Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/375
375 Geen overgang op de pandhouder
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD105583:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 maart 2005, JOR 2005/131 m.nt. SCJJK, NJ 2006, 362 m.nt. H.J. Snijders, JIN 2005/162 m.nt. A.I.M. van Mierlo, JBPr 2006/2 m.nt. AvH. Zie over dit arrest hierna par. 12.6.2.3.
Zie par. 4.3 hiervóór. Vgl. Heyman 1992, p. 346, Molenaar 1992b, p. 349, Vermeulen 1992, p. 517-518, Rank-Berenschot 1997b, p. 49, Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, nr. 825 en Asser/Mijnssen/Van Velten/Van Mierlo 3-III 2003, nr. 112. Ook Stein 2006 (Vermogensrecht), art. 3:246, aant. 32-34 en Asser/Hartkamp 4-I 2004, nr. 563 verdedigen dat een pandhouder de van de verpande vordering afhankelijke rechten kan uitoefenen. Anders dan voornoemde auteurs verklaren zij niet waarom dit zo zou zijn.
Vgl. par. 4.3 hiervóór.
Aldus Vriesendorp 1991 en Asbreuk-van Os 1992, p. 842.
Veel auteurs namen reeds voordat de Hoge Raad het arrest Rabo/Erven Hengstmengel c.s.1 wees aan, dat een inningsbevoegde pandhouder gerechtigd is een van de verpande vordering afhankelijk zekerheidsrecht uit te oefenen. Veelal verklaren zij deze ‘overgang’ van het afhankelijke zekerheidsrecht op de pandhouder door de vestiging van een pandrecht op een vordering als een gedeeltelijke overdracht van die vordering voor te stellen.2 Deze voorstelling van zaken is mijns inziens weinig gelukkig. Noch door de vestiging van een stil pandrecht op een vordering, noch door het inningsbevoegd worden van de pandhouder wordt de pandhouder rechthebbende van de verpande vordering.3 Gevolg hiervan is dat aan de te verpanden vordering verbonden afhankelijke rechten niet overgaan op de pandhouder op grond van de wettelijke bepalingen waarin is vastgelegd dat deze rechten een vordering volgen bij de overgang ervan.4,5 Bijgevolg biedt de regel dat afhankelijke rechten met de vordering overgaan op de verkrijger van de vordering, geen verklaring voor een bevoegdheid van de openbaar pandhouder tot uitoefening van de aan de verpande vordering verbonden afhankelijke zekerheidsrechten.