Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.3
7.3 Toerekening enkel op basis van werknemerschap
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS601931:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kenbaar uit: NJ 1991/493, weergave arrest Hof onder 1. Zie voor beschrijving van de casus par. 3.7.
Hetgeen de minister er bij de behandeling van titel 7.17 BW (Verzekering) er overigens niet van weerhield deze formulering vrijwel letterlijk over te nemen in een nota van wijziging; zie PG Verzekeringsrecht, p. 20.
De Graaf 2000, p. 105. Wel betwijfel ik of Van Leer bevoegd was om de verzekeringsovereenkomst aan te gaan; het formulier moest immers eerst worden voorgelegd aan de acceptatie-afdeling.
Mijnssen 1982, p. 259. Mijnssen verwijst niet naar vindplaatsen. In Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* 2012 trof ik een opmerking van zo algemene aard niet aan.
Tjong Tjin Tai 2005, p. 268. Zie voor een beschrijving van de casus die ten grondslag ligt aan Haagse Gasfabriek (HR 13 november 1987, NJ 1988/139) par. 9.7.
Noot Maeijer onder HR 3 november 1982, NJ 1983/510.
Zie voor de definitie van het begrip ‘functionaris’ in dit proefschrift par. 1.5.
172. In de literatuur en lagere rechtspraak wordt soms de conclusie getrokken dat het, om de kennis van een functionaris toe te mogen rekenen aan de rechtspersoon, volstaat dat de functionaris werknemer is van de rechtspersoon of onderdeel is van de organisatie. In Leukemie overwoog het hof dat de verzekeraar “de fouten van haar eigen werknemers heeft te dragen en deze niet op anderen vermag af te wentelen” en: “wetenschap bij een onderdeel van de organisatie geldt als wetenschap van de gehele organisatie”.1 Tegen deze overwegingen werd geen cassatiemiddel gericht, maar het hof ging met deze laatste overweging zonder meer te kort door de bocht.2 Indien aspirant-verzekerde mevrouw Kappe bij haar bezoek aan verzekeraar RVS de receptionist zou hebben verteld van haar ziekte, maar die voor agent Van Leer zou hebben verzwegen, zou dat niet vanzelfsprekend leiden tot de conclusie dat verzekeraar RVS van Kappes ziekte wist. Terecht constateert De Graaf: “Uit de stukken valt weliswaar op te merken dat Van Leer in casu vertegenwoordigingsbevoegdheid had, maar voor het hof speelt dat geen rol. Dat verbindt de toerekening van Van Leers wetenschap aan diens positie als werknemer van RVS. Een wettelijke regel voor zo’n toerekening valt dunkt mij niet aan te wijzen.”3 Volgens Mijnssen wordt in de handboeken over verzekeringsrecht dikwijls geleerd dat wetenschap van iemand die in dienst is van de verzekeraar, in ieder geval aan de verzekeraar moet worden toegerekend.4 Tjong Tjin Tai leidt uit Haagsegasfabriek af dat de Hoge Raad uitgaat van de gedachte dat de wetenschap van een werknemer van een rechtspersoon uit de aard der zaak ook wetenschap van de rechtspersoon zelf is.5 Ik lees dat echter niet in dat arrest: daar waren specifieke omstandigheden aanwezig waarom nu juist de kennis van bepaalde ambtenaren over een bepaald onderwerp werd toegerekend aan de gemeente. Maeijer vindt dat het enkele werknemerschap niet volstaat. Hij leidt uit HR 25 juni 1980, BNB 1980/276 af dat in het belastingrecht “de afwezigheid van goede trouw bij n’importe welke werknemer die handelt binnen de uitoefening van zijn dienstbetrekking, aan de BV moet worden toegerekend” en merkt op dat men in het privaatrecht niet van zulk een verstrekkende regel mag uitgaan.6
173. Wanneer het individu met de relevante kennis werknemer is of anderszins onderdeel is van de organisatie van de rechtspersoon, draagt dat zeker bij aan de conclusie dat diens kennis moet worden toegerekend aan de rechtspersoon. Het is echter een onvoldoende onderscheidend criterium. Het doel van dit hoofdstuk is immers om een regel te formuleren voor de toerekening van kennis van functionarissen van de rechtspersoon, en die voldoen per definitie7 aan dat criterium. De medewerker met de relevante kennis hoeft echter helemaal niet betrokken te zijn bij de rechtsverhouding waarvoor zijn kennis relevant is. De medewerker kan de kennis ook toevallig hebben opgedaan. De werknemer kan zich ook om andere redenen niet realiseren dat die kennis relevant is voor de activiteiten van zijn collega’s. Een hoofdregel over toerekening van kennis in het standaardgeval zal dus meer moeten omvatten.