Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/7.3.6.2
7.3.6.2 Verhaal van schade op pensioenfondsbestuurders
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015,
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS595263:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:9 BW. Zie ook. Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 445.
Art. 2:9 BW en HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360, m.nt. Maeijer; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven).
De Hoge Raad overwoog dit in een casus waarin een bestuurder niet door de vennootschap, maar door een aandeelhouder werd aangesproken (HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21; JOR 2008/260, m.nt. Borrius (Willemsen/NOM)). De ernstigverwijtdrempel is oorspronkelijk geschreven voor situaties waarin het de vennootschap is die de bestuurder aanspreekt. De ratio is daar net zo toepasbaar.
Kroeze 2005.
Zie par. 7.3.6.1.
HR 2 december 1994, NJ 1995, 288, m.nt. Maeijer (Poot/ABP) en HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256; JOR 2007/112 (Tuin Beheer/Houthoff).
HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256; JOR 2007/112 (Tuin Beheer/Houthoff).
Par. 7.3.6.1.
Het is mogelijk dat naast of in plaats van de vermogensbeheerder, een verwijt valt te maken aan een of meer pensioenfondsbestuurders. De redenering is dan dat zij onvoldoende toezicht op of aansturing aan de vermogensbeheerder hebben gegeven dan wel waardoor de schending van de prudent person-regel kon plaatsvinden. Een dergelijk verwijt treft in beginsel het gehele bestuur: naar Nederlands recht geldt het beginsel van collegiaal bestuur.1 Komt vast te staan dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld, dan is in principe het voltallige bestuur hoofdelijk aansprakelijk jegens het pensioenfonds voor de veroorzaakte schade. Een interne taakverdeling kan er evenwel toe leiden dat individuele bestuurders toch de aansprakelijkheidsdans ontspringen. Daaraan worden echter hoge eisen gesteld. De individuele bestuurder moet, mede gelet op de interne taakverdeling, geen ernstig verwijt treffen ten aanzien van het onbehoorlijke bestuur én hij mag niet nalatig zijn geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen ervan af te wenden.2
De eerste vraag is echter of het bestuur aansprakelijk is te houden voor onbehoorlijke taakvervulling. Ook daaraan worden hoge eisen gesteld. De aangesproken (pensioenfonds)bestuurder moet persoonlijk een ernstig verwijt treffen.3 De ratio achter deze hoge aansprakelijkheidsdrempel is dat bestuurders zich niet in overwegende mate moeten laten leiden door defensieve overwegingen.4 Zij moeten geen “bange bestuurders” worden.5 Achteraf is goed te bepalen welke beslissingen gunstig(er) uitpakten. Het bestuur beschikt echter niet over een glazen bol. Hem moet daarom de nodige beslisruimte worden gelaten. Van belang is wel dat het bestuur zijn beslissing kan verantwoorden.
Zou een of meer bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt treffen, dan is het nog maar de vraag of (de overige leden van) het bestuur overgaan tot het instellen van een vordering tot schadevergoeding. Het aanspreken van een collega-bestuurder kent niet alleen juridisch, maar ook psychologisch een hoge drempel. Bovendien riskeren de collega-bestuurders dat op grond van de collegialiteit van het bestuur, het aan de collegebestuurder te maken verwijt ook hen treft.
De mogelijkheden voor begunstigden om (voormalige) pensioenfondsbestuurders aan te spreken wanneer het pensioenfonds dit nalaat, zijn uiterst beperkt. Zij stuiten ook bij het aansprakelijk stellen van bestuurders op het leerstuk van de afgeleide schade.6 Voor de toepassing van dit leerstuk maakt het niet uit of de schade toebrengende partij de (voormalige) bestuurder is van een rechtspersoon.7 Zij zullen moeten aantonen dat de bestuurder specifiek onzorgvuldig jegens hen heeft gehandeld.
In vennootschapsrechtelijke verhoudingen heeft de Hoge Raad geoordeeld dat wanneer een bestuurder zijn taak jegens de vennootschap onbehoorlijk heeft vervuld, daarmee nog niet vaststaat dat hij specifiek onzorgvuldig heeft gehandeld jegens een aandeelhouder. Daarvoor zijn aanvullende omstandigheden nodig, zoals het opzet om de aandeelhouder te benadelen.8
Deze jurisprudentiële lijn is naar mijn mening door te trekken naar de situatie dat de begunstigde van een pensioenfonds de pensioenfondsbestuurder aanspreekt uit onrechtmatige daad. Hiervoor betoogde ik al dat de positie van de begunstigden van een pensioenfonds voldoende overeenkomt met die van een aandeelhouder van een vennootschap zodat het leerstuk van de afgeleide schade ook op hen moet worden toegepast.9 Daaruit volgt eveneens dat ook een begunstigde niet kan volstaan met aan te tonen dat de bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervult. Hij moet aanvullende omstandigheden aantonen, zoals het opzet om de begunstigde( n) te benadelen. Die situatie zal zich in pensioenrechtelijke verhoudingen niet vaak voordoen.