Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/7.2.3.2
7.2.3.2 Pensioenverzekeraars
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS596416:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kalkman, Rijkels & Tielenburg 2011, p. 321-325 en Kuiper 2014, p. 300-306 voor een uitgebreidere beschrijving van de verschillen tussen pensioenfondsen en verzekeraars.
Bij pensioenfondsen spreekt men van een sociale functie, die inhoudt dat individuele risico’s op basis van collectiviteit en solidariteit worden gedragen (Kamerstukken II, 1998-1999, 26537, nr. 1, p. 2; Kamerstukken II, 2005-2006, 30413, nr. 3, p. 24). Een principieel verschil met verzekeren zie ik niet. De wetgever meent zelf ook dat de door een werkgever met een pensioenfonds gesloten uitvoeringsovereenkomst een verzekeringsovereenkomst is (Kamerstukken II, 2005-2006, 30413, nr. 3, p. 193). Ook in literatuur en jurisprudentie bestaat eensgezindheid dat de uitvoeringsovereenkomst een verzekeringsovereenkomst is (zie Rb Rotterdam 17 november 2011, JOR 2012/17, m.nt. Voerman & Kuiper, PJ 2012/17, m.nt. Lutjens en, in hoger beroep, CBb 6 februari 2014, PJ 2014/46, m.nt. Van den Brink; Lutjens & Kuiper 2011, p. 33; Huijg & Van Slooten 2013; en Kappelle 2013, p. 167. Er wordt wel betwijfeld of een uitvoeringsovereenkomst die met een premiepensioeninstelling is gesloten, een verzekeringsovereenkomst is, aangezien een premiepensioeninstelling geen verzekeringstechnische risico’s mag dragen (Voerman & Kuiper 2012 en Lutjens 2008, par. 3.4.2. Anders: Esser & Van der Spek 2012, onder “sterftewinst”). Als de uitvoeringsovereenkomst met een premiepensioeninstelling geen verzekeringsovereenkomst is, kan ook worden betwijfeld of sprake is van een verzekeringsovereenkomst wanneer een uitvoeringsovereenkomst ziet op de onderbrenging van een zuivere premieregeling.
Zie par. 7.5.2.
Een basispensioenregeling is een (deel van een) collectieve pensioenregeling waaraan de werknemer op basis van de pensioenovereenkomst gehouden is om deel te nemen (art. 1 Pw, onder “basispensioenregeling”). basispensioenregeling: de collectieve pensioenregeling of het deel van de pensioenregeling waaraan de werknemer op basis van de pensioenovereenkomst gehouden is om deel te nemen;
Kamerstukken II, 2005-2006, 30413, nr. 3, p. 172-173.
Art. 116 Pw.
Daarop bestaat een uitzondering voor het algemene pensioenfonds (zie par. 7.2.1.5) en het multi ondernemingspensioenfonds (art. 123, lid 2, Pw).
Art. 132, lid 2, Pw. Een van de mogelijkheden die een pensioenfonds heeft om het zekerheidspercentage te beïnvloeden, is om veiliger te beleggen. Wanneer het minder beleggingsrisico neemt, heeft het minder vermogen nodig om eventuele tegenvallers te kunnen opvangen en toch alle uitkeringsverplichtingen te kunnen voldoen.
Art. 104, lid 4 en Overweging 64, Solvency II.
Art. 128 Pw.
Art. 134 Pw. Zie ook par. 7.3.4.
Kamerstukken II, 2011-2012, 32043, nr. 118, p. 61.
Het onderscheid tussen pensioenfondsen en verzekeraars laat zich lastiger duiden.1 Beiden verzekeren een inkomensrisico voor de oude dag.2 Voorheen moest het bestuur van een pensioenfonds bestaan uit vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. Tegenwoordig mag een pensioenfondsbestuur ook uit louter onafhankelijke deskundigen bestaan.3
Onderscheidend is wel dat een pensioenfonds altijd een basispensioenregeling moet voeren.4 Dat betekent dat een pensioenfonds niet louter vrijwillige regelingen uitvoert. Een verzekeraar kan dat wel.5 Een pensioenfonds mag enkel vrijwillige regelingen uitvoeren die een aanvulling zijn op de basispensioenregeling.6 Ook geldt voor pensioenfondsen de eis van “één financieel geheel”.7 Die eis houdt in dat een pensioenfonds geen afgescheiden vermogens mag aanhouden voor verschillende pensioenregelingen. Voert een pensioenfonds meerdere regelingen uit, dan belanden alle ingelegde vermogens in dezelfde pot. Het gevolg hiervan is dat wanneer voor een pensioenregeling een tekort ontstaat, dit tekort wordt aangevuld vanuit de algemene reserves van het fonds. Er vindt dus kruissubsidiëring plaats.8
Tot slot noem ik nog dat voor pensioenfondsen en (pensioen)verzekeraars andere zekerheidsmaatstaven en sturingsinstrumenten gelden. Een pensioenfonds moet over voldoende vermogen beschikken om met een zekerheid van 97,5% te waarborgen dat het het komende jaar aan zijn pensioenverplichtingen kan voldoen.9 Verzekeraars, daarentegen, zullen na implementatie van Solvency II aan een zekerheidsmaatstaf van 99,5% moeten voldoen.10 Dit verschil in zekerheidsmaatstaf laat zich verklaren doordat pensioenfondsen over enkele sturingsmiddelen beschikken, die verzekeraars missen. Zo kunnen pensioenfondsen gedurende de looptijd van de pensioenregeling de premies aanpassen.11 Bovendien beschikt het pensioenfonds als uiterste redmiddel over de mogelijkheid de pensioenaanspraken te korten.12 Daardoor kan het pensioenfonds in feite niet failleren. Een pensioenverzekeraar beschikt niet over zulke instrumenten.13