Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:97 BW:Schadebegroting
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:97 BW
Schadebegroting
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 22-12-2025
Actueel t/m
22-12-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:97 BW
In beginsel gewone regels van stelplicht en bewijslast
Art. 6:97 BW heeft betrekking op de vaststelling van de omvang van de schade. Mede blijkens de redactie van art. 6:97 BW heeft de rechter een grote vrijheid bij de vaststelling van de hoogte van de te vergoeden schade. De opmerking van de wetgever dat de rechter daarbij niet strikt gebonden is aan de gewone regels van stelplicht en bewijslast,1 heeft in de rechtspraak van de Hoge Raad aldus een plaats gekregen dat ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade in beginsel de gewone bewijsregels gelden, maar dat de rechter bevoegd is om de schade te begroten op de wijze die met de aard van de schade in overeenstemming is, of de schade te schatten als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.2 De mogelijkheid van de rechter om in zoverre dus van de gewone regels van stelplicht en bewijslast af te wijken is in eerdere rechtspraak van de Hoge Raad prominenter terug te vinden. Zo heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechter bij de begroting āniet gebonden is aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijsā,3 dat de rechter de vrijheid heeft āom bij begroting van de schade van de gewone regels van stelplicht en bewijslast af te wijkenā,4 en dat de rechter de vrijheid heeft van de gewone regels van stelplicht en bewijs(last) af te wijken maar dat dit hem ā[geenszins] belet (ā¦) bij een geschil over feiten die in het debat over de schadeomvang worden gesteld en die hij relevant acht voor de schadebegroting, de gewone regels van stelplicht en bewijslast toe te passenā.5 Deze benadering heeft wel kritiek ontmoet in de literatuur. Volgens G. de Groot & A.J. Akkermans, āSchadevaststelling, bewijslastverdeling en deskundigenberichtā, NTBR 2007/72 moeten de gewone regels van stelplicht en bewijslast op de begroting van de schade van toepassing zijn. De opvatting dat (in beginsel) de gewone regels gelden, lijkt haar weerklank te hebben gevonden in de wijze waarop het uitgangspunt is geformuleerd in de meer recente rechtspraak van de Hoge Raad.6
Begroting van schade berust steeds op een vergelijking tussen de huidige situatie van de benadeelde en de hypothetische situatie waarin hij zou hebben verkeerd als de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis, die de schade heeft veroorzaakt, zou zijn uitgebleven.7 Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het aan op wat hierover redelijkerwijs te verwachten valt. In dat verband moeten de goede en kwade kansen worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft.8 Vooral de inschatting van die (hypothetische) situatie zal zich niet voor āechteā bewijslevering lenen omdat het daarbij gaat om verwachtingen omtrent wat er gebeurd zou zijn en niet om feiten die zich hebben voorgedaan. Wel zal daarbij zoveel mogelijk van concrete aanwijzingen en vaststaande feiten moeten worden uitgegaan.9 Het kan zich aldus voordoen dat de vaststelling van de omvang van de schade in aanmerkelijke mate afhangt van concrete en bewijsbare feiten die zich hebben voorgedaan (en waarvan ook de inschatting van de hypothetische situatie kan afhangen). In dat geval zal volgens de gewone regels van stelplicht en bewijslastverdeling te werk gegaan moeten worden voor zover het de vaststelling van die feiten betreft en lijkt het zelfs geboden die regels in zoverre toe te passen. Te verwachten valt dat de gewone regels rond stelplicht en bewijslast voor de rechter met name richtinggevend zullen zijn daar waar het gaat om schade die zich reeds heeft voorgedaan en/of is gebaseerd op feiten die zich (beweerdelijk) werkelijk hebben voorgedaan.10
Stelplicht en bewijslast rusten op benadeelde
De stelplicht en de bewijslast van de (omvang van de) schade rusten op de benadeelde.11 Dat is een voor de hand liggende toepassing van de hoofdregel van art. 150 Rv. De benadeelde die schadevergoeding vordert, roept immers het ontstaan van een verbintenis tot schadevergoeding van de schuldenaar in. De inhoud van die verbintenis wordt mede bepaald door de omvang van de geleden schade. Ter vaststelling daarvan ligt het op de weg van de benadeelde de (omvang van de) door hem geleden schade te stellen en te bewijzen. Dit betekent dat indien de omvang van de schade afhangt van de aan- of afwezigheid van concrete en bewijsbare feiten en omstandigheden, het in beginsel op de weg van de benadeelde ligt zo nodig bewijs te leveren. Daarbij moet in het oog worden gehouden dat indien het de aangesprokene is die zich beroept op bepaalde feiten waaruit volgt dat er geen of minder schade is, daarmee de bewijslast van die feiten niet op hem komt te rusten. Op de wederpartij van degene met de bewijslast rust immers geen bewijslast voor de feiten die hij aanvoert ter betwisting.12 Wel zal in het algemeen gelden dat de aansprakelijk gestelde partij niet kan volstaan met een algemene ontkenning.13
Aan stelplicht en bewijs te stellen eisen
Aan de stel- en motiveringsplicht kunnen geen hoge eisen worden gesteld. Over het algemeen is voldoende dat de benadeelde feiten stelt waaruit kan worden afgeleid dat hij schade heeft geleden.14 Dat geldt niet alleen als hij schadevergoeding op te maken bij staat vordert, maar ook als hij een bepaald bedrag als schadevergoeding vordert.15 Met name, maar niet alleen, bij letselschade pleegt de Hoge Raad in dit verband wel te overwegen dat aan de benadeelde geen strenge eisen mogen worden gesteld, omdat het immers de aansprakelijke is die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn gebeurd.16 Als de stellingen van de benadeelde onvoldoende zijn om de omvang van de schade vast te stellen, dan zal de rechter hetzij naar de rol moeten verwijzen voor uitlating door de benadeelde over de omvang van de schade, hetzij de partijen ook zonder dat dit uitdrukkelijk was gevorderd naar de schadestaatprocedure moeten verwijzen, of indien hij van oordeel is dat de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, de omvang van de schade op de voet van art. 6:97 BW moeten schatten.17 Maar als niet voldoende is onderbouwd dƔt er schade is geleden, behoeft de rechter niet over te gaan tot het schatten van de schade.18
Hiervoor kwam al ter sprake dat de inschatting van de hypothetische omstandigheden waarin de benadeelde zonder de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt, zou hebben verkeerd, zich niet leent voor āechteā bewijslevering. Het komt daarbij aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen.19 Voldoende is dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt hoe die situatie vermoedelijk zou zijn geweest. Dat betekent dat een bepaalde mate van onzekerheid daarover voor risico van de aansprakelijke persoon is. Wat betreft de begroting van immateriĆ«le schade zie men Ter Heide, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:106 BW.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:97 BW
Schadebegroting
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 22-12-2025
22-12-2025
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:97 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 97
In beginsel gewone regels van stelplicht en bewijslast
Art. 6:97 BW heeft betrekking op de vaststelling van de omvang van de schade. Mede blijkens de redactie van art. 6:97 BW heeft de rechter een grote vrijheid bij de vaststelling van de hoogte van de te vergoeden schade. De opmerking van de wetgever dat de rechter daarbij niet strikt gebonden is aan de gewone regels van stelplicht en bewijslast,1 heeft in de rechtspraak van de Hoge Raad aldus een plaats gekregen dat ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade in beginsel de gewone bewijsregels gelden, maar dat de rechter bevoegd is om de schade te begroten op de wijze die met de aard van de schade in overeenstemming is, of de schade te schatten als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.2 De mogelijkheid van de rechter om in zoverre dus van de gewone regels van stelplicht en bewijslast af te wijken is in eerdere rechtspraak van de Hoge Raad prominenter terug te vinden. Zo heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechter bij de begroting āniet gebonden is aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijsā,3 dat de rechter de vrijheid heeft āom bij begroting van de schade van de gewone regels van stelplicht en bewijslast af te wijkenā,4 en dat de rechter de vrijheid heeft van de gewone regels van stelplicht en bewijs(last) af te wijken maar dat dit hem ā[geenszins] belet (ā¦) bij een geschil over feiten die in het debat over de schadeomvang worden gesteld en die hij relevant acht voor de schadebegroting, de gewone regels van stelplicht en bewijslast toe te passenā.5 Deze benadering heeft wel kritiek ontmoet in de literatuur. Volgens G. de Groot & A.J. Akkermans, āSchadevaststelling, bewijslastverdeling en deskundigenberichtā, NTBR 2007/72 moeten de gewone regels van stelplicht en bewijslast op de begroting van de schade van toepassing zijn. De opvatting dat (in beginsel) de gewone regels gelden, lijkt haar weerklank te hebben gevonden in de wijze waarop het uitgangspunt is geformuleerd in de meer recente rechtspraak van de Hoge Raad.6
Begroting van schade berust steeds op een vergelijking tussen de huidige situatie van de benadeelde en de hypothetische situatie waarin hij zou hebben verkeerd als de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis, die de schade heeft veroorzaakt, zou zijn uitgebleven.7 Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het aan op wat hierover redelijkerwijs te verwachten valt. In dat verband moeten de goede en kwade kansen worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft.8 Vooral de inschatting van die (hypothetische) situatie zal zich niet voor āechteā bewijslevering lenen omdat het daarbij gaat om verwachtingen omtrent wat er gebeurd zou zijn en niet om feiten die zich hebben voorgedaan. Wel zal daarbij zoveel mogelijk van concrete aanwijzingen en vaststaande feiten moeten worden uitgegaan.9 Het kan zich aldus voordoen dat de vaststelling van de omvang van de schade in aanmerkelijke mate afhangt van concrete en bewijsbare feiten die zich hebben voorgedaan (en waarvan ook de inschatting van de hypothetische situatie kan afhangen). In dat geval zal volgens de gewone regels van stelplicht en bewijslastverdeling te werk gegaan moeten worden voor zover het de vaststelling van die feiten betreft en lijkt het zelfs geboden die regels in zoverre toe te passen. Te verwachten valt dat de gewone regels rond stelplicht en bewijslast voor de rechter met name richtinggevend zullen zijn daar waar het gaat om schade die zich reeds heeft voorgedaan en/of is gebaseerd op feiten die zich (beweerdelijk) werkelijk hebben voorgedaan.10
Stelplicht en bewijslast rusten op benadeelde
De stelplicht en de bewijslast van de (omvang van de) schade rusten op de benadeelde.11 Dat is een voor de hand liggende toepassing van de hoofdregel van art. 150 Rv. De benadeelde die schadevergoeding vordert, roept immers het ontstaan van een verbintenis tot schadevergoeding van de schuldenaar in. De inhoud van die verbintenis wordt mede bepaald door de omvang van de geleden schade. Ter vaststelling daarvan ligt het op de weg van de benadeelde de (omvang van de) door hem geleden schade te stellen en te bewijzen. Dit betekent dat indien de omvang van de schade afhangt van de aan- of afwezigheid van concrete en bewijsbare feiten en omstandigheden, het in beginsel op de weg van de benadeelde ligt zo nodig bewijs te leveren. Daarbij moet in het oog worden gehouden dat indien het de aangesprokene is die zich beroept op bepaalde feiten waaruit volgt dat er geen of minder schade is, daarmee de bewijslast van die feiten niet op hem komt te rusten. Op de wederpartij van degene met de bewijslast rust immers geen bewijslast voor de feiten die hij aanvoert ter betwisting.12 Wel zal in het algemeen gelden dat de aansprakelijk gestelde partij niet kan volstaan met een algemene ontkenning.13
Aan stelplicht en bewijs te stellen eisen
Aan de stel- en motiveringsplicht kunnen geen hoge eisen worden gesteld. Over het algemeen is voldoende dat de benadeelde feiten stelt waaruit kan worden afgeleid dat hij schade heeft geleden.14 Dat geldt niet alleen als hij schadevergoeding op te maken bij staat vordert, maar ook als hij een bepaald bedrag als schadevergoeding vordert.15 Met name, maar niet alleen, bij letselschade pleegt de Hoge Raad in dit verband wel te overwegen dat aan de benadeelde geen strenge eisen mogen worden gesteld, omdat het immers de aansprakelijke is die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn gebeurd.16 Als de stellingen van de benadeelde onvoldoende zijn om de omvang van de schade vast te stellen, dan zal de rechter hetzij naar de rol moeten verwijzen voor uitlating door de benadeelde over de omvang van de schade, hetzij de partijen ook zonder dat dit uitdrukkelijk was gevorderd naar de schadestaatprocedure moeten verwijzen, of indien hij van oordeel is dat de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, de omvang van de schade op de voet van art. 6:97 BW moeten schatten.17 Maar als niet voldoende is onderbouwd dƔt er schade is geleden, behoeft de rechter niet over te gaan tot het schatten van de schade.18
Hiervoor kwam al ter sprake dat de inschatting van de hypothetische omstandigheden waarin de benadeelde zonder de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt, zou hebben verkeerd, zich niet leent voor āechteā bewijslevering. Het komt daarbij aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen.19 Voldoende is dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt hoe die situatie vermoedelijk zou zijn geweest. Dat betekent dat een bepaalde mate van onzekerheid daarover voor risico van de aansprakelijke persoon is. Wat betreft de begroting van immateriĆ«le schade zie men Ter Heide, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:106 BW.
Voetnoten
1.
MvA II Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 339.
2.
HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 m.nt. Du Perron (World Online), rov. 4.11.3; HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262 m.nt. Lindenbergh (Tennett/ABB), rov. 4.4.4.
3.
HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2740, NJ 1999/196 (Amev/Staat).
4.
HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5410, NJ 2009/257 (X/Axa); In dezelfde zin: HR 18 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:HC9304, NJ 1986/567 m.nt. Van der Grinten en HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, NJ 1997/682 m.nt. De Boer.
5.
HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5410, NJ 2009/257 (X/Axa).
6.
Zie hierover ook Lindenbergh, in: T&C BW, art. 6:97 BW, aant. 4.b.
7.
Asser/Sieburgh 6-II 2025/31.
8.
O.a. HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590, NJ 2022/172, rov. 3.1.1.
9.
HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590, NJ 2022/172, rov. 3.1.1; Asser/Sieburgh 6-II 2025/33-34.
10.
Aldus Klaassen, Schadevergoeding: algemeen 2(Mon. BW nr. B.35) 2017/6.
11.
O.a. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1941, RvdW 2023/84, rov. 3.2; HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388, RvdW 2025/1048, rov. 3.2.1; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115. Zie ook: Asser/Sieburgh 6-II 2025/33.
12.
Boonekamp/Lock & Valk, Stelplicht & Bewijslast 2.3 (Inleiding). Zie ook HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9243, NJ 2003/212, rov. 3.6.1.
13.
Zie Lindenbergh, GS Schadevergoeding, art. 6:97 BW, aant. 2.8. voor rechtspraak hierover.
14.
HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5211, NJ 2011/601. Evenzo: Asser/Sieburgh 6-II 2025/33. Zie voor verdere jurisprudentie: Lindenbergh, GS Schadevergoeding, art. 6:97 BW, aant. 2.5.
15.
Lindenbergh, GS Schadevergoeding, art. 6:97 BW, aant. 2.5 en 2.7.
16.
O.a. HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590, NJ 2022/172, rov. 3.1.1; HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, RvdW 2024/439, rov. 3.1.2 en HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388, RvdW 2025/1048, rov. 3.2.1.
17.
HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5211, NJ 2011/601; HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:272, NJ 2022/91, rov. 3.1.2.
18.
HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1941, RvdW 2023/84, rov. 3.2; zie ook Asser/Sieburgh 6-II 2025/34.
19.
O.a.: HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654, NJ 1998/624; HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9243, NJ 2003/212; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115; HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568, RvdW 2024/439, rov. 3.1.2.