Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/6.2.2
6.2.2 De Unidroit-voorontwerpen
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS597342:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Sütő 2004, p. 50-52
Elk document binnen dit project – versies van het voorontwerp, notulen van bijeenkomsten van het comité, toelichtende rapporten etc. – heeft een documentnummer. Scans van de meeste documenten (alle in het Frans) zijn te vinden op www.unidroit.org/fr/preparatory-work-agency-2. Hierna refereer ik telkens aan de documentnummers zoals daar weergegeven.
Document 28 (zie voetnoot 369).
Document 27 (zie noot 369), artikel 14. In vroegere en latere versies van het voorontwerp heeft dit artikel een ander nummer, variërend van 10 tot en met 14.
“Wanneer de wil of de gebreken in de wil die heeft geleid tot het verrichten van de handeling moet worden beoordeeld, komt uitsluitend de persoon van de vertegenwoordiger in aanmerking. Op dezelfde wijze komt uitsluitend de persoon van de vertegenwoordiger in aanmerking wanneer de kennis of onwetendheid omtrent bepaalde feiten invloed heeft op de geldigheid of de gevolgen van de door hem verrichte handeling. Niettemin wordt ook de persoon van de vertegenwoordigde in aanmerking genomen, tegelijkertijd met die van de vertegenwoordiger, wanneer de uitvoering van een specifieke instructie van de vertegenwoordigde moet worden beoordeeld, of feiten die de vertegenwoordigde kende of behoorde te kennen en de kennis van of onbekendheid met die feiten invloed heeft op de geldigheid of gevolgen van de handeling.”
Document 28 (zie voetnoot 369), p. 15-16.
“(1) Voor zover de rechtsgevolgen van een wilsverklaring worden beïnvloed door wilsgebreken of door het weten of behoren te weten van bepaalde omstandigheden, komt niet de persoon van de vertegenwoordigde, maar uitsluitend de vertegenwoordiger in aanmerking. (2) Heeft in het geval van een door een rechtshandeling gegeven vertegenwoordigingsbevoegdheid de vertegenwoordiger gehandeld op specifieke aanwijzingen van de volmachtgever, dan kan die zich ten aanzien van zulke omstandigheden die hij zelf kende, niet beroepen op de onwetendheid van de vertegenwoordiger. Datzelfde geldt voor omstandigheden die de volmachtgever behoort te kennen, voor zover behoren te kennen gelijk staat aan kennis.”
De reikwijdte van de diverse versies van het Unidroit-voorstel varieert, maar steeds gaat het om vertegenwoordigingsbevoegdheid die door de vertegenwoordigde is verleend aan de vertegenwoordiger.
Florijn 1995, p. 107.
Document 33 (zie voetnoot 369), artikel 12.
“Om te bepalen of een door de vertegenwoordiger verrichte handeling moet worden vernietigd wegens een gebrek of een wilsgebrek of om te bepalen welke invloed de bekendheid of onbekendheid met bepaalde feiten heeft gehad op deze handeling, moet hetzij de persoon van de vertegenwoordiger, hetzij de persoon van de vertegenwoordigde, hetzij beiden tegelijk in aanmerking worden genomen naar gelang van de invloed die elk van hen of beiden hebben gehad op het tot stand komen van de handeling.”
Document 33 (zie voetnoot 369), p. 28.
Document 34 (zie voetnoot 369), p. 6.
Document 35 (zie voetnoot 369), p. 28.
140. Volgens Sütő, die onderzoek heeft gedaan naar het gebruik van buitenlands recht door ontwerpers van het nieuw BW, is Meijers bij het opstellen van zijn tekst en toelichting voor titel 3.3 BW geïnspireerd door kennis die hij opdeed en uitwisselde in Unidroit-verband.1 Meijers maakte deel uit van een comité van experts dat tussen 1935 en 1950 werkte aan een voorontwerp voor een uniforme wet over vertegenwoordiging. Hij had intensieve bemoeienis met de totstandkoming daarvan. De diverse versies van het voorontwerp hebben steeds een bepaling bevat over de wijze waarop de wil en kennis van vertegenwoordiger en vertegenwoordigde in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van een rechtshandeling.2 Meijers schreef onder meer een toelichting bij een versie van het voorontwerp uit mei 1948.3 De tekst van de desbetreffende bepaling in het voorontwerp4 luidt (vertaling in voetnoot5):
“La personne du représentant est seule prise en considération quand il s’agit d’apprécier la volonté qui a présidé à l’accomplissement de l’acte ou les vices de cette volonté.
De même la personne du représentant est seule prise en considération lorsque la connaissance ou l’ignorance de certains faits exerce une influence sur la validité ou les effets de l’acte accompli par lui.
Cependant la personne du représenté est également prise en considération, en même temps que celle du représentant, quand il s’agit d’apprécier l’application d’une instruction précise du représenté, ou des faits que le représenté connaissait ou devait connaître et dont la connaissance ou l’ignorance exerce une influence sur la validité ou les effets de l’acte.”
Deze tekst vertoont sterke verwantschap met § 166 BGB en is daarop ook geïnspireerd, zo blijkt uit Meijers’ toelichting bij het Unidroit-voorontwerp.6§ 166 BGB luidt (vertaling in voetnoot7):
“(1) Soweit die rechtlichen Folgen einer Willenserklärung durch Willensmängel oder durch die Kenntnis oder das Kennenmüssen gewisser Umstände beeinflusst werden, kommt nicht die Person des Vertretenen, sondern die des Vertreters in Betracht.
(2) Hat im Falle einer durch Rechtsgeschäft erteilten Vertretungsmacht (Vollmacht) der Vertreter nach bestimmtenWeisungen des Vollmachtgebers gehandelt, so kann sich dieser in Ansehung solcher Umstände, die er selbst kannte, nicht auf die Unkenntnis des Vertreters berufen. Dasselbe gilt von Umständen, die der Vollmachtgeber kennen musste, sofern das Kennenmüssen der Kenntnis gleichsteht.”
141. Het Unidroit-voorontwerp uit 1948 wijkt slechts op enkele punten af van § 166 BGB. Zo kan in het Unidroit-voorontwerp de wil van de vertegenwoordigde medebepalend zijn voor de geldigheid van een beroep op een wilsgebrek, terwijl de tekst van § 166 BGB daarvoor geen ruimte biedt. Ook kan in het Unidroit-voorontwerp rekening worden gehouden met de wetenschap van de vertegenwoordigde in meer situaties dan alleen die waarin de vertegenwoordigde een specifieke instructie aan de vertegenwoordiger heeft verstrekt, zoals in § 166 BGB. Een ander verschil is dat § 166 BGB ook van toepassing is op de wettelijke en statutaire vertegenwoordiging, terwijl het Unidroit-voorontwerp alleen gaat over volmacht.8 In de periode waarin Meijers werkt aan het Unidroit-voorontwerp, werkt Meijers ook aan zijn ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek. In april 1948 presenteert hij zijn ontwerp voor Boek 3 aan de leden van de Staatscommissie. 9
Na diverse discussies en nieuwe tekstvoorstellen voor het ‘kennisartikel’ binnen het comité van experts van Unidroit verschijnt in juli 1950 een nieuwe versie.10 De strekking daarvan is vrijwel gelijk aan die van ons huidige art. 3:66 lid 2 BW (vertaling in voetnoot11):
“Pour déterminer si un acte accompli par le représentant doit être annulé pour défaut ou pour vice de consentement ou pour apprécier l’influence qu’ont exercée sur cet acte la connaissnce ou l’ignorance de certains faits, il faut prendre en considération soit la personne du représentant, soit la personne du représenté, soit les deux personnes à la fois selon l’influence que chaqune d’elle ou toutes les deux ont exercée sur l’accomplissement de l’acte.”
In de toelichting bij deze versie van het Unidroit-voorontwerp (zonder vermelding van auteur) is te lezen dat het voorontwerp de verschillende gevallen zoals die behandeld worden in de wetboeken van Duitsland en Italië, heeft gevat in één regel die is ontleend aan het Nederlandse voorontwerp.12 Wanneer een van de leden van het comité van experts in een latere bijeenkomst het nut van deze regel in twijfel trekt, antwoordt Meijers dat deze kwestie vooral in de Duitse doctrine aanleiding heeft gegeven tot veel discussie, en dat het hem daarom nodig lijkt in het ontwerp deze oplossing te bieden.13 De volgende versie van de toelichting vermeldt dat men met deze formulering rekening kan houden met de bijzondere omstandigheden van elk geval.14