelegd in een algemeen, niet op haar concrete geval toegesneden betoog, overweegt het hof dat op basis van het voorgaande vaststaat dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk was in het belang van de bescherming van de gezondheid van [minderjarige] en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] . Voornoemde bepalingen verzetten zich onder de gegeven omstandigheden dan ook niet tegen de ondertoezichtstelling."
Gerechtshof Amsterdam 6 augustus 2024, 200.340.099, ECLI:NL:GHAMS:2024:2485
"5.2. De artikelen 5, 9, tweede lid, en 10, tweede lid, van het IVRK, voor zover deze bepalingen, gelet op de formulering, al normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar zijn, roepen geen aanspraak in het leven die verder strekt dan artikel 8 van het EVRM. Reeds hierom faalt het beroep op deze verdragsbepalingen."
ABRvS 13 november 2013, 201210165/1/V3, ECLI:NL:RVS:2013:1998
"4.7.6. Daargelaten de vraag of artikel 9 van het IVRK kan worden beschouwd als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94 van de Gw en als zodanig rechtstreeks kan worden ingeroepen, leidt de in dit artikel vervatte norm niet tot meer waarborgen dan reeds voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM. Artikel 9 van het IVRK behoeft daarom geen verdere bespreking."
CRvB 15 april 2010, 09-1519 WMO, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3583
"4.5. Daargelaten de vraag of artikel 9 van het IVRK kan worden beschouwd als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94 van de Gw en als zodanig rechtstreeks kan worden ingeroepen, leidt de in dit artikel vervatte norm niet tot meer waarborgen dan reeds voortvloeit uit artikel 8 van het EVRM. Artikel 9 van het IVRK behoeft derhalve geen verdere bespreking."
CRvB 11 juni 2009, 08-7421 WWB, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9325
"5.6.
De bijzondere curator beroept zich namens [de minderjarige1] op de bescherming van het privé- en familieleven en het recht op naam, welke rechten zijn gewaarborgd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 3, 7 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
[de minderjarige1] is inmiddels elf jaar oud. Zij identificeert zich al haar hele leven met haar geslachtsnaam, ‘ [verzoekster] ’. De bijzondere curator verwacht dat het grote gevolgen zal hebben voor de ontwikkeling van [de minderjarige1] als haar geslachtsnaam wordt gewijzigd in die van haar vader, ‘ [verweerder] ’. Haar vader heeft jarenlang niet naar haar omgekeken en zij voelt zich door hem in de steek gelaten. Een wijziging van haar geslachtsnaam waar zij niet om heeft gevraagd, waar zij geen actief aandeel in heeft gehad en die zij niet wenst roept bij haar dan ook hevige emoties op."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 maart 2023, 200.311.499/01, ECLI:NL:GHARL:2023:2800
De Nederlandse kinderrechter doet zelf geen feitenonderzoek
"5.12.
De moeder beroept zich in grieven 3, 4 (deels), 8, 9 en 12 erop dat sprake is van schending van diverse verdragen en ook van nationaal recht, waaronder artikel 8 EVRM, artikel 9 IVRK en artikel 21 Rv. Kort gezegd komt de inhoud van deze grieven erop neer dat de moeder vindt dat de Nederlandse kinderrechter niet aan waarheidsvinding doet. De Nederlandse kinderrechter doet zelf geen feitenonderzoek, maar besteedt dit onderzoek uit aan de raad. Vervolgens besteedt de raad dit uit aan de gecertificeerde instellingen. De gecertificeerde instellingen krijgen op hun beurt weer informatie van externen, zoals Veilig Thuis. Veilig Thuis krijgt weer informatie van gemeentelijke jeugdteams. Volgens de moeder doen al deze instellingen niet aan waarheidsvinding. Dit betekent volgens de moeder dat het raadsrapport feitelijk onjuist is met als gevolg dat de kinderrechter al jaren zijn oordeel niet baseert op basis van objectief en controleerbaar feitenonderzoek. Daarnaast is volgens de moeder de rol van de raad als verzoeker en onderzoeker in strijd met de goede rechtsorde en onder andere artikel 8 EVRM. Ook heeft de raad nagelaten de moeder te informeren over haar juridische mogelijkheden (zoals bijstand door een advocaat) en wat de raad doet met de verzamelde informatie. Ten slotte heeft de moeder bezwaren tegen het gebruik van de term belanghebbende in plaats van gezaghebbende ouder. Dit zou in strijd zijn met de vereisten die voortvloeien uit artikel 8 EVRM. De moeder stelt dat uit de kwalificatie als belanghebbende minder rechten voortvloeien dan uit haar hoedanigheid als gezaghebbende ouder.
5.13
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat geen sprake is van schending van verdragen, waaronder artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK nu de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing berusten op de wet en in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel worden geacht en de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen niet op een andere wijze kan worden afgewend. De raad heeft de wettelijke taak onderzoek te doen als er ernstige zorgen zijn over de opgroei- en opvoedsituatie van minderjarige kinderen en de wettelijke bevoegdheid de rechter te verzoeken een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen. Voor zover de moeder van mening is dat het raadsrapport berust op onjuiste feiten en onwaarheden en sprake is van schending van artikel 21 Rv, volgt het hof dit standpunt niet. Het behoort tot de onderzoekstaak van de raad dat de raad naast het spreken van de ouder(s) en (meestal ook) de kinderen informatie inwint bij instanties en/of personen die bij de kinderen betrokken zijn (geweest) die van belang kan zijn bij de beoordeling door de raad van de opvoedsituatie van de kinderen. Het hof heeft uit de inhoud van de raadsrapportage en de door de raad gehanteerde werkwijze niet de indruk gekregen dat de raad van onjuiste informatie is uitgegaan of dat feiten verkeerd zijn weergegeven. Het hof heeft ook niet de indruk gekregen dat de inhoud van het rapport de eindconclusie, dat een ondertoezichtstelling en toewijzing van het verzoek van SAVE om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk is, niet kan dragen. Bovendien is in het rapport de reactie van de moeder op het conceptrapport meegenomen en is de weergave van de door de informanten aan de raad verstrekte informatie bij de informanten gecheckt. Verder is de moeder juist omdát zij is belast met het gezag over de kinderen, belanghebbende in deze zaak. Zij heeft als belanghebbende het recht om bij de kinderrechter verweer te voeren tegen de verzochte kinderbeschermingsmaatregelen en in hoger beroep te komen van de beslissing van de kinderrechter. Wat de moeder voor het overige nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 augustus 2024, 200.342.168, ECLI:NL:GHARL:2024:5430
De toepassing van artikel 9, tweede lid, Awir
"Artikel 3 IVRK
19. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.
Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen, gelet op de door [appellante] aangevoerde omstandigheden, zich in het besluit van 15 april 2015 zoals nader toegelicht ter zitting bij de rechtbank, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellante], in het bijzonder haar [zoon]. Voorts heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat de belangen van de kinderen door de besluitvorming in het gedrang zijn gekomen. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat de gedragsproblemen van haar zoon verergeren als gevolg van een instabiele thuissituatie vanwege de mogelijke dreigende uitzetting van [appellante] en haar kinderen. Weliswaar wordt ook gewezen op financiële zorgen, doch niet is gebleken dat de mogelijke ondersteuning die nodig wordt geacht voor de zoon van [appellante] direct of indirect afhankelijk is van de financiële middelen die de zorgtoeslag of de huurtoeslag, het kindgebonden budget of de kinderopvangtoeslag zouden kunnen verschaffen.
20. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen artikel 9, tweede lid, van de Awir buiten toepassing had moeten laten."
ABRvS 29 maart 2017, 201509395/1/A2, ECLI:NL:RVS:2017:829
Het kind heeft recht om betrekkingen met beide ouders te onderhouden (de met gezag en de niet met gezag belaste ouder)
"2.11
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).
2.12
Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar nadat de rechter – in dit geval het hof – een beslissing heeft gegeven opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2024, 200.328.808, ECLI:NL:GHARL:2024:3560
"5.5
Het wettelijk uitgangspunt is dat een kind en zijn ouders recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a eerste lid BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 derde lid Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a derde lid BW limitatief opgesomde gronden, namelijk indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind."
Gerechtshof Amsterdam 19 maart 2024, 200.333.949/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:715
"5.2. Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 augustus 2023, 200.325.638, ECLI:NL:GHARL:2023:7261
"Het wettelijk kader
5.3
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden, te weten als (voor zover hier van belang):
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
(…) of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind."
Gerechtshof Amsterdam 11 juli 2023, 200.322.814/01, ECLI:NL:GHAMS:2023:1618
"omgang
5.8
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU.
Ingevolge 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontzegt de rechter de ouder die niet met het gezag is belast het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.9
Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).
5.10
Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze rechterlijke gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, om zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09).
5.11
Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2022, 200.298.037/01, ECLI:NL:GHARL:2022:3176
"5.6
Op grond van artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Het derde lid van dit artikel bepaald dat zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling geldt als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a, tweede lid, onder a, dan wel artikel 1:377a, tweede lid.
5.7
De moeder heeft verzocht om het recht op omgang te ontzeggen, gelet op het gedrag van [de minderjarige] en de inhoud van het verslag van Bijzondere Zorg Midden-Nederland van de omgang 2 februari 2022 (productie 8 bij het beroepschrift).
5.8
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.9
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 april 2022, 200.307.203, ECLI:NL:GHARL:2022:3127
“5.1
Het hof stelt voorop dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Dit recht van de niet met het gezag belaste ouder wordt gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit recht van het kind wordt door die laatstgenoemde bepalingen, en ook door artikel 9 lid 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en artikel 24 lid 3Handvest van de grondrechten van de EU gewaarborgd.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a lid 2 BW stelt de rechter op verzoek van de ouders een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt het recht op omgang. Ontzegging van de omgang kan slechts plaatsvinden op de in artikel 1:377a, lid 3 BW genoemde gronden die gemeen hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind."
Gerechtshof Amsterdam 4 mei 2021, 200.287.633/01, ECLI:NL:GHAMS:2021:1433
"3.8.2.
Artikel 10 lid 2 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) luidt: Een kind van wie de ouders in verschillende Staten verblijven, heeft het recht op regelmatige basis, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met beide ouders te onderhouden. Hiertoe, en in overeenstemming
met de verplichting van de Staten die partij zijn krachtens artikel 9, eerste lid, eerbiedigen de Staten die partij zijn het recht van het kind en van zijn of haar ouders welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten, en het eigen land binnen te gaan. Het recht welk land ook te verlaten is slechts onderworpen aan de beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die nodig zijn ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden, of van de rechten en vrijheden van anderen, en verenigbaar zijn met de andere in dit Verdrag erkende rechten.
3.8.3.
Tussen de ouders is niet in geschil dat [minderjarige] en de vader recht hebben om op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten te onderhouden. De ouders zijn alleen verdeeld over de vraag vanaf welke leeftijd [minderjarige] voor een periode van twee weken bij zijn vader in de VS zou kunnen verblijven."
Gerechtshof Den Bosch 8 oktober 2020, 200.266.081_01, ECLI:NL:GHSHE:2020:3116
“5.10
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).”
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 augustus 2020, 200.267.363, ECLI:NL:GHARL:2020:4599
De met gezag belaste ouder moet aan de omgang met de andere ouder meewerken
"5.3
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2021, 200.290.110, ECLI:NL:GHARL:2021:5967
Tevens recht op omgang met wie het kind in een nauwe persoonlijke betrekking staat
"5.2
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 januari 2023, 200.298.476/01, ECLI:NL:GHARL:2023:792. Zie in vergelijkbare zin 27 februari 2024, 200.331.662, ECLI:NL:GHARL:2024:1418.
"5.2
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 oktober 2022, 200.303.843/01, ECLI:NL:GHARL:2022:9243
"5.11.
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2022, 200.302.146/01, ECLI:NL:GHARL:2022:6916
"5.2
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 september 2022, 200.307.795, ECLI:NL:GHARL:2022:8285
"5.4
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 juni 2022, 200.301.601, ECLI:NL:GHARL:2022:4515
"5.2
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. De in de artikelen 1:377a en 1:377e BW aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast te stellen of te wijzigen komt mede toe aan de GI (zie de onder 5.1 vermelde beschikking van de Hoge Raad)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2022, 200.302.648, ECLI:NL:GHARL:2022:3906
"5.2. Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2022, 200.302.572, ECLI:NL:GHARL:2022:3905
"5.6
Op grond van artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Het derde lid van dit artikel bepaald dat zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling geldt als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a, tweede lid, onder a, dan wel artikel 1:377a, tweede lid.
5.7
De moeder heeft verzocht om het recht op omgang te ontzeggen, gelet op het gedrag van [de minderjarige] en de inhoud van het verslag van Bijzondere Zorg Midden-Nederland van de omgang 2 februari 2022 (productie 8 bij het beroepschrift).
5.8
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.9
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 april 2022, 200.307.203, ECLI:NL:GHARL:2022:3127
"omgang
5.8
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU.
Ingevolge 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontzegt de rechter de ouder die niet met het gezag is belast het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.9
Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).
5.10
Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze rechterlijke gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, om zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09).
5.11
Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2022, 200.298.037/01, ECLI:NL:GHARL:2022:3176
“5.2. Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (zie bijvoorbeeld: HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).”
Gerechtshof Amsterdam 23 maart 2021, 200.285.195/01 en 200.285.195/02, ECLI:NL:GHAMS:2021:798. Zie in gelijke zin Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2022, 200.302.146/01, ECLI:NL:GHARL:2022:6916 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 april 2022, 200.222.677/01, ECLI:NL:GHARL:2022:2954.
"Omgangsregeling
5.10
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 juni 2021, 200.284.175, ECLI:NL:GHARL:2021:5302
"5.13
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden.”
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 juni 2021, 200.284.788/01, ECLI:NL:GHARL:2021:5781
"5.2
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748). De bepaling in de laatstgenoemde zin is van overeenkomstige toepassing op de voogd."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2021, 200.284.434/01, ECLI:NL:GHARL:2021:6913
"Het recht op omgang met [de minderjarige]
5.3
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. Ingevolge lid 2 van artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter kan het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2021, 200.290.895/01, ECLI:NL:GHARL:2021:9986
"5.2. Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepalingen, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 november 2021, 200.293.365, ECLI:NL:GHARL:2021:10825
"Omgangsregeling
5.4
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 juni 2022, 200.301.601, ECLI:NL:GHARL:2022:4515
Ontzetting gezag van ene ouder vereist een verzoek van de andere ouder
"4.17.3 Uitgangspunt bij de beoordeling is dat [minderjarige] en de man recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat de man betreft, gewaarborgd door de art. 8 EVRM en 1:377a lid 1 BW en wat [minderjarige] aangaat niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door de art. 9 lid 3 IVRK en 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de man het recht op omgang met [minderjarige] uitsluitend ontzeggen op de in art. 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden.
Het is het hof tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de vrouw een procedure is gestart bij de rechtbank Noord-Nederland om de man het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen. Op de uitkomst van die procedure kan door het hof en overigens ook de GI, niet worden vooruit gelopen. Het hof stelt voorts vast dat in de procedure bij het hof geen sprake is van een verzoek van de vrouw tot ontzegging van het recht op omgang."
Gerechtshof Den Bosch 7 april 2022, 200.300.372_01, 200.300.372_02 en 200.300.373_01, ECLI:NL:GHSHE:2022:1138
Toetsingskader omgangsrecht
"5.2
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. De in de artikelen 1:377a en 1:377e BW aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast te stellen of te wijzigen komt mede toe aan de GI (zie de onder 5.1 vermelde beschikking van de Hoge Raad)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2022, 200.302.648, ECLI:NL:GHARL:2022:3906
Uitbreiding omgangsregeling?
"5.6
De wens van de vader om één keer in de vier weken één uur omgang met [minderjarige] te hebben is vanuit zijn perspectief begrijpelijk. Niet ter discussie staat dat de vader belangrijk is voor [minderjarige] en dat zij goed weet wie haar vader is. Het hof is echter van oordeel dat een ruimere omgangsregeling dan die nu door de GI wordt gehanteerd, op dit moment niet in het belang is van [minderjarige] en overweegt daartoe als volgt.
Het hof acht het van groot belang dat er voor [minderjarige] , gelet op haar verstandelijke beperking, rust, structuur en voorspelbaarheid is. Uit de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken, volgt dat de huidige regeling met de vader reeds veel van [minderjarige] vraagt, zowel in fysiek als emotioneel opzicht. Zo is [minderjarige] moeilijk te motiveren voor het omgangsmoment met de vader en heeft zij erna meer tijd nodig om rustig te worden voor een volgende bezoek. Ook zoekt zij voor en na een omgangsmoment veel bevestiging bij de pleegouders. Daarnaast is gebleken dat sinds de omgang één keer in de acht weken is, [minderjarige] minder vaak in bed plast. Tevens is gebleken dat, anders dan tijdens de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , er tijdens de omgang tussen de vader en [minderjarige] sprake is van lichamelijk contact in de vorm van stoeien, waarbij het de vader niet lukt om dit te begrenzen. Dat brengt mee dat de omgang risicovoller is (dan de omgang tussen [minderjarige] en haar moeder), omdat er meer kans is dat [minderjarige] blaren of ontvellingen oploopt bij fysiek contact.
Het beroep van de vader op zijn recht op omgang met [minderjarige] , dat volgt uit de artikelen 8 EVRM, 9 lid 1 IVRK en 24 lid 3 van het Handvest van de grondrechten van de EU, wordt door het hof verworpen. Een inbreuk op het bij die artikelen beschermde recht op eerbiediging van family life is, gelet op het voorgaande, gerechtvaardigd, nu deze inbreuk noodzakelijk en tevens evenredig is aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] .
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn voor uitbreiding van de huidige omgangsregeling van de vader met [minderjarige] . Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen."
Gerechtshof Amsterdam 31 oktober 2023, 200.325.401/01, ECLI:NL:GHAMS:2023:2566
"5.5.
(...).
Het beroep van de moeder op schending van de artikelen 9 lid 3 IVRK en 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU, wordt door het hof verworpen. Een inbreuk op het bij die artikelen beschermde recht op eerbiediging van family life is, gelet op het voorgaande, gerechtvaardigd, want noodzakelijk en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van de kinderen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn voor uitbreiding van de huidige omgangsregeling van de moeder met de kinderen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen."
Gerechtshof Amsterdam 25 juli 2023, 200.323.227/01, ECLI:NL:GHAMS:2023:1819
Gezamenlijk versus eenhoofdig gezag (artt. 1:251a lid 1 BW, 1:253aen art. 1:253c leden 1 en 3 BW
“3.1.2
Uitgangspunt is dat een kind en een ouder recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat de niet met het gezag belaste ouder betreft, gewaarborgd door art. 8 EVRM en art. 1:377a lid 1 BW, en wat het kind aangaat ook door art. 9 lid 3 IVRK en art. 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU.2 Art. 1:247 lid 3 BW bepaalt in dat verband dat het ouderlijk gezag mede de verplichting van de ouder omvat om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Deze norm richt zich zowel tot ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, als tot de ouder die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.
3.1.3
In geval van gezamenlijk gezag heeft de rechter op grond van art. 1:253a BW de mogelijkheid om de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, te verbieden op grote afstand van de andere ouder te gaan wonen, dan wel eerstgenoemde ouder te gelasten om terug te verhuizen, of zich te vestigen op zodanige afstand van de andere ouder dat omgang tussen het kind en die ouder kan plaatsvinden.
Hoewel de moeder ten tijde van haar verhuizing alleen met het gezag was belast en dus in beginsel vrij was in de keuze van de woonplaats van haar en de dochter, was de vader ten tijde van de beslissing van het hof inmiddels gezamenlijk met de moeder met het gezag belast. Het hof heeft miskend dat art. 1:253a BW ten tijde van zijn beslissing dus een grondslag bood om de moeder te gelasten terug te verhuizen. Het onderdeel slaagt dan ook.
3.1.4
Opmerking verdient dat ook bij eenhoofdig gezag een grondslag bestaat om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken indien deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (art. 1:247 lid 3 BW). Op grond van art. 8 EVRM is de rechter in zodanig geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen het kind en de andere ouder.3 Een verbod aan de met het gezag belaste ouder om te verhuizen, dan wel een bevel aan deze om terug te verhuizen, kan een passende maatregel zijn. Daarbij valt in aanmerking te nemen dat zodanige maatregel minder ingrijpend is dan de toekenning van het eenhoofdig gezag aan de andere ouder, waarin de wet uitdrukkelijk voorziet (art. 1:251a lid 1 BW en art. 1:253c leden 1 en 3 BW).”
HR 15 oktober 2021, 20/03640, ECLI:NL:HR:2021:1513, NJ 2021/336 enRvdW 2021/1016
De relatie met de weigeringsgronden van artikel 1:377a, derde lid, BW
"5.1 Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 december 2020, 200.280.362, ECLI:NL:GHARL:2020:10107
"2.8
Uitgangspunt is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan dit recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Gerechtshof Den Haag 23 december 2020, 200.245.632/01, ECLI:NL:GHDHA:2020:2569
"5.9
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 maart 2021, 200.282.637, ECLI:NL:GHARL:2021:3021
Eenhoofdig gezag
“5.8
(…).
Het hof is op basis van het voorgaande van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is om op dit moment geen verandering aan te brengen in de bestaande gezagsverhouding. De kinderen hebben belang bij de rust die het eenhoofdig gezag met zich brengt. Het eenhoofdig gezag van de vrouw dient dan ook te worden gehandhaafd. Gezien het voorgaande is een inbreuk op het bij artikel 8 EVRM beschermde recht op ‘family life’ gerechtvaardigd. Nu deze inbreuk voorts niet disproportioneel is, kan het beroep van de man op dit artikel niet slagen. Om die reden moet ook aan het beroep op artikel 3 en 9 IVRK en artikel 24 derde lid EU-Handvest voorbij worden gegaan. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel dan ook bekrachtigen."
Gerechtshof Amsterdam 18 augustus 2020, 200.271.479/01, 200.271.479/02 en 200.271.479/03, ECLI:NL:GHAMS:2020:2353
Gezagsbeëindigende maatregel
"5.7
De moeder heeft met het onderhavige hoger beroep met name de vraag opgeworpen of het vervallen van haar voormelde verblijfstitel hier te lande en de mogelijke gevolgen daarvan voor het contact tussen de moeder en de kinderen, in de weg dient te staan aan de beëindiging van haar gezag over de kinderen, gelet op het bepaalde in artikel 8 EVRM en artikel 9 lid 3 van het IVRK. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende, in aanvulling op de bestreden beschikking.
5.8
Het hof stelt voorop dat in het licht van de internationale verdragsrechtelijke bepalingen, een gezagsbeëindigende maatregel slechts kan worden uitgesproken als die maatregel noodzakelijk en proportioneel is. De noodzaak van de maatregel staat voor het hof vast. Het hof verwijst naar hetgeen daarover hierboven onder 5.6 is overwogen. De maatregel is bovendien proportioneel. Zoals ook de GI heeft aangegeven, gaat het daarbij om een afweging van het recht van de moeder en de kinderen op –kort gezegd- de uitoefening van hun family life tegenover de belangen van de kinderen dat door de gezagsbeëindigende maatregel wordt gediend, zijnde continuïteit van hun opvoedingssituatie om hun ontwikkeling te borgen en een ongestoord (verdere) hechting.
Het hof is –met de raad- van mening dat in dit geval de laatstgenoemde belangen van de kinderen dienen te prevaleren. De kinderen zijn beschadigd in de opvoedsituatie bij de moeder en inmiddels steeds meer gehecht in hun pleeggezinnen. Ze zijn zeker van hun plek in de pleegezinnen en vertrouwen op hen. Ze ontwikkelen zich inmiddels goed. Met de raad vindt het hof dat die situatie, in hun belang, niet moet wijzigen. Het perspectief van de kinderen ligt daarmee in de pleeggezinnen en er is geen reden om dit opnieuw ter discussie te stellen, zeker niet vanwege een uiterst onzeker, mogelijk, perspectief in Slowakije. Het hof verwijst daarbij naar het standpunt van de raad, onder 5.4, waarmee het hof zich verenigt.
Mocht de uitzetting van de moeder naar Slowakije een feit worden, dan zal, vanuit die situatie en met het oog op de door de moeder genoemde internationale verdragsrechtelijke bepalingen, de GI als voogd zich moeten inspannen om het contact tussen de moeder en de kinderen zo goed mogelijk vorm te geven. In deze procedure ligt die kwestie echter niet aan het hof voor."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 augustus 2020, 200.275.880/01 en 200.275.881/01, ECLI:NL:GHARL:2020:6772
Recht op omgang van een moeder met haar minderjarige kind?
"5.5 Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken van het dossier en hetgeen op de zitting in hoger beroep is besproken, is onder meer het volgende gebleken. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje van zes jaar dat als baby al uit huis is geplaatst. Na veel wisselingen van woonplek en pleeggezinnen, verblijft zij in het huidige pleeggezin (gezinshuis). [minderjarige] heeft een ontwikkelingstrauma waarvoor zij behandeling krijgt binnen de GGZ. [minderjarige] laat zowel op school als in het pleeggezin zorgelijk gedrag zien, vooral op sociaal gebied, waarbij zij andere kinderen, ook die in het pleeggezin, pijn doet. Tevens heeft [minderjarige] een lichamelijke (visuele) beperking. [minderjarige] heeft na 8 mei 2023, toen de moeder haar onverhoeds bij het gezinshuis heeft aangesproken en vastgepakt, een achteruitgang in haar ontwikkeling gehad, met meer boosheid, opstandigheid en terugval in jonger gedrag.
Het hof acht het van groot belang dat er, gelet op haar kwetsbaarheid, trauma en gedrag, voor [minderjarige] rust, structuur en voorspelbaarheid is zodat zij een hechtingsrelatie met de pleegouders kan aangaan en opbouwen en kan toekomen aan het verwerken van de ingrijpende gebeurtenissen die in haar leven hebben plaatsgevonden. Juist ook voor de (EMDR)behandeling bij de GGZ is het van groot belang dat er voor haar voorspelbaarheid en veiligheid is.
Het hof is, met de GI en de raad, dan ook van oordeel dat omgang met de moeder aan dit kwetsbare proces van traumaverwerking en het aangaan van een veilige hechtingsrelatie in de weg zal staan. Daarnaast is gebleken dat het voor de GI niet goed mogelijk is om de veiligheid van [minderjarige] in het eventuele contact met de moeder te waarborgen, omdat de
moeder geen (volledige) openheid geeft over haar ziektebeeld en zij op momenten dat het niet goed met haar gaat, geen toestemming geeft aan de GI om contact op te nemen met haar behandelaren.
Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] dient te worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.
5.6
Het beroep van de moeder op schending van de artikelen 8 EVRM, 9 lid 3 IVRK en
24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU, wordt door het hof verworpen. Een inbreuk op het bij die artikelen beschermde recht op eerbiediging van family life is, gelet op het voorgaande, gerechtvaardigd, want noodzakelijk en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] .
5.7
Het hof merkt nog het volgende op. De wens van de moeder tot omgang met [minderjarige] is alleszins invoelbaar. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat het sinds kort iets beter lijkt te gaan met de moeder. Zij zegt stabiel te zijn, haar medicatie te nemen en onlangs een baan te hebben gevonden en zij lijkt zich meewerkend op te stellen ten opzichte van de hulpverlening. Dit zijn positieve ontwikkelingen, maar deze zijn nog pril. Wel is het feit dat de moeder ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij, ook met terugwerkende kracht, aan de GI toestemming geeft om contact te leggen met haar behandelaren, een stap in de goede richting die kan bijdragen aan het waarborgen van de veiligheid van [minderjarige] en daarmee wellicht ook aan het werken aan contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] , indien het belang van [minderjarige] zich daartegen niet verzet."
Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2024, 200.334.390/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:1809
Bijzondere procesbevoegdheid minderjarige?
“5.1 [de minderjarige] beseft dat zij als minderjarige in beginsel procesonbekwaam is, maar meent dat zij in deze zaak wel ontvangen zou moeten worden in haar hoger beroep. Een minderjarige kan zelfstandig in appel tegen een (afwijzende) beslissing ex artikel 1:250 BW. Het is dan passend om de minderjarige ook die zelfstandige positie te geven als het gaat om beslissingen als gevolg van die benoeming ex artikel 1:250 BW. De huidige bijzondere curator rekent het instellen van dit hoger beroep niet tot haar taak. Daarnaast is sprake van een informele rechtsingang. [de minderjarige] heeft met haar brief voor de zitting in eerste aanleg van 15 april 2019 een aantal onderwerpen onder de aandacht van de kinderrechter gebracht die vallen onder het bereik van artikel 1:377g BW. De rechter heeft hierop ook beslissingen genomen. Op grond van artikel 806 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de verzoeker het recht om hoger beroep in te stellen. Daarbij geldt dat inmiddels door de Hoge Raad geaccepteerd is dat artikel 1:377g BW ook in appel van toepassing is. Weliswaar heeft de Hoge Raad daarbij overwogen dat het appel door een ander dan de minderjarige moet zijn ingesteld, maar dat zou in deze situatie ook mogelijk moeten zijn. Zou dat niet mogelijk zijn, dan zou sprake zijn van een ongelijke situatie die juridisch niet te verklaren is en die in strijd komt met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) juncto artikel 3, 9, 12, 18, 20 en 25 van het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK).
Mocht [de minderjarige] desondanks als procesonbekwaam worden aangemerkt, dan dient alsnog een bijzondere curator te worden benoemd om haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen en deze procedure omtrent het herstel van het gezag en de omgang namens haar te voeren. [de minderjarige] ’s toenmalige bijzondere curator zag daar namelijk geen taak voor zich weggelegd.”
Gerechtshof Amsterdam 9 maart 2021, 200.277.881/01, ECLI:NL:GHAMS:2021:697
Recht op omgang voor de niet met gezag belaste ouder
"5.2.
De moeder is in augustus 2023 met [de minderjarige] verhuisd naar [woonplaats1] , waar zij sindsdien ook staan ingeschreven. Omdat de moeder op dat moment alleen was belast met het gezag over [de minderjarige] was zij in beginsel vrij in de keuze van haar woonplaats en die van [de minderjarige] . Maar op grond van artikel 1:247 lid 3 BW omvat het ouderlijk gezag, ook in geval van eenhoofdig gezag, mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Deze verplichting hangt samen met het uitgangspunt dat een kind en een ouder (in dit geval [de minderjarige] en de vader) recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 januari 2025, 200.345.593/01 en 200.345.593/02, ECLI:NL:GHARL:2025:219
"Omgang
5.9
Los van het antwoord op de vraag of de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, is gebleken dat de vrouw in hoger beroep bekrachtiging van de bestreden beschikking heeft verzocht en daarmee ontzegging van de omgang tussen de man en de kinderen verzoekt, zodat het hof hierop een beslissing kan nemen.
Ter beoordeling aan het hof ligt dan ook voor of de man de omgang met de kinderen moet worden ontzegd.
Het wettelijk uitgangspunt is dat een kind en zijn ouders recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a eerste lid BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 derde lid Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a derde lid BW limitatief opgesomde gronden, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.”
Gerechtshof Amsterdam 18 augustus 2020, 200.271.479/01, 200.271.479/02 en 200.271.479/03, ECLI:NL:GHAMS:2020:2353
"5.5 Voor zover de moeder een beroep heeft gedaan op artikel 8 EVRM en 9IVRK overweegt het hof dat de inbreuk die de beëindiging van het gezag maakt in dit geval in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk en proportioneel wordt geacht. De beëindiging van het gezag van de moeder is dan ook niet in strijd met genoemde verdragsbepalingen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 mei 2019, 200.250.483/01, ECLI:NL:GHARL:2019:4085
"2.16
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRKen artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2019, 200.221.391, ECLI:NL:GHARL:2019:2518
"5.8 Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU."
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 2 juni 2015, 200.165.272, ECLI:NL:GHARL:2015:3994
Limitatieve uitzonderingsgronden op dit omgangsrecht
"5.6
Het hof overweegt als volgt. In zijn beschikking van 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91) heeft de Hoge Raad onder meer bepaald dat het uitgangspunt is dat een minderjarige en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Gerechtshof Den Haag 30 januari 2019, 200.238.078/01, ECLI:NL:GHDHA:2019:321
Het 'belang van het kind'/opgroeien bij de ouders
"De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
Uitgangspunt is dus dat een kind opgroeit bij zijn ouders, zoals ook is vastgelegd in het internationaal recht. Op dat recht kunnen echter uitzonderingen worden gemaakt, zoals is vastgelegd in artikel 9 lid 1 van het IVRK, artikel 8 lid 2 van het EVRM en genoemd artikel 1:266 BW."
Rb. Rotterdam 28 februari 2020, C/10/589623 / JE RK 20-109, ECLI:NL:RBROT:2020:3498
"7. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat deze zaak een complexe situatie betreft, waarbij het meest in het oog springende is dat sprake is van ernstige gedragsproblematiek bij de minderjarige. Het betreft een jong kind dat zeer zorgelijk gedrag vertoont en signalen afgeeft die duiden op een hechtingsstoornis. Observatie, onderzoek en behandeling van de minderjarige zijn derhalve geboden. De moeder erkent de problemen van de minderjarige, maar ziet de ernst van de situatie onvoldoende in. Daar komt bij dat de moeder-dochter relatie tevens zorgen baart en een onderdeel vormt van de aanwezige problematiek. Onderzoek vanuit de thuissituatie biedt op dit moment dan ook geen geschikt alternatief. De aanwezigheid van de moeder en/of haar vertrouwde omgeving zullen belemmerend kunnen werken. Daarbij is de medewerking van de moeder aan de hulpverlening onvoldoende consistent gebleken om opnieuw een traject in het vrijwillig kader in te gaan en daarmee het aanmerkelijke risico te lopen dat de minderjarige reeds tijdens het onderzoek opnieuw uit huis zou moeten worden geplaatst. De weerstand die de moeder tegen de hulpverlening heeft, is weliswaar op sommige punten begrijpelijk, zoals ook ter zitting met partijen besproken, maar niet in het belang van de minderjarige. Onder deze omstandigheden is een uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk. Daarmee is, juist ter bescherming van de minderjarige, een inbreuk op artikel 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waar de moeder aan refereert, gerechtvaardigd.
8. Het hof is dan ook van oordeel dat, zij het op enigszins andere gronden dan de rechtbank, de uithuisplaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht in een voorziening noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding en tot onderzoek van haar geestelijke gesteldheid. Daarmee is voldaan aan de wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd."
Gerechtshof Den Haag 31 oktober 2012, 200.112.542-01, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6956
"8. De vader klaagt in zijn tweede grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat de moeder het geschil omtrent de zorgregeling via de weg van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) had moeten aanbrengen, dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op de door hem aangehaalde jurisprudentie en doctrine, op artikel 1:247 lid 3 BW en op de artikelen 3 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK).
9. Uit de overgelegde stukken is het hof niet gebleken dat de vader bij de voorzieningenrechter een beroep heeft gedaan op de door hem thans genoemde verdrags- en wetsartikelen. De (voorzieningen)rechter is vrij in het vonnis de motivering op te nemen die hij wenst en die de beslissing kan dragen. Zowel de vordering van de vader in eerste aanleg, te weten de veroordeling van de moeder mee te werken aan de overeengekomen zorgregeling, als de reconventionele vordering van de moeder, strekkende tot ontzegging van het contact, is materieel te beschouwen als een geschil als bedoeld in artikel 1:253a BW, waarbij de verplichting van artikel 1:247 lid 3 BW wordt betrokken. Het hof leidt uit de overwegingen in het bestreden vonnis af dat de voorzieningenrechter deze geschillen op de voet van voornoemd artikel heeft beoordeeld. De voorzieningrechter heeft bij de beoordeling van de geschillen het belang van de minderjarige vooropgesteld, hetgeen in overeenstemming is met artikel 3 en 9 IVRK. Het hof acht de beslissing van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd. De tweede grief van de vader faalt daarom."
Gerechtshof Den Haag 25 september 2012, 200.099.201, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2342
"4. De moeder stelt dat haar verzoek onder meer gebaseerd is op de omstandigheid dat het wegens de werkzaamheden van haar nieuwe partner in [plaats B] niet mogelijk is om als gezin te functioneren in de buurt van [plaats A, huidige woonplaats]. Zij voert daartoe aan dat er in de omgeving van [plaats A] geen voltijds werk als tennisleraar voor haar partner te vinden is en dat ook de mogelijkheden van ander werk gezien zijn gespecialiseerde opleiding zeer beperkt zijn. Voorts stelt de moeder dat het, gezien de afstand tussen [plaats B] en [plaats A], onhaalbaar is om dagelijks heen en weer te rijden. Door de huidige zorgregeling worden de belangen van de moeder geschaad, daar zij in de onmogelijkheid verkeert een normaal en volledig gezinsleven te hebben met haar partner en haar partner de mogelijkheid ontbeert gedurende een substantieel deel van de week een gezinsleven te hebben met hun zoontje, hetgeen in strijd kan worden geacht met artikel 9 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind, hierna ook IVRK, aldus de moeder. De moeder is, in tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank, van mening dat het laten voortduren van de huidige zorgregeling niet in het belang van de kinderen kan worden geacht, mede gelet op de spanningen die de huidige situatie tussen de moeder en de vader met zich brengt. Ter zitting heeft de moeder gesteld een baan voor twee dagen per week in [plaats B] te hebben gevonden. Ook hebben de moeder en haar partner een woning gekocht in [plaats B], aangezien zij alleen daar een hypothecaire geldlening konden verkrijgen, aldus de moeder. De moeder heeft voorts te kennen gegeven dat een co-ouderschap niet meer mogelijk is gelet op het grote wantrouwen tussen partijen en de strijd tussen hen die daaruit voortvloeit.
(...).
6. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op juiste gronden heeft beslist zoals in de bestreden beschikking verwoord. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die een andere beslissing rechtvaardigen. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het belang van de minderjarigen met zich brengt dat er geen verandering komt in de situatie zoals die thans is. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de minderjarigen thans op een leeftijd zijn waarop het sociale leven, inclusief de sportactiviteiten, dat zij in [plaats A] hebben opgebouwd een belangrijke en steeds belangrijker rol in hun leven en in hun ontwikkeling speelt. Het feit dat de moeder een deeltijdbaan heeft in [plaats B] en zij daar met haar nieuwe partner recentelijk een huis heeft gekocht, doet naar het oordeel van het hof niet af aan het vorenoverwogene. Het hof is van oordeel dat partijen zich samen dienen in te zetten om, met het oog op het belang van de minderjarigen, tot een voor eenieder aanvaardbare oplossing van de problemen als gevolg van de huidige situatie te komen, en acht de mogelijkheden daartoe nog niet uitgeput. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen."
Gerechtshof Den Haag 21 maart 2012, 200.097.405/01, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX9525
Het omgangsrecht van kinderen met hun beide ouders
"5.1
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2019, 200.252.259, ECLI:NL:GHARL:2019:9744
"5.9 Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2019, 200.244.729/01, ECLI:NL:GHARL:2019:3526
"5.3.
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 maart 2019, 200.239.183, ECLI:NL:GHARL:2019:2398
"5.9
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 12 maart 2019, 200.244.314/01, ECLI:NL:GHARL:2019:2340
"5.1 Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 oktober 2018, 200.229.650, ECLI:NL:GHARL:2018:8945
Recht op omgang voor de niet met gezag belaste ouder
"5.4
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind."
Gerechtshof Amsterdam 5 november 2019, 200.253.536/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:3987
"5.1 Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 oktober 2018, 200.237.386, ECLI:NL:GHARL:2018:8798
Verbetering omgang tussen niet met gezag belaste ouder en kinderen
"5.2 Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden.
5.3
De moeder kan zich met de wijziging (beperking) van de omgangsregeling niet verenigen. Zij stelt dat niet is komen vast te staan dat de zorgen met betrekking tot de kinderen worden veroorzaakt door de omgang met haar. Het is onacceptabel dat contact is teruggebracht in plaats van uitgebreid zoals eerder beloofd. Dit is bovendien niet in het belang van de kinderen. Voor een beperking is concrete objectieve informatie vereist op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat een hogere frequentie van de omgang ernstig nadelig is voor het kind. Indien de omgang moet worden beperkt had daar eerst nader onderzoek naar moeten worden gedaan door de raad. Mogelijk wordt de wijziging van het gedrag van de kinderen veroorzaakt doordat zij de ene keer apart van elkaar omgang hebben en de andere keer samen, aldus de moeder.
5.4
De GI onderschrijft dat het onduidelijk is waarom de kinderen na de omgangsmomenten met de moeder onrustig zijn. Wel staat vast dat zij na de omgangsmomenten ander gedrag vertonen bij de pleegouders. Conflicten lopen op en [de minderjarige1] vertoont fysiek geweld richting de pleegouders. Het is belangrijk dat de kinderen een rustige
en stabiele basis hebben zodat zij zich kunnen richten op de therapie die zij volgen. De therapie is intensief en mede daarom is de omgang op dit moment beperkt. De huidige omgangsregeling is in samenwerking met de therapeut van de kinderen tot stand gekomen. Rust, stabiliteit, structuur en één op één contact met de moeder zijn nu belangrijk voor de kinderen om zo een goed beeld te krijgen van hoe zij met alle gebeurtenissen omgaan. De kinderen vinden het erg lastig dat de moeder haar aandacht moet verdelen tussen hen tweeën. Daarom is gekozen voor aparte omgangsmomenten.
5.5
Naar het oordeel van het hof dient het verzoek van de moeder te worden afgewezen. Vaststaat dat de kinderen na de omgang met de moeder bij de pleegouders heftig gedrag laten zien. Hoewel niet duidelijk is of dit gedrag wordt veroorzaakt door de omgangsregeling, is uitbreiding van de omgangsregeling zoals door de moeder verzocht op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de kinderen nog erg jong en kwetsbaar zijn en al veel hebben meegemaakt. Zij volgen beiden sinds kort een intensieve, wekelijkse therapie die mede gericht is op het verwerken van hun ervaringen uit het verleden. Ook de moeder wordt daarbij betrokken. Deze therapie vraagt veel van de kinderen en het is nog onduidelijk wat deze therapie bij hen teweeg zal brengen. Daarom is het op dit moment van belang dat de kinderen rust, duidelijkheid en ruimte krijgen om zich te richten op deze therapie.
5.6
Op de zitting is gebleken dat de GI sinds de evaluatie van de omgangsregeling in maart 2022 inzet op uitbreiding van de omgangsregeling in die zin dat de moeder meer wordt betrokken bij het leven van de kinderen. Zij zal bijvoorbeeld meegaan naar de kapper of de bibliotheek. Ook is het niet langer noodzakelijk dat de omgang plaatsvindt op het kantoor van de GI en mag deze op een meer “natuurlijke” manier worden ingevuld. Het hof verwacht van de GI dat deze lijn wordt voortgezet en dat, met inachtneming van de zwaarwegende belangen en mogelijkheden van de kinderen, de omgang indien dit mogelijk is verder wordt uitgebreid. Dit betekent ook dat de mogelijkheid van extra omgang tijdens de vakanties door de GI in overweging dient te worden genomen.
5.7
Verder is op de zitting ook gebleken dat de relatie tussen de moeder en de pleegouders verstoord is geraakt. Het verbeteren van die relatie dient het belang van de kinderen. Onderzoeken wat op dat vlak mogelijk is, verdient naar het oordeel van het hof, blijvend aandacht van de GI."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2022, 200.302.572, ECLI:NL:GHARL:2022:3905
Dwangsom mogelijk bij niet-nakoming omgangsregeling
"7.8.5 Gebleken is dat eerdere uitspraken niet hebben opgeleverd dat [minderjarige] een eigen vaderbeeld heeft kunnen vormen. Ondanks de afwijzing van het schorsingsverzoek van de moeder in de beschikking van 9 april 2020 is de moeder weigerachtig gebleven haar medewerking te verlenen aan een begeleide omgangsregeling binnen het omgangshuis. Het hof acht het zorgwekkend dat de moeder in het traject van het omgangshuis op enig moment niet meer communiceert en niet meer reageert op diverse mails en telefoontjes van de kant van het omgangshuis. Zij verbreekt eenzijdig het contact met het omgangshuis.
Het hof ziet in deze houding van de moeder en gelet ook op haar houding in het verleden, aanleiding ambtshalve over te gaan tot het opleggen van een dwangsom aan de moeder om de nakoming van het door Stichting [stichting] in te vullen traject in verband met de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] te bevorderen. De moeder heeft geen invulling gegeven aan de verplichting die op grond van artikel 1:247 lid 3 BW op haar rust. Het (ambtshalve) opleggen van een dwangsom om daarmee de nakoming van de omgang te bevorderen acht het hof in lijn met het recht dat een ouder en een kind hebben om omgang met elkaar te hebben. Dit recht wordt gewaarborgd door artikel 8 EVRM, artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 Handvest van de Grondrechten van de EU."
Gerechtshof Den Bosch 19 mei 2022, 200.263.045_01, ECLI:NL:GHSHE:2022:1578
Beëindiging gezag
"5.11
Voor zover de ouders stellen dat er sprake is van strijd met de verdragsbepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het IVKR overweegt het hof als volgt. Een beëindiging van het gezag is weliswaar een inbreuk op artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK, maar deze inbreuk acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel. Het hof is dan ook van oordeel dat de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en van de vader over [de minderjarige1] niet in strijd met voornoemde verdragen is.
5.12
Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de stabiliteit en continuïteit in hun opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de moeder en de vader te beëindigen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2019, 200.257.400/01 en 200.258.889/01, ECLI:NL:GHARL:2019:10761
“5.6
Voor zover de moeder stelt dat er sprake is van strijd met de verdragsbepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het IVRK overweegt het hof als volgt. Een beëindiging van het gezag is weliswaar een inbreuk op artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK, maar deze inbreuk acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel. Het hof is dan ook van oordeel dat de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] niet in strijd met voornoemde verdragen is."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2020, 200.266.837/01 en 200.266.839/01 en 200.268.396/01, ECLI:NL:GHARL:2020:3069
Omgangsregeling voor grootouders?
"5.2. Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden.
5.3. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank is het hof van oordeel dat geen sprake is van een nauwe, persoonlijke betrekking tussen de grootouders en de kinderen. De contacten met de kinderen, meer in het bijzonder [de minderjarige1] , gaan de normale band tussen grootouders en kleinkinderen niet te boven. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 augustus 2023, 200.325.638, ECLI:NL:GHARL:2023:7261
5.4
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU.
(...).
5.7
Ook ten aanzien van de vraag of er een omgangsregeling tussen de grootmoeder vaderszijde en de minderjarige zou moeten worden vastgesteld, is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist. Het hof neemt de gronden over en maakt deze - na een eigen afweging - tot de zijne. Het hof neemt daarbij nog het volgende in aanmerking. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat er nog steeds sprake is van een verstoorde verhouding tussen de grootmoeder vaderszijde en de moeder. Zo is de moeder bijvoorbeeld niet door de grootmoeder vaderszijde op de hoogte gehouden over de detentie van de vader. Het was de moeder tot op de mondelinge behandeling niet duidelijk wat de reden is van zijn detentie, voor hoelang hij nog in detentie zal moeten blijven en zoals op de mondelinge behandeling door grootmoeder vaderszijde is toegelicht dat de vader mogelijk een deel van zijn straf in Nederland kan uitzitten. Ook de vader heeft de moeder hierover niet geïnformeerd, terwijl hij hiertoe wel de mogelijkheid heeft gehad gelet op het feit dat de moeder wekelijks het telefonisch contact tussen de vader en de minderjarige faciliteert. Het gevoel van wantrouwen van de moeder jegens de grootmoeder vaderszijde wordt hierdoor gevoed. Verder heeft de moeder aangegeven dat zij bang is dat de grootmoeder vaderszijde aan de minderjarige zal vertellen dat de vader gedetineerd zit, hetgeen de moeder de minderjarige zelf wil vertellen op het moment dat de minderjarige daar volgens de moeder oud genoeg voor is. Het is de moeder die hierover als gezagdragende ouder de beslissing dient te nemen en zij heeft dit kennelijk met de vader afgestemd. Gelet op de verstoorde verhouding en het wantrouwen tussen de grootmoeder vaderszijde en de moeder is de moeder niet in staat om de minderjarige te ondersteunen in de omgang met de grootmoeder vaderszijde. Volgens het hof is het vaststellen van een omgangsregeling tussen de grootmoeder vaderszijde en de minderjarige op dit moment dan ook in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Het hof is derhalve van oordeel dat de rechtbank terecht het verzoek van de grootmoeder vaderszijde heeft afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.
5.8
Dit leidt tot de volgende beslissing."
Gerechtshof Den Haag 16 oktober 2024, 200.327.419/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:2026
(Verlening en verlenging van de) machtiging uithuisplaatsing
"3.7.4.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof, na eigen onderzoek en beoordeling, overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een uithuisplaatsing wordt voldaan. Het hof voegt daaraan het volgende toe.
De vader is van mening dat hij inmiddels weer in staat is de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen omdat hij ook in staat is om zelfstandig voor de oudere zus van [minderjarige] , [zus] , te zorgen. [minderjarige] heeft echter, vanwege de traumatische gebeurtenissen die hij in het verleden in de gezinssituatie met de vader heeft meegemaakt, meer dan andere kinderen - zoals zijn zus [zus] - behoefte aan rust, structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid. In 2016 is er in de thuissituatie van de vader intensieve ambulante begeleiding van [instantie 1] ingezet om te onderzoeken of een terugplaatsing van [minderjarige] mogelijk was. Gebleken is toen dat de vader onvoldoende leerbaar is wat betreft de opvoedvaardigheden die passen bij de behoeften van [minderjarige] . De vraag die dan gesteld moet worden is of met het verstrijken van de tijd de vader wel voldoende opvoedvaardigheden heeft om tot thuisplaatsing over te kunnen gaan. De GI heeft in haar verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat uit de door [instantie 2] begeleide bezoeken is gebleken dat de vader onvoldoende in staat is om zelfstandig invulling te geven aan de bezoeken met [minderjarige] . Deze bezoeken zijn mede ook in verband met een Veilig Thuis melding en zorgelijke signalen in 2020 teruggebracht naar een frequentie van 1 keer per 3 weken, anderhalf uur begeleid. Het hof begrijpt hieruit dat er op dit moment nog geen voldoende stabiele situatie is bij de vader en juist die stabiele situatie is van groot belang van [minderjarige] met zijn gedrags- en traumaproblematiek. De pleegouders zijn, met behulp van ambulante ondersteuning van [instantie 1] , wel in staat [minderjarige] de duidelijkheid en structuur te bieden die hij nodig heeft. Het hof concludeert uit het voorgaande dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een voortduring van de uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is en die noodzaak bestaat ook nu nog steeds. Het hof ziet daarbij geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode te verlengen.
Ten aanzien van het beroep van de vader op de artikelen 3, 5, 9, 16 en 18 IVRK en artikel 8 EVRM, oordeelt het hof dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, voldoende is komen vast te staan dat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk was en is in het belang van [minderjarige] , en dat het IVRK en het EVRM zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten.
3.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd."
Gerechtshof Den Bosch 2 juni 2022, 200.307.892_01, ECLI:NL:GHSHE:2022:1758
"5.6
Naar het oordeel van het hof is de bestreden beschikking niet in strijd met artikel
8 EVRM en/of artikel 9 Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK). Met de moeder is het hof van oordeel dat door de uithuisplaatsing van [de minderjarige2] een inbreuk wordt gemaakt op het recht op ‘family life’ van de moeder, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Deze inbreuk op ‘family life’ door een uithuisplaatsing heeft een wettelijke grondslag. Wanneer een uithuisplaatsing noodzakelijk en in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind is, of tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van het kind noodzakelijk is, is deze inbreuk op ‘family life’ gerechtvaardigd. Dat is hier het geval. De uithuisplaatsing van [de minderjarige2] is noodzakelijk en in haar belang, zowel voorhaar verzorging en opvoeding als voor nader onderzoek naar welke hulp zij nodig heeft. Nu gebleken is dat alternatieve en lichtere maatregelen niet toereikend zijn, geldt dat de maatregel van uithuisplaatsing niet zwaarder is dan de omstandigheden rechtvaardigen. Van onrechtmatige inmenging, als bedoeld in artikel 9 IVRK, is, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, evenmin sprake."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juli 2023, 200.327.226, ECLI:NL:GHARL:2023:6267
"5.7
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt in haar jonge leven. Voordat [minderjarige] uit huis werd geplaatst, waren er al lange tijd zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder. Het hof heeft deze zorgen uitvoerig beschreven in zijn beschikking van 17 januari 2023.
Thans ligt aan het hof de vraag voor of de gronden voor de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig waren ten tijde van de bestreden beschikking. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
Sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] , die het noodzakelijk maakte dat de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing werden verlengd. Er werden door de hulpverlening en pleegmoeder kenmerken gezien die wijzen op ernstige (gedrags)problematiek, waarvoor (EMDR) behandeling nodig is. Het was van groot belang dat er zicht kwam op [minderjarige] en dat de behandeling van [minderjarige] bij Levvel doorgang kon vinden. De moeder erkende deze zorgen niet, had veel weerstand tegen de hulpverlening en stemde niet in met de verblijfplaats van [minderjarige] in het pleeggezin. De moeder heeft evenmin inzicht willen geven in haar thuissituatie waardoor er nog steeds onvoldoende zicht was op de opvoedsituatie bij de moeder en op haar persoonlijke problematiek. In deze situatie is ook nu nog geen verandering gekomen.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de kinderrechter op goede gronden de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd en dat de gronden daarvoor op 24 november 2023, toen het ouderlijk gezag van de moeder werd beëindigd, nog steeds aanwezig waren. De moeder heeft zich nog beroepen op het bepaalde in artikel 8 EVRM. Het hof verwerpt het beroep. Gelet op het bovenstaande is een inbreuk op het bij dat artikel beschermde recht op de eerbiediging van family life gerechtvaardigd, want noodzakelijk en evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] . Om dezelfde reden faalt het beroep van de moeder op de artikelen 3, 5, 9, 18 en 25 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen."
Gerechtshof Amsterdam 5 maart 2024, 200.333.319/01 en 200.333.319/02, ECLI:NL:GHAMS:2024:479
"De beoordeling
5.6
Hoewel de termijn waarvoor de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verlengd inmiddels is verlopen, heeft de moeder, gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, niettemin een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de verlenging te laten toetsen. Het hof dient nu te beoordelen of de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van het geven van de beschikking en ook nog tot 11 april 2024 aanwezig waren, en of die verlenging ook noodzakelijk was. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dat het geval is. Verlenging was noodzakelijk. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing terecht verlengd. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
5.7
Het hof heeft zich bij beschikking van 26 september 2023 uitgesproken over de noodzaak van de (verlenging van de) de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. De rechtbank heeft de desbetreffende overwegingen herhaald in de bestreden beschikking. Kortheidshalve verwijst het hof daarnaar. Het hof moet constateren dat hetgeen is overwogen nog onverkort gelding heeft. Blijkens de inhoud van het beroepschrift en hetgeen ter zitting is hoger beroep door en namens de moeder is toegelicht, weegt voor haar zwaar haar vrijheid om zich met haar kinderen (in het buitenland) te vestigen zoals haar dat goeddunkt. Datzelfde geldt voor haar pedagogische visie ten aanzien van de kinderen. De interventies door de (jeugdbeschermings)autoriteiten in Denemarken, Portugal en Nederland waren en zijn volgens haar nog steeds onterecht en onnodig. De moeder lijkt tot op heden nog steeds onvoldoende te kunnen reflecteren op de gevolgen van haar beslissingen voor de kinderen. Haar wens tot systeemtherapie voor haar en de kinderen in dit stadium gaat hieraan voorbij. Met betrekking tot de noodzaak van stabiele en bestendige schoolgang verwijst het hof naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.9 van de beschikking van 18 oktober 2023. Naast het gebrek aan reflectie, is het nog steeds niet mogelijk gebleken om afspraken te maken met de moeder. Tot op heden is nog steeds geen samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de GI tot stand gekomen. Het hof vindt het zorgelijk dat bepaalde afspraken voor de kinderen, waaronder logopedie en een tandartsafspraak, slechts gemaakt konden worden in de periode waarin het gezag van de moeder was geschorst. Verder heeft het ontbreken van de samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de GI tot gevolg dat de kinderen de moeder al een lange tijd niet hebben gezien. Het gebrek aan samenwerking heeft hiermee ook zijn weerslag op de kinderen. Ter zitting is door zowel grootmoeder moederszijde als de GI aangegeven dat de kinderen de moeder missen en dat zij haar graag willen zien. De kinderen begrijpen niet waarom de moeder bepaalde voorwaarden blijft stellen voor het plaatsvinden van de omgang en dat zij deze belangrijker lijkt te vinden dan het zien van de kinderen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in het te beoordelen tijdvak (19 oktober 2023 tot 11 april 2024) nog steeds sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en dat een vrijwillig kader niet volstond om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
5.8
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het van groot belang is dat de kinderen in hun huidige, stabiele opvoedomgeving blijven, zodat zij zich op positieve wijze kunnen blijven ontwikkelen. De moeder is tot op heden niet in staat gebleken de noodzakelijke structuur en stabiliteit aan de kinderen te bieden. Dat zij een liefdevolle moeder is, wil het hof aannemen (en zoals hiervoor overwogen is ook duidelijk dat de kinderen haar missen). Maar er is meer nodig om de kinderen een opvoedomgeving te bieden die voor hen voldoende stabiel en veilig is en waarin zij voldoende aan hun eigen ontwikkeling toekomen. De kinderen ervaren thans de benodigde rust nu zij in een stabiele en voorspelbare situatie verblijven bij de grootmoeder moederszijde. De daarvoor noodzakelijke ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn dan ook terecht verlengd door de rechtbank. Minder verstrekkende maatregelen zouden de kinderen in het te beoordelen tijdvak onvoldoende bescherming hebben geboden.
5.9
Met betrekking tot de uithuisplaatsing geldt verder nog dat de moeder sinds 13 februari 2024 gedetineerd is. De door de moeder met het hoger beroep beoogde terugplaatsing van de kinderen was voor de periode van 13 februari tot 11 april 2024 reeds om die reden irreëel. Plaatsing van de kinderen bij grootmoeder moederszijde was noodzakelijk.
5.10
Hetgeen de moeder nog heeft aangevoerd met verwijzing naar de artikelen 8 EVRM en 3,5,9 en 18 IVRK stuit af op het vooroverwogene."
Gerechtshof Amsterdam 14 mei 2024, 200.336.850/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:1310
"5.8
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de kinderrechter de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing terecht heeft verlengd en dat deze maatregelen ook nu nog moeten voortduren. Verder ziet het hof geen aanleiding om de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te verkorten, zoals de vader subsidiair heeft verzocht. [minderjarige] heeft door haar voorgeschiedenis veel behoefte aan duidelijkheid en structuur. Daarnaast heeft zij een sensitieve en responsieve opvoedingssituatie nodig. In de afgelopen jaren is – met de inzet van diverse hulpverleningsinstanties – herhaaldelijk geprobeerd bij de ouders een verandering teweeg te brengen en de situatie voor [minderjarige] te verbeteren, zodat zij bij de ouders kon blijven wonen. Telkens is dit tevergeefs gebleken en is weer een uithuisplaatsing van [minderjarige] gevolgd. Een laatste mogelijkheid om de problematiek van de ouders en [minderjarige] goed in kaart te kunnen brengen en zicht te krijgen op de mogelijkheden en onmogelijkheden van de ouders was de plaatsing van het gezin in een psychiatrische gezinskliniek. Maar ook aan deze opname hebben de ouders onvoldoende kunnen of willen meewerken. Bij uitstek was dit voor de vader de gelegenheid om te laten zien dat de door hem gewenste plaatsing van [minderjarige] bij hem thuis een geschikte alternatieve optie was. Het intimiderende en overlastgevende gedrag van de vader jegens de begeleiding van de gezinskliniek onderschrijft dat de ouders niet in staat zijn om keuzes te maken die in het belang zijn van [minderjarige] .
Het hof is dan ook – met de raad en de GI – van oordeel dat het noodzakelijk is dat [minderjarige] stabiele plek bij de pleegouders wordt gecontinueerd en dat zij binnen afzienbare tijd duidelijkheid krijgt over haar opgroeiperspectief en de rol van de ouders in haar leven. Zoals ook de raad en de GI ter zitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht, is het voor de (persoonlijkheids)ontwikkeling van [minderjarige] van belang dat zij contact houdt met haar ouders. De duur en frequentie van dit contact is echter afhankelijk van wat [minderjarige] aankan.
Het standpunt van zowel de vader als de moeder dat is gehandeld in strijd met art. 8 EVRM, gaat niet op. Wat er ook zij van het aspecifieke betoog van de advocaat van de moeder dat de Nederlandse overheid met haar jeugdbeschermingspraktijk stelselmatig artikel 8 EVRM schendt, in dit geval is geen sprake van een schending daarvan nu de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing berusten op de wet en in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel zijn en de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] niet op een andere wijze kan worden afgewend. Het beroep van de moeder op artikel 9 IVRK stuit op dezelfde gronden af.
Het hof overweegt daarnaast dat art. 11 van de Grondwet niet wordt geschonden. Anders dan de advocaat van de moeder meent, beschermt art. 11 Grondwet niet rechtstreeks de geestelijke integriteit van een persoon (zie Kamerstukken II 1979/80, 16086, 3, p. 3-5). Daarop stuit dit betoog reeds af. Bovendien geldt dat de wet voorziet in een grondslag om de onaantastbaarheid van het lichaam te beperken zoals artikel 11 Grondwet vereist, aangezien een beroep kan worden gedaan op eerder genoemde wettelijke bepalingen betreffende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Uit het voorgaande volgt dat die wettelijke uitzonderingen in deze zaak op juiste wijze zijn toegepast.
5.9
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing."
Gerechtshof Amsterdam 7 januari 2025, 200.343.600/01 en 200.344.308/01, ECLI:NL:GHAMS:2025:33
Ondertoezichtstelling, algemeen
"5.7. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van [kind A] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en thans nog aanwezig zijn. De moeder is ambivalent in het aanvaarden van hulp en is niet leerbaar genoeg gebleken om [kind A] de opvoeding te bieden die hij vergt. Doordat [kind A] het gezag van de moeder niet accepteert, wordt hij belemmerd in zijn kind zijn en is de kans groot dat hij (verdere) gedragsproblemen ontwikkelt. Nu de oma er is, is de situatie bij de moeder thuis stabieler geworden en is het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing ingetrokken. Deze nieuwe situatie is echter nog te prematuur om de ondertoezichtstelling slechts voor een beperktere duur op te leggen. De thans nog resterende periode van de ondertoezichtstelling, tot 22 mei 2019, kan dienen om te bezien of
met de aanwezigheid van de oma een meer veilige en op de behoeften van [kind A] toegesneden opvoedomgeving kan worden bereikt.
5.8. Het beroep op de artikelen 8 EVRM en 9 IVRK stuit af op het hiervoor overwogene."
Gerechtshof Amsterdam 15 januari 2019, 200.244.169/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:111
"5.10
Ten aanzien van het beroep van de moeder op verschillende verdragsbepalingen, waaronder artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK, deels neergelegd in een algemeen, niet op haar concrete geval toegesneden betoog, overweegt het hof dat op basis van het voorgaande vaststaat dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk was in het belang van de bescherming van de gezondheid van [minderjarige] en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] . Voornoemde bepalingen verzetten zich onder de gegeven omstandigheden dan ook niet tegen de ondertoezichtstelling."
Gerechtshof Amsterdam 6 augustus 2024, 200.340.099, ECLI:NL:GHAMS:2024:2485
Uithuisplaatsing
"5.9 De uithuisplaatsing is niet in strijd met de artikelen 5, 9 en 18 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK). Weliswaar is uithuisplaatsing een inbreuk, maar deze inbreuk is bij wet geregeld, in het belang van de kinderen en noodzakelijk en proportioneel."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 oktober 2019, 200.263.316/01, ECLI:NL:GHARL:2019:11302
"3.8.5.
Ten aanzien van het beroep van de moeder op de artikelen 3, 5, 9, 16 en 18 IVRK en artikel 8 EVRM, oordeelt het hof dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, voldoende is komen vast te staan dat de (spoed)uithuisplaatsing noodzakelijk was in het belang van [minderjarige] , en dat het IVRK en het EVRM zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten.
3.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikkingen dienen te worden bekrachtigd.”
Gerechtshof Den Bosch 24 september 2020, 200.280.013_01, ECLI:NL:GHSHE:2020:2929
"5.9. Nu aan de vereisten voor uithuisplaatsing is voldaan, volgt daaruit tevens dat de inbreuk op het recht op ‘family life’ gerechtvaardigd is, omdat deze noodzakelijk is en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . Aan het beroep van de moeder op het bepaalde in artikel 8 EVRM jo. 9 IVRK moet daarom worden voorbij gegaan."
Gerechtshof Amsterdam 6 juli 2021, 200.289.260/01, ECLI:NL:GHAMS:2021:2092
"4.6 Voor zover de moeder een beroep heeft gedaan op artikel 9 van het IVRK (Verdrag inzake de rechten van het kind) en artikel 8 van het EVRM (Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) is het hof, evenals in zijn beschikking van 11 mei 2021, van oordeel dat de inbreuk die de machtiging tot uithuisplaatsing in dit geval maakt in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk en proportioneel is en dat van enige strijd met genoemde verdragsbepalingen dan ook geen sprake is."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 augustus 2021, 200.293.021/01, ECLI:NL:GHARL:2021:8070
Ambulante hulpverlening versus (verlenging van de) uithuisplaatsing
"3.11.6. Tegelijkertijd bestaat nog grote onduidelijkheid over de (thuis)situatie van de moeder. De GI heeft nog geen zicht kunnen krijgen op de opvoedvaardigheden, de draagkracht en draaglast van de moeder. De moeder heeft op de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat zij bij het GGZ is getest en dat daaruit enkel is gebleken dat zij kampt met geheugenproblemen, maar de moeder heeft nagelaten deze informatie voldoende concreet - en voorzien van een schriftelijke rapportage - te onderbouwen. Dat lag wel op haar weg. De moeder heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij niet weet of de onderzoeksresultaten op schrift zijn gesteld, en de advocaat van de moeder was niet op de hoogte dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Anders dan de GI heeft verklaard, zijn volgens de moeder de resultaten van het onderzoek tijdens een MDO mondeling met de gezinsvoogd gedeeld. De GI heeft verklaard niet bekend te zijn met de onderzoeksresultaten en deze wel nodig te hebben om te beoordelen welke hulp en ondersteuning de moeder en de kinderen nodig hebben. De GI kan - vanwege privacy-redenen - deze onderzoeksresultaten niet zelf bij het GGZ opvragen. Het had daarom op de weg van de moeder gelegen om alles in het werk te stellen om de onderzoeksresultaten op schrift te krijgen en deze over te leggen aan de GI en het hof. Dat de moeder dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico.
Verder bestaat er nog steeds onduidelijkheid over de (woon)omstandigheden van de moeder. De moeder heeft na de relatiebreuk met haar partner een periode in [instantie 2] gewoond. Op de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat zij sinds mei 2021 weer zelfstandig woont, maar dat zij nog steeds iedere week begeleiding krijgt van [instantie 2] voor sociale zaken en financiële zaken. Ook heeft de moeder gesteld dat wanneer de kinderen thuis zouden worden geplaatst zij door middel van urgentie op korte termijn zou kunnen beschikken over een andere grotere woning. Verder heeft de moeder verklaard dat zij weer samen is met haar partner, maar dat zij (nog) niet samenwonen.
Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat niet, dan wel onvoldoende is gebleken dat de moeder op dit moment de kinderen de veilige, stabiele en rustige opvoedingssituatie kan bieden die zij nodig hebben tijdens hun onderzoeken, behandelingen en herstel. Omdat het gezinshuis de kinderen deze opvoedingssituatie wel kan bieden moet de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis worden voortgezet en is een thuisplaatsing van de kinderen niet aan de orde.
3.11.7.
Gelet op genoemde feiten en omstandigheden is het hof, anders dan de moeder van oordeel, dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen en kan niet worden volstaan met ambulante hulpverlening. De verlenging van de uithuisplaatsing levert daarom geen schending van artikel 8 EVRM en de artikelen 3, 5, 9, 16 en 18 IVRK op."
Gerechtshof Den Bosch 7 oktober 2021, 200.298.349_01, ECLI:NL:GHSHE:2021:3057
“4.7
Voor zover de moeder een beroep heeft gedaan op artikel 9 van het IVRK (Verdrag inzake de rechten van het kind) en artikel 8 van het EVRM (Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) is het hof, evenals in zijn beschikking van 11 mei 2021, van oordeel dat de inbreuk die de machtiging tot uithuisplaatsing in dit geval maakt in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk en proportioneel is en dat van enige strijd met genoemde verdragsbepalingen dan ook geen sprake is.”
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 augustus 2021, 200.293.021/01, ECLI:NL:GHARL:2021:8070
Scheiding van moeder en kind
"2. Het hof passeert hierbij de stelling van de moeder dat de ontheffing in strijd is met artikel 9 IVRK. Dit artikel waarborgt het recht dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij deze scheiding in het belang van het kind noodzakelijk is. Dat de minderjarige wordt gescheiden tegen de wil van de moeder, wordt gerechtvaardigd door de bescherming van de belangen van de minderjarige, zoals uit het voorgaande blijkt. Nu alternatieve en lichtere maatregelen niet toereikend zijn, geldt naar het oordeel van het hof bovendien dat de maatregel van ontheffing niet zwaarder is dan de omstandigheden rechtvaardigen."
Gerechtshof Den Haag 1 oktober 2014, 200.152.381/01, ECLI:NL:GHDHA:2014:3708
"5.8 Voor zover de moeder stelt dat er sprake is van strijd met de verdragsbepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het IVRK overweegt het hof als volgt. Een beëindiging van het gezag is weliswaar een inbreuk op artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK, maar deze inbreuk acht het hof gelet op het hiervoor overwogene in het belang van [de minderjarige1] noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel. Het hof is dan ook van oordeel dat de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] niet in strijd met voornoemde verdragen is."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 augustus 2019, 200.255.214/01, ECLI:NL:GHARL:2019:7054
Uithuisplaatsing
"7. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat deze zaak een complexe situatie betreft, waarbij het meest in het oog springende is dat sprake is van ernstige gedragsproblematiek bij de minderjarige. Het betreft een jong kind dat zeer zorgelijk gedrag vertoont en signalen afgeeft die duiden op een hechtingsstoornis. Observatie, onderzoek en behandeling van de minderjarige zijn derhalve geboden. De moeder erkent de problemen van de minderjarige, maar ziet de ernst van de situatie onvoldoende in. Daar komt bij dat de moeder-dochter relatie tevens zorgen baart en een onderdeel vormt van de aanwezige problematiek. Onderzoek vanuit de thuissituatie biedt op dit moment dan ook geen geschikt alternatief. De aanwezigheid van de moeder en/of haar vertrouwde omgeving zullen belemmerend kunnen werken. Daarbij is de medewerking van de moeder aan de hulpverlening onvoldoende consistent gebleken om opnieuw een traject in het vrijwillig kader in te gaan en daarmee het aanmerkelijke risico te lopen dat de minderjarige reeds tijdens het onderzoek opnieuw uit huis zou moeten worden geplaatst. De weerstand die de moeder tegen de hulpverlening heeft, is weliswaar op sommige punten begrijpelijk, zoals ook ter zitting met partijen besproken, maar niet in het belang van de minderjarige. Onder deze omstandigheden is een uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk. Daarmee is, juist ter bescherming van de minderjarige, een inbreuk op artikel 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waar de moeder aan refereert, gerechtvaardigd.
8. Het hof is dan ook van oordeel dat, zij het op enigszins andere gronden dan de rechtbank, de uithuisplaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht in een voorziening noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding en tot onderzoek van haar geestelijke gesteldheid. Daarmee is voldaan aan de wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd."
Hof Den Haag 31 oktober 2012, 200.112.542-01, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6956
"5.8 Het beroep op de artikelen 8 EVRM, 3 en 9IVRK en 9 IVBPR stuit af op het vooroverwogene, nu de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind A] en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van haar geestelijke en lichamelijke ontwikkeling."
Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2019, 200.245.166/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:2258
Plaatsing in een pleeggezin
"5.8
Hoewel de plaatsing van [de minderjarige] in de pleeggezinnen dus ongelukkig hebben uitgepakt, is het hof desalniettemin van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin gedurende de periode van 21 januari 2019 tot 24 mei 2019 in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk was. De ernst van de problematiek van [de minderjarige] en wat zij in dit verband nodig heeft qua opvoedomgeving is immers pas in het voorjaar van dit jaar in volle omvang duidelijk geworden, hoe ongelukkig dat ook is.
De diepe wens van de moeder om zelf voor [de minderjarige] te zorgen is begrijpelijk. Sinds september 2018 krijgt zij vanuit Spirit Intensieve Pedagogische Gezinsbegeleiding krijgt. Het hof acht het echter niet aannemelijk dat zij de verzorging en opvoeding kan bieden die [de minderjarige] nodig heeft. Uit de analyse van Intermetzo blijkt dat [de minderjarige] vanwege haar eigen problematiek specifieke zorg- en behandelbehoeftes heeft en zich tot op heden niet echt veilig voelt in de relatie met haar moeder. Zij ervaart de moeder als onbetrouwbaar en dit geeft haar veel spanning. In de dagen voor en na de bezoekmomenten met de moeder laat [de minderjarige] veel onveilig gedrag en overlevingsgedrag zien, hetgeen zich uit in obsessief grenzen zoeken, schreeuwen en agressie. Daarnaast is er nog altijd sprake van sibling rivalry tussen [de minderjarige] en [kind C] , hetgeen mogelijk zal verergeren als beide kinderen weer bij elkaar wonen. Dit zal niet alleen ten koste gaan van [de minderjarige] maar ook van [kind C] . Ook bestaat er bij een terugplaatsing bij de moeder een risico op herbeleving van trauma, nu de woning van de moeder de plek is waar [de minderjarige] de traumatische ervaringen heeft opgedaan. Dit alles maakt dat een terugplaatsing bij de moeder ten tijde van de bestreden beschikking niet in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] was. Ook een plaatsing bij het door de moeder voorgestelde pleeggezin [Y] is gelet op het voorgaande niet in het belang van [de minderjarige] . Het voorgestelde pleeggezin heeft geen ervaring met het opvangen van kinderen met hechtingsproblemen en trauma, heeft twee thuiswonende kinderen (waarvan een nog jong en kwetsbaar) en de kans op herbeleving van trauma is op deze plek eveneens groot (het huis staat in de wijk waar de moeder woont). Het hof is dan ook van oordeel dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] terecht heeft verlengd, omdat dit in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk was.
Uit hetgeen hierboven is overwogen vloeit voort dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] en het niet onderbrengen van [de minderjarige] in het gezin [Y] geen schending van artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK oplevert."
Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2019, 200.254.340/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:2636
Herstel van het ouderlijk gezag
"5.5 Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] stond de moeder onder curatele, waardoor zij onbevoegd was het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen. Om die reden heeft de rechtbank al voor de geboorte van [de minderjarige] een (tijdelijke) voogdijmaatregel uitgesproken. Direct na de geboorte van [de minderjarige] verbleven de moeder en [de minderjarige] in een moeder-kind huis. Na één week is [de minderjarige] in een crisispleeggezin geplaatst, omdat in het moeder-kind huis bleek dat de moeder onvoldoende zorg kon dragen voor een stabiele en veilige opvoedsituatie. Vanwege de onrust die dit besluit mogelijk zou veroorzaken, is er gekozen voor een spoeduithuisplaatsing. Toen [de minderjarige] drie maanden oud was, is zij vervolgens in een perspectief biedend pleeggezin geplaatst. Uit de rapportage van het moeder-kind huis van 20 augustus 2015 en van het rapport van de raad van 29 september 2016 blijkt dat de moeder niet in staat is de opvoedverantwoordelijkheid voor [de minderjarige] te kunnen dragen. Bij de moeder is sprake van complexe persoonlijke problematiek, waaronder emotionele instabiliteit, onvoorspelbaarheid in gedrag, explosiviteit en gebrek aan inzicht. De moeder is daarnaast onvoldoende leerbaar en kan onvoldoende aansluiten bij de behoeftes van [de minderjarige] . Overleg met haar over [de minderjarige] is lastig gebleken. Ook de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] verloopt nog moeizaam. De omgang kan alleen plaatsvinden onder begeleiding en met hulp van de jeugdzorgwerker en de pleegvader. De omgang heeft een tijd minder frequent plaatsgevonden, omdat de moeder de bezoeken niet door liet gaan. Sinds januari 2017 vindt de omgang weer op regelmatige basis plaats. Op dit moment heeft de moeder één uur per maand omgang met [de minderjarige] . De omgang lijkt een negatieve weerslag op [de minderjarige] te hebben. De omgang is dan ook vooralsnog niet uitgebreid. Tot slot is gebleken dat de moeder zich de afgelopen tijd positief heeft ontwikkeld. Het is mogelijk om een positief gesprek met de moeder te voeren over [de minderjarige] , de moeder is getrouwd en haar woonsituatie is gestabiliseerd.
5.6
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het belasten van de moeder met het ouderlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] is. Hoewel het zonder meer positief is dat er verbeteringen hebben plaatsgevonden in het leven van de moeder, acht het hof deze onvoldoende om te stellen dat de moeder nu of op termijn in staat is de opvoedverantwoordelijkheid over [de minderjarige] te dragen. De moeder heeft deze opvoedverantwoordelijkheid nooit gedragen en [de minderjarige] verblijft al vrijwel haar hele leven bij het huidige pleeggezin. Zij is daar goed gehecht en lijkt geborgenheid te hebben gevonden bij beide pleegouders. Met de GI en de raad is het hof dan ook van oordeel dat het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt. Als het gezag over [de minderjarige] weer bij de moeder zou komen te liggen, zou de juridische situatie niet overeen komen met de feitelijke situatie, hetgeen strijdig is met de belangen van [de minderjarige] . Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht het verzoek van de moeder, om haar opnieuw met het ouderlijk gezag te belasten, heeft afgewezen. De stelling van de moeder dat de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het raadsrapport van 29 september 2016 doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank heeft de raad ter zitting van 16 november 2017 gevraagd om mondeling advies uit te brengen. Het hof is van oordeel dat daarbij een dergelijk rapport ter informatie mag worden ingebracht en dat de raad de inhoud ervan mag gebruiken ter onderbouwing van zijn actuele mondelinge advies ter zitting en ter adstructie van mogelijke wijzigingen ten opzichte van dit rapport.
5.7
Gezien hetgeen hiervoor onder 5.5 en 5.6 overwogen, slaagt het beroep van de moeder op artikel 8 lid 2 EVRM en de artikelen 7 lid 1 en 9 lid 1 IVRK evenmin. Het hof is van oordeel dat de afwijzing van het verzoek van de moeder tot herstel van het ouderlijk gezag in dit geval noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] en tevens proportioneel is. De belangen van [de minderjarige] rechtvaardigen een inbreuk op het recht op ‘family life’ en er is voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt."
Gerechtshof Amsterdam 26 februari 2019, 200.236.591/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:712
Bijzondere zorgplicht
"2.17
Wel heeft WSSjbjr (en daarmee [X] ) beperkingen ervaren van de inrichting van het systeem van jeugdzorg gedurende de periode die hier in geding is. Deze beperkingen betroffen met name het gebrek aan beschikbaarheid van geschikte plaatsen waar een kind als [X] - dat een complexe ontwikkelingshistorie heeft en in zijn ontwikkeling een beeld laat zien dat niet onder één noemer valt te brengen - langdurig kan opgroeien. Zoals hiervoor al is overwogen, kan WSSjbjr daarvoor niet aansprakelijk gehouden worden.
WSSjbjr heeft binnen dit systeem bij het maken en uitvoeren van haar keuzes de op haar rustende bijzondere zorgplicht naar behoren nageleefd en heeft daarbij ook in voldoende mate voldaan aan zijn uit artikel 3, 9 en 20 IVRK voortvloeiende verplichtingen. Niet kan worden volgehouden dat WSSjbjr bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling het belang van [X] niet steeds een overweging van de eerste orde heeft laten zijn of onvoldoende heeft getracht de zorg voor hem te waarborgen. [X] heeft nog aangevoerd dat de rechtbank alle over hem gestelde diagnoses, alle plaatsingen en alle behandelingen ten onrechte niet (ook) als één geheel heeft bezien. Dit betoog faalt reeds omdat geen van de daarmee verband houdende beslissingen van WSSjbjr als onzorgvuldig kan worden aangemerkt. Voor zover [X] heeft willen aanvoeren dat de rechtbank aldus artikel 6 EVRM heeft geschonden, faalt dit betoog.
Dat het geheel voor [X] zeer frustrerend heeft uitgepakt en het voelt alsof hem zijn jeugd is ontnomen, is invoelbaar en valt zonder meer te betreuren, maar is niet te wijten aan onrechtmatig handelen van WSSjbjr. Dat WSSjbjr, zoals [X] onder verwijzing naar een rapport van Defence for Children International heeft gesteld, desnoods een procedure tegen de Staat had moeten starten, bijvoorbeeld om een gewenste plek op school of in een pleeggezin af te dwingen, wijst het hof van de hand. Nog daargelaten of een dergelijke procedure voor [X] daadwerkelijk tot betere uitkomsten had geleid, reikt de bijzondere zorgplicht van WSSjbjr voor de aan haar zorg toevertrouwde minderjarigen niet zo ver."
Gerechtshof Amsterdam 26 mei 2020, 200.175.393/01, ECLI:NL:GHAMS:2020:1339
Noodzakelijkheids en proportionaliteitstoets
"5.5
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] stond de moeder onder curatele, waardoor zij onbevoegd was het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen. Om die reden heeft de rechtbank al voor de geboorte van [de minderjarige] een (tijdelijke) voogdijmaatregel uitgesproken. Direct na de geboorte van [de minderjarige] verbleven de moeder en [de minderjarige] in een moeder-kind huis. Na één week is [de minderjarige] in een crisispleeggezin geplaatst, omdat in het moeder-kind huis bleek dat de moeder onvoldoende zorg kon dragen voor een stabiele en veilige opvoedsituatie. Vanwege de onrust die dit besluit mogelijk zou veroorzaken, is er gekozen voor een spoeduithuisplaatsing. Toen [de minderjarige] drie maanden oud was, is zij vervolgens in een perspectief biedend pleeggezin geplaatst. Uit de rapportage van het moeder-kind huis van 20 augustus 2015 en van het rapport van de raad van 29 september 2016 blijkt dat de moeder niet in staat is de opvoedverantwoordelijkheid voor [de minderjarige] te kunnen dragen. Bij de moeder is sprake van complexe persoonlijke problematiek, waaronder emotionele instabiliteit, onvoorspelbaarheid in gedrag, explosiviteit en gebrek aan inzicht. De moeder is daarnaast onvoldoende leerbaar en kan onvoldoende aansluiten bij de behoeftes van [de minderjarige] . Overleg met haar over [de minderjarige] is lastig gebleken. Ook de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] verloopt nog moeizaam. De omgang kan alleen plaatsvinden onder begeleiding en met hulp van de jeugdzorgwerker en de pleegvader. De omgang heeft een tijd minder frequent plaatsgevonden, omdat de moeder de bezoeken niet door liet gaan. Sinds januari 2017 vindt de omgang weer op regelmatige basis plaats. Op dit moment heeft de moeder één uur per maand omgang met [de minderjarige] . De omgang lijkt een negatieve weerslag op [de minderjarige] te hebben. De omgang is dan ook vooralsnog niet uitgebreid. Tot slot is gebleken dat de moeder zich de afgelopen tijd positief heeft ontwikkeld. Het is mogelijk om een positief gesprek met de moeder te voeren over [de minderjarige] , de moeder is getrouwd en haar woonsituatie is gestabiliseerd.
5.6
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het belasten van de moeder met het ouderlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] is. Hoewel het zonder meer positief is dat er verbeteringen hebben plaatsgevonden in het leven van de moeder, acht het hof deze onvoldoende om te stellen dat de moeder nu of op termijn in staat is de opvoedverantwoordelijkheid over [de minderjarige] te dragen. De moeder heeft deze opvoedverantwoordelijkheid nooit gedragen en [de minderjarige] verblijft al vrijwel haar hele leven bij het huidige pleeggezin. Zij is daar goed gehecht en lijkt geborgenheid te hebben gevonden bij beide pleegouders. Met de GI en de raad is het hof dan ook van oordeel dat het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt. Als het gezag over [de minderjarige] weer bij de moeder zou komen te liggen, zou de juridische situatie niet overeen komen met de feitelijke situatie, hetgeen strijdig is met de belangen van [de minderjarige] . Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht het verzoek van de moeder, om haar opnieuw met het ouderlijk gezag te belasten, heeft afgewezen. De stelling van de moeder dat de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het raadsrapport van 29 september 2016 doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank heeft de raad ter zitting van 16 november 2017 gevraagd om mondeling advies uit te brengen. Het hof is van oordeel dat daarbij een dergelijk rapport ter informatie mag worden ingebracht en dat de raad de inhoud ervan mag gebruiken ter onderbouwing van zijn actuele mondelinge advies ter zitting en ter adstructie van mogelijke wijzigingen ten opzichte van dit rapport.
5.7
Gezien hetgeen hiervoor onder 5.5 en 5.6 overwogen, slaagt het beroep van de moeder op artikel 8 lid 2 EVRM en de artikelen 7 lid 1 en 9 lid 1 IVRK evenmin. Het hof is van oordeel dat de afwijzing van het verzoek van de moeder tot herstel van het ouderlijk gezag in dit geval noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] en tevens proportioneel is. De belangen van [de minderjarige] rechtvaardigen een inbreuk op het recht op ‘family life’ en er is voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt."
Gerechtshof Amsterdam 26 februari 2019, 200.236.591/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:712
IVRK geeft geen mogelijkheid om de wettelijke bepaalde gezagsbeëindiging niet toe te passen
"5.8. De moeder heeft nog aangevoerd dat het een ‘hamerstuk’ lijkt te zijn dat het ouderlijk gezag wordt beëindigd na een uithuisplaatsing van twee jaren. Zij meent dat dit een onjuist uitgangspunt is, onder verwijzing naar artikel 8 EVRM, de artikelen 3, 7, 9 en 18 IVRK en jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en andere rechters. Wat er zij van dit betoog van de moeder, uit de tekst van de wet blijkt dat de rechter enige ruimte heeft om, ook als aan de gronden voor gezagsbeëindiging is voldaan, die maatregel desalniettemin achterwege te laten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het hof echter geen aanleiding om het verzoek van de raad af te wijzen. Het hof acht gezien het vorenstaande de beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk ter bescherming van het belang van de kinderen en tevens proportioneel. Het hof zal de beschikking waarvan beroep daarom bekrachtigen."
Gerechtshof Amsterdam 5 november 2019, 200.256.521/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:3989
Geen analoge toepassing van artikel 1:306 BW
"5.7
De vader verwijst nog naar de artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens in verbinding met artikel 3 van het VN-kinderverdrag en artikel 9 van het IVRK op grond waarvan artikel 1:306 BW analoog zou moeten worden toegepast in deze zaak.
Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is.
Uit het rapport van de raad van 20 oktober 2020 blijkt dat uitgebreid onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van de ouders en de andere voorgestelde voogden om als voogd voor het nog ongeboren kind te worden benoemd. De problematiek van de ouders en de onmogelijkheden voor benoeming van een ander tot voogd maakten dat benoeming van een onafhankelijke professionele voogd in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk was. In het rapport heeft de raad de zorgen en de krachten van het veilig opgroeien van het ongeboren kind benoemd en aangegeven wat er nog moest gebeuren om die zorgen weg te nemen en wat er gedaan kan worden om de gestelde doelen te bereiken. Met name diende de moeder/de ouders samen te werken met de GI om het kind een veilige en stabiele omgeving te bieden en moesten de ouders alles in het werk te stellen zodat het kind onvoorwaardelijk op de nodige zorg en aandacht van hen kan rekenen. Nu een en ander ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] nog niet was gerealiseerd, was en is een plaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 juni 2021, 200.287.435, ECLI:NL:GHARL:2021:6318