Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/376:376 Geen verpanding
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/376
376 Geen verpanding
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 11-05-2026
- Datum
11-05-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD105584:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:228 BW.
Vgl. Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 47 en Vriesendorp 1992, p. 350.
Snijders 1999, p. 584.
Zie par. 12.6.2.1 hiervóór.
De redenering dat een pandhouder een vordering op een borg kan innen lijkt ook de Ondernemingskamer te volgen in r.o. 4.9 van Hof Amsterdam (OK) 31 juli 2001, JOR 2001/170 m.nt. Steef M. Bartman (ING/Akzo Nobel). Zie over dit arrest en het arrest dat de Hoge Raad in het daarvan ingestelde cassatieberoep wees hierna par. 12.9.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kan de bevoegdheid van de inningsbevoegde pandhouder tot uitoefening van de aan de vordering verbonden afhankelijke zekerheidsrechten worden verklaard doordat de van een vordering afhankelijke rechten (mede) het object van een pandrecht op de vordering (kunnen) zijn? Het antwoord is nee. Vatbaar voor verpanding zijn weliswaar alle vermogensrechten die geen registergoed zijn,1 doch uitsluitend indien deze rechten voor overdracht vatbaar zijn. Afhankelijke rechten zijn niet overdraagbaar2 en daarom niet vatbaar voor de vestiging van een beperkt recht zoals een pandrecht. Het is naar geldend recht ook niet mogelijk om de pandhouder in staat te stellen een van een vordering afhankelijk recht uit te oefenen door (ook) dat recht aan hem te verpanden.3 W. Snijders heeft verdedigd dat een pandrecht op een vordering mede op een aan de vordering verbonden recht van pand of hypotheek rust.4 Hij miskent mijns inziens dat deze rechten niet overdraagbaar en daarom niet voor verpanding vatbaar zijn.5
Mijns inziens is het ook niet wenselijk dat op een zekerheidsrecht een pandrecht kan worden gevestigd, ook niet in combinatie met de vestiging van een pandrecht op de door het zekerheidsrecht verzekerde vordering. Dat zou een breuk met het huidige systeem zijn, waarin afhankelijke zekerheidsrechten niet kunnen worden overgedragen, omdat dergelijke rechten naar hun aard niet overdraagbaar zijn.6 Om een dergelijke breuk met het systeem te rechtvaardigen, zou met verpanding van een afhankelijk zekerheidsrecht een nastrevenswaardig doel moeten kunnen worden bereikt dat niet op een andere, binnen het bestaande systeem passende wijze bereikt kan worden. Dat doel is de uitoefening van een van de verpande vordering afhankelijk zekerheidsrecht door de pandhouder mogelijk te maken. Verderop in deze paragraaf zal blijken dat dit doel reeds op een andere wijze kan worden bereikt.
Overigens zou dat doel, uitoefening van een van de verpande vordering afhankelijk zekerheidsrecht door de pandhouder, in het hypothetische geval dat vestiging van een pandrecht op een afhankelijk zekerheidsrecht mogelijk zou zijn, daardoor niet worden bereikt. Aan een pand- of hypotheekrecht kan de pand- of hypotheekhouder de bevoegdheid ontlenen om het verbonden goed te verkopen en over te dragen of, in geval van een vordering, de verpande vordering te innen. Zou een zekerheidsrecht object van een pandrecht kunnen zijn, dan zou de pandhouder daar op zichzelf nog niet de bevoegdheid aan kunnen ontlenen om het in zekerheid gegeven goed te verkopen. De (executoriale) verkoop en overdracht van een afhankelijk zekerheidsrecht is onmogelijk nu dit niet (zelfstandig) overdraagbaar is en bij de inning van een pand- of hypotheekrecht kan men zich weinig voorstellen. Wel denkbaar is dat een pandhouder de vordering op een borg int.7