Lexplicatie, commentaar op art. 63 VWEU:Bronnen en citaten
Lexplicatie, commentaar op art. 63 VWEU
Bronnen en citaten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. E. Thomas, actueel t/m 13-03-2026
Actueel t/m
13-03-2026
Tijdvak
01-12-2009 tot: -
Auteur
mr. E. Thomas
Vindplaats
Lexplicatie, commentaar op art. 63 VWEU
JCDI
JCDI:ADS8785:1
Vakgebied(en)
EU-recht / Marktintegratie
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
"58 Wat artikel 63 VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal betreft, daaronder vallen directe investeringen in de vorm van deelneming in een onderneming door aandeelhouderschap die de mogelijkheid biedt om daadwerkelijk deel te hebben in het bestuur van of de zeggenschap over een vennootschap, en portefeuillebeleggingen, namelijk de verwerving van effecten op de kapitaalmarkt met uitsluitend doel te beleggen zonder invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming te willen uitoefenen (zie arrest van 21 oktober 2010, Idryma Typou, C‑81/09, EU:C:2010:622, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 In het hoofdgeding staat echter vast dat de onderneming die tot collectief ontslag wil overgaan, een bedrijf is waarin een in een andere lidstaat gevestigde multinationale groep van ondernemingen een meerderheidsbelang heeft, waardoor die groep een zodanige invloed op de besluiten van die onderneming kan uitoefenen dat hij de activiteiten ervan kan bepalen. Vast staat ook dat een dergelijk geval onder de vrijheid van vestiging valt, zoals in punt 47 van het onderhavige arrest is uiteengezet. Gesteld dat de regeling waarop het hoofdgeding betrekking heeft het vrije verkeer van kapitaal beperkt, dan is dat in het kader van een dergelijke zaak het onvermijdelijke gevolg van een eventuele belemmering van de vrijheid van vestiging en rechtvaardigt dat geen afzonderlijke toetsing aan artikel 63 VWEU (zie in die zin arresten van 26 maart 2009, Commissie/Italië, C‑326/07, EU:C:2009:193, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 november 2012, Commissie/Griekenland, C‑244/11, EU:C:2012:694, punt 30).
60 Bijgevolg hoeft de regeling aan de orde in het hoofdgeding niet afzonderlijk te worden getoetst aan de regels van het VWEU over het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 21 december 2016, C‑201/15 (AGET Iraklis)
Artikel 63 VwEU heeft rechtstreekse werking
"89 Ook het vrije verkeer van werknemers, het vrij verrichten van diensten en het vrije kapitaalverkeer zoals gewaarborgd in respectievelijk de artikelen 45, 56 en 63 VWEU maken deel uit van de openbare orde van de Unie. Ook deze drie bepalingen, die als enige in het hoofdgeding aan de orde zijn, hebben rechtstreekse werking (zie met betrekking tot artikel 45 VWEU arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en met betrekking tot artikel 63 VWEU arrest van 10 maart 2022, Grossmania, C‑177/20, EU:C:2022:175, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zij maken deel uit van de fundamenten van de interne markt, die een ruimte zonder binnengrenzen omvat in de zin van artikel 26 VWEU."
HvJ EU 1 augustus 2025, C‑600/23 (Royal Football Club Seraing SA)
Bestaan van objectief vergelijkbare situaties
"45 Uit de rechtspraak van het Hof volgt, ten eerste, dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het doel dat wordt nagestreefd met de in het geding zijnde nationale wettelijke regeling, alsook van het voorwerp en de inhoud daarvan, en ten tweede, dat alleen de criteria die in die regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking mogen worden genomen om te beoordelen of het uit een dergelijke wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling van objectief verschillende situaties vormt (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Keva e.a., C‑39/23, EU:C:2024:648, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of XX vergelijkbaar is met een ingezeten vennootschap die dividenden ontvangt vanuit het oogpunt van de kosten die volgen uit de toename van verplichtingen jegens cliënten uit hoofde van unit-linked polissen die het gevolg is van het feit dat de vennootschappen in de aandelen waarvan XX heeft belegd, winst behalen.
47 Er dient te worden opgemerkt dat de verwijzende rechter niet aangeeft welke specifieke doelstelling de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Nederlandse wettelijke regeling nastreeft door een ingezeten vennootschap die overeenkomsten zoals in het hoofdgeding heeft gesloten de mogelijkheid te bieden om de kosten die volgen uit de toename van haar verplichtingen jegens cliënten in mindering te brengen op het belastbare bedrag. Hij vermeldt slechts dat het hierbij gaat om de aftrek van gemaakte kosten.
48 Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat ingezetenen en niet-ingezetenen van een lidstaat in een vergelijkbare situatie verkeren met betrekking tot uitgaven zoals beroepskosten die rechtstreeks verband houden met een activiteit die in die lidstaat belastbaar inkomen heeft gegenereerd (zie onder meer arresten van 24 februari 2015, Grünewald, C‑559/13, EU:C:2015:109, punt 29; 8 november 2012, Commissie/Finland, C‑342/10, EU:C:2012:688, punt 37; 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 57, en 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 74).
49 Volgens de rechtspraak van het Hof is er sprake van een rechtstreeks verband met de betrokken activiteit wanneer wegens deze activiteit kosten worden gemaakt, die dus noodzakelijk zijn voor de uitoefening ervan (arresten van 24 februari 2015, Grünewald, C‑559/13, EU:C:2015:109, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland, C‑18/15, EU:C:2016:549, punt 46, en 6 december 2018, Montag, C‑480/17, EU:C:2018:987, punt 33).
50 Het Hof heeft geoordeeld dat er in het geval van inkomsten in de vorm van dividenden van een dergelijk verband slechts sprake is indien die kosten rechtstreeks samenhangen met de inning als zodanig van de dividenden (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punten 58 en 59)."
HvJ 7 november 2024, C‑782/22 (XX - Belastingdienst)
"56 Uit de rechtspraak van het Hof volgt ten eerste dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het doel dat wordt nagestreefd met de bepalingen van de betrokken nationale regeling, alsook van het voorwerp en de inhoud van die bepalingen, en ten tweede, dat alleen de criteria die in die regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking mogen worden genomen om te beoordelen of het uit die regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling van objectief verschillende situaties vormt (arrest van 30 april 2025, Finanzamt für Großbetriebe, C‑602/23, EU:C:2025:290, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...).
64 Ten slotte houdt de door de Duitse regering aangevoerde doelstelling om uitsluitend aan ingezeten familiestichtingen een voordeel toe te kennen op grond dat alleen hun vermogen, anders dan dat van niet-ingezeten stichtingen, onderworpen is aan een periodieke belasting in de vorm van een vervangende erfbelasting, noodzakelijkerwijs en nauw verband met de oprichting van nationale familiestichtingen, zodat artikel 63, lid 1, VWEU – dat beperkingen van grensoverschrijdend kapitaalverkeer juist verbiedt – volledig zou worden uitgehold indien zou worden erkend dat bepaalde situaties niet met elkaar kunnen worden vergeleken op grond van het enkele feit dat een stichting in een andere staat is gevestigd [zie in die zin arresten van 26 februari 2019, X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd), C‑135/17, EU:C:2019:136, punt 68; 9 september 2021, Real Vida Seguros, C‑449/20, EU:C:2021:721, punt 36, en 12 oktober 2023, BA (Nalatenschappen – Beleid voor sociale huisvesting in de Unie), C‑670/21, EU:C:2023:763, punt 64].
65 Hieruit volgt dat het verschil in behandeling dat wordt gemaakt door de regeling die aan de orde is in het hoofdgeding, betrekking heeft op situaties die objectief vergelijkbaar zijn."
HvJ EU 13 november 2025, C‑142/24 (Familiestiftung - Finanzamt Köln-West)
Gelijke behandeling van binnenlandse en buitenlandse investeringen
"34 Vervolgens wordt deze winst in beide gevallen in Portugal belast. Voor zover de Portugese regering zich erop beroept dat belastingplichtigen die hun kapitaal hebben geïnvesteerd in aandelen die op buitenlandse beurzen zijn genoteerd, de in het buitenland op de dividenden daarvan betaalde belasting kunnen aftrekken van de in Portugal geheven belasting, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de situatie van een belastingplichtige die dividenden ontvangt uit een andere lidstaat, ten aanzien van een belastingregel die ertoe strekt economische dubbele belasting van winstuitkeringen te voorkomen of te verminderen, in zoverre met die van een belastingplichtige die binnenlandse dividenden ontvangt vergelijkbaar is dat de winst in beginsel in beide gevallen opeenvolgende keren kan worden belast (zie in die zin arrest van 24 november 2016, SECIL, C‑464/14, EU:C:2016:896, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De mogelijkheid voor belastingplichtigen die hun kapitaal hebben geïnvesteerd in aandelen die op buitenlandse beurzen zijn genoteerd om de in het buitenland op de dividenden daarvan betaalde belasting af te trekken van de in Portugal geheven belasting, gesteld al dat die mogelijkheid wordt aangetoond, kan deze belastingplichtigen dus niet in een andere situatie brengen dan belastingplichtigen die hun kapitaal hebben geïnvesteerd in aandelen die op de Portugese beurs zijn genoteerd.
35 Ten slotte blijkt zowel uit de verwijzingsbeslissing als uit de schriftelijke opmerkingen van de Portugese regering dat het belastingvoordeel voor belastingplichtigen die hun kapitaal hebben geïnvesteerd in aandelen die op de Portugese beurs zijn genoteerd, tot doel had de Portugese beurs dynamischer te maken en te ontwikkelen.
36 Aangezien een dergelijke doelstelling, zoals blijkt uit de overwegingen in de punten 22 en 23 van het onderhavige arrest, noodzakelijkerwijs en nauw samenhangt met de bevordering van binnenlandse investeringen, zou artikel 63, lid 1, VWEU, dat beperkingen van het grensoverschrijdende kapitaalverkeer juist verbiedt, volledig worden uitgehold indien werd erkend dat een investering in aandelen die op de Portugese beurs zijn genoteerd belastingplichtigen in een andere situatie plaatst dan belastingplichtigen die hebben geïnvesteerd in aandelen die op buitenlandse beurzen zijn genoteerd [zie naar analogie arrest van 26 februari 2019, X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd), C‑135/17, EU:C:2019:136, punt 68]."
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
"61 In dit verband zij eraan herinnerd dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor de dividenden die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van de ingezeten belastingplichtigen (arresten van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 67, en 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Het enkele feit dat die lidstaat zijn fiscale bevoegdheid uitoefent, brengt immers als zodanig, los van enige heffing van belasting in een andere lidstaat, een risico van opeenvolgende belastingheffingen of economische dubbele belasting mee. In een dergelijk geval dient de lidstaat van vestiging van de uitkerende vennootschap ervoor te zorgen dat niet-ingezeten belastingplichtigen, wat de in zijn nationale recht vervatte regeling ter voorkoming of vermindering van opeenvolgende belastingheffingen of economische dubbele belasting betreft, een behandeling ondergaan die vergelijkbaar is met die van ingezeten belastingplichtigen opdat zij niet worden geconfronteerd met een in beginsel door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer (arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 Ingeval de verwijzende rechter van oordeel is dat een niet-ingezeten vennootschap in een situatie verkeert die objectief vergelijkbaar is met die van een ingezeten vennootschap, moet volgens de in punt 44 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak nog worden onderzocht of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verschil in behandeling in voorkomend geval kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang."
HvJ 7 november 2024, C‑782/22 (XX - Belastingdienst)
Beoordeling vergelijkbaarheid binnenlandse en grensoverschrijdende investeringen
"44 Uit de rechtspraak van het Hof volgt, ten eerste, dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het doel dat wordt nagestreefd met de in het geding zijnde nationale wettelijke regeling, alsook van het voorwerp en de inhoud daarvan, en ten tweede, dat alleen de criteria die in die regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking mogen worden genomen om te beoordelen of het uit een dergelijke wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling van objectief verschillende situaties vormt [arresten van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door icbe’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 49, en 7 november 2024, XX (Zogeheten unit-linked overeenkomsten), C‑782/22, EU:C:2024:932, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
45 Daarom heeft het Hof geoordeeld dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor de dividenden die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van ingezeten belastingplichtigen [arresten van 12 december 2006, Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, C‑374/04, EU:C:2006:773, punt 68, en 19 december 2024, Credit Suisse Securities (Europe), C‑601/23, EU:C:2024:1048, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 27 november 2025, C‑525/24 (Santander Renta Variable España Pensiones, Fondo de Pensiones)
Het begrip 'kapitaalverkeer'
"41 In dit verband blijkt uit de nomenclatuur van de kapitaalbewegingen in bijlage I bij richtlijn 88/361 – die nog steeds indicatieve waarde heeft om het begrip „kapitaalverkeer” te definiëren (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 31) – dat de materiële werkingssfeer van deze vrijheid ziet op verrichtingen die betrekking hebben op tegoeden of verplichtingen in nationale of buitenlandse valuta’s, waaronder het verstrekken van leningen of het schenken van geldsommen."
HvJ EU 7 september 2023, C‑15/22 (RF)
"15 Wat voorts het vrije verkeer van kapitaal betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof, nu het VWEU geen definitie van het begrip „kapitaalverkeer” bevat, heeft erkend dat de nomenclatuur in de bijlage bij richtlijn 88/361 indicatieve waarde heeft, ook al is deze vastgesteld op basis van de artikelen 69 en 70, lid 1, EEG-Verdrag (de artikelen 67 tot en met 73 EEG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 73 B tot en met 73 G EG-Verdrag, nadien de artikelen 56 EG tot en met 60 EG), waarbij de lijst die zij bevat, zoals in de inleiding te kennen wordt gegeven, niet uitputtend is (zie arresten van 23 februari 2006, Van Hilten-van der Heijden, C‑513/03, Jurispr. blz. I‑1957, punt 39; 14 september 2006, Centro di Musicologia Walter Stauffer, C‑386/04, Jurispr. blz. I‑8203, punt 22; 11 september 2008, Eckelkamp e.a., C‑11/07, Jurispr. blz. I‑6845, punt 38; 11 september 2008, Arens‑Sikken, C‑43/07, Jurispr. blz. I‑6887, punt 29, en 22 april 2010, Mattner, C‑510/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 19)."
HvJ EU 10 februari 2011, C-25/11 (Missionswerk Werner Heukelbach eV)
"25 Met betrekking tot artikel 63 VWEU is het vaste rechtspraak dat, aangezien het Verdrag geen definitie bevat van het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van lid 1 van dat artikel, de nomenclatuur in bijlage I bij richtlijn 88/361 een indicatieve waarde behoudt, ook al is deze richtlijn vastgesteld op basis van de artikelen 69 en 70, lid 1, EEG-Verdrag (de artikelen 67 tot en met 73 EEG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 73 B tot en met 73 G EG-Verdrag, later de artikelen 56 EG tot en met 60 EG), waarbij de nomenclatuur die zij bevat, zoals in de derde alinea van de inleiding van deze bijlage te kennen wordt gegeven, het begrip „kapitaalverkeer” geenszins beperkt (zie met name arresten van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, Jurispr. blz. I‑359, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, Jurispr. blz. I‑8591, punt 39; 15 oktober 2009, Busley en Cibrian Fernandez, C‑35/08, Jurispr. blz. I‑9807, punt 17, en 10 februari 2011, Missionswerk Werner Heukelbach, C‑25/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 15).
26 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat schenkingen en nalatenschappen, die onder rubriek XI („Kapitaalverkeer van persoonlijke aard”) van bijlage I bij richtlijn 88/361 vallen, kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU vormen, tenzij alle bestanddelen binnen één lidstaat gelegen zijn (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Persche, punt 27; Busley en Cibrian Fernandez, punt 18, en Missionswerk Werner Heukelbach, punt 16).
27 Bijgevolg valt de overdracht van in Duitsland gelegen onroerende goederen als gift of als voorschot op het erfdeel ten gunste van een in België wonende natuurlijke persoon onder artikel 63 VWEU."
HvJ EU 31 maart 2011, nr. C-450/09 (Schröder)
“47 Wat in de eerste plaats het bestaan van kapitaalverkeer betreft, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat, bij het ontbreken van een definitie van het begrip „kapitaalverkeer” in het VWEU, dit begrip moet worden verstaan in het licht van de indicatieve en niet-uitputtende nomenclatuur in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van [het bij het Verdrag van Amsterdam] ingetrokken artikel 67 van het [EG‑Verdrag] (PB 1988, L 178, blz. 5) [arresten van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, EU:C:2009:33, punt 24, en 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 54].
48 Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat schenkingen en nalatenschappen, die onder rubriek XI („Kapitaalverkeer van persoonlijke aard”) van deze bijlage I vallen, onder het begrip „kapitaalverkeer” vallen, tenzij alle essentiële bestanddelen binnen één lidstaat gelegen zijn (zie in die zin arresten van 26 april 2012, Van Putten, C‑578/10–C‑580/10, EU:C:2012:246, punt 29, en 16 juli 2015, Commissie/Frankrijk, C‑485/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:506, punt 22).
49 Voorts omvat dit begrip door niet-ingezetenen aan ingezetenen verstrekte financiële leningen en kredieten en door niet-ingezetenen aan ingezetenen verleende borgstellingen en andere garanties, zoals opgesomd in de rubrieken VIII en IX van deze bijlage I.”
HvJ EU 18 juni 2020, C‑78/18 (Europese Commissie - Zweden)
"32 Aangezien het Verdrag geen definitie van het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU bevat, heeft het Hof de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van [het bij het Verdrag van Amsterdam ingetrokken] artikel 67 van het [EG-]Verdrag (PB 1988, L 178, blz. 5) als indicatie genomen. Zo heeft het Hof geoordeeld dat van kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU met name sprake is bij de zogenoemde „directe” investeringen, te weten investeringen in de vorm van een deelneming in een onderneming door aandeelhouderschap die de mogelijkheid biedt om daadwerkelijk deel te hebben in het bestuur van of de zeggenschap over een vennootschap (arrest van 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12–C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Aangezien directe investeringen gericht zijn op de vestiging of de handhaving van duurzame en rechtstreekse betrekkingen tussen de kapitaalverschaffer en de onderneming waarvoor de desbetreffende middelen bestemd zijn, moeten de aandeelhouders de mogelijkheid hebben daadwerkelijk deel te hebben in het bestuur van of de zeggenschap over deze onderneming (zie in die zin arrest van 10 november 2011, Commissie/Portugal, C‑212/09, EU:C:2011:717, punt 43).
34 Derhalve valt de verwerving van een deelneming in het kapitaal van een financiële beleggingsmaatschappij zoals aan de orde in het hoofdgeding, met name voor zover die gepaard gaat met stemrechten die overeenkomen met het percentage van die verwerving, onder het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU.”
HvJ EU 16 september 2020, C‑339/19 (Romenergo en Aris Capital)
"17 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld met betrekking tot een bruikleen die is overeengekomen tussen in verschillende lidstaten woonachtige burgers, gaat het bij het grensoverschrijdend lenen om niet van een motorvoertuig om kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU (arrest van 29 oktober 2015, Nagy, C‑583/14, EU:C:2015:737, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 Aangezien artikel 63 VWEU van toepassing is en in bijzondere discriminatieverboden voorziet, vindt artikel 18 VWEU dus geen toepassing (arrest van 29 oktober 2015, Nagy, C‑583/14, EU:C:2015:737, punt 24)."
HvJ EU 16 december 2021, C‑274/20 (GN en WX)
"40 Het kapitaalverkeer omvat namelijk handelingen waarmee niet-ingezetenen op het grondgebied van een lidstaat in onroerend goed beleggen, zoals blijkt uit de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het EG-Verdrag (PB 1988, L 178, blz. 5). Deze nomenclatuur behoudt voor de definitie van het begrip kapitaalverkeer de indicatieve waarde die zij voorheen reeds bezat (arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 7 april 2022, C‑342/20 (A SCPI)
"27 Aangezien het VWEU geen definitie van het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU bevat, heeft het Hof voor die definitie de nomenclatuur van kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361 als indicatie genomen, met dien verstande dat deze nomenclatuur niet uitputtend is, zoals in herinnering gebracht in de inleiding van die bijlage (arresten van 15 februari 2017, X, C‑317/15, EU:C:2017:119, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 september 2020, Romenergo en Aris Capital, C‑339/19, EU:C:2020:709, punt 32).
28 Deze bijlage I vermeldt in rubriek VI „verrichtingen in rekeningen-courant en depositorekeningen bij financiële instellingen” en in rubriek VIII „financiële leningen en kredieten”. Voorts wordt in het onderdeel „Verklarende aantekeningen” van deze bijlage nader bepaald dat de term „kredietinstellingen” onder meer duidt op banken.
29 Ten slotte heeft het Hof reeds verduidelijkt dat het bedrijfsmatig verstrekken van kredieten ook verband houdt met de vrijheid van kapitaalverkeer (zie in die zin arresten van 3 oktober 2006, Fidium Finanz, C‑452/04, EU:C:2006:631, punt 43, en 14 februari 2019, Milivojević, C‑630/17, EU:C:2019:123, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Gelet op voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat financiële leningen en kredieten alsook verrichtingen in rekeningen-courant en depositorekeningen bij financiële instellingen, in het bijzonder kredietinstellingen, kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU vormen."
HvJ EU 2 maart 2023, C‑78/21 (AS „PrivatBank”, A, B, Unimain Holdings LTD)
Bestaan van objectief vergelijkbare situaties
45 Uit de rechtspraak van het Hof volgt, ten eerste, dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het doel dat wordt nagestreefd met de in het geding zijnde nationale wettelijke regeling, alsook van het voorwerp en de inhoud daarvan, en ten tweede, dat alleen de criteria die in die regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking mogen worden genomen om te beoordelen of het uit een dergelijke wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling van objectief verschillende situaties vormt (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Keva e.a., C‑39/23, EU:C:2024:648, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of XX vergelijkbaar is met een ingezeten vennootschap die dividenden ontvangt vanuit het oogpunt van de kosten die volgen uit de toename van verplichtingen jegens cliënten uit hoofde van unit-linked polissen die het gevolg is van het feit dat de vennootschappen in de aandelen waarvan XX heeft belegd, winst behalen.
47 Er dient te worden opgemerkt dat de verwijzende rechter niet aangeeft welke specifieke doelstelling de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Nederlandse wettelijke regeling nastreeft door een ingezeten vennootschap die overeenkomsten zoals in het hoofdgeding heeft gesloten de mogelijkheid te bieden om de kosten die volgen uit de toename van haar verplichtingen jegens cliënten in mindering te brengen op het belastbare bedrag. Hij vermeldt slechts dat het hierbij gaat om de aftrek van gemaakte kosten.
48 Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat ingezetenen en niet-ingezetenen van een lidstaat in een vergelijkbare situatie verkeren met betrekking tot uitgaven zoals beroepskosten die rechtstreeks verband houden met een activiteit die in die lidstaat belastbaar inkomen heeft gegenereerd (zie onder meer arresten van 24 februari 2015, Grünewald, C‑559/13, EU:C:2015:109, punt 29; 8 november 2012, Commissie/Finland, C‑342/10, EU:C:2012:688, punt 37; 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 57, en 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 74).
49 Volgens de rechtspraak van het Hof is er sprake van een rechtstreeks verband met de betrokken activiteit wanneer wegens deze activiteit kosten worden gemaakt, die dus noodzakelijk zijn voor de uitoefening ervan (arresten van 24 februari 2015, Grünewald, C‑559/13, EU:C:2015:109, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland, C‑18/15, EU:C:2016:549, punt 46, en 6 december 2018, Montag, C‑480/17, EU:C:2018:987, punt 33).
50 Het Hof heeft geoordeeld dat er in het geval van inkomsten in de vorm van dividenden van een dergelijk verband slechts sprake is indien die kosten rechtstreeks samenhangen met de inning als zodanig van de dividenden (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punten 58 en 59)."
HvJ 7 november 2024, C‑782/22 (XX - Belastingdienst)
Wat valt niet onder het begrip kapitaalverkeer: uitkeringen met als juridische basis de ACS-EEG-Overeenkomst
"44 In dit verband zij eraan herinnerd dat het juist is dat het Hof in punt 38 van het arrest van 2 maart 1994, Parlement/Raad (C‑316/91, EU:C:1994:76), heeft geoordeeld dat de staten de uitgaven die noodzakelijk zijn voor de financiële steun als bedoeld in artikel 231 van de vierde ACS-EEG-Overeenkomst en artikel 1 van het aan die overeenkomst gehechte financieel protocol rechtstreeks voor hun rekening nemen.
45 In datzelfde punt heeft het Hof evenwel een onderscheid gemaakt tussen het ten laste nemen van die uitgaven door de lidstaten en de verdeling van de steun die dit mogelijk beoogt te maken, aangezien het Hof heeft beklemtoond dat die steun niet werd verdeeld door die staten, maar door het 7e EOF. Voorts heeft het Hof in punt 29 van dat arrest opgemerkt dat het feit dat de vierde ACS-EEG-Overeenkomst was gesloten door zowel de Europese Economische Gemeenschap als de lidstaten, deze – onder voorbehoud van afwijkingen waarin uitdrukkelijk was voorzien – jegens de ACS-staten gezamenlijk aansprakelijk waren voor de nakoming van alle verplichtingen die voortvloeiden uit de aangegane verbintenissen, waaronder die welke betrekking hadden op de financiële steun. Zoals blijkt uit de punten 30 tot en met 32 van voornoemd arrest, wordt in de vierde ACS-EEG-Overeenkomst dan ook weliswaar de uitdrukking „financiële steun van de Gemeenschap” gebezigd, maar moet deze uitdrukking in de context van die overeenkomst worden opgevat als een verwijzing naar de Europese Economische Gemeenschap en haar lidstaten samen.
46 In de punten 33 tot en met 37 van datzelfde arrest heeft het Hof daaruit afgeleid dat de steun die door het 7e EOF werd uitgekeerd, tot doel had de in artikel 231 van de vierde ACS-EEG-Overeenkomst genoemde verplichting tot het verlenen van financiële steun na te komen die op de Gemeenschap en de lidstaten gezamenlijk rustte, maar die de lidstaten vrijwillig hadden besloten op zich te nemen, hetgeen de reden was waarom zij het 7e EOF hadden ingesteld.
47 Gelet op het voorgaande moet dus worden geoordeeld dat de lidstaten weliswaar rechtstreeks de voor de financiële steun noodzakelijke uitgaven en, meer in het algemeen, de kapitaalvoorziening van het 7e EOF voor hun rekening nemen, maar dat de verdeling van die steun door dit fonds niet moet worden geacht te gebeuren door de lidstaten, maar door een entiteit die bij intergouvernementele overeenkomst is opgericht om in de plaats van de Unie en de lidstaten de verplichtingen op zich te nemen die zij bij de bekrachtiging van een gemengde internationale overeenkomst gezamenlijk zijn aangegaan.
48 Derhalve moet worden vastgesteld dat de kapitaalbeweging waarmee de verdeling van financiële steun door het 7e EOF gepaard gaat, geen kapitaalbeweging is die plaatsvindt tussen lidstaten of tussen een lidstaat en een derde land, maar wel tussen die entiteit en – in beginsel – een derde land, zodat zij niet binnen de werkingssfeer van het vrije kapitaalverkeer kan vallen.
49 Hetzelfde geldt voor de verdeling van financiële steun door het 9e EOF, aangezien de bepalingen van de Overeenkomst van Cotonou en het intern akkoord betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van de Overeenkomst van Cotonou op dit punt overeenkomen met de hierboven genoemde bepalingen."
HvJ EU 7 september 2023, C‑15/22 (RF)
Wat valt niet onder het kapitaalverkeer: Te onzekere en te indirecte beperkingen van het kapitaalverkeer
"50 Overigens moet, zelfs indien de belastingpraktijk in kwestie binnen de werkingssfeer van het vrije verkeer van kapitaal zou vallen, in herinnering worden gebracht dat het vaste rechtspraak is dat wanneer de mogelijkerwijs uit een nationale maatregel voortvloeiende beperkingen te onzeker en indirect zijn, deze beperkingen niet kunnen worden geacht een van de verkeersvrijheden te belemmeren (zie naar analogie arrest van 27 oktober 2022, Instituto do Cinema e do Audiovisual, C‑411/21, EU:C:2022:836, punt 29). Een belastingpraktijk als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, kan geen zekere en rechtstreekse negatieve invloed hebben op de door het 7e of het 9e EOF toegekende financieringen.
51 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat een belastingpraktijk als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet onder het in artikel 63, lid 1, VWEU bedoelde vrije verkeer van kapitaal valt."
HvJ EU 7 september 2023, C‑15/22 (RF)
Kapitaalverkeer betreft een beweging tussen (1) EU-Lidstaten of (2) een EU-Lidstaat en een derde Staat
"43 Uit de bewoordingen van artikel 63, lid 1, VWEU blijkt dat voor de toepassing van het vrije kapitaalverkeer een beweging tussen lidstaten of tussen een lidstaat en een derde land vereist is."
HvJ EU 7 september 2023, C‑15/22 (RF)
Het onderscheid tussen het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging
"34 Aangezien in de prejudiciële vraag wordt verwezen naar zowel de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging als de bepalingen van dat Verdrag die betrekking hebben op het vrije verkeer van kapitaal, moet worden vastgesteld welke vrijheid in het hoofdgeding van toepassing is (arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat bij de beantwoording van de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening moet worden gehouden met het voorwerp van de regeling in kwestie (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Wanneer op basis van het voorwerp van die regeling niet kan worden uitgemaakt of zij overwegend onder artikel 49 VWEU dan wel onder artikel 63 VWEU valt, houdt het Hof rekening met de feitelijke gegevens van het concrete geval om uit te maken of de situatie waarop het hoofdgeding betrekking heeft, onder de ene of de andere van die bepalingen valt (arrest van 11 juni 2020, KOB, C‑206/19, EU:C:2020:463, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Voorts onderzoekt het Hof, wanneer een nationale maatregel zowel verband houdt met de vrijheid van vestiging als met het vrije verkeer van kapitaal, de betrokken maatregel in beginsel uit het oogpunt van slechts één van deze twee vrijheden, indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (zie naar analogie arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 In casu heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling betrekking op de vrijstelling voor beleggingsfondsen die rechtens bij overeenkomst zijn opgericht en hoofdzakelijk beleggen in vastgoed en waardepapieren met betrekking tot vastgoed.
39 Wat in de eerste plaats vastgoedinvesteringen betreft, is het vaste rechtspraak dat nationale maatregelen die verband houden met handelingen waarmee niet-ingezetenen dergelijke investeringen op het grondgebied van een lidstaat doen, zowel onder artikel 49 VWEU betreffende de vrijheid van vestiging als onder artikel 63 VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal kunnen vallen (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 29).
40 Het kapitaalverkeer omvat namelijk handelingen waarmee niet-ingezetenen op het grondgebied van een lidstaat in onroerend goed beleggen, zoals blijkt uit de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het EG-Verdrag (PB 1988, L 178, blz. 5). Deze nomenclatuur behoudt voor de definitie van het begrip kapitaalverkeer de indicatieve waarde die zij voorheen reeds bezat (arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Verder leidt de uitoefening van het recht om op het grondgebied van een andere lidstaat onroerende goederen te verwerven, te exploiteren en te vervreemden, dat het noodzakelijke complement van de vrijheid van vestiging is, tot kapitaalverkeer (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 30 en aangehaalde rechtspraak).
42 Niettemin kunnen de regels inzake het recht van vestiging in beginsel slechts worden toegepast indien een permanente aanwezigheid in de lidstaat van ontvangst verzekerd is en, in het geval van verwerving en bezit van onroerende goederen, deze goederen actief worden beheerd (arrest van 14 september 2006, Centro di Musicologia Walter Stauffer, C‑386/04, EU:C:2006:568, punt 19).
43 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat A in Finland niet beschikt over bedrijfsruimten of enige andere vestiging van waaruit zij haar vastgoedinvesteringen in Finland, al was het maar gedeeltelijk, zou beheren of daarover beslissingen zou nemen.
44 Wat in de tweede plaats deelnemingen in kapitaalvennootschappen betreft, volgt uit de vaste rechtspraak van het Hof dat de fiscale behandeling van dividenden die door dergelijke vennootschappen worden uitgekeerd, niet alleen onder artikel 63 VWEU, maar ook onder artikel 49 VWEU kunnen vallen (zie in die zin arrest van 20 september 2018, EV, C‑685/16, EU:C:2018:743, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 In dit opzicht is reeds geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een duidelijke invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend en waarmee de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder artikel 49 VWEU, betreffende de vrijheid van vestiging, valt. Nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen, zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de onderneming uit te oefenen, dienen daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal te worden getoetst (arrest van 13 maart 2014, Bouanich, C‑375/12, EU:C:2014:138, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Zoals in punt 38 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling betrekking op de fiscale behandeling van inkomsten uit vastgoedinvesteringen van instellingen voor collectieve belegging.
47 Die regeling sluit situaties die onder de vrijheid van vestiging vallen niet uit van haar werkingssfeer, maar ziet op investeringen die als belegging worden gedaan zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de onderneming uit te oefenen. Zij kan het vrije verkeer van kapitaal derhalve aanzienlijk aantasten. Eventuele beperkingen van de vrijheid van vestiging ten gevolge van die regeling zouden een onvermijdelijk gevolg zijn van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal en rechtvaardigen dus geen autonome toetsing van die regeling aan artikel 49 VWEU (zie in die zin arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Gelet op het voorgaande moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregel uitsluitend worden getoetst aan de artikelen 63 en 65 VWEU."
HvJ EU 7 april 2022, C‑342/20 (A SCPI)
Exploitatie van grond als kapitaalverkeer
"23 Volgens vaste rechtspraak moet in dit kader rekening worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie (zie in die zin arresten van 13 maart 2014, Bouanich, C‑375/12, EU:C:2014:138, punt 27, en 3 maart 2020, Tesco-Global Áruházak, C‑323/18, EU:C:2020:140, punten 50 en 51).
24 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat KOB landbouwgrond in Letland wenst te verwerven om die te exploiteren. Ook blijkt eruit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet alleen betrekking heeft op de verwerving van landbouwgrond in Letland, maar ook de duurzame exploitatie ervan ten behoeve van de landbouw beoogt te waarborgen.
25 Op basis van het voorwerp van deze regeling kan dus niet worden uitgemaakt of zij overwegend onder artikel 49 VWEU dan wel onder artikel 63 VWEU valt. In een dergelijk geval houdt het Hof rekening met de feitelijke gegevens van het concrete geval om uit te maken of de situatie waarop het hoofdgeding betrekking heeft, onder de ene of de andere van deze bepalingen valt (zie naar analogie arrest van 13 maart 2014, Bouanich, C‑375/12, EU:C:2014:138, punt 30).
26 In het onderhavige geval blijkt uit de verwijzingsbeslissing en het aan het Hof overgelegde dossier dat de feitelijke situatie van het hoofdgeding wordt gekenmerkt door het feit dat een handelsvennootschap ten behoeve van de uitoefening van haar landbouwactiviteit geen landbouwgrond in Letland mag verwerven zolang haar vertegenwoordiger en haar vennoten niet hebben aangetoond dat zij hun verblijfplaats hebben in die lidstaat en de Letse taal op een bepaald niveau beheersen.
27 Een dergelijke situatie valt, anders dan andere situaties waarvan het Hof heeft geoordeeld dat die overwegend onder de vrijheid van kapitaalverkeer vielen (zie onder meer arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punten 58 en 59), in de eerste plaats onder de vrijheid van vestiging.
28 Bijgevolg moet een nationale wettelijke regeling zoals aan de orde in het hoofdgeding, overeenkomstig de in punt 22 in herinnering gebrachte rechtspraak, uitsluitend uit het oogpunt van de laatstgenoemde vrijheid worden onderzocht."
HvJ EU 11 juni 2020, C‑206/19 („KOB” SIA)
"99 Volgens artikel 63, lid 1, VWEU zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.
100 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak, aangezien het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU niet is gedefinieerd in het VWEU, het Hof indicatieve waarde heeft toegekend aan de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het [(bij het Verdrag van Amsterdam ingetrokken EG-]Verdrag (PB 1988, L 178, blz. 5) (arresten van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, EU:C:2009:33, punt 24; 10 november 2011, Commissie/Portugal, C‑212/09, EU:C:2011:717, punt 47, en 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12–C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 40).
101 Zo heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU met name bestaat in de zogenoemde „directe” investeringen, te weten investeringen in de vorm van een deelneming in een onderneming door aandeelhouderschap, die de mogelijkheid biedt om daadwerkelijk deel te hebben in het bestuur van en de zeggenschap over een vennootschap, alsmede de zogenoemde „portefeuillebeleggingen”, te weten investeringen in de vorm van de verwerving van effecten op de kapitaalmarkt met uitsluitend doel te beleggen, zonder invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming te willen uitoefenen [arresten van 11 november 2011, Commissie/Portugal, C‑543/08, EU:C:2010:669, punt 46; 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12 – C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 40, en 26 februari 2019, X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd), C‑135/17, EU:C:2019:136, point 26].
102 Ten aanzien van deze twee investeringsvormen heeft het Hof gepreciseerd dat nationale maatregelen die het verwerven van aandelen in de betrokken ondernemingen kunnen blokkeren of beperken, of investeerders uit andere lidstaten ervan kunnen weerhouden in die ondernemingen te investeren, moeten worden aangemerkt als „beperkingen” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (arresten van 21 oktober 2010, Idryma Typou, C‑81/09, EU:C:2010:622, punt 55; 10 november 2011, Commissie/Portugal, C‑212/09, EU:C:2011:717, punt 48, en 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12 – C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 41)."
HvJ EU 16 juli 2020, zaak C‑686/18 (O.C. e.a.)
Successies/nalatenschappen/legaten vallen binnen de reikwijdte van artikel 63 VwEU
"28 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling alsmede tussen lidstaten en derde landen.
29 Zoals uit de rechtspraak blijkt, vallen successies, die hierin bestaan dat een of meerdere personen de nalatenschap van een overledene verkrijgen, dat wil zeggen in de overdracht aan de erfgenamen van de eigendom van de verschillende goederen, rechten en elementen waaruit het betrokken vermogen bestaat, onder de bepalingen van het VWEU betreffende het kapitaalverkeer, in het bijzonder artikel 63 VWEU, tenzij alle constituerende delen ervan binnen één lidstaat gelegen zijn [zie in die zin arresten van 23 februari 2006, Van Hilten-Van der Heijden, C‑513/03, EU:C:2006:131, punt 41; 21 december 2021, Finanzamt V (Erfopvolging – Beperkte belastingplicht en aftrek van legitieme porties), C‑394/20, EU:C:2021:1044, punt 29, en 12 oktober 2023, BA (Nalatenschappen – Beleid voor sociale huisvesting in de Unie), C‑670/21, EU:C:2023:763, punt 38]."
HvJ EU 30 oktober 2025, C‑373/24 [Ramavić](NI – Kroatië)
"46 Uit de rechtspraak van het Hof inzake erfopvolging blijkt dat een regeling van een lidstaat die de toepassing van een belastingvoordeel op het gebied van nalatenschappen, zoals een belastingvrijstelling, laat afhangen van de woonplaats van de erflater of de begunstigde dan wel van de plaats van de goederen die deel uitmaken van de nalatenschap, een beperking vormt van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU wanneer zij tot gevolg heeft dat nalatenschappen waarbij niet-ingezetenen of in een andere lidstaat gelegen goederen zijn betrokken zwaarder worden belast dan nalatenschappen waarbij alleen ingezetenen zijn betrokken of die alleen in de lidstaat van belastingheffing gelegen goederen omvat, en derhalve leidt tot een waardevermindering van de nalatenschap (arrest van 30 juni 2016, Feilen, C‑123/15, EU:C:2016:496, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Het Hof heeft voorts geoordeeld dat een regeling die bepaalt dat legaten aan bepaalde op het nationale grondgebied gevestigde rechtspersonen zonder winstoogmerk fiscaal gunstiger worden behandeld dan legaten aan soortgelijke entiteiten die in andere lidstaten van de Unie of de EER zijn gevestigd, tot gevolg heeft dat de waarde van goederen die worden nagelaten aan rechtspersonen zonder winstoogmerk die in lidstaten van de Unie of de EER zijn gevestigd, wordt verminderd, en dat zij dus een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU vormt (zie in die zin arrest van 4 mei 2017, Commissie/Griekenland, C‑98/16, EU:C:2017:346, punten 32, 33 en 35).
48 Gelet op de in de punten 46 en 47 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet worden geoordeeld dat de beperkingen op het kapitaalverkeer in de zin van artikel 40 van de EER-Overeenkomst, wat betreft de overdracht van vermogen aan een familiestichting, die gelijkgesteld wordt met een schenking onder levenden, ook de beperkingen omvatten die voorzien in een gunstigere fiscale behandeling van schenkingen aan een op het nationale grondgebied gevestigde familiestichting dan van schenkingen aan soortgelijke entiteiten die in EER-lidstaten zijn gevestigd en die tot gevolg hebben dat de waarde van de goederen die aan een dergelijke soortgelijke entiteit worden geschonken, wordt verminderd.
49 Bovendien volgt uit vaste rechtspraak dat een liquiditeitsnadeel dat zich voordoet in een grensoverschrijdende situatie een beperking van de fundamentele vrijheden kan vormen wanneer een soortgelijk nadeel zich niet voordoet in een zuiver nationale situatie (arrest van 17 september 2015, F. E. Familienprivatstiftung Eisenstadt, C‑589/13, EU:C:2015:612, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 13 november 2025, C‑142/24 (Familiestiftung - Finanzamt Köln-West)
Successierecht valt binnen de reikwijdte van het vrije verkeer van kapitaal
"28 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen.
29 De belasting die wordt geheven op successies, die bestaan in een overdracht van de nalatenschap van een overledene aan een of meerdere personen, valt onder de bepalingen van het VWEU betreffende het vrije kapitaalverkeer, tenzij alle constituerende delen van de successie binnen één lidstaat gelegen zijn (arrest van 26 mei 2016, Commissie/Griekenland, C‑244/15, EU:C:2016:359, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Een situatie waarin een lidstaat erfbelasting heft over op zijn grondgebied gelegen goederen van de nalatenschap die toebehoren aan een persoon die op het tijdstip van zijn overlijden niet in die lidstaat woonde en die worden verkregen door een eveneens niet-ingezeten erfgenaam, kan niet als een zuiver interne situatie worden beschouwd. Bijgevolg valt een dergelijke situatie onder het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU.
31 Derhalve moet worden onderzocht of een nationale regeling die voorziet in een vermindering van de belastingvrije som in geval van een beperkte erfbelastingplicht, een beperking van het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU vormt en, zo ja, of een dergelijke beperking gerechtvaardigd is."
HvJ EU 21 december 2021, C‑394/20 (XY)
De wijze van berekening van het honorarium van een notaris voor de verplichte verklaring erfrecht
"47 Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 63, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de bezoldiging van een notaris op wiens diensten een erfgenaam in bepaalde omstandigheden een beroep moet doen om de in het nationale recht vastgestelde erfrechtverklaring te laten opstellen, wordt berekend over het volledige brutovermogen van de nalatenschap dat alle in die lidstaat en in een andere lidstaat gelegen goederen omvat, en niet alleen over uitsluitend de bruto-activa bestaande uit de goederen die zich in de eerste lidstaat bevinden, zonder dat rekening wordt gehouden met het honorarium dat de erfgenaam heeft betaald als bezoldiging voor de door een notaris in de tweede lidstaat opgestelde erfrechtverklaring, dat eveneens over het volledige brutovermogen van de nalatenschap wordt berekend."
HvJ EU 30 oktober 2025, C‑373/24 [Ramavić](NI – Kroatië)
Verzwegen vermogen in het buitenland
"12 Volgens de nationale wetgeving die in de onderhavige zaak aan de orde is, riskeren Spaanse ingezetenen die niet, onvolledig of te laat aangifte doen van de goederen en rechten die zij in het buitenland bezitten, een navordering van de verschuldigde belasting over de bedragen die overeenkomen met de waarde van die goederen of rechten, ook wanneer deze laatste zijn verworven in een tijdvak waarvoor de verjaringstermijn reeds is verstreken, alsmede een evenredige geldboete en specifieke forfaitaire geldboeten.
13 Een dergelijke wettelijke regeling, die in het algemeen betrekking heeft op goederen of rechten die Spaanse ingezetenen in het buitenland bezitten, zonder dat dit bezit noodzakelijkerwijs gepaard gaat met het verwerven van deelnemingen in het kapitaal van in het buitenland gevestigde entiteiten of hoofdzakelijk is ingegeven door de wens om er financiële diensten af te nemen, valt binnen de werkingssfeer van het vrije verkeer van kapitaal. Hoewel die regeling ook afbreuk kan doen aan de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van vestiging, lijken deze vrijheden toch ondergeschikt te zijn aan het vrije verkeer van kapitaal en kunnen zij daarmee worden verbonden. Dat geldt hoe dan ook voor het vrije verkeer van werknemers.
14 Voorts moet worden vastgesteld dat de Commissie onvoldoende gegevens heeft verstrekt om het Hof in staat te stellen te beoordelen in hoeverre de betrokken nationale wettelijke regeling schending oplevert van het vrije verkeer van burgers van de Unie of het vrije verkeer van werknemers, welke vrijheden in de artikelen 21 en 45 VWEU zijn gewaarborgd.
15 Uit het voorgaande volgt dat de door de Commissie aangevoerde grieven moeten worden bezien vanuit het oogpunt van het vrije verkeer van kapitaal, dat wordt gewaarborgd door artikel 63 VWEU en artikel 40 van de EER-Overeenkomst, die in wezen dezelfde juridische strekking hebben (zie in die zin arresten van 11 juni 2009, Commissie/Nederland, C‑521/07, EU:C:2009:360, punt 33, en 5 mei 2011, Commissie/Portugal, C‑267/09, EU:C:2011:273, punt 51)."
HvJ EU 27 januari 2022, C‑788/19 (Europese Commissie – Spanje)
Het bedrijfsmatig verstrekken van kredieten als kapitaalverkeer
"37 In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het verstrekken van kredieten door een kredietinstelling een dienst in de zin van artikel 56 VWEU is (arrest van 14 februari 2019, Milivojević, C‑630/17, EU:C:2019:123, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Aldus, en ook gelet op de in punt 29 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, houdt het bedrijfsmatig verstrekken van kredieten in beginsel zowel verband met de vrijheid van dienstverrichting in de zin van de artikelen 56 VWEU en volgende als met de vrijheid van kapitaalverkeer in de zin van de artikelen 63 VWEU en volgende (zie in die zin arrest van 14 februari 2019, Milivojević, C‑630/17, EU:C:2019:123, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Wanneer een nationale maatregel verband houdt met zowel het vrij verrichten van diensten als het vrije verkeer van kapitaal, moet worden onderzocht in hoeverre de uitoefening van die fundamentele vrijheden wordt belemmerd en of, in de omstandigheden van het geval, een van die vrijheden voorrang heeft boven de andere. Het Hof onderzoekt de betrokken maatregel in beginsel uit het oogpunt van slechts één van deze twee vrijheden indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (arrest van 14 februari 2019, Milivojević, C‑630/17, EU:C:2019:123, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Zoals de advocaat-generaal in de punten 44 en 45 van haar conclusie heeft opgemerkt, blijkt in casu dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde administratieve maatregel betrekking heeft op zowel het gebruik van financiële diensten van de bank als de kapitaalstroom als zodanig.
41 Ten eerste is deze administratieve maatregel, doordat hij is gebaseerd op het criterium van de maandelijkse omvang van de creditomzet, rechtstreeks van invloed op het kapitaalverkeer, ongeacht of de betrokken cliënt gebruikmaakt van door PrivatBank verstrekte adviesdiensten. Ten tweede doet een administratieve maatregel die PrivatBank verbiedt om zakelijke relaties aan te gaan en verplicht om een einde te maken aan bestaande zakelijke relaties met bepaalde cliënten, afbreuk aan de vrijheid van dienstverrichting van deze kredietinstelling.
42 In het licht van de voorgaande overwegingen moet de tweede prejudiciële vraag aldus worden geherformuleerd dat de verwijzende rechter in essentie wenst te vernemen of artikel 56, eerste alinea, en artikel 63, lid 1, VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat een administratieve maatregel waarbij de bevoegde autoriteit van een lidstaat, ten eerste, een kredietinstelling verbiedt om zakelijke relaties aan te gaan met natuurlijke personen of rechtspersonen die geen banden hebben met de lidstaat waar deze instelling is gevestigd en van wie de maandelijkse creditomzet een bepaald bedrag overschrijdt, en, ten tweede, die kredietinstelling verplicht om een einde te maken aan dergelijke zakelijke relaties wanneer deze na de vaststelling van die maatregel zijn aangegaan, een beperking van het vrij verrichten van diensten in de zin van die eerste bepaling en een beperking van het kapitaalverkeer in de zin van die tweede bepaling vormt."
HvJ EU 2 maart 2023, C‑78/21 (AS „PrivatBank”, A, B, Unimain Holdings LTD)
Informatie-uitwisseling tussen de Belastingdiensten van de EU-Lidstaten
“22 Zoals in punt 20 van het onderhavige arrest is aangegeven, behoren de noodzaak om de doeltreffendheid van de belastingcontroles te waarborgen en het doel van bestrijding van belastingfraude en -ontwijking tot de dwingende redenen van algemeen belang die de invoering van een beperking van de vrijheden van verkeer kunnen rechtvaardigen (zie in die zin arresten van 11 juni 2009, X en Passenheim-van Schoot, C‑155/08 en C‑157/08, EU:C:2009:368, punten 45 en 46, en 15 september 2011, Halley, C‑132/10, EU:C:2011:586, punt 30).
23 Wat het kapitaalverkeer betreft, bepaalt artikel 65, lid 1, onder b), VWEU voorts dat het bepaalde in artikel 63 VWEU niets afdoet aan het recht van de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wetten en voorschriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied.
24 Aangezien de hoeveelheid informatie waarover de nationale autoriteiten beschikken met betrekking tot de activa die hun fiscale ingezetenen in het buitenland bezitten, over het algemeen kleiner is dan die waarover zij beschikken met betrekking tot de activa die zich op hun grondgebied bevinden, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de bestaande mechanismen voor informatie-uitwisseling en administratieve samenwerking tussen de lidstaten, lijkt de litigieuze regeling in casu geschikt te zijn om de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken. Nagegaan moet evenwel worden of zij niet verder gaat dan nodig is om deze doelstellingen te bereiken."
HvJ EU 27 januari 2022, C‑788/19 (Europese Commissie – Spanje)
De relatie tussen primair en secundair Europees recht
"45 Wanneer een gebied op Unieniveau uitputtend is geharmoniseerd, moeten volgens vaste rechtspraak van het Hof alle daarop betrekking hebbende nationale maatregelen worden getoetst aan de bepalingen van die harmonisatiemaatregel en niet aan die van het primaire recht (arrest van 6 december 2018, FENS, C‑305/17, EU:C:2018:986, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Daarom moeten de vragen van de verwijzende rechter eerst worden onderzocht voor zover zij betrekking hebben op de uitlegging van de richtlijnen 2003/49, 2011/96 en 2008/7 en vervolgens, indien een uitputtende harmonisatie ontbreekt, voor zover zij de artikelen 49 en 63 VWEU, artikel 5, lid 4, en artikel 12, onder b), VEU, en artikel 47 van het Handvest betreffen.
HvJ EU 24 februari 2022, C-257/20 (“Viva Telecom Bulgaria” EOOD)
Het begrip 'belemmering' of 'beperking'
"36 Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien om in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat kunnen ontmoedigen om in andere staten investeringen te doen [arresten van 6 oktober 2011, Commissie/Portugal, C‑493/09, EU:C:2011:635, punt 28, en 7 november 2024, XX (Zogeheten unit-linked overeenkomsten), C‑782/22, EU:C:2024:932, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37 Het onderzoek naar het ontmoedigende karakter van de maatregelen kan zowel maatregelen betreffen die materiële vereisten stellen om in aanmerking te komen voor een dergelijk belastingvoordeel als maatregelen die vastleggen welke bewijzen niet-ingezeten belastingplichtigen daartoe moeten overleggen (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 50)."
HvJ EU 27 november 2025, C‑525/24 (Santander Renta Variable España Pensiones, Fondo de Pensiones)
"37 In dit verband zij eraan herinnerd dat het begrip „beperking” in de zin van deze bepaling overheidsmaatregelen omvat die discriminerend zijn doordat zij, al dan niet rechtstreeks, een verschil in behandeling tussen het nationale kapitaalverkeer en het grensoverschrijdende kapitaalverkeer invoeren dat niet overeenstemt met een objectief verschil in situaties en derhalve natuurlijke of rechtspersonen uit andere lidstaten of derde landen ervan kunnen weerhouden grensoverschrijdend kapitaalverkeer te verrichten (arrest van 30 april 2025, Finanzamt für Großbetriebe, C‑602/23, EU:C:2025:290, punt 45).
38 Het Hof heeft op het gebied van de erfbelasting immers geoordeeld dat een nationale regeling die een dergelijk verschil in behandeling invoert en ertoe leidt dat nalatenschappen waarbij niet-ingezetenen betrokken zijn of die in een andere lidstaat gelegen goederen bevatten, zwaarder worden belast dan nalatenschappen waarbij alleen ingezetenen zijn betrokken of waarbij alleen in de lidstaat van heffing gelegen goederen zijn betrokken, en die bijgevolg tot een waardevermindering van de nalatenschap leidt, een door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Feilen, C‑123/15, EU:C:2016:496, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Uit de rechtspraak volgt dat zelfs een nationale regeling die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en grensoverschrijdende situaties, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal kan vormen wanneer zij in feite tot gevolg heeft dat grensoverschrijdende situaties worden benadeeld (zie in die zin arrest van 30 april 2025, Finanzamt für Großbetriebe, C‑602/23, EU:C:2025:290, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 30 oktober 2025, C‑373/24 [Ramavić](NI – Kroatië)
"44 Volgens vaste rechtspraak verbiedt artikel 63, lid 1, VWEU op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen (arrest van 2 maart 2023, PrivatBank e.a., C‑78/21, EU:C:2023:137, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Het begrip „beperking” in de zin van deze bepaling omvat overheidsmaatregelen die een discriminerende werking hebben doordat zij direct of indirect leiden tot een verschil in behandeling tussen nationaal kapitaalverkeer en grensoverschrijdend kapitaalverkeer dat geen betrekking heeft op situaties die objectief verschillend zijn, en die derhalve natuurlijke personen of rechtspersonen uit andere lidstaten of derde landen ervan weerhouden om grensoverschrijdende kapitaalbewegingen te verrichten (zie in die zin arrest van 2 maart 2023, PrivatBank e.a., C‑78/21, EU:C:2023:137, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Zo kan het feit dat een lidstaat inkomsten die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten icbe’s ongunstiger behandelt dan inkomsten die worden uitgekeerd aan ingezeten icbe’s, in een andere lidstaat gevestigde instellingen ervan doen afzien in die lidstaat investeringen te doen, zodat dit een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt die in beginsel verboden wordt door artikel 63 VWEU [arrest van 27 februari 2025, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (Wijze waarop een icb wordt beheerd), C‑18/23, EU:C:2025:119, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47 Een nationale regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers, kan bovendien een beperking van het vrije verkeer van kapitaal inhouden. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat zelfs een op objectieve criteria berustend onderscheid grensoverschrijdende situaties de facto kan benadelen [arrest van 27 februari 2025, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (Wijze waarop een icb wordt beheerd), C‑18/23, EU:C:2025:119, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 30 april 2025, C‑602/23 (Finanzamt für Großbetriebe)
"57 Volgens vaste rechtspraak strekken de maatregelen die krachtens artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het vrije kapitaalverkeer beperken, zich uit tot maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of die ingezetenen van deze lidstaat kunnen ontmoedigen in andere staten investeringen te doen [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
58 Met name het feit dat een lidstaat inkomsten die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten icb’s ongunstiger behandelt dan inkomsten die worden uitgekeerd aan ingezeten icb’s, kan in een andere dan die lidstaat gevestigde instellingen ervan doen afzien in die lidstaat investeringen te doen, zodat dit een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
59 Van een dergelijke minder gunstige behandeling is sprake wanneer inkomsten die door niet-ingezeten icb’s worden verworven, niet in aanmerking komen voor een vrijstelling, terwijl inkomsten van ingezeten icb’s worden vrijgesteld [zie in die zin arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
(...).
74 Een wettelijke regeling die een dergelijke voorwaarde invoert kan niet-ingezeten icb’s ervan weerhouden om te beleggen in aandelen van op de effectenbeurs van Warschau genoteerde vennootschappen, in obligaties die zijn uitgegeven door kapitaalvennootschappen gevestigd in Polen, alsmede in Poolse staatsobligaties, en vormt dan ook een beperking van het vrije verkeer van kapitaal die in beginsel verboden is door artikel 63, lid 1, VWEU."
HvJ EU 27 februari 2025, C‑18/23 (F S.A.)
"30 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 In het bijzonder kan een ongunstige behandeling door een lidstaat van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten vennootschappen in vergelijking met de behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten vennootschappen, in een andere dan die lidstaat gevestigde vennootschappen ervan doen afzien in eerstbedoelde lidstaat te investeren, zodat zij een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 19 december 2024, C‑601/23 (Credit Suisse)
"54 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten (arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 Handelingen waarmee niet-ingezetenen op het grondgebied van een lidstaat in onroerend goed beleggen, vallen onder het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU. Dat is met name het geval bij beleggingen in onroerende goederen die, zoals in casu, bestaan in het verwerven van eigendomsrechten op landbouwgrond [zie in die zin arresten van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punten 56 en 57, en 18 januari 2024, JD (Woonplaatsvereiste), C‑562/22, EU:C:2024:55, punten 30 en 31].
56 Voorts kan een nationale maatregel die zonder onderscheid van toepassing is, een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormen wanneer daardoor de situatie van een investeerder wordt beïnvloed en in het bijzonder wanneer daardoor investeerders uit andere lidstaten ervan worden weerhouden om in de betrokken lidstaat te investeren of een investering aan te houden (zie in dit verband met name arresten van 4 juni 2002, Commissie/Frankrijk, C‑483/99, EU:C:2002:327, punten 38‑42; 13 mei 2003, Commissie/Spanje, C‑463/00, EU:C:2003:272, punten 54‑62; 10 november 2011, Commissie/Portugal, C‑212/09, EU:C:2011:717, punt 65, en 8 mei 2013, Libert e.a., C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288, punten 64‑66)."
HvJ EU 12 december 2024, C‑419/23 (CN)
"28 Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat kunnen ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arresten van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 48, en 29 juli 2024, Keva e.a., C‑39/23, EU:C:2024:648, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 In het bijzonder kan het feit dat een lidstaat dividenden die aan niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd minder gunstig behandelt dan dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, in een andere dan deze lidstaat gevestigde vennootschappen ervan doen afzien in deze lidstaat te investeren, zodat het een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel verboden is ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU [zie in die zin arresten van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 50].
30 Zo is er sprake van een minder gunstige behandeling wanneer op dividenden die aan niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd een zwaardere belastingdruk rust dan op dezelfde dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd. Hetzelfde geldt wanneer dividenden die aan een ingezeten vennootschap worden uitgekeerd geheel of in aanzienlijke mate worden vrijgesteld, terwijl dividenden die aan een niet-ingezeten vennootschap worden uitgekeerd, onderworpen zijn aan een definitieve inhouding aan de bron (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ 7 november 2024, C‑782/22 (XX - Belastingdienst)
"40 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten. De maatregelen die ingevolge het voornoemde artikel verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen [arresten van 27 april 2023, L Fund, C‑537/20, EU:C:2023:339, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 januari 2024, JD (Woonplaatsvereiste), C‑562/22, EU:C:2024:55, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
(...).
45 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat ingezeten publiekrechtelijke pensioenfondsen met betrekking tot de fiscale behandeling van dividenden die worden uitgekeerd door in Zweden gevestigde vennootschappen, waarin § 2, eerste alinea, van hoofdstuk 7 van wet (1999:1229) op de inkomstenbelasting voorziet, zijn vrijgesteld van bronbelasting die vastgesteld is voor dit soort dividenden, terwijl niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen niet in aanmerking komen voor een dergelijke vrijstelling.
46 Een dergelijk verschil in fiscale behandeling leidt tot een nadelige behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen, waardoor deze instellingen ervan kunnen worden weerhouden te investeren in vennootschappen die in Zweden zijn gevestigd (zie naar analogie arrest van 17 maart 2022, AllianzGI-Fonds AEVN, C‑545/19, EU:C:2022:193, punt 39)."
HvJ EU 29 juli 2024, C‑39/23 (Keva)
"21 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het verkeer van kapitaal tussen de lidstaten. De maatregelen die ingevolge deze bepaling verboden zijn omdat zij het verkeer van kapitaal beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 27 april 2023, L Fund, C‑537/20, EU:C:2023:339, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 20 juni 2024, C‑420/23 (Faurécia – Assentos de Automóvel)
"Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
34 Volgens vaste rechtspraak verbiedt artikel 63, lid 1, VWEU op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten. De maatregelen die ingevolge het voornoemde artikel verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door icbe’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
35 Vastgesteld moet worden dat het woonplaatsvereiste van artikel 3c ZSPZZ alleen al door het voorwerp van die regeling het vrije verkeer van kapitaal beperkt (zie naar analogie arrest van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 25). Voorts kan deze nationale regeling niet-ingezetenen ervan doen afzien investeringen te doen in Bulgarije [zie naar analogie arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36 Deze nationale regeling vormt dus een beperking van het in artikel 63 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 18 januari 2024, C‑562/22 (JD – OB)
"Beperking van het vrije verkeer van kapitaal
22 Overeenkomstig artikel 63, lid 1, VWEU zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.
23 Volgens vaste rechtspraak van het Hof strekken de maatregelen die krachtens artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het vrije kapitaalverkeer beperken, zich uit tot maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien investeringen in een lidstaat te doen, of die ingezetenen kunnen ontmoedigen investeringen in andere lidstaten te doen (arrest van 17 maart 2022, AllianzGI-Fonds AEVN, C‑545/19, EU:C:2022:193, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 In casu voert de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zoals uitgevoerd door de belastingdienst, een verschil in behandeling in tussen Portugese fiscale ingezetenen die deelnemingen bezitten in ondernemingen die in Portugal een economische activiteit uitoefenen, en degenen die deelnemingen bezitten in ondernemingen die buiten Portugal een economische activiteit uitoefenen, waarbij de vermogenswinst op de overdracht van die aandelen zwaarder wordt belast. Deze regeling maakt het dus aantrekkelijker om te investeren in ondernemingen die op het Portugese grondgebied zijn gevestigd, ten nadele van ondernemingen die in andere lidstaten zijn gevestigd.
25 Een dergelijk verschil in behandeling naargelang de plaats van investering van het kapitaal heeft immers tot gevolg dat een Portugees fiscaal ingezetene wordt ontmoedigd om zijn kapitaal te investeren in een vennootschap die in een andere staat gevestigd is, en heeft ook een restrictief gevolg voor in andere staten gevestigde vennootschappen doordat het voor deze vennootschappen een belemmering vormt bij het bijeenbrengen van kapitaal in Portugal (zie naar analogie arresten van 6 juni 2000, Verkooijen, C‑35/98, EU:C:2000:294, punten 34 en 35; 15 juli 2004, Weidert en Paulus, C‑242/03, EU:C:2004:465, punten 13 en 14, en 18 december 2007, Grønfeldt, C‑436/06, EU:C:2007:820, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat verschil in behandeling vormt dus een door artikel 63 VWEU in beginsel verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 16 november 2023, C‑472/22 (NO)
"41 Op het gebied van erfbelasting heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat voor de toekenning van belastingvoordelen als voorwaarde geldt dat het overgedragen goed op het nationale grondgebied is gelegen, een in beginsel door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt (arrest van 18 december 2014, Q, C‑133/13, EU:C:2014:2460, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ook maatregelen die leiden tot een waardevermindering van de nalatenschap van een ingezetene van een andere lidstaat dan die waar de betrokken goederen zich bevinden, vormen een dergelijke beperking [arrest van 21 december 2021, Finanzamt V (Erfopvolging – Beperkte belastingplicht en aftrek van legitieme porties), C‑394/20, EU:C:2021:1044, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42 Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn mede de maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien om in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van bedoelde lidstaat kunnen ontmoedigen om in andere staten investeringen te doen (arrest van 15 oktober 2009, Busley en Cibrian Fernandez, C‑35/08, EU:C:2009:625, punt 20).
43 In casu bepaalt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling dat wanneer een nalatenschap onroerende goederen omvat die onderdeel zijn van het privévermogen en voor woondoeleinden worden verhuurd, deze goederen voor de berekening van de erfbelasting niet worden gewaardeerd op de volledige marktwaarde, maar op 90 % daarvan wanneer zij zijn gelegen op het nationale grondgebied, in een andere lidstaat of in een derde staat die partij is bij de EER-Overeenkomst. Deze regeling sluit onroerende goederen die zijn gelegen in een derde staat die geen partij is bij de EER-Overeenkomst, van het belastingvoordeel uit.
44 Een dergelijke regeling, die de toekenning van het belastingvoordeel afhankelijk stelt van de plaats waar de tot de nalatenschap behorende goederen zich bevinden, heeft tot gevolg dat onroerende goederen die zijn gelegen in een derde staat die geen partij is bij de EER-Overeenkomst, zwaarder worden belast dan die welke op het nationale grondgebied zijn gelegen, en heeft derhalve tot gevolg dat de waarde van deze nalatenschap vermindert (zie in die zin arrest van 17 januari 2008, Jäger, C‑256/06, EU:C:2008:20, punt 32).
45 Bovendien kan dit fiscale nadeel een in Duitsland wonende natuurlijke persoon er zowel van weerhouden om te investeren in voor woondoeleinden verhuurd onroerend goed dat is gelegen in een derde staat die geen partij is bij de EER-Overeenkomst, als om een dergelijk goed waarvan hij eigenaar is, te behouden (zie in die zin arrest van 15 oktober 2009, Busley en Cibrian Fernandez, C‑35/08, EU:C:2009:625, punt 27)."
HvJ EU 12 oktober 2023, C-670/21 (BA)
"27 Uit de in de punten 24 tot en met 26 van het onderhavige arrest uiteengezette elementen blijkt dat de rente-inkomsten uit obligaties en schuldbewijzen die in een andere staat dan Portugal zijn uitgegeven, worden benadeeld ten opzichte van de rente-inkomsten uit obligaties en schuldbewijzen die in die lidstaat zijn uitgegeven.
28 Deze nationale regeling voert aldus een verschil in behandeling in naargelang van de plaats waar het kapitaal wordt geïnvesteerd, hetgeen tot gevolg heeft dat een in Portugal wonende belastingplichtige ervan wordt afgeschrikt zijn kapitaal in een andere staat te beleggen en het bijeenbrengen van kapitaal in Portugal wordt belemmerd (zie in die zin arrest van 1 juli 2010, Dijkman en Dijkman-Lavaleije, C‑233/09, EU:C:2010:397, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Voor zover de Portugese regering aanvoert dat een ingezeten belastingplichtige die zich in de situatie van FL bevindt, op grond van artikel 101, lid 2, onder b), CIRS de mogelijkheid had om in aanmerking te komen voor het bevrijdende tarief van 20 % op de rente-inkomsten uit obligaties en schuldbewijzen die zijn uitbetaald door een niet-ingezeten entiteit, door deze entiteit te machtigen om over deze rente-inkomsten bronbelasting in te houden, moet ten eerste worden opgemerkt dat de verwijzende rechter deze mogelijkheid niet heeft vermeld. Ten tweede zou zelfs die mogelijkheid niet afdoen aan wat in het vorige punt van het onderhavige arrest is vastgesteld, aangezien het enkel noodzakelijk is om een dergelijke formaliteit te vervullen voor rente-inkomsten uit obligaties en schuldbewijzen die zijn uitgegeven door niet-ingezeten entiteiten én door dergelijke entiteiten zijn uitbetaald, en niet voor rente-inkomsten uit obligaties en schuldbewijzen die zijn uitgegeven door in Portugal ingezeten entiteiten of door dergelijke entiteiten zijn uitbetaald.
30 Hieruit volgt dat een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een in beginsel door artikel 56, lid 1, EG verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt."
HvJ EU 12 oktober 2023, C‑312/22 (FL)
"29 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen.
30 Volgens vaste rechtspraak zijn onder meer maatregelen die niet‑ingezetenen ervan kunnen weerhouden in een lidstaat investeringen te doen, of die ingezetenen van een lidstaat ervan kunnen weerhouden in andere staten investeringen te doen, beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal (arrest van 16 juni 2022, ACC Silicones, C‑572/20, EU:C:2022:469, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Tot de nationale maatregelen die als „beperkingen” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU kunnen worden aangemerkt, behoren met name maatregelen die een verschil in behandeling invoeren dat, wanneer het leidt tot een minder gunstige behandeling van de inkomsten van een ingezetene van een lidstaat die hun oorsprong hebben in een andere staat, vergeleken met de behandeling van inkomsten uit de eerste lidstaat, een dergelijke ingezetene ervan kan weerhouden zijn kapitaal in een andere staat te beleggen [zie in die zin arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door icbe’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
(...).
42 Ten slotte klopt het dat de nationale maatregelen die als „beperkingen” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU kunnen worden aangemerkt, niet alleen maatregelen omvatten die het verwerven van aandelen van in andere staten gevestigde vennootschappen kunnen blokkeren of beperken, maar ook maatregelen die investeerders ervan kunnen weerhouden dergelijke deelnemingen in in andere staten gevestigde vennootschappen aan te houden (arrest van 22 januari 2009, STEKO Industriemontage, C‑377/07, EU:C:2009:29, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 22 juni 2023, C‑258/22 (H)
"42 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten. De maatregelen die ingevolge het voornoemde artikel verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door icbe’s uitgekeerde inkomsten), C-480/19, EU:C:2021:334, punt 26].
(...).
47 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Duitse wettelijke regeling zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting, terwijl niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen niet in aanmerking komen voor een dergelijke vrijstelling.
48 Niet-ingezeten en ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen worden dus aan verschillende belastingregels onderworpen, hetgeen ongunstig is voor niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen.
49 Een dergelijke verschillende behandeling kan niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen ervan doen afzien te beleggen in onroerende goederen die in Duitsland zijn gelegen, en kan daarnaast in Duitsland gevestigde beleggers ervan doen afzien om voor zulke investeringen een beroep te doen op niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen (zie in die zin arresten van 10 mei 2012, Santander Asset Management SGIIC e.a., C-338/11–C-347/11, EU:C:2012:286, punt 17, en 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C-480/16, EU:C:2018:480, punt 44).
50 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door rekening te houden met de belastingheffing die van toepassing is op dividenden die worden uitgekeerd aan beleggers in ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen, aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Duitse wettelijke regeling de vrijstelling van deze fondsen niet afhankelijk stelt van de voorwaarde dat alle onroerende inkomsten op het niveau van de beleggers worden belast.
51 In het geval van niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen met in Duitsland gevestigde beleggers, blijkt immers uit de verwijzingsbeslissing dat – naast de beperkte onderwerping van deze fondsen aan vennootschapsbelasting – deze beleggers, die volledig aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen, ook onderworpen zijn aan belasting over inkomsten uit kapitaal met betrekking tot de door deze fondsen uitgekeerde dividenden.
52 Het is juist dat het in § 4, lid 2, zevende volzin, InvStG 2004 geboden recht op aftrek bedoeld is om deze dubbele belasting te elimineren. Uit het dossier blijkt echter dat de volledige eliminatie van deze dubbele belasting in de praktijk afhangt van de bijzondere fiscale situatie van iedere houder van deelnemingsrechten en dus onzeker is. De Duitse regering heeft overigens tijdens de terechtzitting verklaard dat ingezeten beleggers in niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen mogelijk kunnen worden benadeeld ten opzichte van ingezeten beleggers in ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen, afhankelijk van hun fiscale situatie.
53 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat een wettelijke regeling, zoals in casu de Duitse, neerkomt op een in beginsel door artikel 63 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 27 april 2023, C-537/20 (L. Fund)
"48 In de tweede plaats volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het begrip „beperking” in artikel 63 VWEU op algemene wijze alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en tussen de lidstaten en derde landen omvat (arrest van 6 oktober 2021, ECOTEX BULGARIA, C‑544/19, EU:C:2021:803, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 In het bijzonder omvat dit begrip overheidsmaatregelen die een discriminerende werking hebben doordat zij direct of indirect leiden tot een verschil in behandeling tussen nationaal kapitaalverkeer en grensoverschrijdend kapitaalverkeer dat geen betrekking heeft op situaties die objectief verschillend zijn, en die derhalve natuurlijke personen of rechtspersonen uit andere lidstaten of derde landen ervan weerhouden om grensoverschrijdende kapitaalbewegingen te verrichten [arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen), C‑78/18, EU:C:2020:476, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 2 maart 2023, C‑78/21 (AS „PrivatBank”, A, B, Unimain Holdings LTD)
"31 Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn onder meer maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen weerhouden in een lidstaat investeringen te doen, of die ingezetenen van een lidstaat ervan kunnen weerhouden in andere staten investeringen te doen, beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 16 juni 2022, C‑572/20 (ACC Silicones Ltd)
"Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
49 Uit vaste rechtspraak volgt dat de maatregelen die krachtens artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat kunnen ontmoedigen om in andere staten investeringen te doen (arresten van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Met name het feit dat een lidstaat inkomsten die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging ongunstiger behandelt dan inkomsten die worden uitgekeerd aan ingezeten instellingen voor collectieve belegging, kan in een andere dan die lidstaat gevestigde instellingen ervan doen afzien in die lidstaat investeringen te doen, zodat dit een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Wanneer aan ingezeten instellingen voor collectieve belegging uitgekeerde inkomsten worden vrijgesteld, terwijl inkomsten die door niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging worden verworven, onderworpen zijn aan een definitieve inhouding aan de bron, dan is er sprake van een dergelijke minder gunstige behandeling (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 50).
52 In de onderhavige zaak voert de betrokken nationale regeling een verschil in behandeling in dat niet gebaseerd is op de staat van vestiging van de instelling voor collectieve belegging, maar wel op de rechtsvorm van die instelling. Alleen rechtens bij overeenkomst opgerichte instellingen voor collectieve belegging kunnen immers onder de voorwaarden van die regeling in aanmerking komen voor de belastingvrijstelling.
53 Volgens de bewoordingen van § 20a, vierde alinea, van de wet op de inkomstenbelasting lijkt de voorwaarde inzake de oprichting bij overeenkomst van het fonds uitsluitend betrekking te hebben op niet-ingezeten fondsen. Zoals de verwijzende rechter en de Finse regering evenwel opmerken, kunnen beleggingsfondsen en gespecialiseerde beleggingsfondsen naar Fins recht enkel bij overeenkomst worden opgericht, zodat de in die bepaling bedoelde vrijstelling voorbehouden is aan instellingen voor collectieve belegging die rechtens bij overeenkomst zijn opgericht, ongeacht de staat waar die instellingen zijn gevestigd.
54 Dienaangaande zij opgemerkt dat een nationale regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal kan inhouden. Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat zelfs een op objectieve criteria berustend onderscheid grensoverschrijdende situaties de facto minder gunstig kan behandelen (zie arresten van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 39).
55 Dat is in het bijzonder het geval wanneer een belastingvoordeel op grond van een nationale regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers, uitsluitend wordt toegekend in situaties waarin een marktdeelnemer voldoet aan voorwaarden of verplichtingen die per definitie of de facto eigen zijn aan de nationale markt, zodat alleen op de nationale markt actieve marktdeelnemers aan die voorwaarden of verplichtingen kunnen voldoen terwijl de vergelijkbare niet-ingezeten marktdeelnemers daaraan over het algemeen niet voldoen (arresten van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 40).
56 Zoals in punt 53 van dit arrest is opgemerkt, kunnen beleggingsfondsen en gespecialiseerde beleggingsfondsen in Finland enkel bij overeenkomst worden opgericht.
57 Aangezien het Unierecht op dit punt niet is geharmoniseerd, staat het de lidstaten inderdaad vrij om de rechtsvorm te bepalen waarin fondsen op hun grondgebied kunnen worden opgericht.
58 Het staat de lidstaten ook vrij, teneinde het gebruik van instellingen voor collectieve belegging te bevorderen, om een bijzondere belastingregeling vast te stellen voor die instellingen en de door hen ontvangen dividenden en andere inkomsten, en om te bepalen aan welke materiële en formele voorwaarden moet worden voldaan om voor die regeling in aanmerking te komen (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 Bovendien kan het vrije verkeer van kapitaal niet aldus worden begrepen dat een lidstaat verplicht is om zijn belastingregeling af te stemmen op die van een andere lidstaat, teneinde te waarborgen dat in alle situaties de belasting aldus wordt geheven dat alle verschillen als gevolg van de nationale belastingregelingen verdwijnen, aangezien de beslissingen van een belastingplichtige betreffende de belegging in een andere lidstaat naargelang van het geval meer of minder voordelig of nadelig voor deze belastingplichtige kunnen uitvallen (arresten van 7 november 2013, K, C‑322/11, EU:C:2013:716, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 72).
60 Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 53 en 54 van zijn conclusie, mogen de toekenningsvoorwaarden van een belastingvoordeel waarin een lidstaat voor bepaalde instellingen voor collectieve belegging voorziet, echter geen beperking van het vrije verkeer van kapitaal inhouden (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 46).
61 Gelet op de in punt 57 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte ontbrekende harmonisatie, zou het vrije verkeer van kapitaal zijn werking verliezen indien een niet-ingezeten instelling voor collectieve belegging, die is opgericht in de rechtsvorm die is toegestaan of vereist krachtens de wettelijke regeling van de lidstaat waar zij is gevestigd en die overeenkomstig die regeling handelt, in een andere lidstaat waar zij investeringen doet, verstoken blijft van een belastingvoordeel vanwege het enkele feit dat haar rechtsvorm niet overeenkomt met de rechtsvorm die in deze laatste lidstaat voor instellingen voor collectieve belegging is vereist.
62 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat volgens de toelichting van de Finse regering alternatieve beleggingsinstellingen in de zin van richtlijn 2011/61 in Finland bij statuten mogen worden opgericht en dat die fondsen vastgoedinvesteringen mogen verrichten, zonder evenwel in aanmerking te komen voor de vrijstelling van § 20a van de wet op de inkomstenbelasting.
63 De in Finland gevestigde instellingen voor collectieve belegging kunnen namelijk de rechtsvorm aannemen waarmee zij in aanmerking komen voor de vrijstelling, terwijl niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging onderworpen zijn aan de voorwaarden van de wetgeving van de lidstaat waar zij zijn gevestigd.
64 De voorwaarde inzake de oprichting bij overeenkomst is dus weliswaar niet een voorwaarde waaraan alleen ingezeten instellingen voor collectieve belegging kunnen voldoen, maar dat neemt niet weg dat die voorwaarde deze laatste instellingen kan bevoordelen ten nadele van instellingen voor collectieve belegging die bij statuten zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waar zij zijn gevestigd.
65 Hieruit volgt dat een dergelijke regeling niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging ervan kan doen afzien om vastgoedinvesteringen in Finland te doen en derhalve een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt die in beginsel verboden is bij artikel 63 VWEU."
HvJ EU 7 april 2022, C‑342/20 (A SCPI)
"Is er sprake van een beperking van het vrije kapitaalverkeer?
36 Volgens vaste rechtspraak van het Hof strekken de maatregelen die krachtens artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het vrije kapitaalverkeer beperken, zich uit tot maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien investeringen in een lidstaat te doen, of die ingezetenen kunnen ontmoedigen investeringen in andere lidstaten te doen (zie met name arresten van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 In casu staat vast dat de belastingvrijstelling waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorziet, wordt verleend aan icb’s die volgens de Portugese regeling zijn opgericht en hun activiteiten uitoefenen, terwijl dividenden die worden uitgekeerd aan in een andere lidstaat gevestigde icb’s, niet voor deze vrijstelling in aanmerking komen.
38 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling leidt dus tot een nadelige behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten icb’s, doordat over die dividenden bronbelasting wordt geheven en de mogelijkheid om vrijstelling van bronbelasting te genieten is voorbehouden aan ingezeten icb’s.
39 Een dergelijke nadelige behandeling kan, ten eerste, niet-ingezeten icb’s ervan doen afzien te beleggen in vennootschappen die in Portugal zijn gevestigd, en, ten tweede, in Portugal gevestigde beleggers ervan weerhouden om aandelen in dergelijke icb’s te verwerven, zodat deze een in beginsel door artikel 63 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punten 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
"86 In de eerste plaats blijkt inzake het bestaan van een beperking uit vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 63, lid 1, VWEU maatregelen verbiedt die het kapitaalverkeer beperken doordat zij niet-ingezetenen ervan doen afzien om in een lidstaat investeringen te doen of doordat zij ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 24 februari 2022, C-257/20 (“Viva Telecom Bulgaria” EOOD)
"18 Volgens vaste rechtspraak van het Hof vormen maatregelen van een lidstaat beperkingen van het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU wanneer zij de ingezetenen van die staat ontmoedigen, beletten of minder mogelijkheden bieden om investeringen te verrichten in andere lidstaten [zie in die zin arresten van 26 september 2000, Commissie/België, C‑478/98, EU:C:2000:497, punt 18; 23 oktober 2007, Commissie/Duitsland, C‑112/05, EU:C:2007:623, punt 19, en 26 mei 2016, NN (L) International, C‑48/15, EU:C:2016:356, punt 44].
19 In casu wordt met de verplichting om door middel van „formulier 720” aangifte te doen van goederen of rechten in het buitenland en de sancties voor niet-nakoming, niet-behoorlijke nakoming of niet-tijdige nakoming van deze verplichting, waarvoor geen equivalent bestaat op het gebied van in Spanje gelegen activa of rechten, een verschil in behandeling van Spaanse ingezetenen ingevoerd naargelang de plaats waar hun activa zich bevinden. Deze verplichting kan ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen, beletten of minder mogelijkheden bieden om investeringen te verrichten in andere lidstaten en vormt derhalve – zoals het Hof reeds heeft geoordeeld met betrekking tot een wettelijke regeling die tot doel heeft de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen en belastingfraude in verband met het verzwijgen van activa in het buitenland te bestrijden – een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU en artikel 40 van de EER-Overeenkomst (zie in die zin arrest van 11 juni 2009, X en Passenheim-van Schoot, C‑155/08 en C‑157/08, EU:C:2009:368, punten 36‑40).
20 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat deze wettelijke regeling betrekking heeft op belastingplichtigen die hun activa om fiscale redenen verzwijgen. Dat een wettelijke regeling tot doel heeft de doeltreffendheid van de belastingcontroles te waarborgen en belastingfraude te bestrijden, staat immers niet in de weg aan de vaststelling dat er sprake is van een beperking van het kapitaalverkeer. Deze doelstellingen zijn slechts enkele van de dwingende redenen van algemeen belang die de invoering van een dergelijke beperking kunnen rechtvaardigen (zie in die zin arresten van 11 juni 2009, X en Passenheim-van Schoot, C‑155/08 en C‑157/08, EU:C:2009:368, punten 45 en 46, en 15 september 2011, Halley, C‑132/10, EU:C:2011:586, punt 30)."
HvJ EU 27 januari 2022, C‑788/19 (Europese Commissie – Spanje)
32 De maatregelen die het kapitaalverkeer beperken, omvatten in geval van nalatenschappen mede maatregelen die leiden tot waardevermindering van de nalatenschap van een ingezetene van een andere staat dan die op het grondgebied waarvan de betrokken zaken zich bevinden (arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 In casu bepaalt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling dat wanneer een nalatenschap in Duitsland gelegen onroerende zaken omvat en noch de erflater, noch de erfgenaam op het tijdstip van het overlijden in deze lidstaat woonde, de belastingvrije som lager is dan die welke zou zijn toegepast indien de erflater of de erfgenaam op die datum in die lidstaat had gewoond. Die belastingvrije som wordt namelijk verminderd met een bedrag dat overeenkomt met het aandeel dat de waarde van het niet in die lidstaat belastbare vermogen vertegenwoordigt in de totale waarde van de nalatenschap.
34 Bijgevolg leidt een dergelijke regeling ertoe dat de erfenissen tussen niet-ingezetenen zwaarder worden belast dan die waarbij ten minste één ingezetene is betrokken, en heeft zij dus tot gevolg dat de nalatenschap in waarde vermindert. Hieruit volgt dat een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU oplevert (zie met name arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Rechtvaardiging van de beperking van het vrije kapitaalverkeer uit hoofde van artikel 65 VWEU
35 Uit artikel 65, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met lid 3 van dat artikel, volgt dat de lidstaten in hun nationale regeling onderscheid mogen maken tussen belastingplichtigen die ingezetenen zijn en belastingplichtigen die niet-ingezetenen zijn, voor zover dit onderscheid geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt.
36 Bijgevolg moet onderscheid worden gemaakt tussen de door artikel 65, lid 1, onder a), VWEU toegestane verschillen in behandeling en de krachtens artikel 65, lid 3, VWEU verboden discriminaties. In dat verband komt uit de rechtspraak van het Hof naar voren dat een nationale regeling enkel kan worden geacht verenigbaar te zijn met de Verdragsbepalingen betreffende het vrije kapitaalverkeer indien het verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Feilen, C‑123/15, EU:C:2016:496, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit laatste geval moet het verschil in behandeling geschikt zijn om het ermee nagestreefde doel te bereiken en mag het niet verder gaan dan ter bereiking van dit doel nodig is (zie in die zin arrest van 22 november 2018, Huijbrechts, C‑679/17, EU:C:2018:940, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 Zoals in punt 32 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, omvatten maatregelen die het vrije verkeer van kapitaal beperken in geval van erfopvolging maatregelen die leiden tot waardevermindering van de nalatenschap van een ingezetene van een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan de betrokken goederen zich bevinden.
59 In casu bepaalt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling dat wanneer een nalatenschap in Duitsland gelegen onroerende zaken omvat en noch de erflater noch de erfgenaam ten tijde van het overlijden in die lidstaat woonde, deze erfgenaam de verplichtingen ter zake van de legitieme porties niet als schuld van de nalatenschap kan aftrekken, terwijl dit wél is toegestaan wanneer de erflater of hij zelf ten tijde van het overlijden zijn woonplaats wél in Duitsland had.
60 Een dergelijke regeling, die de mogelijkheid om de verplichtingen ter zake van de legitieme porties met betrekking tot op het nationale grondgebied gelegen onroerende zaken in mindering te brengen op de erfbelasting afhankelijk stelt van de woonplaats van de erflater en de erfgenaam op het tijdstip van het overlijden, leidt er bijgevolg toe dat nalatenschappen tussen niet-ingezetenen die dergelijke zaken omvatten zwaarder worden belast dan nalatenschappen waarbij ten minste één ingezetene betrokken is, zodat de waarde van dergelijke nalatenschappen wordt verminderd. Hieruit volgt dat een nationale regeling zoals aan de orde in het hoofdgeding een beperking van het vrije kapitaalverkeer is in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (zie naar analogie arrest van 11 september 2008, Eckelkamp e.a., C‑11/07, EU:C:2008:489, punten 45 en 46)."
HvJ EU 21 december 2021, C‑394/20 (XY)
"Beperking van het vrije verkeer van kapitaal
36 Opgemerkt dient te worden dat volgens vaste rechtspraak de maatregelen die krachtens artikel 56, lid 1, EG (thans, na wijziging, artikel 63, lid 1, VWEU) verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat kunnen ontmoedigen om in andere staten investeringen te doen (zie met name arresten van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 In casu is in de hoofdgedingen de vraag aan de orde of gesloten beleggingsfondsen en open beleggingsfondsen vanuit fiscaal oogpunt verschillend mogen worden behandeld wegens de verschillen tussen deze twee soorten fondsen, zodat moet worden onderzocht of het criterium dat verband houdt met het soort vastgoedfonds – te weten „open” dan wel „gesloten” – een beperking kan vormen die in beginsel verboden is krachtens artikel 56, lid 1, EG (thans, na wijziging, artikel 63, lid 1, VWEU).
38 In dit verband zij erop gewezen dat het criterium dat betrekking heeft op de vorm van het vastgoedfonds, op zichzelf geen verschil in behandeling tussen ingezeten en niet-ingezeten vastgoedfondsen oplevert.
39 Een nationale regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers, kan evenwel een beperking van het vrije verkeer van kapitaal inhouden. Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat zelfs een op objectieve criteria berustend onderscheid grensoverschrijdende situaties de facto minder gunstig kan behandelen (arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Dat is het geval wanneer een belastingvoordeel op grond van een nationale regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers, uitsluitend wordt toegekend in situaties waarin een marktdeelnemer voldoet aan voorwaarden of verplichtingen die per definitie of de facto eigen zijn aan de nationale markt, zodat alleen op de nationale markt actieve marktdeelnemers aan die voorwaarden of verplichtingen kunnen voldoen terwijl de vergelijkbare niet-ingezeten marktdeelnemers daaraan over het algemeen niet voldoen (arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 16 december 2021, gevoegde zaken C‑478/19 en C‑479/19 (UBS Real Estate)
"Bestaan van een beperking
25 Maatregelen van een lidstaat die de ingezetenen van deze staat ervan weerhouden in andere lidstaten leenovereenkomsten te sluiten, vormen beperkingen in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (zie met name arrest van 29 oktober 2015, Nagy, C‑583/14, EU:C:2015:737, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Volgens artikel 93, lid 1-bis, van de wegenverkeerswet is het eenieder die sinds meer dan zestig dagen woonplaats heeft in Italië verboden aan het verkeer deel te nemen met een in het buitenland geregistreerd voertuig.
27 Bijgevolg is een persoon die sinds meer dan zestig dagen woonplaats heeft in Italië, zoals GN, en die beschikt over een in een andere lidstaat geregistreerd motorvoertuig en hiermee in Italië aan het verkeer wenst deel te nemen, verplicht dit voertuig in laatstgenoemde lidstaat te registreren, hetgeen de betaling van kosten en belastingen en het vervullen van ingewikkelde administratieve formaliteiten meebrengt, zoals de verwijzende rechter opmerkt.
28 Aangezien een bruikleen in wezen bestaat in de mogelijkheid om de geleende zaak te gebruiken, dient te worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, doordat personen die sinds meer dan zestig dagen woonplaats hebben in Italië een belasting moeten betalen bij het gebruik op het Italiaanse wegennet van een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig, ook al is dat om niet geleend van een ingezetene van een andere lidstaat, ertoe leidt dat de grensoverschrijdende bruikleen om niet van motorvoertuigen wordt belast (zie in die zin arrest van 26 april 2012, van Putten, C‑578/10–C‑580/10, EU:C:2012:246, punt 39). Bruikleen om niet van een in Italië geregistreerd voertuig is daarentegen niet aan deze belasting onderworpen.
29 Een dergelijk verschil in behandeling naargelang de staat waarin het geleende voertuig is geregistreerd, kan inwoners van Italië ervan weerhouden de bruikleen, door inwoners van een andere lidstaat, van een in laatstgenoemde lidstaat geregistreerd voertuig te aanvaarden [zie in die zin beschikking van 10 september 2020, Waals Gewest (Inschrijving van een geleend voertuig), C‑41/20–C‑43/20, niet gepubliceerd, EU:C:2020:703, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30 Bijgevolg vormt de in punt 24 van het onderhavige arrest bedoelde nationale regeling, voor zover zij inwoners van Italië ervan kan weerhouden in andere lidstaten leenovereenkomsten te sluiten, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (zie in die zin arrest van 26 april 2012, van Putten, C‑578/10–C‑580/10, EU:C:2012:246, punten 40 en 41)."
HvJ EU 16 december 2021, C‑274/20 (GN en WX)
“61 Ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.
62 Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvat het begrip „beperking” in artikel 63 VWEU op algemene wijze alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en tussen de lidstaten en derde landen [arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen), C‑78/18, EU:C:2020:476, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
63 Bovendien omvatten volgens vaste rechtspraak van het Hof de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (zie in die zin arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
"15 De maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien om in een lidstaat investeringen te doen of die ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen om in andere staten investeringen te doen (arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."15
16 In het bijzonder kan een verschil in behandeling dat ertoe leidt dat inkomsten die een belastingplichtige van een lidstaat in een andere lidstaat heeft verkregen, minder gunstig worden behandeld in vergelijking met inkomsten uit de eerste lidstaat, een dergelijke persoon ervan weerhouden om zijn kapitaal in een andere lidstaat te beleggen [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door ICBE’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
"62 Volgens artikel 63, lid 1, VWEU zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.
63 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die ingezetenen van een lidstaat ervan kunnen weerhouden om in een andere lidstaat in onroerend goed investeringen te doen (arrest van 12 april 2018, Commissie/België, C‑110/17, EU:C:2018:250, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft BJ in de belastingjaren die in het hoofdgeding aan de orde zijn inkomsten ontvangen uit de verhuur, voor woondoeleinden, van een appartement in Luxemburg.
65 Bijgevolg is artikel 63 VWEU van toepassing op het hoofdgeding."
HvJ EU 15 juli 2021, C‑241/20 (BJ)
"22 Vervolgens blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arresten van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 50, en 18 januari 2018, Jahin, C‑45/17, EU:C:2018:18, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 30 april 2020, C‑565/18, V-N 2020/23.13 (Société Générale)
"54 Volgens vaste rechtspraak heeft het begrip „beperking” in de zin van artikel 49 VWEU betrekking op alle maatregelen die de uitoefening van de vrijheid van vestiging verbieden, belemmeren of minder aantrekkelijk maken (arrest van 28 april 2009, Commissie/Italië, C‑518/06, Jurispr. blz. I‑3491, punt 62).
55 Nationale maatregelen die het verwerven van aandelen van de betrokken ondernemingen kunnen blokkeren of beperken, of beleggers uit andere lidstaten ervan kunnen weerhouden in die ondernemingen te investeren, moeten ook worden aangemerkt als „beperkingen” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 19).
56 In het hoofdgeding werkt de betrokken nationale maatregel ontradend voor de beleggers en belemmert hij dus hun toegang tot de markt voor deelnemingen in vennootschappen.
57 Krachtens de nationale maatregel kunnen aandeelhouders in een naamloze televisievennootschap namelijk aansprakelijk worden gesteld voor aan deze vennootschap opgelegde geldboeten, zodat zij ervoor zorgen dat deze vennootschap de Griekse wetgeving en deontologische regels naleeft, terwijl zij in het kader van hun bevoegdheden krachtens de regels inzake de werking van de organen van naamloze vennootschappen daartoe niet de materiële mogelijkheid hebben.
58 Hoewel de maatregel zonder onderscheid van toepassing is op Griekse beleggers en op beleggers uit andere lidstaten, werkt hij bovendien meer ontradend voor beleggers uit andere lidstaten dan voor Griekse beleggers.
59 Het doel de aandeelhouders ertoe aan te zetten allianties met andere aandeelhouders te sluiten om de beslissingen van de directie van de vennootschap te kunnen beïnvloeden, ook al geldt het voor alle aandeelhouders, is namelijk ongetwijfeld veel moeilijker te bereiken voor beleggers uit andere lidstaten die de gewoonten van de Griekse media minder kennen en niet noodzakelijkerwijze kennis hebben van de verschillende groepen of allianties die zijn vertegenwoordigd in het kapitaal van een vennootschap die houder is van een vergunning tot oprichting en exploitatie van een televisiezender.
60 Derhalve beperkt een nationale maatregel als die in het hoofdgeding zowel de vrijheid van vestiging als het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 21 oktober 2010, C‑81/09 (Idryma Typou)
"32. De minder gunstige fiscale behandeling van niet-ingezetenen kan hen ontmoedigen in Duitsland gelegen onroerende goederen te verwerven of aan te houden (zie naar analogie arrest van 8 september 2005, Blanckaert, nr. C 512/03, Jur. p. I 7685, punt 39). Tevens kunnen Duitse inwoners worden ontmoedigd om personen die in een andere lidstaat wonen dan de Bondsrepubliek Duitsland aan te duiden als begunstigde van een voorschot op het erfdeel (zie naar analogie arrest Missionswerk Werner Heukelbach, reeds aangehaald, punt 25).33. Een dergelijke wettelijke regeling vormt dus een in beginsel bij art. 63 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 31 maart 2011, nr. C-450/09, LJN BQ0729, V-N 2011/19.27; NTFR 2011, 957, m.nt. Korving; H&I 2011/9.4, m.comm. Paternotte; RvdW 2011/673 (Schröder).
"45 Volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 24 november 2016, C‑464/14 (Secil)
"23 Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (zie arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 30 juni 2016, C‑176/15 (Riskin en Timmermans)
"40 Aangaande de vraag of de betrokken regeling een beperking in de zin van deze bepaling vormt, zij eraan herinnerd dat nationale bepalingen ter vaststelling van de waarde van een onroerende zaak voor de berekening van de belastingschuld bij verkrijging door schenking, niet alleen de aankoop van in de betrokken lidstaat gelegen onroerende zaken kunnen ontmoedigen, maar ook kunnen leiden tot een waardevermindering van de schenking van een ingezetene van een andere lidstaat dan die waarin deze zaken zijn gelegen (zie arrest van 22 april 2010, Mattner, C‑510/08, EU:C:2010:216, punt 25)."
HvJ EU 8 juni 2016, C-479/14 (Hünnebeck)
"27 Volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (zie met name arresten van 8 november 2012, Commissie/Finland, C‑342/10, EU:C:2012:688, punt 28, en van 22 november 2012, Commissie/Duitsland, C‑600/10, niet gepubliceerd, EU:C:2012:737, punt 14).
28 In het bijzonder kan een ongunstige behandeling door een lidstaat van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten pensioenfondsen in vergelijking met de behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten pensioenfondsen, in een andere dan die lidstaat gevestigde vennootschappen ervan doen afzien in eerstbedoelde lidstaat te investeren, zodat zij een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (zie arresten van 8 november 2012, Commissie/Finland, C‑342/10, EU:C:2012:688, punt 33, en van 22 november 2012, Commissie/Duitsland, C‑600/10, niet gepubliceerd, EU:C:2012:737, punt 15)."
HvJ EU 2 juni 2016, C‑252/14 (Pensioenfonds Metaal en Techniek)
"18 In dit verband zij in de eerste plaats herinnerd aan de vaste rechtspraak dat schenkingen en nalatenschappen kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU vormen, tenzij alle bestanddelen binnen één lidstaat gelegen zijn (zie in die zin met name arrest Schröder, EU:C:2011:198, punt 26). De overdracht in kwestie van aandelen in een in Duitsland gevestigde vennootschap aan een natuurlijke persoon die in een andere lidstaat woont, in het kader van een voorschot op het erfdeel, valt dus onder artikel 63 VWEU.
19 In de tweede plaats omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen of dergelijke investeringen aan te houden (zie met name arrest Schröder, EU:C:2011:198, punt 30)."
HvJ EU 24 februari 2015, C‑559/13 (Grünewald)
"21 In dit verband zij eraan herinnerd dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die ingezetenen van een lidstaat kunnen ontmoedigen in een andere lidstaat in onroerend goed investeringen te doen (arrest Libert e.a., C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288, punt 44)."
HvJ EU 21 september 2014, C‑489/13 (Verest en Gerards)
"39 Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arresten van 18 december 2007, A, C‑101/05, Jurispr. blz. I‑11531, punt 40; 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, Jurispr. blz. I‑305, punt 50, en arrest Santander Asset Management SGIIC e.a., reeds aangehaald, punt 15)."
HvJ EU 10 april 2014, C‑190/12 (Emerging Markets Series of DFA Investment Trust Company)
"27 Eveneens volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 56, lid 1, EG verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, Jurispr. blz. I‑1129, punt 24, en arrest Santander Asset Management SGIIC e.a., reeds aangehaald, punt 15)."
HvJ EU 3 oktober 2013, C‑282/12 (Itelcar)
"22 De maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen of dergelijke investeringen aan te houden (zie in die zin arresten van 22 januari 2009, STEKO Industriemontage, C‑377/07, Jurispr. blz. I‑299, punten 23 en 24, en 31 maart 2011, Schröder, C‑450/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 30).
23 Met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat in deze regeling bij de vaststelling van de verjaringstermijn voor de schatting van aandelen op naam met het oog op heffing van successierechten een onderscheid wordt gemaakt naargelang van de ligging van de zetel van de werkelijke leiding van de emitterende vennootschap, aangezien de verjaringstermijn voor de schatting van aandelen die zijn uitgegeven door een vennootschap waarvan de zetel van de werkelijke leiding in België is gelegen, twee jaar bedraagt terwijl deze verjaringstermijn tien jaar bedraagt wanneer de aandelen zijn uitgegeven door een vennootschap waarvan deze zetel in een andere lidstaat is gelegen.
24 Toepassing van deze langere verjaringstermijn op erfgenamen die aandelen aanhouden in een vennootschap waarvan de zetel van de werkelijke leiding in een andere lidstaat dan het Koninkrijk België is gelegen, kan echter tot gevolg hebben dat Belgische ingezetenen ervan afzien te investeren of investeringen aan te houden in buiten deze lidstaat gelegen activa, aangezien hun erfgenamen langere tijd in onzekerheid over een mogelijke fiscale navordering zullen verkeren.
25 Een dergelijke nationale wettelijke regeling vormt dus een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU."
HvJ EU 15 september 2011, C‑132/10 (Halley)
"Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten.
22 Uit vaste rechtspraak volgt dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, in geval van successies mede de maatregelen omvatten die leiden tot waardevermindering van de nalatenschap van een persoon die woonplaats heeft in een andere staat dan de lidstaat waar de betrokken zaken zich bevinden en waar de vererving van die zaken wordt belast (reeds aangehaald arrest Van Hilten-van der Heijden, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling behoudt de mogelijkheid om voor het verlaagde tarief van de successierechten in aanmerking te komen voor aan organismen zonder winstoogmerk die hun zetel van werkzaamheden hebben in België dan wel in de lidstaat waar de erflater daadwerkelijk verbleef of zijn arbeidsplaats had op het tijdstip van zijn overlijden, of waar hij voorheen daadwerkelijk is verbleven of zijn arbeidsplaats heeft gehad.
24 Deze wettelijke regeling leidt dus ertoe dat een successie zwaarder wordt belast wanneer de begunstigde een organisme zonder winstoogmerk is dat zijn zetel van werkzaamheden heeft in een lidstaat waar de erflater niet daadwerkelijk is verbleven of zijn arbeidsplaats heeft gehad, en beperkt bijgevolg het kapitaalverkeer doordat zij de waarde van voornoemde nalatenschap vermindert (zie naar analogie reeds aangehaald arrest Eckelkamp e.a., punt 45).
25 Zoals door de Commissie is uiteengezet, maakt voorts de toepassing van een hoger belastingtarief op bepaalde grensoverschrijdende kapitaalbewegingen dan op bewegingen binnen België, die grensoverschrijdende kapitaalbewegingen minder aantrekkelijk, aangezien het hogere tarief Belgische ingezetenen ervan doet afzien als legatarissen personen aan te wijzen die zijn gevestigd in lidstaten waar zijzelf niet daadwerkelijk zijn verbleven of hun arbeidsplaats hebben gehad (zie in die zin arrest van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, Jurispr. blz. I‑359, punt 38)."
HvJ EU 10 februari 2011, C‑25/10 (Missionswerk Werner Heukelbach)
“20 Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat een nationale wettelijke regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten vennootschappen toch een beperking van het vrije verkeer van kapitaal kan inhouden aangezien zelfs een op objectieve criteria berustend onderscheid grensoverschrijdende situaties de facto kan benadelen (arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 Dat is het geval wanneer een nationale wettelijke regeling de toekenning van een belastingvoordeel afhankelijk stelt van een voorwaarde die weliswaar zonder onderscheid van toepassing is, maar naar haar aard of in feite eigen is aan de nationale markt, waardoor alleen ingezeten vennootschappen die voorwaarde kunnen vervullen, terwijl niet-ingezeten vennootschappen er over het algemeen niet aan voldoen (zie arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
Nadelige fiscale behandeling van niet-ingezetenen
"36 Volgens vaste rechtspraak van het Hof strekken de maatregelen die krachtens artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het vrije kapitaalverkeer beperken, zich uit tot maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien investeringen in een lidstaat te doen, of die ingezetenen kunnen ontmoedigen investeringen in andere lidstaten te doen (zie met name arresten van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 In casu staat vast dat de belastingvrijstelling waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorziet, wordt verleend aan icb’s die volgens de Portugese regeling zijn opgericht en hun activiteiten uitoefenen, terwijl dividenden die worden uitgekeerd aan in een andere lidstaat gevestigde icb’s, niet voor deze vrijstelling in aanmerking komen.
38 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling leidt dus tot een nadelige behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten icb’s, doordat over die dividenden bronbelasting wordt geheven en de mogelijkheid om vrijstelling van bronbelasting te genieten is voorbehouden aan ingezeten icb’s.
39 Een dergelijke nadelige behandeling kan, ten eerste, niet-ingezeten icb’s ervan doen afzien te beleggen in vennootschappen die in Portugal zijn gevestigd, en, ten tweede, in Portugal gevestigde beleggers ervan weerhouden om aandelen in dergelijke icb’s te verwerven, zodat deze een in beginsel door artikel 63 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punten 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Zelfs een geringe beperking is verboden
“105 Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof dat de Verdragsartikelen betreffende het vrije verkeer van goederen en personen, het vrij verrichten van diensten en het vrije kapitaalverkeer fundamentele regels voor de Unie vormen en dat elke belemmering van deze vrijheden, hoe gering ook, verboden is (arrest van 5 december 2013, Zentralbetriebsrat der gemeinnützigen Salzburger Landeskliniken, C‑514/12, EU:C:2013:799, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
HvJ EU 11 november 2021, C-168/20 (BJ, curator in het faillissement van de heer M, OV, curator in het faillissement van de heer M - Mevrouw M, MH, ILA en de heer M)
Het mogelijk afzien van investeringen door buitenlandse (EU)investeerders/grensoverschrijdende dimensie
"30 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen of dergelijke investeringen aan te houden (zie in die zin arrest van 22 januari 2009, STEKO Industriemontage, C‑377/08, Jurispr. blz. I‑299, punten 23 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 31 maart 2011, nr. C-450/09 (Schröder)
"45 Artikel 63 VWEU bepaalt in lid 1 dat alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden zijn.
46 Uit de bewoordingen van deze bepaling vloeit voort dat er voor een schending ervan sprake moet zijn van kapitaalverkeer met een grensoverschrijdende dimensie en van een beperking van het vrije kapitaalverkeer."
HvJ EU 18 juni 2020, C‑78/18 (Europese Commissie - Zweden)
Een vrijstelling van belasting die is voorbehouden aan bepaalde vastgoedfondsen
74 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 56 EG (thans, na wijziging, artikel 63 VWEU) aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan de verlaging van de hypotheek- en de kadasterbelasting voorbehouden is aan gesloten vastgoedfondsen, met uitsluiting van open vastgoedfondsen, voor zover deze twee categorieën van fondsen zich in objectief vergelijkbare situaties bevinden, tenzij dat verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd door de doelstelling systeemrisico’s op de vastgoedmarkt te beperken.”
HvJ EU 16 december 2021, gevoegde zaken C‑478/19 en C‑479/19 (UBS Real Estate)
Het heffen van een bronbelasting bij niet-ingezetenen versus een vrijstelling voor ingezetenen
"40 Hieruit volgt dat dividenden die aan niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd minder gunstig worden behandeld dan dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, aangezien over die eerste dividenden een definitieve belasting van 15 % wordt geheven, terwijl die laatste uiteindelijk van belasting worden vrijgesteld.
41 Een dergelijke ongunstige behandeling van dividenden door een lidstaat kan niet-ingezeten vennootschappen ervan doen afzien in die lidstaat te investeren, zodat zij een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU in beginsel verboden is.
42 Desalniettemin doet het bepaalde in artikel 63 VWEU volgens artikel 65, lid 1, onder a), VWEU niet af aan het recht van de lidstaten de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die een onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd.
43 Het is vaste rechtspraak dat artikel 65, lid 1, onder a), VWEU, als uitzondering op het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van kapitaal, strikt moet worden uitgelegd. Deze bepaling kan dan ook niet aldus worden uitgelegd dat elke belastingwetgeving die een onderscheid maakt tussen belastingplichtigen naargelang van hun vestigingsplaats of van de lidstaat waar zij hun kapitaal beleggen, automatisch verenigbaar is met het VWEU [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44 De door artikel 65, lid 1, onder a), VWEU toegestane verschillen in behandeling mogen volgens lid 3 van dit artikel namelijk geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking vormen. Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat dergelijke verschillen in behandeling slechts zijn toegestaan wanneer zij betrekking hebben op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn of, in het tegenovergestelde geval, wanneer zij worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ 7 november 2024, C‑782/22 (XX - Belastingdienst)
De heffing van forensenbelasting
"a) het vrije verkeer van kapitaal
5.4
De centrale stelling van [appellant] is dat door de heffing van forensenbelasting een ontoelaatbaar onderscheid wordt gemaakt tussen een natuurlijk persoon die, zoals [appellant] , niet zijn hoofdverblijf in de gemeente heeft enerzijds en een natuurlijk persoon die dat wel heeft anderzijds. Indien beiden, naast hun hoofdverblijf, in de gemeente gedurende meer dan 90 dagen per jaar een gemeubileerde woning beschikbaar houden (hierna ook kort: een ‘tweede woning’ hebben), wordt alleen de eerste persoon voor de forensenbelasting belast. [appellant] voert aan dat op grond van art. 65 lid 1 VWEU de lidstaten bevoegd zijn de bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd, maar dat dit niet mag leiden tot arbitraire discriminatie. Van dit laatste is in dit geval wel sprake, want het gaat om gelijke gevallen, namelijk twee personen die allebei een tweede woning hebben in de gemeente, aldus [appellant] . Er is ook geen dwingende reden van algemeen belang die de heffing van forensenbelasting rechtvaardigt, want volgens vaste jurisprudentie van het HvJEU vormt de bescherming van de belastingopbrengst nooit een dwingende reden van algemeen belang. Volgens [appellant] is de forensenbelasting op zichzelf weliswaar nog nooit onderwerp van een procedure bij het HvJEU geweest, maar blijkt uit jurisprudentie met betrekking tot vergelijkbare gemeentelijke heffingen dat een onderscheid in tarieven tussen ingezetenen en niet-ingezetenen in strijd is met de vrijheid om diensten af te nemen.
5.5
Het hof oordeelt als volgt. Op grond van de criteria geformuleerd in het Köbler-arrest5 gaat het in deze zaak om de vraag of zich het uitzonderlijke geval voordoet dat de Hoge Raad het Unierecht kennelijk heeft geschonden. De eis dat sprake is van een ‘kennelijke schending’ impliceert dat de schending met enige evidentie moet blijken en dat het er in dit geding niet om gaat of het hof aan de hand van een beoordeling ten gronde van de stellingen van [appellant] vaststelt of de forensenbelasting al dan niet in strijd is met het Unierecht. Het HvJEU heeft in het Köbler-arrest immers belang gehecht aan de specifieke aard van de rechterlijke functie en de gerechtvaardigde eisen van rechtszekerheid. Met andere woorden: het is niet de bedoeling dat de zaak die geëindigd is met het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, in het onderhavige geding nog eens ‘over’ wordt gedaan. Dat zou in strijd zijn met het beginsel van rechtszekerheid. Daarom is slechts in uitzonderlijke gevallen ruimte voor aansprakelijkheid van de Staat voor een uitspraak van de Hoge Raad. Het is aan [appellant] als eisende partij om voldoende te onderbouwen dat zich hier een zodanig uitzonderlijk geval voordoet en te motiveren waarom de Hoge Raad het Unierecht kennelijk heeft geschonden.
5.6
[appellant] is daarin niet geslaagd. Zoals hij zelf erkent is de verenigbaarheid van de forensenbelasting met de vrijheid van kapitaalverkeer nooit aan het HvJEU voorgelegd. [appellant] heeft evenmin kunnen wijzen op lagere (binnen- of buitenlandse) rechtspraak waarin deze vraag aan de orde is gekomen en in zijn voordeel werd beslist. Hij heeft evenmin gewezen op opinies in de literatuur die zijn standpunt ondersteunen. [appellant] heeft wel gewezen op uitspraken van het HvJEU, maar die gaan hetzij over een van de andere vrijheden (die hun eigen juridische kader hebben), hetzij over de vrijheid van kapitaalverkeer maar niet over de forensenbelasting of een vergelijkbare heffing. Uit die uitspraken blijkt dus niet, laat staan met de nodige evidentie, dat de forensenbelasting in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer. Daarbij is nog het volgende relevant.
5.7
Anders dan in veel van de door [appellant] aangehaalde uitspraken, wordt bij de heffing van forensenbelasting geen onderscheid gemaakt tussen ingezetenen van Nederland en ingezetenen van andere lidstaten. Forensenbelasting wordt geheven van de persoon die een tweede woning in de gemeente heeft zonder in diezelfde gemeente zijn hoofdverblijf te hebben, ongeacht in welk land (Nederland dan wel een andere lidstaat) hij woont. Het valt dan ook niet in te zien dat de forensenbelasting een beperking vormt van het vrij verkeer van kapitaal tussen Nederland en andere lidstaten. Weliswaar kan een nationale regeling die, zoals hier, zonder onderscheid geldt voor ingezetenen van de lidstaat en niet-ingezetenen van de lidstaat een beperking van het vrije verkeer inhouden, maar dan moet vaststaan dat grensoverschrijdende situaties de facto worden benadeeld.6 Op een dergelijk effect heeft [appellant] zich niet (voldoende gemotiveerd) beroepen. De vergelijking die [appellant] ten slotte wil maken met gemeenten die bij musea7, zwembaden en dergelijke een lager tarief hanteren voor inwoners van de gemeenten en anderen, gaat reeds niet op omdat het daarbij ging om de vrijheid van dienstverlening, in ieder geval niet om het vrij verkeer van kapitaal of de forensenbelasting.
5.8
Bij het voorgaande komt dat het in dit geval gaat om een recreatiewoning in een vakantiepark, die [appellant] aanhoudt voor familiebezoek en die hij niet verhuurt. [appellant] heeft niet gewezen op rechtspraak of literatuur waaruit zou volgen dat een dergelijke aankoop, waarbij financiële motieven kennelijk niet op de voorgrond staan, kan worden beschouwd als een investering die beschermd wordt door art. 63 lid 1 VWEU. Zonder nadere toelichting op de verwachte waardeontwikkeling of het verwachte rendement van de recreatiewoning, een toelichting die [appellant] slechts in algemene zin maar niet toegespitst op zijn eigen situatie heeft gegeven8, valt niet in te zien waarom deze aankoop moet worden beschouwd als een ‘belegging’ in onroerend goed in de zin van de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij de (voormalige) Richtlijn 88/361.9 Het arrest van de HvJEU waar [appellant] naar verwijst inzake Établissements Rimbaud SA10 ging over een vennootschap waarvan vaststond dat deze in onroerende zaken in Frankrijk had belegd (rov. 18), niet over een particulier die een recreatiewoning had gekocht voor familiebezoek.
5.9
Het is bovendien maar zeer de vraag of de forensenbelasting wel een beperking van het kapitaalverkeer vormt. Deze belasting knoopt immers niet aan bij enige investering of belegging in onroerend goed binnen een gemeente, maar wordt geheven van de persoon die gedurende meer dan 90 dagen per jaar een gemeubileerde woning voor zich of zijn gezin beschikbaar houdt. Op grond van welke titel hij die woning beschikbaar houdt (eigendom of huur) is voor de heffing niet van belang. Integendeel, juist een persoon die als belegging een tweede woning in de gemeente koopt en deze gedurende het hele jaar verhuurt, wordt niet voor de forensenbelasting aangeslagen. Over een en ander zou wellicht anders kunnen worden gedacht indien aangenomen zou moeten worden dat de forensenbelasting in feite grensoverschrijdende beleggingen in onroerend goed belemmert, maar zoals hiervoor overwogen heeft [appellant] dat niet (voldoende gemotiveerd) aangevoerd."
Gerechtshof Den Haag 11 oktober 2022, 200.282.734/02, ECLI:NL:GHDHA:2022:2863. Het cassatieberoep tegen dit (civiele) arrest is door de (civiele kamer van de) Hoge Raad met toepassing van artikel 81 Wet RO verworpen (HR 15 maart 2024, 22/04898, ECLI:NL:HR:2024:425).
Verbod gebruik in andere Lidstaat geregistreerd motorvoertuig
“40 Bijgevolg moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 63, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die het eenieder die sinds meer dan zestig dagen woonplaats heeft in die lidstaat, verbiedt om in die lidstaat aan het verkeer deel te nemen met een in een andere lidstaat geregistreerd motorvoertuig, ongeacht de persoon op wiens naam dat voertuig is geregistreerd, zonder dat rekening wordt gehouden met de duur van het gebruik van dat voertuig in eerstgenoemde lidstaat en zonder dat de betrokken persoon aanspraak kan maken op vrijstelling wanneer dit voertuig niet is bestemd om hoofdzakelijk in eerstgenoemde lidstaat duurzaam te worden gebruikt of daar feitelijk niet duurzaam wordt gebruikt.”
HvJ EU 16 december 2021, C‑274/20 (GN en WX)
Kosten die verband houden met een bepaalde activiteit in een bepaalde Lidstaat
"100 In dat verband zij eraan herinnerd dat, bij de directe belastingen, de situatie van ingezetenen en die van niet-ingezetenen in het algemeen niet vergelijkbaar is (arrest van 14 februari 1995, Schumacker, C‑279/93, EU:C:1995:31, punt 31).
101 Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor de inkomsten die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van de ingezeten belastingplichtigen (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 47).
102 In het bijzonder met betrekking tot de vaststelling, voor de berekening van de inkomstenbelasting, van kosten die rechtstreeks verband houden met een activiteit waardoor in een lidstaat belastbare inkomsten zijn verworven, heeft het Hof reeds geoordeeld dat ingezeten en niet-ingezeten vennootschappen in een vergelijkbare situatie verkeren (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 24 februari 2022, C-257/20 (“Viva Telecom Bulgaria” EOOD)
De bewijslast voor niet-ingezetenen
"51 In casu moet een niet-ingezeten pensioenfonds, om in aanmerking te komen voor vrijstelling van vennootschapsbelasting dan wel voor teruggaaf daarvan, een verklaring overleggen die is bevestigd en geattesteerd door de autoriteiten die toezicht houden op dat fonds in de lidstaat waar het is gevestigd. Deze verklaring moet ten eerste aantonen dat het fonds uitsluitend de betaling garandeert van uitkeringen uit hoofde van ouderdoms‑ of invaliditeitspensioenen, uitkeringen uit hoofde van nabestaandenpensioenen, uitkeringen bij vervroegde uittreding of vervroegde pensionering en uitkeringen bij ziekte na uitdiensttreding, evenals, indien deze een aanvulling vormen op en bijkomend zijn aan deze uitkeringen, de toekenning van uitkeringen bij overlijden, ten tweede, dat het wordt beheerd door instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/41 vallen en, ten derde, dat het de uiteindelijk gerechtigde van de inkomsten is.
52 Met betrekking tot de vraag of een dergelijke verklaring geschikt is om de verwezenlijking van de in punt 49 van het onderhavige arrest genoemde doelstellingen op coherente en systematische wijze te waarborgen, dient in dat verband in herinnering te worden gebracht dat de belastingautoriteiten van een lidstaat het recht hebben om van de belastingplichtige het bewijs te verlangen dat zij noodzakelijk achten om te beoordelen of voldaan is aan de voorwaarden voor toekenning van een belastingvoordeel en bijgevolg of dat voordeel al dan niet moet worden toegekend. De inhoud, de vorm en de mate van nauwkeurigheid waaraan de informatie moet voldoen die door de belastingplichtige wordt verstrekt, worden bepaald door de lidstaat die dat voordeel toekent, zodat hij de belasting correct kan heffen (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Opdat de verkrijging van een belastingvoordeel door een niet-ingezeten belastingplichtige niet onmogelijk of uiterst moeilijk zou worden gemaakt, mag van die belastingplichtige evenwel niet worden verlangd dat hij stukken overlegt die in alle opzichten dezelfde vorm hebben en even gedetailleerd zijn als de bewijsstukken die zijn vastgesteld in de nationale wettelijke regeling van de lidstaat die dat belastingvoordeel toekent, wanneer die lidstaat aan de hand van de door die belastingplichtige verstrekte stukken voor het overige duidelijk en nauwkeurig kan nagaan of aan de voorwaarden voor de verkrijging van het betrokken belastingvoordeel is voldaan. Aan niet-ingezeten belastingplichtigen mogen immers geen buitensporig zware administratieve lasten worden opgelegd waardoor zij de facto niet in aanmerking komen voor een belastingvoordeel (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Hieruit vloeit voort dat het vereiste – dat uitsluitend geldt voor niet-ingezeten pensioenfondsen – om een verklaring van de autoriteiten van een andere lidstaat over te leggen, zoals bedoeld in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, alleen geschikt is om op coherente en systematische wijze de doeltreffendheid van de belastingcontroles en een doelmatige invordering van de belastingen te waarborgen indien deze autoriteiten over de nodige bevoegdheden en verantwoordelijkheden beschikken om een dergelijke verklaring af te geven en deze binnen een redelijke termijn aan het betrokken pensioenfonds kunnen verstrekken."
HvJ EU 27 november 2025, C‑525/24 (Santander Renta Variable España Pensiones, Fondo de Pensiones)
De relatie met richtlijn 90/435
"32 Voor deelnemingen beneden de in richtlijn 90/435 vastgestelde drempels staat het aan de lidstaten om te bepalen of en in hoeverre dubbele economische belasting of opeenvolgende belastingheffingen over de uitgekeerde winst moeten worden voorkomen en hiertoe unilateraal of door middel van met andere lidstaten gesloten overeenkomsten regelingen ter vermindering of voorkoming van deze dubbele economische belasting of opeenvolgende belastingheffingen in te stellen, zonder dat het hun evenwel is toegestaan maatregelen te treffen die in strijd zijn met de vrijheden van verkeer (zie in die zin arresten van 12 december 2006, Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, C‑374/04, EU:C:2006:773, punt 54, en 8 november 2007, Amurta, C‑379/05, EU:C:2007:655, punt 24)."
HvJ EU 16 juni 2022, C‑572/20 (ACC Silicones Ltd)
Een onevenredige geldboete op de niet-nakoming van aangifteverplichtingen met betrekking tot zijn goederen of rechten in het buitenland
"48 Vooraf zij eraan herinnerd dat het bij gebreke van harmonisatie in het Unierecht weliswaar aan de lidstaten staat om de sancties te kiezen die hun passend voorkomen in geval van niet-nakoming van de verplichtingen krachtens hun nationale wetgeving op het gebied van directe belastingen, maar dat zij hun bevoegdheid moeten uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 12 juli 2001, Louloudakis, C‑262/99, EU:C:2001:407, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Wat de evenredigheid van de geldboete van 150 % betreft, blijkt uit de eerste aanvullende bepaling van wet 7/2012 dat de toepassing van artikel 39, lid 2, van de wet betreffende de inkomstenbelasting van natuurlijke personen of van artikel 134, lid 6, van de bij koninklijk wetsbesluit 4/2004 van 5 maart 2004 goedgekeurde geconsolideerde tekst van de wet betreffende de vennootschapsbelasting, waarvan de bepalingen vervolgens zijn opgenomen in artikel 121, lid 6, van de wet betreffende de vennootschapsbelasting, leidt tot de oplegging van een geldboete van 150 % van de totale verschuldigde belasting over de bedragen die overeenkomen met de waarde van de in het buitenland aangehouden goederen of rechten. Deze geldboete is cumulatief met de in de achttiende aanvullende bepaling van de algemene belastingwet bepaalde forfaitaire geldboeten, die worden opgelegd per gegeven of geheel van gegevens dat onvolledig, onjuist of vals is en in „formulier 720” had moeten worden opgenomen.
50 Hoewel het Koninkrijk Spanje stelt dat deze proportionele geldboete wordt opgelegd wegens niet-nakoming van een materiële verplichting tot betaling van belasting, moet worden vastgesteld dat de oplegging ervan rechtstreeks verband houdt met de niet-nakoming van aangifteverplichtingen. Zij wordt immers alleen opgelegd aan belastingplichtigen wier situatie onder artikel 39, lid 2, van de wet betreffende de inkomstenbelasting van natuurlijke personen of artikel 121, lid 6, van de wet betreffende de vennootschapsbelasting valt, met andere woorden aan belastingplichtigen die niet, niet behoorlijk of niet tijdig hebben voldaan aan de verplichting om informatie over hun goederen of rechten in het buitenland te verstrekken, met uitsluiting van degenen die dergelijke goederen of rechten weliswaar met niet-aangegeven inkomsten hebben verworven, maar wel aan deze verplichting hebben voldaan.
51 Voorts voert het Koninkrijk Spanje aan dat de proportionele geldboete van 150 % in de praktijk wordt opgelegd na een individuele beoordeling en dat het tarief ervan kan worden gedifferentieerd. De bewoordingen van de eerste aanvullende bepaling van wet 7/2012 suggereren evenwel dat de enkele toepassing van artikel 39, lid 2, van de wet betreffende de inkomstenbelasting van natuurlijke personen of van artikel 121, lid 6, van de wet betreffende de vennootschapsbelasting volstaat voor de vaststelling dat er sprake is van een belastingovertreding, die als bijzonder ernstig wordt beschouwd en wordt bestraft met een geldboete van 150 % van het ontdoken belastingbedrag, waarbij dit tarief niet als een maximumtarief is geformuleerd.
52 Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat de differentiatiemogelijkheden die worden geboden door een ruling van 6 juni 2017 – na het met redenen omkleed advies dat de Commissie op 15 februari 2017 aan het Koninkrijk Spanje heeft gezonden –, niet in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van het onderhavige beroep, aangezien het bestaan van een niet-nakoming volgens vaste rechtspraak moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn [zie in die zin arrest van 22 januari 2020, Commissie/Italië (Richtlijn bestrijding van betalingsachterstand), C‑122/18, EU:C:2020:41, punt 58]. Dat de in die ruling vervatte uitlegging met terugwerkende kracht is opgenomen in de wet, heeft geen invloed op dit punt.
53 Ten slotte moet worden gewezen op het zeer hoge tarief voor de proportionele geldboete, dat haar een zeer repressief karakter verleent en dat in veel gevallen, gelet op de cumulatie met de forfaitaire geldboeten waarin de achttiende aanvullende bepaling van de algemene belastingwet daarenboven voorziet, ertoe kan leiden dat het door de belastingplichtige verschuldigde totaalbedrag wegens niet-nakoming van de verplichting tot verstrekking van informatie over zijn goederen of rechten in het buitenland oploopt tot meer dan 100 % van de waarde van die goederen of rechten, zoals de Commissie benadrukt.
54 In die omstandigheden heeft deze instelling aangetoond dat de Spaanse wetgever op onevenredige wijze inbreuk heeft gemaakt op het vrije verkeer van kapitaal door de niet-nakoming door de belastingplichtige van zijn aangifteverplichtingen met betrekking tot zijn goederen of rechten in het buitenland te bestraffen met een proportionele geldboete van 150 % van het verschuldigde belastingbedrag over de bedragen die overeenkomen met de waarde van die goederen of rechten, welke boete kan worden gecumuleerd met forfaitaire geldboeten."
HvJ EU 27 januari 2022, C-788/19 (Europese Commissie – Spanje)
Alleen binnenlandse rechtsvormen kunnen voor een bepaalde fiscale vrijstelling in aanmerking komen
"49 Uit vaste rechtspraak volgt dat de maatregelen die krachtens artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat kunnen ontmoedigen om in andere staten investeringen te doen (arresten van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Met name het feit dat een lidstaat inkomsten die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging ongunstiger behandelt dan inkomsten die worden uitgekeerd aan ingezeten instellingen voor collectieve belegging, kan in een andere dan die lidstaat gevestigde instellingen ervan doen afzien in die lidstaat investeringen te doen, zodat dit een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Wanneer aan ingezeten instellingen voor collectieve belegging uitgekeerde inkomsten worden vrijgesteld, terwijl inkomsten die door niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging worden verworven, onderworpen zijn aan een definitieve inhouding aan de bron, dan is er sprake van een dergelijke minder gunstige behandeling (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 50).
(...).
60 Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 53 en 54 van zijn conclusie, mogen de toekenningsvoorwaarden van een belastingvoordeel waarin een lidstaat voor bepaalde instellingen voor collectieve belegging voorziet, echter geen beperking van het vrije verkeer van kapitaal inhouden (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 46).
61 Gelet op de in punt 57 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte ontbrekende harmonisatie, zou het vrije verkeer van kapitaal zijn werking verliezen indien een niet-ingezeten instelling voor collectieve belegging, die is opgericht in de rechtsvorm die is toegestaan of vereist krachtens de wettelijke regeling van de lidstaat waar zij is gevestigd en die overeenkomstig die regeling handelt, in een andere lidstaat waar zij investeringen doet, verstoken blijft van een belastingvoordeel vanwege het enkele feit dat haar rechtsvorm niet overeenkomt met de rechtsvorm die in deze laatste lidstaat voor instellingen voor collectieve belegging is vereist.
62 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat volgens de toelichting van de Finse regering alternatieve beleggingsinstellingen in de zin van richtlijn 2011/61 in Finland bij statuten mogen worden opgericht en dat die fondsen vastgoedinvesteringen mogen verrichten, zonder evenwel in aanmerking te komen voor de vrijstelling van § 20a van de wet op de inkomstenbelasting.
63 De in Finland gevestigde instellingen voor collectieve belegging kunnen namelijk de rechtsvorm aannemen waarmee zij in aanmerking komen voor de vrijstelling, terwijl niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging onderworpen zijn aan de voorwaarden van de wetgeving van de lidstaat waar zij zijn gevestigd.
64 De voorwaarde inzake de oprichting bij overeenkomst is dus weliswaar niet een voorwaarde waaraan alleen ingezeten instellingen voor collectieve belegging kunnen voldoen, maar dat neemt niet weg dat die voorwaarde deze laatste instellingen kan bevoordelen ten nadele van instellingen voor collectieve belegging die bij statuten zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waar zij zijn gevestigd.
65 Hieruit volgt dat een dergelijke regeling niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging ervan kan doen afzien om vastgoedinvesteringen in Finland te doen en derhalve een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt die in beginsel verboden is bij artikel 63 VWEU."
HvJ EU 7 april 2022, C‑342/20 (A SCPI)
"72 In dit verband is het vaste rechtspraak van het Hof dat de handhaving van de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten als rechtvaardigingsgrond kan worden aanvaard wanneer de betrokken regeling ertoe strekt gedragingen te voorkomen die afbreuk kunnen doen aan het recht van een lidstaat om zijn belastingbevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot activiteiten die op zijn grondgebied plaatsvinden (arrest van 27 april 2023, L Fund, C‑537/20, EU:C:2023:339, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Een lidstaat die – zoals in het hoofdgeding het geval is – ervoor heeft gekozen om geen belasting te heffen over de inkomsten van binnenlandse oorsprong die ingezeten fondsen ontvangen, kan zich niet beroepen op de noodzaak om te zorgen voor een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten ter rechtvaardiging van het feit dat wel belasting wordt geheven bij niet-ingezeten fondsen die dergelijke inkomsten ontvangen (arrest van 27 april 2023, L Fund, C‑537/20, EU:C:2023:339, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74 Hieruit volgt dat de rechtvaardigingsgrond die berust op het bewaren van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten, evenmin kan worden aanvaard.
75 Bijgevolg kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling niet worden geacht verenigbaar te zijn met de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van kapitaal op grond dat zij wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.
76 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan dividenden die door ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd aan niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen, aan een bronheffing worden onderworpen, terwijl dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten publiekrechtelijke pensioenfondsen van een dergelijke belasting zijn vrijgesteld."
HvJ EU 29 juli 2024, C‑39/23 (Keva)
Lidstaten mogen de hoeveelheid contanten op hun grondgebied verminderen
"60 Vooraf moet worden gepreciseerd dat de lidstaten bij gebreke van gemeenschappelijke of geharmoniseerde regels betreffende de voorwaarden waaronder en de wijze waarop zij de betalingen in contanten op hun grondgebied kunnen beperken, weliswaar vrij zijn om dergelijke beperkingen in te voeren, maar dat zij bij de uitoefening van deze vrijheid het Unierecht in acht moeten nemen (zie naar analogie arrest van 22 november 2018, Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank (C‑625/17, EU:C:2018:939, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
"35 Wat vastgoedinvesteringen betreft, is het vaste rechtspraak dat nationale maatregelen die verband houden met handelingen waarmee niet-inwoners dergelijke investeringen op het grondgebied van een lidstaat doen, zowel onder artikel 49 VWEU betreffende de vrijheid van vestiging als onder artikel 63 VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal kunnen vallen [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat bij de beantwoording van de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening moet worden gehouden met het voorwerp van de regeling in kwestie en, wanneer op basis van die regeling niet kan worden uitgemaakt onder welke van de fundamentele vrijheden zij overwegend valt, met de feitelijke gegevens van het concrete geval [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37 De regels inzake het recht van vestiging kunnen in beginsel evenwel slechts worden toegepast indien een permanente aanwezigheid in de lidstaat van ontvangst verzekerd is en, in het geval van verwerving en bezit van onroerende goederen, deze goederen actief worden beheerd [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 12 maart 2026, C‑119/24 [Chefquet]
Verbod op zuivere financiële investeringen in advocatenpraktijk op straffe van schrapping van het advocatentableau vormt geen belemmering
"80 In die omstandigheden moet op de eerste, de derde en de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 15, lid 2, onder c), en lid 3, van richtlijn 2006/123 en artikel 63 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die het, op straffe van schrapping van de betrokken advocatenvennootschap van het tableau, verbiedt om aandelen in die vennootschap over te dragen aan een zuiver financiële investeerder die niet voornemens is om in die vennootschap een in die regeling genoemde beroepsactiviteit uit te oefenen."
HvJ EU 19 december 2024, C‑295/23 (Halmer Rechtsanwaltsgesellschaft UG)
Herinschrijving in het kadaster van geschrapte zakelijke rechten
"52 In de derde plaats heeft het Hof geoordeeld dat de herinschrijving van de in strijd met artikel 63 VWEU in het kadaster geschrapte rechten van vruchtgebruik het meest geschikte middel is om, op zijn minst voor de toekomst, de juridische en feitelijke situatie te herstellen waarin de betrokkene zich zou hebben bevonden indien zijn rechten niet onrechtmatig waren geschrapt. In specifieke gevallen kunnen er echter objectieve en legitieme obstakels, met name van juridische aard, aan zo een maatregel in de weg staan, met name wanneer, sinds de schrapping van de rechten van vruchtgebruik, de grond waarop die rechten rustten te goeder trouw is verworven door een nieuwe eigenaar of is herverkaveld. Alleen indien een dergelijke herinschrijving daadwerkelijk onmogelijk blijkt te zijn, is het voor het ongedaan maken van de onwettige gevolgen van de schending van het Unierecht noodzakelijk dat de voormalige houders van de geschrapte rechten van vruchtgebruik een recht op een – al dan niet financiële – compensatie wordt toegekend, waarvan de waarde zodanig is dat deze de economische schade als gevolg van de schrapping van die rechten financieel vergoedt (zie in die zin arrest van 10 maart 2022, Grossmania, C‑177/20, EU:C:2022:175, punten 66 en 68)."
HvJ EU 12 december 2024, C‑419/23 (CN)
Het Verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel in een bilateraal belastingverdrag kan geen rechtvaardiging vormen voor een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
"45 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat ingezeten publiekrechtelijke pensioenfondsen met betrekking tot de fiscale behandeling van dividenden die worden uitgekeerd door in Zweden gevestigde vennootschappen, waarin § 2, eerste alinea, van hoofdstuk 7 van wet (1999:1229) op de inkomstenbelasting voorziet, zijn vrijgesteld van bronbelasting die vastgesteld is voor dit soort dividenden, terwijl niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen niet in aanmerking komen voor een dergelijke vrijstelling.
46 Een dergelijk verschil in fiscale behandeling leidt tot een nadelige behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen, waardoor deze instellingen ervan kunnen worden weerhouden te investeren in vennootschappen die in Zweden zijn gevestigd (zie naar analogie arrest van 17 maart 2022, AllianzGI-Fonds AEVN, C‑545/19, EU:C:2022:193, punt 39).
47 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van de Zweedse regering dat het non-discriminatiebeginsel in de zin van artikel 24 van het OESO-modelbelastingverdrag, zoals blijkt uit de punten 10 en 12 van het commentaar op artikel 24, niet inhoudt dat een staat die aan zijn eigen publiekrechtelijke lichamen bijzondere belastingvoordelen toekent, verplicht is om dezelfde voordelen toe te kennen aan de publiekrechtelijke lichamen van een andere staat.
48 In dit verband volstaat het erop te wijzen dat de regering zich niet op deze punten in het commentaar op artikel 24 van het OESO-modelbelastingverdrag kan beroepen om te ontkomen aan de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen (zie naar analogie arrest van 16 juli 2009, Damseaux, C‑128/08, EU:C:2009:471, punt 34).
49 Wat het argument van de Zweedse regering betreft dat het Unierecht bij gebreke van harmonisatie ervan ter zake geen enkele verplichting oplegt die de lidstaten gemeen hebben om bij te dragen aan de financiering van de socialezekerheidsstelsels van de andere lidstaten, zij eraan herinnerd dat het weliswaar vaststaat dat het Unierecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten, in acht neemt, maar dat dit niet wegneemt dat de lidstaten in de uitoefening van die bevoegdheid het Unierecht, en met name de bepalingen van het VWEU betreffende de fundamentele vrijheden, moeten eerbiedigen [zie in die zin arresten van 28 april 2022, Gerencia Regional de Salud de Castilla y León, C‑86/21, EU:C:2022:310, punt 18, en 30 juni 2022, INSS (Cumulatie van uitkeringen wegens volledige arbeidsongeschiktheid), C‑625/20, EU:C:2022:508, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
50 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, neerkomt op een in beginsel door artikel 63 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 29 juli 2024, C‑39/23 (Keva)
Uitsluiting van niet-ingezetenen van bepaalde voordelen in combinatie met fiscale transparantie: geen beperking
"64 Hieruit volgt dat op de eerste en de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat er geen sprake is van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal wanneer een nationale regeling tot gevolg heeft dat een niet-ingezeten entiteit die enerzijds dezelfde kenmerken heeft als een icbe in de zin van richtlijn 2009/65 en anderzijds rechtspersoonlijkheid bezit en in zoverre vergelijkbaar is met een ingezeten rechtspersoon – ook al wordt een ingezeten icbe volgens deze nationale regeling als fiscaal transparant beschouwd en kan zij niet als rechtspersoon optreden – wordt uitgesloten van teruggaaf van de belasting op inkomsten uit kapitaal, op voorwaarde dat de door de niet-ingezeten entiteit ontvangen inkomsten worden toegerekend aan haar deelnemers en in haar staat van vestiging niet worden belast op het niveau van die entiteit, maar op het niveau van haar deelnemers."
HvJ EU 30 april 2025, C‑602/23 (Finanzamt für Großbetriebe)
Artikel 63 VwEU omvat de vrijheid om deelnemingen te verwerven en aan te houden
"42 Ten slotte klopt het dat de nationale maatregelen die als „beperkingen” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU kunnen worden aangemerkt, niet alleen maatregelen omvatten die het verwerven van aandelen van in andere staten gevestigde vennootschappen kunnen blokkeren of beperken, maar ook maatregelen die investeerders ervan kunnen weerhouden dergelijke deelnemingen in in andere staten gevestigde vennootschappen aan te houden (arrest van 22 januari 2009, STEKO Industriemontage, C‑377/07, EU:C:2009:29, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 22 juni 2023, C‑258/22 (H Lebensversicherung)
Het onderscheid tussen het vrije verkeer van vestiging (artikel 49 VwEU) en het vrije verkeer van kapitaal (artikel 63 VwEU)
"51 Voorts moet om te bepalen of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, volgens vaste rechtspraak rekening worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie [arrest van 4 oktober 2024, Staatssecretaris van Financiën (Rente die betrekking heeft op een groepsinterne lening), C‑585/22, EU:C:2024:822, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
52 Zo valt een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder artikel 49 VWEU [arrest van 4 oktober 2024, Staatssecretaris van Financiën (Rente die betrekking heeft op een groepsinterne lening), C‑585/22, EU:C:2024:822, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
53 Nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen, zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming uit te oefenen, dienen daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 27 februari 2025, C‑18/23 (F S.A.)
Wanneer zijn binnenlandse en grensoverschrijdende situaties vergelijkbaar?
“99 Wat betreft, ten eerste, de vergelijkbaarheid van de situaties in het hoofdgeding, hebben verweerder in het hoofdgeding in zijn schriftelijke opmerkingen en de Bulgaarse regering ter terechtzitting aangevoerd dat het verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd doordat een niet-ingezeten en een ingezeten vennootschap zich in objectief verschillende situaties bevinden vanuit het oogpunt van de vennootschapsbelasting, omdat de eerste in tegenstelling tot de tweede geen financiële, boekhoudkundige en fiscale resultaten behaalt waardoor zij in Bulgarije aan die belasting kan worden onderworpen.
100 In dat verband zij eraan herinnerd dat, bij de directe belastingen, de situatie van ingezetenen en die van niet-ingezetenen in het algemeen niet vergelijkbaar is (arrest van 14 februari 1995, Schumacker, C‑279/93, EU:C:1995:31, punt 31).
101 Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor de inkomsten die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van de ingezeten belastingplichtigen (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 47).
102 In het bijzonder met betrekking tot de vaststelling, voor de berekening van de inkomstenbelasting, van kosten die rechtstreeks verband houden met een activiteit waardoor in een lidstaat belastbare inkomsten zijn verworven, heeft het Hof reeds geoordeeld dat ingezeten en niet-ingezeten vennootschappen in een vergelijkbare situatie verkeren (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
103 In casu moet worden vastgesteld dat de Republiek Bulgarije er met de nationale regeling aan de orde in het hoofdgeding voor heeft gekozen om haar fiscale bevoegdheid uit te oefenen over renteloze leningen die door niet-ingezeten vennootschappen zijn verleend aan ingezeten vennootschappen, zodat deze niet-ingezeten vennootschappen wat de rechtstreeks aan die leningen verbonden kosten betreft, bijgevolg moeten worden geacht zich in een situatie te bevinden die vergelijkbaar is met die van ingezeten vennootschappen.
104 Het Hof heeft in het arrest van 22 december 2008, Truck Center (C‑282/07, EU:C:2008:762), inderdaad vastgesteld dat, in de omstandigheden van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, een verschil in behandeling bestaande in de toepassing van verschillende heffingstechnieken die afhankelijk waren van de vestigingsplaats van de belastingplichtige, situaties betrof die niet objectief vergelijkbaar waren, zodat dit verschil in behandeling, dat bovendien de ingezeten begunstigden niet noodzakelijkerwijs een voordeel verschafte, met name geen beperking van het vrije kapitaalverkeer vormde (zie in die zin arrest van 22 december 2008, Truck Center, C‑282/07, EU:C:2008:762, punten 41 en 49‑51, en 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 70).
105 Uit punt 94 van het onderhavige arrest blijkt echter dat, anders dan in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 22 december 2008, Truck Center (C‑282/07, EU:C:2008:762), de ingezeten vennootschappen die een renteloze lening hebben verstrekt in de onderhavige zaak een liquiditeitsvoordeel genieten ten opzichte van niet-ingezeten vennootschappen die een dergelijke lening hebben verstrekt, doordat zij de rechtstreeks aan die lening verbonden kosten op een verschillend moment kunnen aftrekken.
106 Uit de punten 91 tot en met 93 van het onderhavige arrest volgt dat de omvang van dit voordeel wordt bepaald door de duur van de krachtens de nationale regeling in het hoofdgeding ingestelde teruggaafprocedure waarmee niet-ingezeten vennootschappen kunnen verzoeken om de herberekening van de bronbelasting over de bruto fictieve rente op de renteloze lening zodat die belasting net zo hoog wordt als de vennootschapsbelasting die een ingezeten vennootschap over die verstrekte lening zou hebben betaald.
107 In deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het verschil in behandeling bij de belasting van fictieve rente op een renteloze lening, naargelang die wordt verstrekt door ingezeten of niet-ingezeten vennootschappen, zich beperkt tot de wijze van belastinginning (zie naar analogie arresten van 26 februari 2019, N Luxembourg 1 e.a., C‑115/16, C‑118/16, C‑119/16 en C‑299/16, EU:C:2019:134, punten 164 en 165, en 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punten 71‑73).
108 Dit verschil in behandeling betreft dus situaties die objectief vergelijkbaar zijn.”
HvJ EU 24 februari 2022, C-257/20 (“Viva Telecom Bulgaria” EOOD)
"51 Uit de rechtspraak van het Hof volgt, ten eerste, dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het doel dat wordt nagestreefd met de in het geding zijnde nationale bepalingen, alsook van het voorwerp en de inhoud van die bepalingen, en ten tweede, dat alleen de criteria die in de betreffende wettelijke regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking moeten worden genomen om te beoordelen of het uit een dergelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling van objectief verschillende situaties vormt [arresten van 27 april 2023, L Fund, C‑537/20, EU:C:2023:339, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 oktober 2023, BA (Nalatenschappen – Beleid voor sociale huisvesting in de Unie), C‑670/21, EU:C:2023:763, punt 59).
(...).
62 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat aangezien alleen ingezeten publiekrechtelijke pensioenfondsen in aanmerking komen voor de vrijstelling van § 2, eerste alinea, van hoofdstuk 7 van wet (1999:1229) op de inkomstenbelasting en niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen van deze vrijstelling zijn uitgesloten, het enige criterium dat een onderscheid kan maken tussen Zweedse publiekrechtelijke pensioenfondsen en niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen, in werkelijkheid de plaats van vestiging van de fondsen is.
63 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat in casu het verschil in behandeling tussen niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen en ingezeten publiekrechtelijke pensioenfondsen, zoals vastgesteld in punt 46 van het onderhavige arrest, ziet op situaties die objectief vergelijkbaar zijn."
HvJ EU 29 juli 2024, C‑39/23 (Keva)
"38 Ten tweede moet het bestaan van een mogelijk ongunstige behandeling van de aan niet-ingezeten vennootschappen uitgekeerde dividenden worden beoordeeld over elk belastingjaar afzonderlijk (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Aangezien door een niet-ingezeten vennootschap ontvangen dividenden worden belast op het moment van uitkering, moet rekening worden gehouden met het belastingjaar waarin de dividenden worden uitgekeerd om de belastingdruk op dergelijke dividenden te vergelijken met de belastingdruk op dividenden die zijn uitgekeerd aan een ingezeten vennootschap die belastingplichtig is in Biskaje (zie naar analogie arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 31)."
HvJ EU 19 december 2024, C‑601/23 (Credit Suisse)
Verschillende heffingstechnieken
“50 Wat het in punt 44 van het onderhavige arrest vermelde argument van de Portugese regering betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof in de omstandigheden die hebben geleid tot het arrest van 22 december 2008, Truck Center (C‑282/07, EU:C:2008:762), heeft erkend dat op de ontvangers van kapitaalinkomsten verschillende heffingstechnieken moesten worden toegepast naargelang deze ontvangers ingezetenen dan wel niet-ingezetenen zijn, aangezien dit verschil in behandeling betrekking had op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn (zie in die zin arrest van 22 december 2008, Truck Center, C‑282/07, EU:C:2008:762, punt 41).
51 Evenzo heeft het Hof in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek (C‑252/14, EU:C:2016:402), geoordeeld dat de verschillende behandeling van de belasting van aan pensioenfondsen uitgekeerde dividenden naargelang deze ingezeten dan wel niet-ingezeten zijn, die voortvloeit uit de toepassing van twee verschillende heffingstechnieken op deze respectieve fondsen, gerechtvaardigd was door het verschil in situatie van deze twee categorieën belastingplichtigen, gelet op het in die zaak door de nationale regeling nagestreefde doel alsmede op het voorwerp en de inhoud daarvan.
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Doel nationale regeling en onderscheidingscriteria vaststellen
"59 Voor zover het betoog van de Portugese regering betrekking heeft op de vermeende noodzaak om rekening te houden met de situatie van de aandeelhouders, volgt bovendien uit de rechtspraak van het Hof dat bij het onderzoek van de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie van de betrokken lidstaat rekening moet worden gehouden met het door de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel (zie onder meer arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede met het voorwerp en de inhoud daarvan (zie onder meer arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Bovendien moeten enkel de criteria die in de betrokken regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of het uit een dergelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling vormt van objectief verschillende situaties (zie in die zin arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Het belasten van de inkomsten van aandeelhouders in kapitaalvennootschappen
“68 Indien de verwijzende rechter tot de conclusie komt dat de Portugese regeling inzake dividendbelasting, in de wens om niet af te zien van elke belasting op dividenden die worden uitgekeerd door in Portugal gevestigde vennootschappen, ertoe strekt het niveau van belastingheffing te verplaatsen naar de aandeelhouders van de icb’s, moet eraan worden herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat wanneer de betrokken nationale regeling tot doel heeft het belastingniveau van het beleggingsvehikel te verplaatsen naar de aandeelhouder daarvan, in beginsel de materiële voorwaarden voor de bevoegdheid om belasting te heffen over de inkomsten van de aandeelhouders beslissend moeten worden geacht, en niet de gebruikte heffingstechniek (arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 60).
69 Een niet-ingezeten icb kan evenwel aandeelhouders hebben van wie de fiscale woonplaats zich in Portugal bevindt en ten aanzien van wier inkomsten deze lidstaat zijn heffingsbevoegdheid kan uitoefenen. Vanuit dit oogpunt bevindt een niet-ingezeten icb zich in een situatie die objectief vergelijkbaar is met die van een in Portugal gevestigde icb (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 61).
70 Het is juist dat de Portugese Republiek niet-ingezeten aandeelhouders niet kan belasten over dividenden die door niet-ingezeten icb’s worden uitgekeerd, zoals de Portugese regering overigens zowel in haar schriftelijke opmerkingen als in haar antwoorden op de vragen van het Hof heeft erkend. Een dergelijke onmogelijkheid strookt echter met de logica van de verplaatsing van het niveau waarop belasting wordt geheven, van het vehikel naar de aandeelhouder daarvan (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 62).
71 Wat in de tweede plaats de relevante onderscheidingscriteria in de zin van de in punt 60 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof betreft, moet worden vastgesteld dat het enige onderscheidingscriterium dat in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling is vastgelegd, is gebaseerd op de vestigingsplaats van de icb’s, doordat enkel niet-ingezeten instellingen worden onderworpen aan bronbelasting op de door hen ontvangen dividenden.
72 Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, is de situatie van een ingezeten icb die dividenden ontvangt evenwel vergelijkbaar met die van een niet-ingezeten icb, aangezien in beide gevallen de gemaakte winst in beginsel economisch dubbel of opeenvolgende keren kan worden belast (zie in die zin arrest van 10 april 2014, Emerging Markets Series of DFA Investment Trust Company, C‑190/12, EU:C:2014:249, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Bijgevolg kan op basis van het onderscheidingscriterium waarnaar de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling verwijst, dat uitsluitend betrekking heeft op de vestigingsplaats van de icb’s, geen objectief verschil in situatie tussen deze ingezeten en niet-ingezeten instellingen worden vastgesteld.
74 Gelet op al het voorgaande moet worden vastgesteld dat in casu het verschil in behandeling tussen ingezeten en niet-ingezeten icb’s betrekking heeft op objectief vergelijkbare situaties.”
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Maatregelen zonder onderscheid kunnen ook een belemmering vormen
"20 Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat een nationale wettelijke regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten vennootschappen toch een beperking van het vrije verkeer van kapitaal kan inhouden aangezien zelfs een op objectieve criteria berustend onderscheid grensoverschrijdende situaties de facto kan benadelen (arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 Dat is het geval wanneer een nationale wettelijke regeling de toekenning van een belastingvoordeel afhankelijk stelt van een voorwaarde die weliswaar zonder onderscheid van toepassing is, maar naar haar aard of in feite eigen is aan de nationale markt, waardoor alleen ingezeten vennootschappen die voorwaarde kunnen vervullen, terwijl niet-ingezeten vennootschappen er over het algemeen niet aan voldoen (zie arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
Objectief vergelijkbare situaties
"Bestaan van objectief vergelijkbare situaties
69 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een binnenlandse situatie van de betrokken lidstaat moet worden onderzocht aan de hand van de met de nationale bepalingen in kwestie nagestreefde doelstelling, alsmede aan de hand van het voorwerp en de inhoud van die bepalingen (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Voorts moeten enkel de criteria die in de betreffende regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn opgenomen, in aanmerking worden genomen om te beoordelen of het uit die regeling voortvloeiende verschil in behandeling een objectief verschil tussen de in het geding zijnde situaties weerspiegelt (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 In casu wijst de Finse regering er in de eerste plaats op dat de in § 20a van de wet op de inkomstenbelasting bedoelde vrijstelling beoogt te vermijden dat inkomsten uit beleggingen dubbel worden belast en ernaar streeft dat beleggingen via fondsen fiscaal worden behandeld als directe beleggingen. Volgens deze bepaling wordt de fiscale behandeling bepaald door de rechtsvorm van de entiteit en hangt zij af van het antwoord op de vraag of de belasting wordt geheven bij zowel de entiteit als de eigenaar ervan, zoals het geval is voor naamloze vennootschappen, dan wel of de belasting uitsluitend bij de eigenaar wordt geheven, zoals het geval is voor commanditaire vennootschappen, beleggingsfondsen en gespecialiseerde beleggingsfondsen.
72 Voorts betoogt die regering dat een rechtens bij statuten opgerichte instelling voor collectieve belegging en een rechtens bij overeenkomst opgericht gespecialiseerd beleggingsfonds naar Fins recht zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden, gelet op de doelstelling van wet (213/2019) op de beleggingsfondsen en wet (162/2014) inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen om beleggers te beschermen in geval van faillissement van fondsen.
73 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het feit dat een instelling voor collectieve belegging bij statuten is opgericht, in het licht van de doelstellingen om dubbele belasting op inkomsten uit beleggingen te voorkomen en indirecte beleggingen via fondsen fiscaal op dezelfde wijze te behandelen als directe beleggingen, haar niet noodzakelijkerwijs in een andere situatie plaatst dan die van een instelling voor collectieve belegging die bij overeenkomst is opgericht.
74 Die doelstellingen kunnen namelijk ook worden bereikt wanneer een instelling voor collectieve belegging bij statuten is opgericht, maar in haar lidstaat van vestiging is vrijgesteld van inkomstenbelasting of onder een fiscale transparantieregeling valt.
75 Dit wordt overigens bevestigd door de omstandigheid waarnaar de Finse regering heeft verwezen, dat naar nationaal recht een alternatieve beleggingsinstelling die, wat de rechtsvorm betreft, bij statuten is opgericht, impliceert dat er zowel bij dat fonds als bij de beleggers inkomstenbelasting wordt geheven, terwijl er voor een bij overeenkomst opgericht fonds uitsluitend bij de beleggers belasting wordt geheven.
76 Met betrekking tot, in de tweede plaats, de overwegingen van de Finse regering inzake de grotere bescherming van de beleggers die zou voortvloeien uit het feit dat een beleggingsfonds bij overeenkomst is opgericht, moet worden opgemerkt dat in die overwegingen weliswaar de redenen worden uiteengezet die de nationale wetgever ertoe kunnen hebben gebracht te eisen dat ingezeten beleggingsfondsen in deze vorm worden opgericht, maar op grond van dergelijke overwegingen kan met betrekking tot de bij § 20a van de wet op de inkomstenbelasting toegekende vrijstelling van inkomstenbelasting geen objectief onderscheid worden gemaakt tussen rechtens bij overeenkomst opgerichte instellingen voor collectieve belegging en instellingen met een andere rechtsvorm.
77 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat een niet-ingezeten instelling voor collectieve belegging die rechtens bij statuten is opgericht en in haar staat van vestiging is vrijgesteld van belasting over haar inkomsten of onder een fiscale transparantieregeling valt, in het licht van de nationale bepalingen met betrekking tot een vrijstelling die ertoe strekt beleggingen via fondsen fiscaal gelijk te stellen met directe beleggingen, zich in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van een ingezeten beleggingsfonds dat rechtens bij overeenkomst is opgericht."
HvJ EU 7 april 2022, C‑342/20 (A SCPI)
"47 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een binnenlandse situatie van de betrokken lidstaat moet worden onderzocht aan de hand van de met de nationale bepalingen in kwestie nagestreefde doelstelling (zie met name arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede aan de hand van het voorwerp en de inhoud van die bepalingen (zie met name arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Enkel de criteria die in de betreffende regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn opgenomen, moeten in aanmerking worden genomen om te beoordelen of het uit die regeling voortvloeiende verschil in behandeling een objectief verschil tussen de in het geding zijnde situaties weerspiegelt (zie in die zin arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 In dit verband moet er – zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt – in de eerste plaats op worden gewezen dat bij het onderzoek of er een objectief verschil bestaat tussen de situatie van open en die van gesloten vastgoedfondsen, de voornaamste moeilijkheid gelegen is in het feit dat de verwijzende rechter niet duidelijk uiteenzet waarom het Italiaanse recht het in de hoofdgedingen aan de orde zijnde belastingvoordeel verschaft."
HvJ EU 16 december 2021, gevoegde zaken C‑478/19 en C‑479/19 (UBS Real Estate)
"Vergelijkbaarheid van de betrokken situaties
37 De Duitse regering stelt dat een erfenis tussen niet-ingezetenen en die waarbij een ingezetene betrokken is, objectief verschillende situaties betreffen. Het verschil in fiscale behandeling van een nalatenschap tussen niet-ingezetenen en van die waarbij een ingezetene betrokken is wat betreft de erfbelasting op in Duitsland gelegen onroerende zaken, is dus objectief gerechtvaardigd.
38 Opgemerkt zij dat de hoogte van de erfbelasting over in Duitsland gelegen onroerende zaken krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling wordt berekend op basis van zowel de waarde van die onroerende zaken als de persoonlijke band tussen de erflater en de erfgenaam. Geen van beide criteria hangt echter af van hun woonplaats. Bovendien beschouwt de betrokken nationale regeling zowel de verkrijger van een nalatenschap tussen niet-ingezetenen als die van een nalatenschap waarbij ten minste één ingezetene betrokken is, als belastingplichtigen voor de inning van erfbelasting over in Duitsland gelegen onroerende zaken. In beide gevallen vloeit de bepaling van de klasse en het tarief van de belasting voor de berekening van de erfbelasting namelijk voort uit dezelfde regels. Volgens deze regeling worden de nalatenschappen tussen niet-ingezetenen en die waarbij een ingezetene betrokken is, voor de berekening van de erfbelasting over in Duitsland gelegen onroerende zaken slechts verschillend behandeld wat de berekening van de belastbare verrijking van de verkrijger betreft.
39 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de nationale wetgever, door ten behoeve van de belastingheffing op onroerende goederen de niet-ingezeten erfgenamen die een dergelijk goed hebben verkregen van een niet-ingezeten erflater enerzijds en de niet-ingezeten of ingezeten erfgenamen die zo’n goed hebben verkregen van een ingezeten erflater, alsook de ingezeten erfgenamen die hetzelfde onroerende goed hebben verkregen van een niet-ingezeten erflater anderzijds, gelijk te behandelen, zelf heeft geoordeeld dat tussen die categorieën erfgenamen, wat de modaliteiten en de voorwaarden voor inning van de erfbelasting betreft, geen enkel objectief verschil in situatie bestaat (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 51).
40 Het is juist dat, zoals de Duitse regering betoogt, de Duitse belastingbevoegdheid in gevallen van beperkte erfbelastingplicht op nalatenschappen tussen niet-ingezetenen, beperkt is tot het binnenlands onroerend vermogen, terwijl deze bevoegdheid zich in gevallen van onbeperkte erfbelasting op nalatenschappen waarbij ten minste één ingezetene betrokken is, uitstrekt tot alle overgaande vermogensbestanddelen. Voorts wordt in het hoofdgeding, anders dan het geval was bij de bepalingen die met name het voorwerp waren van het arrest van 17 oktober 2013, Welte (C‑181/12, EU:C:2013:662), het bedrag van de belastingvrije som voor beperkt belastingplichtige erfgenamen niet meer forfaitair bepaald, maar op grond van het aandeel dat de waarde van het vermogen waarop die bevoegdheid wordt uitgeoefend, vertegenwoordigt in de totale waarde van de nalatenschap.
41 Deze omstandigheden kunnen echter niet afdoen aan de conclusie in punt 39 van het onderhavige arrest. In gevallen van onbeperkte belastingplicht verschilt de belastingvrije som waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling voorziet immers geenszins naargelang van de hoogte van de heffingsgrondslag die onder de Duitse belastingbevoegdheid valt. Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat deze belastingvrije som, die wordt vastgesteld aan de hand van de verwantschap tussen de erfgenaam en de erflater, automatisch aan elke erfgenaam wordt toegekend op de enkele grond dat hij in Duitsland aan erfbelasting onderworpen is, om te verzekeren dat een deel van het gezinsvermogen door vermindering van het totale bedrag van de nalatenschap wordt vrijgesteld. Wat de belasting betreft die voortvloeit uit de uitoefening door de Bondsrepubliek Duitsland van haar belastingbevoegdheid, bevindt een beperkt belastingplichtige erfgenaam zich in een situatie die vergelijkbaar is met die van een onbeperkt belastingplichtige erfgenaam. Immers, net zoals deze hoedanigheid van belastingplichtige geenszins afhangt van de woonplaats – gelet op het feit dat volgens de betrokken regeling elke verkrijging van in Duitsland gelegen onroerende zaken aan erfbelasting is onderworpen, ongeacht of de erflater en de erfgenaam al dan niet ingezetenen zijn – hangen de aard van de familieband tussen deze laatsten en de doelstelling van de gedeeltelijke vrijstelling van het gezinsvermogen evenmin af van de woonplaats (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 53).
42 Zo zou de verkrijger van een nalatenschap waarvan de heffingsgrondslag in Duitsland bestaat uit onroerende goederen die gelijkwaardig zijn aan die waarover verzoekster in het hoofdgeding erfbelasting verschuldigd is, anders dan zij, aanspraak kunnen maken op de volledige belastingvrije som waarin de nationale regeling voorziet, indien hij die goederen heeft verkregen van een erflater die op het Duitse grondgebied woonde en met wie hij een familieband had, of indien hij zelf in Duitsland woonde en die goederen heeft verkregen van een erflater die daar niet woonde.
43 Hieruit volgt dat de door de Duitse regering aangevoerde omstandigheden, gelet op deze belastingvrije som, er niet toe kunnen leiden dat de situatie van de niet-ingezeten erfgenaam van een niet-ingezeten erflater objectief verschilt van de situatie van de niet-ingezeten erfgenaam van een ingezeten erflater of van de ingezeten erfgenaam van een ingezeten of niet-ingezeten erflater (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 55).
44 Uit het voorgaande volgt dat een verschil in behandeling als dat in het hoofdgeding, dat betrekking heeft op het recht op een belastingvrije som, objectief vergelijkbare situaties betreft.
(...).
– Vergelijkbaarheid van de betrokken situaties
62 Zoals blijkt uit de punten 37 tot en met 39 van het onderhavige arrest, bestaat er wat betreft de hoogte van de erfbelasting die verschuldigd is over in Duitsland gelegen onroerende zaken geen objectief verschil tussen nalatenschappen tussen personen die op het tijdstip van het overlijden niet in deze lidstaat wonen, en nalatenschappen tussen personen van wie er op dat tijdstip ten minste één in die lidstaat woont.
63 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door het argument van de Duitse regering dat de verplichtingen ter zake van de legitieme porties geen rechtstreeks verband houden met de in Duitsland gelegen onroerende zaken waarover erfbelasting wordt geheven, anders dan het geval is bij de rechtspraak die met name voortvloeit uit het arrest van 11 september 2008, Eckelkamp e.a. (C‑11/07, EU:C:2008:489), dat betrekking heeft op de aftrekbaarheid van lasten die rusten op een aan de erfbelasting onderworpen onroerende zaak.
64 Los van de kwalificatie ervan naar nationaal recht hebben de verplichtingen ter zake van de legitieme porties immers in ieder geval gedeeltelijk betrekking op de in Duitsland gelegen onroerende zaken waarop de Bondsrepubliek Duitsland haar belastingbevoegdheid uitoefent.
65 Uit het voorgaande volgt dat een verschil in behandeling als dat in het hoofdgeding, dat betrekking heeft op de aftrekbaarheid van verplichtingen ter zake van de legitieme porties, objectief vergelijkbare situaties betreft."
HvJ EU 21 december 2021, C‑394/20 (XY)
"Bestaan van objectief vergelijkbare situaties
43 Met het oog op de beoordeling van de vergelijkbaarheid van de betrokken situaties vraagt de verwijzende rechter zich ten eerste af of de situatie van de aandeelhouders op dezelfde wijze in aanmerking moet worden genomen als die van de icb’s, en ten tweede of het eventueel van belang is dat het Portugese belastingstelsel bepaalde belastingen kent waaraan alleen ingezeten icb’s zijn onderworpen.
44 De Portugese regering betoogt in wezen dat de respectieve situaties van ingezeten en niet-ingezeten icb’s niet objectief vergelijkbaar zijn, omdat de belasting van dividenden die deze twee categorieën beleggingsinstellingen van in Portugal gevestigde vennootschappen ontvangen, wordt geregeld door verschillende heffingstechnieken. Dergelijke dividenden zijn namelijk onderworpen aan bronbelasting wanneer zij worden uitgekeerd aan een niet-ingezeten icb, en aan zegelrecht en de specifieke inkomstenbelasting van artikel 88.°, lid 11, van het wetboek vennootschapsbelasting wanneer zij worden uitgekeerd aan een ingezeten icb.
45 Deze regering geeft ook aan dat uit artikel 22.°-A EBF volgt dat dividenden die ingezeten icb’s uitkeren aan hun aandeelhouders die op Portugees grondgebied wonen, of die kunnen worden toegerekend aan een op dat grondgebied gelegen vaste inrichting, worden belast tegen een tarief van 28 % (wanneer de begunstigden onderworpen zijn aan de belasting over de inkomsten van natuurlijke personen) of 25 % (wanneer de begunstigden onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting), terwijl dividenden uitgekeerd aan aandeelhouders die niet in Portugal ingezeten zijn en aldaar geen vaste inrichting hebben, in beginsel zijn vrijgesteld van de belasting over de inkomsten van natuurlijke personen en van de vennootschapsbelasting (op enkele uitzonderingen na die hoofdzakelijk bedoeld zijn om misbruik te voorkomen).
46 Volgens deze regering bestaat er een nauwe samenhang tussen de belasting over de inkomsten van de icb’s en over die van de aandeelhouders van deze instellingen. Het Portugese model van belastingheffing op icb’s, dat „samengesteld” van aard is, combineert aldus structureel de belastingen die rusten op ingezeten icb’s, te weten het zegelrecht en de specifieke belasting als bedoeld in artikel 88.°, lid 11, van het wetboek vennootschapsbelasting, en de in het vorige punt vermelde belastingen die rusten op aandeelhouders van dergelijke instellingen. Voor zover zij onderling zeer goed geïntegreerd zijn en elk onmisbaar zijn voor de samenhang van het ingevoerde belastingstelsel moeten deze verschillende belastingen in hun geheel worden beschouwd.
47 Voorts voegt deze regering daaraan toe dat bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid van de betrokken situaties de gevolgen van de fiscale transparantie die kenmerkend is voor de verhouding tussen verzoekster in het hoofdgeding en haar aandeelhouders, niet buiten beschouwing mogen worden gelaten. Het resultaat is dat de in Portugal geheven bronbelasting onmiddellijk kan worden afgewenteld op de aandeelhouders die, omdat zij niet van belasting zijn vrijgesteld, hun aandeel in die in Portugal geheven bronbelasting kunnen verrekenen of crediteren met hun in Duitsland verschuldigde belasting.
48 Ten slotte is de Portugese regering van mening dat verzoekster in het hoofdgeding, voor zover zij er vrijelijk voor heeft gekozen om niet in Portugal werkzaam te zijn via een vaste inrichting, zichzelf heeft uitgesloten van elke mogelijke vergelijking met in Portugal gevestigde icb’s, aangezien haar situatie in feite vergelijkbaar is met die van andere niet-ingezeten entiteiten waarvan de in Portugal ontvangen dividenden steeds worden belast tegen een tarief van 25 %.
49 Het is vaste rechtspraak dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor dividenden die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van de ingezeten belastingplichtigen (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Vergelijkbaarheid van de betrokken situaties
"37 De Duitse regering stelt dat een erfenis tussen niet-ingezetenen en die waarbij een ingezetene betrokken is, objectief verschillende situaties betreffen. Het verschil in fiscale behandeling van een nalatenschap tussen niet-ingezetenen en van die waarbij een ingezetene betrokken is wat betreft de erfbelasting op in Duitsland gelegen onroerende zaken, is dus objectief gerechtvaardigd.
38 Opgemerkt zij dat de hoogte van de erfbelasting over in Duitsland gelegen onroerende zaken krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling wordt berekend op basis van zowel de waarde van die onroerende zaken als de persoonlijke band tussen de erflater en de erfgenaam. Geen van beide criteria hangt echter af van hun woonplaats. Bovendien beschouwt de betrokken nationale regeling zowel de verkrijger van een nalatenschap tussen niet-ingezetenen als die van een nalatenschap waarbij ten minste één ingezetene betrokken is, als belastingplichtigen voor de inning van erfbelasting over in Duitsland gelegen onroerende zaken. In beide gevallen vloeit de bepaling van de klasse en het tarief van de belasting voor de berekening van de erfbelasting namelijk voort uit dezelfde regels. Volgens deze regeling worden de nalatenschappen tussen niet-ingezetenen en die waarbij een ingezetene betrokken is, voor de berekening van de erfbelasting over in Duitsland gelegen onroerende zaken slechts verschillend behandeld wat de berekening van de belastbare verrijking van de verkrijger betreft.
39 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de nationale wetgever, door ten behoeve van de belastingheffing op onroerende goederen de niet-ingezeten erfgenamen die een dergelijk goed hebben verkregen van een niet-ingezeten erflater enerzijds en de niet-ingezeten of ingezeten erfgenamen die zo’n goed hebben verkregen van een ingezeten erflater, alsook de ingezeten erfgenamen die hetzelfde onroerende goed hebben verkregen van een niet-ingezeten erflater anderzijds, gelijk te behandelen, zelf heeft geoordeeld dat tussen die categorieën erfgenamen, wat de modaliteiten en de voorwaarden voor inning van de erfbelasting betreft, geen enkel objectief verschil in situatie bestaat (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 51).
40 Het is juist dat, zoals de Duitse regering betoogt, de Duitse belastingbevoegdheid in gevallen van beperkte erfbelastingplicht op nalatenschappen tussen niet-ingezetenen, beperkt is tot het binnenlands onroerend vermogen, terwijl deze bevoegdheid zich in gevallen van onbeperkte erfbelasting op nalatenschappen waarbij ten minste één ingezetene betrokken is, uitstrekt tot alle overgaande vermogensbestanddelen. Voorts wordt in het hoofdgeding, anders dan het geval was bij de bepalingen die met name het voorwerp waren van het arrest van 17 oktober 2013, Welte (C‑181/12, EU:C:2013:662), het bedrag van de belastingvrije som voor beperkt belastingplichtige erfgenamen niet meer forfaitair bepaald, maar op grond van het aandeel dat de waarde van het vermogen waarop die bevoegdheid wordt uitgeoefend, vertegenwoordigt in de totale waarde van de nalatenschap.
41 Deze omstandigheden kunnen echter niet afdoen aan de conclusie in punt 39 van het onderhavige arrest. In gevallen van onbeperkte belastingplicht verschilt de belastingvrije som waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling voorziet immers geenszins naargelang van de hoogte van de heffingsgrondslag die onder de Duitse belastingbevoegdheid valt. Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat deze belastingvrije som, die wordt vastgesteld aan de hand van de verwantschap tussen de erfgenaam en de erflater, automatisch aan elke erfgenaam wordt toegekend op de enkele grond dat hij in Duitsland aan erfbelasting onderworpen is, om te verzekeren dat een deel van het gezinsvermogen door vermindering van het totale bedrag van de nalatenschap wordt vrijgesteld. Wat de belasting betreft die voortvloeit uit de uitoefening door de Bondsrepubliek Duitsland van haar belastingbevoegdheid, bevindt een beperkt belastingplichtige erfgenaam zich in een situatie die vergelijkbaar is met die van een onbeperkt belastingplichtige erfgenaam. Immers, net zoals deze hoedanigheid van belastingplichtige geenszins afhangt van de woonplaats – gelet op het feit dat volgens de betrokken regeling elke verkrijging van in Duitsland gelegen onroerende zaken aan erfbelasting is onderworpen, ongeacht of de erflater en de erfgenaam al dan niet ingezetenen zijn – hangen de aard van de familieband tussen deze laatsten en de doelstelling van de gedeeltelijke vrijstelling van het gezinsvermogen evenmin af van de woonplaats (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 53).
42 Zo zou de verkrijger van een nalatenschap waarvan de heffingsgrondslag in Duitsland bestaat uit onroerende goederen die gelijkwaardig zijn aan die waarover verzoekster in het hoofdgeding erfbelasting verschuldigd is, anders dan zij, aanspraak kunnen maken op de volledige belastingvrije som waarin de nationale regeling voorziet, indien hij die goederen heeft verkregen van een erflater die op het Duitse grondgebied woonde en met wie hij een familieband had, of indien hij zelf in Duitsland woonde en die goederen heeft verkregen van een erflater die daar niet woonde.
43 Hieruit volgt dat de door de Duitse regering aangevoerde omstandigheden, gelet op deze belastingvrije som, er niet toe kunnen leiden dat de situatie van de niet-ingezeten erfgenaam van een niet-ingezeten erflater objectief verschilt van de situatie van de niet-ingezeten erfgenaam van een ingezeten erflater of van de ingezeten erfgenaam van een ingezeten of niet-ingezeten erflater (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 55).
44 Uit het voorgaande volgt dat een verschil in behandeling als dat in het hoofdgeding, dat betrekking heeft op het recht op een belastingvrije som, objectief vergelijkbare situaties betreft."
HvJ EU 21 december 2021, C‑394/20 (XY)
Een regeling ter voorkoming van dubbele belasting
"43 Teneinde aan te tonen dat dit in casu het geval is , refereert de Duitse regering aan de overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting.
44 In dit verband zij eraan herinnerd dat een lidstaat zich weliswaar niet kan beroepen op een door een andere lidstaat eenzijdig toegekend voordeel om te ontkomen aan de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen, maar dat het doel dat erin bestaat te waarborgen dat dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten en niet-ingezeten vennootschappen op dezelfde wijze worden behandeld, kan worden bereikt door middel van een met een andere lidstaat gesloten overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting (zie in die zin arrest van 8 november 2007, Amurta, C‑379/05, EU:C:2007:655, punten 78 en 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak), op voorwaarde dat de toepassing van die overeenkomst het mogelijk maakt de gevolgen van het uit de nationale wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling volledig te compenseren.
45 Het verschil in behandeling tussen dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten vennootschappen en dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten vennootschappen verdwijnt pas wanneer de op grond van die nationale wettelijke regeling ingehouden bronbelasting met de in de andere lidstaat verschuldigde belasting kan worden verrekend ten belope van het door die wettelijke regeling ingestelde verschil in behandeling (arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Volgens de aan het Hof verstrekte gegevens is het tarief van de door de Bondsrepubliek Duitsland geheven bronbelasting over dividenden uit aandelen die in handen zijn van een gespreid aandeelhouderschap, welke dividenden worden uitgekeerd aan een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap, krachtens de overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting beperkt tot 15 % en kan deze bronbelasting worden verrekend met de Britse belasting. Krachtens artikel XVIII, lid 1, onder a), van deze overeenkomst is deze verrekening echter beperkt tot de Britse belasting die wordt berekend op basis van de winst of de inkomsten die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de Duitse belasting.
47 Een dergelijke regeling lijkt niet in alle gevallen te waarborgen dat het uit de nationale wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling wordt gecompenseerd, aangezien een dergelijke compensatie immers slechts mogelijk is ingeval het bedrag van de over de uitgekeerde dividenden berekende Britse belasting ten minste gelijk is aan het bedrag van de door de Bondsrepubliek Duitsland geheven bronbelasting (zie in die zin arresten van 20 oktober 2011, Commissie/Duitsland, C‑284/09, EU:C:2011:670, punten 67 en 68, en 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 86).
48 Zonder teruggaaf van de bronbelasting zou alleen de volledige verrekening van deze inhouding met de belasting die de niet-ingezeten vennootschap die de dividenden ontvangt, verschuldigd is in haar lidstaat van vestiging, het uit de nationale wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling kunnen wegnemen, waarbij de eventuele verrekeningsmogelijkheden op het niveau van de directe of indirecte aandeelhouders van deze vennootschap buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten, een punt waarmee de Duitse wettelijke regeling overigens geen rekening houdt met betrekking tot ingezeten vennootschappen.
49 Noch het in aftrek brengen – als bedrijfskosten of beroepskosten – van de ingehouden bronbelasting op de grondslag van de belasting die de vennootschap die de dividenden ontvangt, in de lidstaat van vestiging verschuldigd is, noch de omstandigheid dat deze vennootschap beschikt over de mogelijkheid tot overdracht van verrekening, waarbij steeds onzeker is of daarvan gebruik zal kunnen worden gemaakt – terwijl ingezeten vennootschappen recht hebben op onmiddellijke verrekening en in voorkomend geval op teruggaaf van het saldo van de betaalde bronbelasting – kan dat verschil in behandeling daarentegen volledig neutraliseren (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 83, en naar analogie arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punten 28‑34).
50 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties kan een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de teruggaaf van de ingehouden bronbelasting over inkomsten uit kapitaal aan strengere voorwaarden wordt onderworpen wanneer de ontvanger van de dividenden een niet‑ingezeten vennootschap is dan wanneer het gaat om een ingezeten vennootschap, zonder dat dit verschil in behandeling bij overeenkomst wordt geneutraliseerd, in andere lidstaten gevestigde vennootschappen ervan weerhouden om te investeren in vennootschappen van de betrokken lidstaat, en kan deze regeling eveneens een hindernis vormen voor de ingezeten vennootschappen om bij in andere lidstaten gevestigde vennootschappen kapitaal te verwerven. De betrokken wettelijke regeling vormt dan ook een in beginsel door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 16 juni 2022, C‑572/20 (ACC Silicones Ltd)
Een belastingverdrag zorgt voor vergelijkbaarheid van binnenlandse en grensoverschrijdende situaties
"49 Het is vaste rechtspraak dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor dividenden die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van de ingezeten belastingplichtigen (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Economisch dubbele belasting
“59 Voor zover het betoog van de Portugese regering betrekking heeft op de vermeende noodzaak om rekening te houden met de situatie van de aandeelhouders, volgt bovendien uit de rechtspraak van het Hof dat bij het onderzoek van de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie van de betrokken lidstaat rekening moet worden gehouden met het door de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel (zie onder meer arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede met het voorwerp en de inhoud daarvan (zie onder meer arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Bovendien moeten enkel de criteria die in de betrokken regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of het uit een dergelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling vormt van objectief verschillende situaties (zie in die zin arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 Wat in casu in de eerste plaats het voorwerp, de inhoud en het doel van de Portugese regeling inzake dividendbelasting betreft, zowel op het niveau van de icb’s zelf als op het niveau van de aandeelhouders ervan, blijkt zowel uit het antwoord van de verwijzende rechter op het verzoek om informatie van het Hof als uit het antwoord van de Portugese regering op de schriftelijke vragen die haar in de loop van de onderhavige procedure zijn gesteld, dat deze regeling is opgezet volgens de logica van de „exitheffing”, in die zin dat icb’s die volgens de Portugese regeling zijn opgericht en hun activiteiten uitoefenen, zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting, waarbij de last van deze belasting wordt afgewenteld op de ingezeten aandeelhouders ervan, terwijl niet-ingezeten aandeelhouders daarvan zijn vrijgesteld.
62 De Portugese regering heeft namelijk gepreciseerd dat met de nationale regeling inzake dividendbelasting doelstellingen werden nagestreefd zoals met name het vermijden van internationale economische dubbele belasting en het overhevelen van de belastingheffing van de icb’s naar de aandeelhouders ervan, zodat de belastingheffing op deze inkomsten ongeveer gelijk is aan die welke zou zijn toegepast indien deze inkomsten rechtstreeks waren verkregen door de aandeelhouders van deze instellingen.
63 In casu staat het aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen, om, rekening houdend met alle aspecten van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde fiscale wettelijke regeling en met de bestanddelen van deze belastingregeling in hun geheel, het hoofddoel te bepalen dat met de nationale regeling in kwestie wordt beoogd (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 79).
64 Indien de verwijzende rechter tot de conclusie komt dat de Portugese regeling inzake dividendbelasting – gelet op de omstandigheid dat de icb’s tussenpersoon zijn ten opzichte van de aandeelhouders ervan – dubbele belasting van door ingezeten vennootschappen uitgekeerde dividenden beoogt te voorkomen, moet eraan worden herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat ingezeten ontvangende vennootschappen, wat de maatregelen betreft waarin een lidstaat voorziet om opeenvolgende belastingheffingen over of economische dubbele belasting van door een ingezeten vennootschap uitgekeerde inkomsten te voorkomen of te verminderen, zich niet noodzakelijk bevinden in een situatie die vergelijkbaar is met die van ontvangende vennootschappen die zijn gevestigd in een andere lidstaat (arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Het gunstiger behandelen van een binnenlandse vennootschap/ingezetene in een verliessituatie
"40 In het onderhavige geval zou deze belastingdruk voor die laatste vennootschap echter nul zijn wanneer zij een dergelijk belastingjaar afsluit met een negatief resultaat.
41 Ten derde zal het eventuele uitstel van belastingheffing over deze dividenden het karakter aannemen van een definitieve vrijstelling, indien de ingezeten vennootschap niet meer winstgevend wordt alvorens haar activiteiten te beëindigen (zie naar analogie arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 33).
42 Derhalve kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling een voordeel verschaffen aan ingezeten vennootschappen die zich in een verlieslatende situatie bevinden, aangezien uit die situatie op zijn minst een cashflowvoordeel en zelfs een vrijstelling voortvloeit, terwijl niet-ingezeten vennootschappen ongeacht hun resultaat onderworpen zijn aan een onmiddellijke en definitieve belastingheffing (zie naar analogie arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 34).
43 Het provinciebestuur van Biskaje en de Spaanse regering herinneren er in dit verband aan dat aan een niet-ingezeten vennootschap zoals Credit Suisse Securities (Europe) uitgekeerde dividenden, krachtens artikel 25, lid 1, onder a), van regionale wet 12/2013 juncto artikel 10, lid 2, onder a), i), van het Spaans-Britse verdrag, onderworpen zijn aan een belastingtarief van 10 %, terwijl aan een ingezeten vennootschap uitgekeerde dividenden, voor zover zij zijn opgenomen in de heffingsgrondslag van de vennootschapsbelasting, zijn onderworpen aan een belastingtarief van 28 %.
44 Een dergelijke omstandigheid kan echter niet wegnemen dat dividenden die aan een niet-ingezeten vennootschap worden uitgekeerd, minder gunstig worden behandeld.
45 In de eerste plaats kan een ongunstige fiscale behandeling die indruist tegen een fundamentele vrijheid immers niet met het Unierecht verenigbaar worden geacht omdat er eventueel andere voordelen bestaan (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 In de tweede plaats is het minder gunstige belastingtarief dat door het provinciebestuur van Biskaje en de Spaanse regering wordt aangevoerd met betrekking tot dividenden die aan een ingezeten vennootschap worden uitgekeerd hoe dan ook niet relevant, aangezien dergelijke dividenden zijn vrijgesteld van de verschuldigde belasting wanneer de ingezeten vennootschap in de boekjaren na het innen van die dividenden haar activiteiten beëindigt zonder winstgevend te zijn geweest. De omstandigheid dat een regeling van een lidstaat nadelig is voor niet-ingezetenen, kan niet worden gecompenseerd door de omstandigheid dat die regeling in andere situaties niet-ingezetenen niet ongunstiger behandelt dan ingezetenen (zie naar analogie arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Bovendien moet worden vastgesteld dat een dergelijk verschil in fiscale behandeling van dividenden op grond van de vestigingsplaats van de vennootschappen die deze dividenden ontvangen, niet-ingezeten vennootschappen kan doen besluiten om niet te investeren in vennootschappen die in Biskaje gevestigd zijn.
48 Hieruit volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling een in beginsel door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt."
HvJ EU 19 december 2024, C‑601/23 (Credit Suisse)
Binnen en buiten EU niet dezelfde reikwijdte van het vrije verkeer van kapitaal
"26 In dit verband dient te worden opgemerkt dat om na te gaan of de nadere bepalingen voor de teruggaaf van de bronbelasting over dividenden die worden uitgekeerd aan in derde landen gevestigde vennootschappen verenigbaar zijn met het Unierecht, een specifieke beoordeling zou moeten worden verricht, aangezien artikel 63, lid 1, VWEU beperkingen van het kapitaalverkeer, ook tussen lidstaten en derde landen weliswaar op algemene wijze verbiedt, maar de rechtspraak inzake beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal binnen de Unie niet integraal kan worden toegepast op het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en derde landen, dat zich afspeelt binnen een andere juridische context [zie in die zin arrest van 26 februari 2019, X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd), C‑135/17, EU:C:2019:136, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 16 juni 2022, C‑572/20 (ACC Silicones Ltd)
Artikel 63 VwEU kent rechten toe aan particulieren
"70 Allereerst is het in casu zo dat artikel 63 VWEU ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren, aangezien het, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, de houders van rechten van vruchtgebruik een recht verstrekt om deze rechten niet in strijd met dat artikel te worden ontnomen (zie naar analogie arrest van 14 september 2017, The Trustees of the BT Pension Scheme, C‑628/15, EU:C:2017:687, punt 48). Ook artikel 17 van het Handvest vormt een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen [arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 68].
71 Vervolgens blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat een schending van het Unierecht kennelijk gekwalificeerd is wanneer zij is blijven bestaan in weerwil van de uitspraak van een arrest houdende vaststelling van de verweten niet‑nakoming, een prejudiciële beslissing of vaste rechtspraak van het Hof ter zake waaruit blijkt dat de betrokken gedraging de kenmerken van een schending vertoont (arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad, C‑45/15 P, EU:C:2017:402, punt 31). Zoals in punt 37 van het onderhavige arrest is vastgesteld, is dat in casu het geval.
72 Ten slotte lijkt er, in het licht van de arresten van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth (C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157), en 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond) (C‑235/17, EU:C:2019:432), een rechtstreeks causaal verband te bestaan tussen de schending van artikel 63 VWEU en de door Grossmania geleden schade, hetgeen de verwijzende rechter, of in voorkomend geval de naar Hongaars recht ter zake bevoegde rechter, dient na te gaan."
HvJ EU 10 maart 2022, C-177/20 („Grossmania”)
De relatie met artikel 49 VwEU
"57 Uit de vaste rechtspraak van het Hof blijkt bovendien dat een nationale maatregel die verband houdt met zowel de vrijheid van vestiging als het vrije verkeer van kapitaal, in beginsel slechts uit het oogpunt van een van deze twee vrijheden moet worden onderzocht indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (zie in die zin arrest van 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, EU:C:2009:559, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 Voorts blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat een nationale regeling, voor zover zij enkel ziet op verhoudingen binnen een groep van vennootschappen, hoofdzakelijk de vrijheid van vestiging aantast (arrest van 26 juni 2008, Burda, C‑284/06, EU:C:2008:365, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...).
61 Beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal, gesteld al dat de betrokken wettelijke regeling die vrijheid zou beperken, zouden het onvermijdelijke gevolg zijn van een eventuele belemmering van de vrijheid van vestiging, en dus geen autonome toetsing van die regeling aan artikel 63 VWEU rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 18 juli 2007, Oy AA, C‑231/05, EU:C:2007:439, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Bijgevolg vallen nationale wettelijke regelingen zoals de regelingen inzake overdrachten binnen een groep, die enkel van toepassing zijn op groepen van vennootschappen, overwegend binnen de werkingssfeer van artikel 49 VWEU, dat de vrijheid van vestiging waarborgt, en hoeven zij dus niet te worden onderzocht in het licht van het door artikel 63 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van kapitaal.
63 Bovendien zij eraan herinnerd dat artikel 63 VWEU hoe dan ook niet kan worden toegepast in een situatie die in beginsel binnen de werkingssfeer van artikel 49 VWEU valt, wanneer een van de betrokken ondernemingen haar fiscale woonplaats in een derde land heeft, wat in het kader van de overdracht van 2011 geldt voor de Zwitserse vennootschap.
64 Aangezien het VWEU de vrijheid van vestiging niet verruimt tot derde landen, moet namelijk worden vermeden dat de uitlegging van artikel 63, lid 1, VWEU, wat de betrekkingen met deze staten betreft, marktdeelnemers die buiten de territoriale werkingssfeer van de vrijheid van vestiging vallen, de kans geeft profijt uit deze vrijheid te halen (arrest van 24 november 2016, SECIL, C‑464/14, EU:C:2016:896, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 De toepasselijkheid van artikel 63 VWEU, zoals vermeld in de formulering van de tweede vraag, hoeft dus niet aanvullend te worden onderzocht.
66 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op groepen van vennootschappen niet binnen de werkingssfeer van dat artikel valt."
HvJ EU 16 februari 2023, C‑707/20 (Gallaher)
"50 Aangezien de verwijzende rechter zowel op de vrijheid van vestiging als op de vrijheid van kapitaalverkeer doelt, moet vooraf worden bepaald welke fundamentele vrijheid op het hoofdgeding van toepassing is, hetgeen veronderstelt dat rekening wordt gehouden met het voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling en, in voorkomend geval, met de feitelijke gegevens van het concrete geval (zie in die zin arresten van 13 november 2012, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑35/11, EU:C:2012:707, punten 90, 93 en 94, en 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C‑257/20, EU:C:2022:125, punten 78, 82 en 83).
51 Dienaangaande valt een nationale regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder de vrijheid van vestiging. Nationale bepalingen inzake deelnemingen die zijn verworven met het uitsluitende doel om te beleggen, zonder dat de houder invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming wenst uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (arrest van 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C‑257/20, EU:C:2022:125, punten 79 en 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Hieruit volgt dat een nationale wettelijke regeling die niet alleen toepassing vindt op deelnemingen die de mogelijkheid bieden een zekere invloed op de beslissingen van een vennootschap uit te oefenen en de activiteiten ervan te bepalen, maar van toepassing is ongeacht de grootte van de deelneming van de aandeelhouder in een vennootschap, zowel onder de vrijheid van vestiging als onder de vrijheid van kapitaalverkeer kan vallen (zie in die zin arresten van 24 mei 2007, Holböck, C‑157/05, EU:C:2007:297, punten 23 en 24, en 21 oktober 2010, Idryma Typou, C‑81/09, EU:C:2010:622, punt 49)."
HvJ EU 19 december 2024, C‑295/23 (Halmer Rechtsanwaltsgesellschaft UG)
De samenloop tussen het vrije verkeer van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal
"50 Aangezien de verwijzende rechter zowel op de vrijheid van vestiging als op de vrijheid van kapitaalverkeer doelt, moet vooraf worden bepaald welke fundamentele vrijheid op het hoofdgeding van toepassing is, hetgeen veronderstelt dat rekening wordt gehouden met het voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling en, in voorkomend geval, met de feitelijke gegevens van het concrete geval (zie in die zin arresten van 13 november 2012, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑35/11, EU:C:2012:707, punten 90, 93 en 94, en 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C‑257/20, EU:C:2022:125, punten 78, 82 en 83).
51 Dienaangaande valt een nationale regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder de vrijheid van vestiging. Nationale bepalingen inzake deelnemingen die zijn verworven met het uitsluitende doel om te beleggen, zonder dat de houder invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming wenst uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (arrest van 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C‑257/20, EU:C:2022:125, punten 79 en 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Hieruit volgt dat een nationale wettelijke regeling die niet alleen toepassing vindt op deelnemingen die de mogelijkheid bieden een zekere invloed op de beslissingen van een vennootschap uit te oefenen en de activiteiten ervan te bepalen, maar van toepassing is ongeacht de grootte van de deelneming van de aandeelhouder in een vennootschap, zowel onder de vrijheid van vestiging als onder de vrijheid van kapitaalverkeer kan vallen (zie in die zin arresten van 24 mei 2007, Holböck, C‑157/05, EU:C:2007:297, punten 23 en 24, en 21 oktober 2010, Idryma Typou, C‑81/09, EU:C:2010:622, punt 49).
53 Dit gezegd zijnde, onderzoekt het Hof de betrokken maatregel in beginsel slechts uit het oogpunt van een van deze twee vrijheden indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (arresten van 3 oktober 2006, Fidium Finanz, C‑452/04, EU:C:2006:631, punt 34, en 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, EU:C:2009:559, punt 37).
54 In casu beoogt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling met name te voorkomen dat personen die geen advocaat of beoefenaar van een in § 59a, lid 1, eerste volzin, en lid 2, BRAO (oud) genoemd beroep zijn, een deelneming in een advocatenvennootschap verwerven, ongeacht de omvang van die deelneming.
55 Voorts heeft SIVE 51 % van het aandelenkapitaal van HR verworven. Nationale bepalingen die van toepassing zijn wanneer een in een lidstaat gevestigde vennootschap een deelneming in het kapitaal van een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap bezit waardoor zij in beginsel een beslissende invloed heeft op de besluiten van die laatste vennootschap en de activiteiten ervan kan bepalen (zie in die zin arrest van 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, EU:C:2009:559, punt 47), hetgeen het geval is bij een meerderheidsbelang (zie in die zin beschikking van 10 mei 2007, Lasertec, C‑492/04, EU:C:2007:273, punt 23, en arrest van 21 december 2016, AGET Iraklis, C‑201/15, EU:C:2016:972, punten 46 en 47), vallen binnen de materiële werkingssfeer van de vrijheid van vestiging.
56 De statuten van HR zijn evenwel gewijzigd om SIVE de invloed te ontnemen waarop zij op grond van het kapitaalcriterium aanspraak zou hebben kunnen maken. Zoals blijkt uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt, kan een dergelijke wijziging erop wijzen dat SIVE de aandelen in HR uitsluitend heeft verworven om die vennootschap kapitaal te verschaffen zodat zij de ontwikkeling van een innovatief, op nieuwe technologieën gebaseerd juridisch model zou kunnen financieren.
57 Hieruit volgt dat het hoofdgeding zowel onder de vrijheid van vestiging als onder het vrije verkeer van kapitaal valt, zonder dat een van die vrijheden kan worden geacht ondergeschikt te zijn aan de andere."
HvJ EU 19 december 2024, C‑295/23 (Halmer Rechtsanwaltsgesellschaft UG)
De relatie met artikel 56 VwEU
"De toepasselijke vrijheid van verkeer
30 Aangezien de prejudiciële vraag is gesteld uit het oogpunt van zowel artikel 56 VWEU als artikel 63 VWEU, dient vooraf te worden uitgemaakt of – en in voorkomend geval in hoeverre – een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting en/of het vrije verkeer van kapitaal ongunstig kan beïnvloeden.
31 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat om te bepalen of een nationale wettelijke regeling onder de ene of de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening moet worden gehouden met het voorwerp van de regeling in kwestie (zie in die zin arresten van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 3 maart 2020, Tesco-Global Áruházak, C‑323/18, EU:C:2020:140, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Het hoofdgeding heeft betrekking op een verzoek tot nietigverklaring van handelingen waarbij bronbelasting is geheven over dividenden die in 2015 en 2016 door in Portugal gevestigde vennootschappen aan verzoekster in het hoofdgeding zijn uitgekeerd, en de verenigbaarheid met het Unierecht van een nationale regeling die de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor vrijstelling van bronbelasting voorbehoudt aan icb’s die volgens de Portugese regeling zijn opgericht en hun activiteiten uitoefenen, of waarvan de beheersmaatschappij via een vaste inrichting in Portugal actief is.
33 Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling aldus betrekking heeft op de fiscale behandeling van door icb’s ontvangen dividenden, moet ervan worden uitgegaan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie onder het vrije verkeer van kapitaal valt (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punten 35 en 36).
34 Gesteld bovendien dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling de werkzaamheden van een icb die is gevestigd in een andere lidstaat – waar zij rechtmatig soortgelijke diensten verricht – dan de Portugese Republiek verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt, vloeien deze gevolgen onvermijdelijk voort uit de fiscale behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan deze niet-ingezeten instelling, en rechtvaardigen zij niet dat de prejudiciële vragen afzonderlijk worden getoetst aan de vrijheid van dienstverrichting. Deze vrijheid lijkt in casu immers ondergeschikt aan het vrije verkeer van kapitaal en kan daarmee worden verbonden (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 37).
35 Gelet op het voorgaande moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling uitsluitend aan artikel 63 VWEU worden getoetst."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
"22 In casu lijkt het vrij verrichten van diensten ondergeschikt aan het vrije verkeer van kapitaal en kan het daarmee worden verbonden. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling heeft namelijk betrekking op de gevolgen die voor een ingezeten belastingplichtige voortvloeien uit de uitoefening van het vrije verkeer van kapitaal. Het is net de uitoefening van deze laatste fundamentele vrijheid die het voor de betrokkene noodzakelijk kan maken om een tussenpersoon te kiezen voor het uitkeren van de rente-inkomsten die voortvloeien uit de obligaties en schuldbewijzen in kwestie, teneinde – zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing – in aanmerking te komen voor het bevrijdende belastingtarief van 20 % op die rente-inkomsten. De keuze van deze tussenpersoon en, bijgevolg, de aspecten die verband houden met het vrij verrichten van diensten vloeien in een dergelijke context onvermijdelijk voort uit de fiscale behandeling van die rente-inkomsten (zie in die zin arrest van 1 juli 2010, Dijkman en Dijkman-Lavaleije, C‑233/09, EU:C:2010:397, punten 34 en 35).
23 Overigens is het vaste rechtspraak dat de maatregelen die ingevolge artikel 56, lid 1, EG verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van die lidstaat kunnen ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arresten van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 24, en 18 december 2007, A, C‑101/05, EU:C:2007:804, punt 40)."
HvJ EU 12 oktober 2023, C‑312/22 (FL)
De relatie met de artikelen 49 en 56 VwEU
"23 Volgens vaste rechtspraak dient, om te bepalen of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening te worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie (arrest van 16 februari 2023, Gallaher, C‑707/20, EU:C:2023:101, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 Zo valt een nationale regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder artikel 49 VWEU (arrest van 16 februari 2023, Gallaher, C‑707/20, EU:C:2023:101, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Daarnaast blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat een nationale regeling, voor zover zij enkel ziet op verhoudingen binnen een groep van vennootschappen, hoofdzakelijk de vrijheid van vestiging aantast (arrest van 16 februari 2023, Gallaher, C‑707/20, EU:C:2023:101, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 In casu heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling betrekking op de fiscale behandeling van rente ter zake van leenschulden die door een belastingplichtige zijn aangegaan bij een met die belastingplichtige verbonden lichaam of natuurlijke persoon, voor zover deze schulden betrekking hebben op de verwerving of uitbreiding van een belang in een ander lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een met die belastingplichtige verbonden lichaam wordt.
27 Ingevolge artikel 10a, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting worden lichamen als verbonden beschouwd wanneer zij direct of indirect minimaal 33,3 % van de deelnemingen in het andere lichaam houden, of wanneer een derde lichaam direct of indirect minimaal 33,3 % van de deelnemingen in de twee andere lichamen houdt.
28 Volgens de rechtspraak van het Hof kan een dergelijk percentage de deelnemende vennootschap een bepalende invloed verlenen op de besluiten van de vennootschap waarmee zij verbonden is (zie in die zin arrest van 31 mei 2018, Hornbach-Baumarkt, C‑382/16, EU:C:2018:366, punt 29).
29 Aangezien het voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling betrekking heeft op de fiscale behandeling van rente die uit hoofde van schulden binnen een groep van vennootschappen is betaald tussen lichamen die direct of indirect een bepalende invloed op elkaar kunnen hebben, valt deze regeling dus binnen de werkingssfeer van de vrijheid van vestiging.
30 Gesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingregeling het vrij verrichten van diensten of het vrije verkeer van kapitaal beperkt, vloeien deze beperkingen onvermijdelijk voort uit een eventuele belemmering van de vrijheid van vestiging, en rechtvaardigen zij niet dat de prejudiciële vragen afzonderlijk worden onderzocht in het licht van de artikelen 56 VWEU en 63 VWEU (zie naar analogie arrest van 17 maart 2022, AllianzGI-Fonds AEVN, C‑545/19, EU:C:2022:193, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 De prejudiciële vragen dienen dan ook te worden beantwoord uit het oogpunt van artikel 49 VWEU."
HvJ EU 4 oktober 2024, C‑585/22 (X BV)
Verboden onderscheid naar de vestigingsplaats van een kredietnemer
"37 Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan kortetermijnkasverrichtingen zijn vrijgesteld van zegelrecht wanneer daarbij twee in die lidstaat gevestigde entiteiten betrokken zijn, maar niet wanneer de kredietnemer in een andere lidstaat gevestigd is."
HvJ EU 20 juni 2024, C‑420/23 (Faurécia – Assentos de Automóvel)
De relatie met artikel 17 Handvest
"77 Uit een en ander volgt dat artikel 63 VWEU en artikel 17 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een recht van vruchtgebruik dat gevestigd is op in die lidstaat gelegen landbouwgrond en na de definitieve inschrijving ervan in het kadaster geschrapt en doorgehaald is ingevolge een met deze artikelen strijdige regeling van die lidstaat, op verzoek van de persoon die dit recht werd ontnomen in het kadaster moet worden heringeschreven, zelfs wanneer de oorspronkelijke inschrijving van dat recht in strijd was met de nationale wettelijke regeling die ten tijde van die inschrijving van toepassing was."
HvJ EU 12 december 2024, C‑419/23 (CN)
De relatie met artikel 51 Handvest
"85 In dat verband heeft het Hof er eveneens aan herinnerd dat de door het Handvest gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst en dat zij dus met name moeten worden geëerbiedigd wanneer een nationale regeling binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt [zie met name arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond, C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
86 Dat is in het bijzonder het geval wanneer een nationale regeling de uitoefening van een of meer door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden kan belemmeren en de betrokken lidstaat zich beroept op redenen als genoemd in artikel 65 VWEU of op door het Unierecht erkende dwingende redenen van algemeen belang om een dergelijke belemmering te rechtvaardigen. In een dergelijk geval kan de betrokken nationale regeling volgens vaste rechtspraak slechts in aanmerking komen voor de uitzonderingen waarin aldus is voorzien, indien zij in overeenstemming is met de grondrechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert [arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
87 In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer een lidstaat een maatregel vaststelt die afwijkt van een in het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheid, zoals het vrije verkeer van kapitaal, deze maatregel binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt (zie naar analogie arrest van 14 juni 2017, Online Games e.a., C‑685/15, EU:C:2017:452, punt 56).
88 Het gebruik door een lidstaat van de in het Unierecht neergelegde uitzonderingen om een belemmering van een door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheid te rechtvaardigen, moet immers worden geacht „het recht van de Unie ten uitvoer [te] brengen” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest [arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
"40 Krachtens artikel 65, lid 1, onder a), VWEU doet artikel 63 VWEU evenwel niets af aan het recht van de lidstaten om de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd.
41 Als uitzondering op het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van kapitaal moet deze bepaling strikt worden uitgelegd. Zij kan dan ook niet aldus worden uitgelegd dat elke belastingwetgeving die onderscheid tussen belastingplichtigen maakt naargelang van hun vestigingsplaats of van de lidstaat waarin zij hun kapitaal beleggen, automatisch verenigbaar is met het VWEU. De afwijking waarin artikel 65, lid 1, onder a), VWEU voorziet, wordt immers zelf beperkt door artikel 65, lid 3, VWEU, dat bepaalt dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde nationale bepalingen „geen middel tot willekeurige discriminatie [mogen] vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer en betalingsverkeer als omschreven in artikel 63 [VWEU]” [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door icbe’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42 Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat bijgevolg onderscheid moet worden gemaakt tussen de door artikel 65, lid 1, onder a), VWEU toegestane verschillen in behandeling en de door artikel 65, lid 3, VWEU verboden gevallen van discriminatie. Een nationale belastingregeling kan enkel verenigbaar met de Verdragsbepalingen betreffende het vrije kapitaalverkeer worden geacht indien het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door icbe’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
"26 Zoals de Portugese regering benadrukt, doet het bepaalde in artikel 63 VWEU krachtens artikel 65, lid 1, onder a), VWEU evenwel niets af aan het recht van de lidstaten om de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd.
"287 Als uitzondering op het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van kapitaal moet deze bepaling strikt worden uitgelegd. Zij kan dan ook niet aldus worden uitgelegd dat elke belastingwetgeving die een onderscheid tussen belastingplichtigen maakt naargelang van hun vestigingsplaats of van de staat waarin zij hun kapitaal beleggen, automatisch verenigbaar is met het VWEU. De afwijking waarin artikel 65, lid 1, onder a), VWEU voorziet, wordt immers zelf beperkt door artikel 65, lid 3, VWEU, dat bepaalt dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde nationale bepalingen „geen middel tot willekeurige discriminatie [mogen] vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer en betalingsverkeer als omschreven in artikel 63 [VWEU]” [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door ICBE’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
28 Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat bijgevolg onderscheid moet worden gemaakt tussen de door artikel 65, lid 1, onder a), VWEU toegestane verschillen in behandeling en de door artikel 65, lid 3, VWEU verboden gevallen van discriminatie. Een nationale belastingregeling kan enkel worden geacht verenigbaar te zijn met de VWEU-bepalingen betreffende het vrije kapitaalverkeer indien het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door ICBE’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
29 Bijgevolg moet in de eerste plaats worden onderzocht of er een objectief verschil bestaat tussen de ontvanger van dividenden op aandelen die op de Portugese beurs zijn genoteerd en de ontvanger van dividenden op aandelen die op buitenlandse beurzen zijn genoteerd.
30 Het is vaste rechtspraak dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een binnenlandse situatie van de lidstaat moet worden onderzocht aan de hand van het met de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel (arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
Rechtvaardigingsgrond
"Rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal
37 Volgens de rechtspraak van het Hof is een maatregel zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, die het vrije verkeer van kapitaal beperkt, slechts toelaatbaar voor zover hij gerechtvaardigd is door dwingende redenen van algemeen belang en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt, wat inhoudt dat hij geschikt is om de verwezenlijking van het rechtmatig nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van dat doel [zie in die zin arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
38 Verder zij er in dit verband aan herinnerd dat een nationale regeling slechts geschikt is om de verwezenlijking van het betrokken doel te waarborgen wanneer de verwezenlijking ervan op coherente en systematische wijze wordt nagestreefd [zie in die zin arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 18 januari 2024, C‑562/22 (JD – OB)
"64 Er zij aan herinnerd dat een beperking van het vrije verkeer van kapitaal volgens vaste rechtspraak toelaatbaar is indien zij gerechtvaardigd is uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is [arresten van 27 april 2023, L Fund, C‑537/20, EU:C:2023:339, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 november 2023, Autoridade Tributária e Aduaneira (Vermogenswinst op aandelenoverdrachten), C‑472/22, EU:C:2023:880, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 29 juli 2024, C‑39/23 (Keva)
Het aanhouden van goederen/rechten buiten de woonstaat rechtvaardigt niet de conclusie van belastingfraude of - ontwijking
"27 Volgens vaste rechtspraak van het Hof volstaat de enkele omstandigheid dat een ingezeten belastingplichtige goederen of rechten buiten het grondgebied van een lidstaat aanhoudt, niet om uit te gaan van een algemeen vermoeden van belastingfraude en -ontwijking (zie in die zin arresten van 11 maart 2004, de Lasteyrie du Saillant, C‑9/02, EU:C:2004:138, punt 51, en 7 november 2013, K, C‑322/11, EU:C:2013:716, punt 60).
28 Voorts gaat een regeling waarbij louter op grond van het feit dat aan alle voorwaarden van die regeling is voldaan wordt vermoed dat sprake is van frauduleus gedrag, zonder de belastingplichtige de mogelijkheid te bieden om dit vermoeden om keren, in beginsel verder dan nodig is om de doelstelling van bestrijding van belastingfraude en -ontwijking te verwezenlijken [zie in die zin arresten van 3 oktober 2013, Itelcar, C‑282/12, EU:C:2013:629, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 februari 2019, X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd), C‑135/17, EU:C:2019:136, punt 88]."
HvJ EU 27 januari 2022, C‑788/19 (Europese Commissie – Spanje)
De hoogte van fiscale geldboeten
"48 Vooraf zij eraan herinnerd dat het bij gebreke van harmonisatie in het Unierecht weliswaar aan de lidstaten staat om de sancties te kiezen die hun passend voorkomen in geval van niet-nakoming van de verplichtingen krachtens hun nationale wetgeving op het gebied van directe belastingen, maar dat zij hun bevoegdheid moeten uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 12 juli 2001, Louloudakis, C‑262/99, EU:C:2001:407, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Wat de evenredigheid van de geldboete van 150 % betreft, blijkt uit de eerste aanvullende bepaling van wet 7/2012 dat de toepassing van artikel 39, lid 2, van de wet betreffende de inkomstenbelasting van natuurlijke personen of van artikel 134, lid 6, van de bij koninklijk wetsbesluit 4/2004 van 5 maart 2004 goedgekeurde geconsolideerde tekst van de wet betreffende de vennootschapsbelasting, waarvan de bepalingen vervolgens zijn opgenomen in artikel 121, lid 6, van de wet betreffende de vennootschapsbelasting, leidt tot de oplegging van een geldboete van 150 % van de totale verschuldigde belasting over de bedragen die overeenkomen met de waarde van de in het buitenland aangehouden goederen of rechten. Deze geldboete is cumulatief met de in de achttiende aanvullende bepaling van de algemene belastingwet bepaalde forfaitaire geldboeten, die worden opgelegd per gegeven of geheel van gegevens dat onvolledig, onjuist of vals is en in „formulier 720” had moeten worden opgenomen.
50 Hoewel het Koninkrijk Spanje stelt dat deze proportionele geldboete wordt opgelegd wegens niet-nakoming van een materiële verplichting tot betaling van belasting, moet worden vastgesteld dat de oplegging ervan rechtstreeks verband houdt met de niet-nakoming van aangifteverplichtingen. Zij wordt immers alleen opgelegd aan belastingplichtigen wier situatie onder artikel 39, lid 2, van de wet betreffende de inkomstenbelasting van natuurlijke personen of artikel 121, lid 6, van de wet betreffende de vennootschapsbelasting valt, met andere woorden aan belastingplichtigen die niet, niet behoorlijk of niet tijdig hebben voldaan aan de verplichting om informatie over hun goederen of rechten in het buitenland te verstrekken, met uitsluiting van degenen die dergelijke goederen of rechten weliswaar met niet-aangegeven inkomsten hebben verworven, maar wel aan deze verplichting hebben voldaan.
51 Voorts voert het Koninkrijk Spanje aan dat de proportionele geldboete van 150 % in de praktijk wordt opgelegd na een individuele beoordeling en dat het tarief ervan kan worden gedifferentieerd. De bewoordingen van de eerste aanvullende bepaling van wet 7/2012 suggereren evenwel dat de enkele toepassing van artikel 39, lid 2, van de wet betreffende de inkomstenbelasting van natuurlijke personen of van artikel 121, lid 6, van de wet betreffende de vennootschapsbelasting volstaat voor de vaststelling dat er sprake is van een belastingovertreding, die als bijzonder ernstig wordt beschouwd en wordt bestraft met een geldboete van 150 % van het ontdoken belastingbedrag, waarbij dit tarief niet als een maximumtarief is geformuleerd.
52 Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat de differentiatiemogelijkheden die worden geboden door een ruling van 6 juni 2017 – na het met redenen omkleed advies dat de Commissie op 15 februari 2017 aan het Koninkrijk Spanje heeft gezonden –, niet in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van het onderhavige beroep, aangezien het bestaan van een niet-nakoming volgens vaste rechtspraak moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn [zie in die zin arrest van 22 januari 2020, Commissie/Italië (Richtlijn bestrijding van betalingsachterstand), C‑122/18, EU:C:2020:41, punt 58]. Dat de in die ruling vervatte uitlegging met terugwerkende kracht is opgenomen in de wet, heeft geen invloed op dit punt.
53 Ten slotte moet worden gewezen op het zeer hoge tarief voor de proportionele geldboete, dat haar een zeer repressief karakter verleent en dat in veel gevallen, gelet op de cumulatie met de forfaitaire geldboeten waarin de achttiende aanvullende bepaling van de algemene belastingwet daarenboven voorziet, ertoe kan leiden dat het door de belastingplichtige verschuldigde totaalbedrag wegens niet-nakoming van de verplichting tot verstrekking van informatie over zijn goederen of rechten in het buitenland oploopt tot meer dan 100 % van de waarde van die goederen of rechten, zoals de Commissie benadrukt.
54 In die omstandigheden heeft deze instelling aangetoond dat de Spaanse wetgever op onevenredige wijze inbreuk heeft gemaakt op het vrije verkeer van kapitaal door de niet-nakoming door de belastingplichtige van zijn aangifteverplichtingen met betrekking tot zijn goederen of rechten in het buitenland te bestraffen met een proportionele geldboete van 150 % van het verschuldigde belastingbedrag over de bedragen die overeenkomen met de waarde van die goederen of rechten, welke boete kan worden gecumuleerd met forfaitaire geldboeten."
HvJ EU 27 januari 2022, C-788/19 (Europese Commissie – Spanje)
Grensoverschrijdend
“49 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling waarbij minimumbedragen voor de diensten van architecten en ingenieurs worden vastgesteld en overeenkomsten die van deze regeling afwijken, nietig worden verklaard.
50 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat in de regel de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging, de vrijheid van dienstverrichting en het vrije verkeer van kapitaal niet van toepassing zijn als een situatie zich in al haar aspecten slechts binnen één lidstaat voordoet (arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, doet het hoofdgeding zich in al zijn aspecten binnen de Bondsrepubliek Duitsland voor. Niets in het dossier waarover het Hof beschikt wijst er immers op dat een partij in het hoofdgeding buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland is gevestigd of dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde diensten buiten dit grondgebied zijn verricht.
52 In dit verband moet worden opgemerkt dat wanneer een nationale rechter het Hof ter zake van een situatie die zich in al haar aspecten binnen één lidstaat voordoet, vraagt om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van de bepalingen van het VWEU die betrekking hebben op de fundamentele vrijheden, het Hof niet kan oordelen dat dit verzoek noodzakelijk is voor de beslechting van de bij deze rechterlijke instantie aanhangige zaak als die rechter geen aanwijzingen in die zin heeft verstrekt. De specifieke aspecten waaruit valt op te maken dat er een verband bestaat tussen enerzijds het voorwerp of de omstandigheden van een geding waarvan alle aspecten zich binnen de betrokken lidstaat voordoen en anderzijds artikel 49, 56 of 63 VWEU, moeten immers blijken uit de verwijzingsbeslissing (zie in die zin arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 54).
53 Bijgevolg dient de verwijzende rechter in een situatie als die in het hoofdgeding in overeenstemming met de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof duidelijk te maken aan het Hof in welk opzicht het bij hem aanhangige geschil, ondanks het zuiver nationale karakter daarvan, een aanknopingspunt heeft met de bepalingen van het Unierecht ter zake van de fundamentele vrijheden waardoor het prejudiciële verzoek om uitlegging noodzakelijk is voor de beslechting van dat geschil (zie in die zin arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 55).
54 Aangezien de verwijzingsbeslissing geen enkele aanwijzing in die zin bevat, kan de onderhavige vraag niet als ontvankelijk worden aangemerkt (zie in die zin arresten van 20 september 2018, Fremoluc, C‑343/17, EU:C:2018:754, punt 33; 14 november 2018, Memoria en Dall’Antonia, C‑342/17, EU:C:2018:906, punt 21, en 24 oktober 2019, Belgische Staat, C‑469/18 en C‑470/18, EU:C:2019:895, punt 26).
55 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de tweede vraag niet-ontvankelijk is.”
HvJ EU 18 januari 2022, C‑261/20 (Thelen Technopark Berlin)
Het onderscheid naar de plaats waar aandelen aan de effectenbeurs genoteerd zijn
"22 Een praktijk waarbij aan de gunstige fiscale behandeling van dividenden de voorwaarde wordt verbonden dat de aandelen die deze dividenden genereren, op de nationale beurs zijn genoteerd, leidt er door de aard van deze voorwaarde al toe dat investeringen in ingezeten vennootschappen worden bevoordeeld en dat investeringen in niet-ingezeten vennootschappen derhalve worden benadeeld.
23 Ten eerste moet immers worden opgemerkt dat vennootschappen die naar de beurs gaan en waarvan de aandelen dus worden toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, in de regel aan hun nationale beurs worden genoteerd. Ten tweede kunnen vennootschappen hun aandelen weliswaar gelijktijdig op een buitenlandse beurs en op hun nationale beurs laten noteren door gebruik te maken van cross-listing, maar is het aantal niet-ingezeten vennootschappen dat op een bepaalde beurs is genoteerd, over het algemeen aanzienlijk lager dan dat van ingezeten vennootschappen.
(...).
41 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 63 en 65 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de belastingpraktijk van een lidstaat volgens welke dividenden op aandelen die op de beurs van die lidstaat zijn genoteerd, met het oog op de vaststelling van de heffingsgrondslag voor de inkomstenbelasting van een belastingplichtige, slechts voor 50 % van hun bedrag meetellen terwijl dividenden op aandelen die op beurzen van andere lidstaten zijn genoteerd volledig worden meegerekend.”
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
Het onderscheid naar de plaats waar een motorrijtuig is geregistreerd
“Bestaan van een beperking
25 Maatregelen van een lidstaat die de ingezetenen van deze staat ervan weerhouden in andere lidstaten leenovereenkomsten te sluiten, vormen beperkingen in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (zie met name arrest van 29 oktober 2015, Nagy, C‑583/14, EU:C:2015:737, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Volgens artikel 93, lid 1-bis, van de wegenverkeerswet is het eenieder die sinds meer dan zestig dagen woonplaats heeft in Italië verboden aan het verkeer deel te nemen met een in het buitenland geregistreerd voertuig.
27 Bijgevolg is een persoon die sinds meer dan zestig dagen woonplaats heeft in Italië, zoals GN, en die beschikt over een in een andere lidstaat geregistreerd motorvoertuig en hiermee in Italië aan het verkeer wenst deel te nemen, verplicht dit voertuig in laatstgenoemde lidstaat te registreren, hetgeen de betaling van kosten en belastingen en het vervullen van ingewikkelde administratieve formaliteiten meebrengt, zoals de verwijzende rechter opmerkt.
28 Aangezien een bruikleen in wezen bestaat in de mogelijkheid om de geleende zaak te gebruiken, dient te worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, doordat personen die sinds meer dan zestig dagen woonplaats hebben in Italië een belasting moeten betalen bij het gebruik op het Italiaanse wegennet van een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig, ook al is dat om niet geleend van een ingezetene van een andere lidstaat, ertoe leidt dat de grensoverschrijdende bruikleen om niet van motorvoertuigen wordt belast (zie in die zin arrest van 26 april 2012, van Putten, C‑578/10–C‑580/10, EU:C:2012:246, punt 39). Bruikleen om niet van een in Italië geregistreerd voertuig is daarentegen niet aan deze belasting onderworpen.
29 Een dergelijk verschil in behandeling naargelang de staat waarin het geleende voertuig is geregistreerd, kan inwoners van Italië ervan weerhouden de bruikleen, door inwoners van een andere lidstaat, van een in laatstgenoemde lidstaat geregistreerd voertuig te aanvaarden [zie in die zin beschikking van 10 september 2020, Waals Gewest (Inschrijving van een geleend voertuig), C‑41/20–C‑43/20, niet gepubliceerd, EU:C:2020:703, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30 Bijgevolg vormt de in punt 24 van het onderhavige arrest bedoelde nationale regeling, voor zover zij inwoners van Italië ervan kan weerhouden in andere lidstaten leenovereenkomsten te sluiten, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (zie in die zin arrest van 26 april 2012, van Putten, C‑578/10–C‑580/10, EU:C:2012:246, punten 40 en 41).”
HvJ EU 16 december 2021, C‑274/20 (GN en WX)
Het begrip 'directe investeringen'
"101 Zo heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU met name bestaat in de zogenoemde „directe” investeringen, te weten investeringen in de vorm van een deelneming in een onderneming door aandeelhouderschap, die de mogelijkheid biedt om daadwerkelijk deel te hebben in het bestuur van en de zeggenschap over een vennootschap, alsmede de zogenoemde „portefeuillebeleggingen”, te weten investeringen in de vorm van de verwerving van effecten op de kapitaalmarkt met uitsluitend doel te beleggen, zonder invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming te willen uitoefenen [arresten van 11 november 2011, Commissie/Portugal, C‑543/08, EU:C:2010:669, punt 46; 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12 – C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 40, en 26 februari 2019, X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd), C‑135/17, EU:C:2019:136, point 26].
102 Ten aanzien van deze twee investeringsvormen heeft het Hof gepreciseerd dat nationale maatregelen die het verwerven van aandelen in de betrokken ondernemingen kunnen blokkeren of beperken, of investeerders uit andere lidstaten ervan kunnen weerhouden in die ondernemingen te investeren, moeten worden aangemerkt als „beperkingen” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (arresten van 21 oktober 2010, Idryma Typou, C‑81/09, EU:C:2010:622, punt 55; 10 november 2011, Commissie/Portugal, C‑212/09, EU:C:2011:717, punt 48, en 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12 – C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 41)."
HvJ EU 16 juli 2020, zaak C‑686/18 (O.C. e.a.)
Interne situatie
"25 Ook al vormt het recht op een doeltreffende voorziening zoals gewaarborgd door artikel 6, lid 1, EVRM, waarnaar de verwijzende rechter verwijst, een algemeen beginsel van het recht van de Unie (zie met name arrest van 16 juli 2009, Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, C‑385/07 P, Jurispr. blz. I‑6155, punten 177 en 178) en is het bevestigd in artikel 47 van het handvest, dit neemt niet weg dat uit geen enkel concreet element van de verwijzingsbeslissing kan worden opgemaakt dat er een band bestaat tussen het voorwerp van het hoofdgeding en het recht van de Unie. Het hoofdgeding, waarin een geschil tussen een Belgische staatsburger en de Belgische Staat is gerezen omtrent de heffing van belasting over op het grondgebied van deze lidstaat uitgeoefende activiteiten, vertoont geen enkel aanknopingspunt met een van de situaties die in de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen, diensten en kapitaal aan de orde zijn. Bovendien zijn geen door de betrokken lidstaat ter uitvoering van het recht van de Unie genomen nationale maatregelen in het geding.
26 Hieruit volgt dat niet is aangetoond dat het Hof bevoegd is om de prejudiciële vraag te beantwoorden."
HvJ EU 1 maart 2011, C‑457/09 (Chartry)
"27 Ten tweede dient te worden opgemerkt dat de bepalingen van het VWEU betreffende het vrije kapitaalverkeer niet van toepassing zijn op zuiver interne situaties waarin het kapitaalverkeer binnen één lidstaat plaatsvindt. Aldus staat het aan de verwijzende rechter om, vóór deze artikel 63 VWEU toepast, na te gaan of in het hoofdgeding sprake is van een grensoverschrijdende situatie waarin de vrijheid van kapitaalverkeer binnen de Europese Unie wordt uitgeoefend (zie in die zin beschikking van 12 oktober 2017, Fisher, C‑192/16, EU:C:2017:762, punt 35)."
HvJ EU 16 september 2020, C‑339/19 (Romenergo en Aris Capital)
Vergelijkbaarheid binnenlandse en buitenlandse situaties
"36 Met betrekking tot de vraag of de situaties in geding objectief vergelijkbaar zijn, moet eraan worden herinnerd dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het door de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel (zie arresten van 25 februari 2010, X Holding, C‑337/08, Jurispr. blz. I‑1215, punt 22, en 6 september 2012, Philips Electronics UK, C‑18/11, punt 17)."
HvJ EU 8 november 2012, C‑342/10 (Europese Commissie - Finland)
Onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen
"53 Zoals de verwijzende rechterlijke instantie opmerkt, heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling tot gevolg dat wanneer een ingezeten belastingplichtige aandelen in een ingezeten kapitaalvennootschap heeft verkregen van een niet-ingezeten aandeelhouder, de waardevermindering van die aandelen ten gevolge van winstuitkeringen wordt uitgesloten van de belastinggrondslag van de verkrijger, terwijl in geval van verkrijging van deze aandelen van een ingezeten aandeelhouder dergelijke waardevermindering de belastinggrondslag van de verkrijger vermindert.
54 Deze beperking van de inaanmerkingneming van de waardevermindering van de aandelen ten gevolge van winstuitkeringen is van toepassing vanaf het jaar van de verkrijging vandie aandelen en in de negen daaropvolgende jaren, en betreft uitsluitend winstverminderingen door winstuitkeringen of door winstoverdrachten ter uitvoering van een overeenkomst tot regeling van de zeggenschap en voor zover de winstverminderingen niet een bepaald bedrag overschrijden, „geblokkeerd bedrag” genoemd.
55 Dit geblokkeerde bedrag – het verschil tussen de aankoopprijs die door de ingezeten aandeelhouder is betaald en de nominale waarde van de aandelen – drukt aldus op de van een niet-ingezetene verkregen aandelen door in wezen de gevolgen van de gedeeltelijke afschrijving van de aandelen ten gevolge van de winstuitkering op te heffen.
56 Dat een belastingplichtige op zijn belastbare winst de uit de gedeeltelijke afschrijving van zijn deelneming in de vennootschap voortvloeiende verliezen in aftrek kan brengen wanneer de waardevermindering van de aandelen het gevolg is van de winstuitkering, vormt zonder meer een belastingvoordeel.
57 Door dit voordeel uitsluitend aan een ingezeten belastingplichtige toe te kennen wanneer hij aandelen in een ingezeten vennootschap verkrijgt van een ingezeten aandeelhouder, worden de deelnemingen van de niet-ingezetenen minder aantrekkelijk en kan de ingezeten belastingplichtige er bijgevolg van worden weerhouden deze deelnemingen te verwerven.
58 Bovendien kan een dergelijk verschil in behandeling ook niet-ingezeten beleggers ervan weerhouden om een deelneming te verwerven in de ingezeten vennootschap en aldus voor die vennootschap een belemmering bij het bijeenbrengen van kapitaal uit andere lidstaten vormen.
59 Hieruit volgt dat een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is een in beginsel door artikel 73 B van het Verdrag verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt."
HvJ EU 17 september 2009, C‑182/08 (Glaxo Wellcome)
Nationale maatregel zonder onderscheid kan eveneens strijdig zijn met het vrije verkeer van kapitaal
"55 Een nationale wettelijke regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers kan evenwel een beperking van het vrije verkeer van kapitaal inhouden. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat zelfs een op objectieve criteria berustend onderscheid grensoverschrijdende situaties de facto kan benadelen (zie in die zin arrest van 5 februari 2014, Hervis Sport- és Divatkereskedelmi, C‑385/12, ECLI:EU:C:2014:47, punten 37‑39)."
HvJ EU 30 januari 2020, C‑156/17 (Köln-Aktienfonds Deka)
Onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen in relatie tot het begrip belemmering/beperking
"26 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten (arrest van 16 september 2020, Romenergo en Aris Capital, C‑339/19, EU:C:2020:709, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De maatregelen die ingevolge deze bepaling verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 22).
27 In het bijzonder kan een verschil in behandeling, wanneer dit leidt tot een minder gunstige behandeling van de inkomsten van een ingezetene van een lidstaat die hun oorsprong hebben in een andere lidstaat, vergeleken met de behandeling van inkomsten uit de eerste lidstaat, een dergelijke ingezetene ervan doen afzien zijn kapitaal te beleggen in een andere lidstaat (zie in die zin arresten van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 80; 24 november 2016, SECIL, C‑464/14, EU:C:2016:896, punt 50, en 20 september 2018, EV, C‑685/16, EU:C:2018:743, punt 63)."
HvJ EU 29 april 2021, C‑480/19 (E)
Woonplaatsvereiste
"41 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling passend is, zij opgemerkt dat deze slechts een woonplaatsvereiste behelst, zonder dat de verkrijger daarbij verplicht is om het onroerende goed zelf te exploiteren. Een dergelijke maatregel lijkt dus op zichzelf niet de verwezenlijking te waarborgen van het gestelde doel, dat erin bestaat dat de op het Bulgaarse grondgebied gelegen landbouwgrond blijvend overeenkomstig zijn bestemming wordt geëxploiteerd (zie naar analogie arrest van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 30).
42 Wat betreft de doelstelling om de verwerving van landbouwgrond voor louter speculatieve doeleinden te voorkomen, kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling inderdaad tot gevolg hebben dat het aantal potentiële verkrijgers van landbouwgrond wordt beperkt, waardoor de speculatie op de landbouwgrondmarkt kan afnemen. Het woonplaatsvereiste in die regeling waarborgt op zichzelf echter niet dat landbouwgrond wordt aangekocht met het oog op gebruik voor landbouwdoeleinden of althans voor niet-speculatieve doeleinden.
43 In de tweede plaats moet hoe dan ook nog worden nagegaan of het woonplaatsvereiste in de nationale regeling een maatregel is die niet verder gaat dan noodzakelijk is om de doelstellingen van deze regeling te bereiken.
44 Voor een dergelijke beoordeling moet rekening worden gehouden met het feit dat dit vereiste niet alleen het vrije verkeer van kapitaal beperkt, maar ook het recht van de verkrijger om vrij zijn woonplaats te kiezen, welk recht hem nochtans wordt gewaarborgd door artikel 2, lid 1, van Protocol nr. 4 bij het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (zie naar analogie arrest van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 35).
45 Het woonplaatsvereiste van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling maakt dus inbreuk op een door dat verdrag gewaarborgd fundamenteel recht, zodat het bijzonder ingrijpend is (arrest van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 37). Bijgevolg rijst de vraag of andere maatregelen hadden kunnen worden vastgesteld die minder afbreuk doen aan het vrije verkeer van kapitaal dan die waarin deze regeling voorziet, teneinde de doelstellingen van deze regeling te bereiken.
46 Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft vermeld kunnen de doelstellingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, namelijk ten eerste, dat landbouwgrond blijvend overeenkomstig zijn bestemming wordt geëxploiteerd en, ten tweede, dat de verwerving van landbouwgrond voor louter speculatieve doeleinden wordt voorkomen, worden bereikt door maatregelen zoals hogere belastingen op de wederverkoop van landbouwgrond binnen korte tijd na de verwerving ervan, of het vereiste van een significante minimumduur voor pachtovereenkomsten (zie naar analogie arrest van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 39). Ook de invoering van een recht van voorkoop ten voordele van de pachters, zodat de grond, indien hij niet door de pachters zelf wordt gekocht, kan worden gekocht door natuurlijke personen of rechtspersonen met een activiteit die niet binnen de landbouwsector valt mits zij zich ertoe verplichten de landbouwbestemming van de grond in kwestie te behouden, kan een maatregel vormen die het vrije verkeer van kapitaal minder beperkt (zie in die zin arrest van 23 september 2003, Ospelt en Schlössle Weissenberg, C‑452/01, EU:C:2003:493, punt 52).
47 Uit een en ander volgt, gelet op de gegevens waarover het Hof beschikt, dat het woonplaatsvereiste van artikel 3c ZSPZZ verder gaat dan noodzakelijk is om de doelstellingen van deze nationale regeling te bereiken.
48 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling van een lidstaat op grond waarvan het verwerven van een eigendomsrecht op landbouwgrond op zijn grondgebied is onderworpen aan de voorwaarde dat de verkrijger sinds meer dan vijf jaar ingezetene is."
HvJ EU 18 januari 2024, C‑562/22 (JD – OB)
Fiscale autonomie EU-Lidstaten
"38 Dienaangaande zij opgemerkt dat het weliswaar aan elke lidstaat staat om zijn stelsel van belastingheffing over winstuitkeringen te organiseren en in dat kader de heffingsgrondslag vast te stellen die van toepassing is op de ontvangende aandeelhouder, maar dat de lidstaten volgens vaste rechtspraak hun fiscale autonomie niettemin moeten uitoefenen met inachtneming van de uit het Unierecht voortvloeiende vereisten, met name die welke worden opgelegd door de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van kapitaal, hetgeen impliceert dat het belastingstelsel niet discriminerend is (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punten 42 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
Door belastingverdragen moeten ingezetenen onder omstandigheden met ingezetenen gelijk worden gesteld
"– Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
44 Volgens vaste rechtspraak van het Hof behoren de directe belastingen weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten, maar moeten zij deze bevoegdheid uitoefenen in overeenstemming met het Unierecht (zie met name arresten van 12 december 2006, Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, C‑374/04, Jurispr. blz. I‑11673, punt 36; 8 november 2007, Amurta, C‑379/05, Jurispr. blz. I‑9569, punt 16; 19 november 2009, Commissie/Italië, C‑540/07, Jurispr. blz. I‑10983, punt 28, en 3 juni 2010, Commissie/Spanje, C‑487/08, Jurispr. blz. I‑4843, punt 37).
45 Het staat met name aan elke lidstaat om met eerbiediging van het Unierecht zijn stelsel van belasting van uitgekeerde winst te organiseren en in dat kader de belastinggrondslag en het belastingtarief voor de ontvangende aandeelhouder te bepalen (zie met name arrest Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, reeds aangehaald, punt 50; arresten van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑446/04, Jurispr. blz. I‑11753, punt 47; 20 mei 2008, Orange European Smallcap Fund, C‑194/06, Jurispr. blz. I‑3747, punt 30, en 16 juli 2009, Damseaux, C‑128/08, Jurispr. blz. I‑6823, punt 25).
46 Tevens moet worden opgemerkt dat de lidstaten bij gebreke van unierechtelijke unificatie‑ of harmonisatiemaatregelen bevoegd blijven om, door het sluiten van overeenkomsten of unilateraal, de criteria voor de verdeling van hun belastingbevoegdheid vast te stellen teneinde met name dubbele belasting af te schaffen (arresten van 12 mei 1998, Gilly, C‑336/96, Jurispr. blz. I‑2793, punten 24 en 30, en 21 september 1999, Saint-Gobain ZN, C‑307/97, Jurispr. blz. I‑6161, punt 57, alsook de reeds aangehaalde arresten Amurta, punt 17; Commissie/Italië, punt 29, en Commissie/Spanje, punt 38).
47 Zoals met name blijkt uit de derde overweging van de considerans ervan, beoogt richtlijn 90/435 door de invoering van een gemeenschappelijke fiscale regeling iedere benadeling van de samenwerking tussen vennootschappen uit verschillende lidstaten ten opzichte van de samenwerking tussen vennootschappen van dezelfde lidstaat op te heffen, en aldus de hergroepering van vennootschappen op het niveau van de Unie te vergemakkelijken (reeds aangehaalde arresten Test Claimants in the FII Group Litigation, punt 103; Amurta, punt 18, en Commissie/Spanje, punt 39).
48 Voor deelnemingen die niet onder richtlijn 90/435 vallen, is het aan de lidstaten om te bepalen of en in hoeverre economische dubbele belasting van en opeenvolgende heffingen over de uitgekeerde winst moeten worden voorkomen, en hiertoe unilateraal of door middel van met andere lidstaten gesloten overeenkomsten regelingen ter voorkoming of vermindering van deze economische dubbele belasting of opeenvolgende heffingen in te stellen. Dit enkele feit betekent evenwel niet dat zij maatregelen mogen treffen die in strijd zijn met de door het Verdrag gewaarborgde vrijheden van verkeer (zie reeds aangehaalde arresten Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, punt 54; Amurta, punt 24; Commissie/Italië, punt 31, en Commissie/Spanje, punt 40).
49 In casu staat vast dat de Duitse wettelijke regeling voorziet in een bronbelasting op dividenduitkeringen door een in Duitsland gevestigde vennootschap aan zowel in dezelfde lidstaat gevestigde vennootschappen als in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen. Aan in Duitsland gevestigde vennootschappen uitgekeerde dividenden worden echter niet in aanmerking genomen bij de berekening van de inkomsten van deze vennootschap overeenkomstig § 8b, lid 1, eerste volzin, KStG, en voorts komen zij in aanmerking voor een belastingkrediet met betrekking tot de bronbelasting. Bovendien wordt dit belastingkrediet overeenkomstig § 36, leden 2 en 4, EStG terugbetaald aan de belastingplichtige voor zover het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting lager is dan het bedrag van het belastingkrediet. Ingezeten ontvangende vennootschappen ondervinden bijgevolg geen uit de bronbelasting voortvloeiende belastingdruk.
50 Indien de in artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 90/435 vastgestelde minimumdrempel voor deelnemingen van een moedermaatschappij in het kapitaal van haar dochteronderneming niet is bereikt, wordt de bronbelasting op aan in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen uitgekeerde dividenden door het Duitse belastingrecht daarentegen als bevrijdend beschouwd.
51 Niet betwist wordt dat de Duitse belastingregeling op die manier een verschil in behandeling van dividenden invoert naargelang die worden uitgekeerd aan ingezeten dan wel aan niet-ingezeten ontvangende vennootschappen.
52 Dienaangaande betoogt de Bondsrepubliek Duitsland evenwel dat de dividendontvangende vennootschappen, gelet op het doel van de betrokken wettelijke belastingregeling, zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden, en voorts dat de belastingdruk op aan in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen uitgekeerde dividenden niet hoger is dan die op aan ingezeten vennootschappen uitgekeerde dividenden.
53 In de eerste plaats dient te worden nagegaan of de dividendontvangende vennootschappen gelet op het doel van deze wettelijke regeling, dat er volgens de Bondsrepubliek Duitsland in bestaat een te hoge belasting van de uitgekeerde winst in Duitsland te voorkomen, zich in een vergelijkbare situatie bevinden al naargelang zij in Duitsland zijn gevestigd of niet.
54 Dienaangaande kan slechts worden vastgesteld dat de doelstelling om een te hoge belasting van de uitgekeerde winst in Duitsland te voorkomen wordt bereikt door op de in punt 49 van het onderhavige arrest beschreven wijze een einde te maken aan de opeenvolgende belastingheffingen op dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten vennootschappen.
55 Stellig blijkt uit de rechtspraak dat ingezeten ontvangende vennootschappen zich met betrekking tot maatregelen die een lidstaat heeft getroffen om opeenvolgende belastingheffingen over of economische dubbele belasting van door een ingezeten vennootschap uitgekeerde winst te voorkomen of te verminderen, niet noodzakelijkerwijs in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van in een andere lidstaat gevestigde ontvangende vennootschappen (zie in die zin arrest van 14 december 2006, Denkavit Internationaal en Denkavit France, C‑170/05, Jurispr. blz. I‑11949, punt 34, en reeds aangehaalde arresten Amurta, punt 37; Commissie/Italië, punt 51, en Commissie/Spanje, punt 50).
56 Zodra een lidstaat, hetzij unilateraal hetzij door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten vennootschappen, maar ook niet‑ingezeten vennootschappen voor het dividend dat zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, aan de inkomstenbelasting onderwerpt, benadert de situatie van deze niet‑ingezeten vennootschappen echter die van de ingezeten vennootschappen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, punt 68; Denkavit Internationaal en Denkavit France, punt 35; Amurta, punt 38; Commissie/Italië, punt 52, en Commissie/Spanje, punt 51).
57 Het is immers uitsluitend de uitoefening door deze staat van zijn heffingsbevoegdheid die, los van enige belasting in een andere lidstaat, een risico van opeenvolgende belastingheffingen of economische dubbele belasting meebrengt. In een dergelijk geval worden de niet‑ingezeten ontvangende vennootschappen alleen dan niet geconfronteerd met een door artikel 56 EG in beginsel verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer, wanneer de staat van vestiging van de uitkerende vennootschap erop toeziet dat, wat de in zijn nationale recht vervatte regeling ter voorkoming of vermindering van opeenvolgende belastingheffingen of economische dubbele belasting betreft, niet-ingezeten vennootschappen op dezelfde wijze worden behandeld als ingezeten vennootschappen (zie reeds aangehaalde arresten Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, punt 70; Amurta, punt 39; Commissie/Italië, punt 53, en Commissie/Spanje, punt 52)."
HvJ EU 21 oktober 2011, C‑284/09 (Europese Commissie - Duitsland)
Ook geen onderscheid naar niet-ingezeten pensioenfondsen
"28 Volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 50).
29 Wat de vraag betreft of de betrokken nationale regeling het vrije kapitaalverkeer beperkt, moet worden vastgesteld dat de dividenduitkeringen door op Portugees grondgebied gevestigde ondernemingen aan pensioenfondsen slechts van IRC zijn vrijgesteld, wanneer zij twee voorwaarden vervullen. Om te beginnen moet het dividend worden uitgekeerd aan naar Portugees recht opgerichte en werkzaam zijnde pensioenfondsen. Voorts moet dit dividend worden uitgekeerd uit aandelen die onafgebroken in het bezit van hetzelfde pensioenfonds zijn geweest gedurende minstens het jaar voorafgaande aan de uitkering of gedurende de voor die periode vereiste duur zijn aangehouden.
30 Wegens de eerste voorwaarde van de betrokken nationale regeling is de investering die een niet-ingezeten pensioenfonds in een Portugese onderneming kan doen bijgevolg minder aantrekkelijk dan de investering die een ingezeten pensioenfonds zou kunnen doen. Enkel in het eerste geval wordt namelijk over het door de Portugese onderneming uitgekeerde dividend 20 % IRC geheven, ook wanneer dat dividend afkomstig is van aandelen die door dat fonds gedurende minstens het jaar voorafgaande aan de uitkering zijn aangehouden. Deze verschillende behandeling weerhoudt niet-ingezeten pensioenfondsen ervan te investeren in Portugese ondernemingen en ontmoedigt in Portugal wonende beleggers te investeren in dergelijke pensioenfondsen.
31 Van een dergelijke verschillende behandeling is echter geen sprake wanneer het door een ingezeten onderneming uitgekeerde dividend afkomstig is van aandelen die gedurende het jaar voorafgaande aan de uitkering niet in het bezit van dezelfde belastingplichtige zijn gebleven. Ingevolge artikel 88, lid 11, CIRC geldt de in artikel 16, lid 1, EBF voorziene vrijstelling in die omstandigheden namelijk niet, zodat over dit dividend IRC wordt geheven ongeacht de plaats waar het dividendontvangende pensioenfonds is gevestigd.
32 Vastgesteld moet dan ook worden dat de betrokken regeling, voor zover zij betrekking heeft op de heffing van belasting over dividend dat door op het Portugese grondgebied gevestigde ondernemingen wordt uitgekeerd uit aandelen die langer dan een jaar door een pensioenfonds zijn aangehouden, een in beginsel bij artikel 63 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt."
HvJ EU 6 oktober 2011, C‑493/09 (Europese Commissie - Portugal)
Dubbele belasting door belastingheffing door de bronstaat en de woonstaat/de staat van vestiging
"28 Volgens vaste rechtspraak zijn de lidstaten, hoewel de directe belastingen tot hun bevoegdheid horen, niettemin verplicht deze bevoegdheid in overeenstemming met het recht van de Unie uit te oefenen (zie arresten van 14 februari 1995, Schumacker, C‑279/93, Jurispr. blz. I‑225, punt 21; 11 augustus 1995, Wielockx, C‑80/94, Jurispr. blz. I‑2493, punt 16, en 6 juni 2000, Verkooijen, C‑35/98, Jurispr. blz. I‑4071 punt 32, en reeds aangehaald arrest Barbier, punt 56).
29 Het staat aan elke lidstaat om met eerbiediging van het recht van de Unie zijn stelsel van belasting op inkomsten uit roerend vermogen te organiseren en in dat kader de belastbare grondslag en het belastingtarief voor de ontvanger van die inkomsten te bepalen (zie naar analogie arresten van 16 juli 2009, Damseaux, C‑128/08, Jurispr. blz. I‑6823, punt 25, en 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 167 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Hieruit volgt dat rente die door een in een lidstaat gevestigde schuldenaar aan een in een andere lidstaat wonende ontvanger wordt uitgekeerd, aan een juridische dubbele belasting kan worden onderworpen wanneer beide lidstaten hun belastingbevoegdheid wensen uit te oefenen en deze rente wensen te belasten, doordat de eerste lidstaat op de rente een inhouding aan de bron toepast en de tweede lidstaat die rente tot het belastbaar inkomen van de ontvanger rekent.
31 Bij gebreke van unificatie‑ of harmonisatiemaatregelen van de Unie, blijven de lidstaten bevoegd om, door het sluiten van overeenkomsten of unilateraal, de criteria voor de verdeling van hun heffingsbevoegdheid vast te stellen teneinde onder meer dubbele belasting af te schaffen (zie arresten van 12 mei 1998, Gilly, C‑336/96, Jurispr. blz. I‑2793, punten 24 en 30; 21 september 1999, Saint-Gobain ZN, C‑307/97, Jurispr. blz. I‑6161, punt 57; 8 november 2007, Amurta, C‑379/05, Jurispr. blz. I‑9569, punt 17, en 20 mei 2008, European Smallcap Fund, C‑194/06, Jurispr. blz. I‑3747, punt 32). Het staat aan hen om de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om situaties van dubbele belasting te voorkomen, door met name de in de internationale belastingpraktijk gehanteerde verdelingscriteria toe te passen (zie arrest van 14 november 2006, Kerckhaert en Morres, C‑513/04, Jurispr. blz. I‑10967, punt 23)."
HvJ EU 8 december 2011, C‑157/10 (Banco Bilbao Vizcaya Argentaria)
"Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
45 Volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Aangaande de vraag of een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding een beperking van het kapitaalverkeer vormt, zij opgemerkt, zoals in de punten 36 tot en met 38 van dit arrest is gepreciseerd, dat wanneer een vennootschap waarvan de zetel of het daadwerkelijke bestuur op het Portugese grondgebied is gevestigd, dividenden ontvangt van een vennootschap waarvan de zetel of het daadwerkelijke bestuur op datzelfde grondgebied is gevestigd, en wanneer de uitkerende vennootschap bovendien is onderworpen aan en niet vrijgesteld van de vennootschapsbelasting, de ontvangende vennootschap deze dividenden in mindering kan brengen op haar belastinggrondslag. Het gaat om een volledige dan wel gedeeltelijke aftrek, naargelang wel of niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 46, lid 1, onder b) en c), CIRC. Bovendien wordt de in dit artikel46, lid 1, CIRC bedoelde aftrek ingevolge artikel 46, lid 11, ervan verminderd tot 50 % wanneer de inkomsten afkomstig zijn uit niet daadwerkelijk belaste winst.
47 Vennootschappen waarvan de zetel of het daadwerkelijke bestuur gevestigd is op het Portugese grondgebied en die dividenden ontvangen van vennootschappen waarvan de zetel of het daadwerkelijke bestuur is gevestigd in een derde land, zoals de Republiek Tunesië of de Republiek Libanon, zijn daarentegen voor de ontvangen dividenden tegen het wettelijke tarief aan de IRC onderworpen.
48 De economische dubbele belasting van door een ingezeten vennootschap ontvangen dividenden wordt aldus voorkomen of verminderd wanneer de uitkerende vennootschap in Portugal is gevestigd, terwijl dat niet het geval is wanneer deze vennootschap is gevestigd in een derde land, zoals de Republiek Tunesië of de Republiek Libanon.
49 Dienaangaande staat vast dat de overeenkomst Portugal-Tunesië geen dergelijke ongunstige behandeling kan voorkomen. Deze overeenkomst strekt immers enkel ertoe de gevolgen van de dubbele belasting te verzachten voor de ingezeten vennootschap die dividenden ontvangt, met betrekking tot de in de vestigingsstaat van de uitkerende vennootschap ingehouden dividendbelasting. Deze overeenkomst voorziet niet in een regeling tot het voorkomen van economische dubbele belasting van dividenden die voor de ontvangende vennootschap voortvloeit uit het feit dat de uitkerende vennootschap wordt belast over de winst waaruit de dividenden worden betaald. Tussen de Portugese Republiek en de Republiek Libanon werd daarentegen geen overeenkomst tot het voorkomen van dubbele belasting gesloten.
50 Dat verschil in behandeling kan ingezeten vennootschappen van Portugal ervan doen afzien, hun kapitaal te beleggen in vennootschappen die zijn gevestigd in een derde land, zoals de Republiek Tunesië of de Republiek Libanon. Aangezien inkomsten uit kapitaal die afkomstig zijn uit een derde land, fiscaal minder gunstig worden behandeld dan dividenden die worden uitgekeerd door een in Portugal gevestigde vennootschap, zijn aandelen in een vennootschap die in een derde land is gevestigd, immers minder aantrekkelijk voor in Portugal gevestigde investeerders dan aandelen in een vennootschap met zetel in die lidstaat (zie in die zin arresten van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑446/04, EU:C:2006:774, punt 64, en 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 80).
51 Een regeling als in het hoofdgeding, volgens welke een vennootschap die ingezetene van een lidstaat is, dividenden volledig of gedeeltelijk van haar belastinggrondslag kan aftrekken, wanneer deze dividenden worden uitgekeerd door een vennootschap die ingezetene van diezelfde lidstaat is, terwijl die aftrek niet mogelijk is wanneer de uitkerende vennootschap ingezetene van een derde land is, vormt een door artikel 63 VWEU in beginsel verboden beperking van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en derde landen."
HvJ EU 24 november 2016, C‑464/14 (Secil)
Een Lidstaat kan niet tot meer worden verplicht dan tot opheffing van de buiten de Lidstaat dubbel geheven belasting
"33 Zoals het Finanzamt en de Duitse regering betogen, kan het in artikel 56, lid 1, EG vastgelegde beginsel van vrij verkeer van kapitaal immers niet tot gevolg hebben dat de lidstaten worden verplicht om verder te gaan dan een opheffing van de door de aandeelhouder op de ontvangen buitenlandse dividenden te betalen nationale inkomstenbelasting en om een bedrag terug te betalen dat zijn oorsprong vindt in het belastingstelsel van een andere lidstaat (zie naar analogie arrest van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑446/04, Jurispr. blz. I‑11753, punt 52), omdat anders de fiscale autonomie van de eerste lidstaat zou worden beperkt door de uitoefening door de andere lidstaat van zijn bevoegdheid tot belastingheffing (zie met name arrest Test Claimants in the FII Group Litigation, reeds aangehaald, punt 47; arresten van 20 mei 2008, Orange European Smallcap Fund, C‑194/06, Jurispr. blz. I‑3747, punt 30, en 16 juli 2009, Damseaux, C‑128/08, Jurispr. blz. I‑6823, punt 25)."
HvJ EU 30 juni 2011, C‑262/09 (Meilicke)
Geen criteria voor de voorkoming van dubbele belasting op grond van door EU-Lidstaten gesloten bilaterale belastingverdragen
"25 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat waarbij, in het kader van een stelsel ter compensatie van de dubbele belasting van dividenden die door een aan de vennootschapsbelasting van die lidstaat onderworpen en in die lidstaat gevestigde vennootschap zijn ontvangen en waarop door een andere lidstaat belasting is ingehouden, aan een dergelijke vennootschap een belastingkrediet wordt verleend dat is begrensd tot het bedrag dat deze eerste lidstaat zou hebben ontvangen indien alleen die dividenden aan de vennootschapsbelasting waren onderworpen, zonder dat de belastingheffing in de andere lidstaat geheel wordt gecompenseerd.
26 Volgens vaste rechtspraak is het aan elke lidstaat om, met eerbiediging van het Unierecht, zijn stelsel van belasting van uitgekeerde winst te organiseren en in dat kader de heffingsgrondslag en het belastingtarief voor de ontvangende aandeelhouder te bepalen (arrest van 20 mei 2008, Orange European Smallcap Fund, C‑194/06, EU:C:2008:289, punt 30, en beschikking van 4 februari 2016, Baudinet e.a., C‑194/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:81, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Enerzijds volgt hieruit dat dividenden die door een in een bepaalde lidstaat gevestigde vennootschap aan een in een andere lidstaat wonende aandeelhouder worden uitgekeerd, aan een juridische dubbele belasting kunnen worden onderworpen wanneer beide lidstaten hun heffingsbevoegdheid wensen uit te oefenen en deze dividenden bij de aandeelhouder wensen te belasten (arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 168 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 4 februari 2016, Baudinet e.a., C‑194/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:81, punt 31).
28 Anderzijds vormen de nadelen die uit de parallelle uitoefening van heffingsbevoegdheden door verschillende lidstaten kunnen voortvloeien, voor zover deze uitoefening geen discriminatie oplevert, geen door het VWEU verboden beperkingen (arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 169 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 4 februari 2016, Baudinet e.a., C‑194/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:81, punt 32).
29 In die context moet worden opgemerkt dat het recht van de Unie in de huidige stand niet voorziet in algemene criteria voor de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten met betrekking tot de afschaffing van dubbele belasting binnen de Europese Unie, zodat de omstandigheid dat zowel de bronstaat van de dividenden als de woonstaat van de aandeelhouder deze dividenden kan belasten, niet impliceert dat de woonstaat krachtens het recht van de Unie de nadelen moet voorkomen die uit de uitoefening van de aldus door de twee lidstaten gedeelde bevoegdheid zouden kunnen voortvloeien (arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 170 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 4 februari 2016, Baudinet e.a., C‑194/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:81, punt 33).
30 Het staat de lidstaten weliswaar vrij om in het kader van bilaterale verdragen ter voorkoming van dubbele belasting de aanknopingsfactoren voor de verdeling van de heffingsbevoegdheid vast te stellen, maar deze verdeling betekent niet dat zij maatregelen mogen treffen die in strijd zijn met de door het VWEU gewaarborgde vrijheden van verkeer. Bij de uitoefening van hun eventueel in bilaterale verdragen ter voorkoming van dubbele belasting verdeelde heffingsbevoegdheid dienen de lidstaten zich namelijk te houden aan de regels van Unierecht, en meer in het bijzonder het beginsel van gelijke behandeling in acht te nemen (zie in die zin arresten van 24 oktober 2018, Sauvage en Lejeune, C‑602/17, EU:C:2018:856, punt 24, en 14 maart 2019, Jacob en Lennertz, C‑174/18, EU:C:2019:205, punt 25).
(...).
38 Wat betreft het argument dat sprake is van strijd met het vrije verkeer van kapitaal indien voor de berekening van het Franse belastingkrediet een andere heffingsgrondslag wordt vastgesteld dan in de lidstaten van de bronbelasting over de dividenden, terwijl de Franse Republiek en deze lidstaten dubbele belasting hebben willen vermijden, moet worden opgemerkt dat elke lidstaat overeenkomstig de in punt 26 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof vrij is om, met inachtneming van het Unierecht, de heffingsgrondslag vast te stellen die van toepassing is op de aandeelhouder aan wie de dividenden worden uitgekeerd.
39 Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting zoals de overeenkomsten die in het hoofdgeding aan de orde zijn, niet tot doel heeft te waarborgen dat de door de belastingplichtige in een bepaalde lidstaat verschuldigde belasting niet hoger is dan de belasting die hij in de andere lidstaat zou moeten betalen (zie in die zin arrest van 12 mei 1998, Gilly, C‑336/96, EU:C:1998:221, punt 46).
(...).
43 Gelet op een en ander dient op de vraag te worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat waarbij, in het kader van een stelsel ter compensatie van de dubbele belasting van dividenden die door een aan de vennootschapsbelasting van die lidstaat onderworpen en in die lidstaat gevestigde vennootschap zijn ontvangen en waarop door een andere lidstaat belasting is ingehouden, aan een dergelijke vennootschap een belastingkrediet wordt verleend dat is begrensd tot het bedrag dat deze eerste lidstaat zou hebben ontvangen indien alleen die dividenden aan de vennootschapsbelasting waren onderworpen, zonder dat de belastingheffing in de andere lidstaat geheel wordt gecompenseerd."
HvJ EU 25 februari 2021, C‑403/19 (Société Générale SA)
Het begrip 'kapitaalverkeer'
"40 Derhalve moet eerst worden onderzocht of artikel 63, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een belastingpraktijk als die welke aan de orde is in het hoofdgeding.
41 In dit verband blijkt uit de nomenclatuur van de kapitaalbewegingen in bijlage I bij richtlijn 88/361 – die nog steeds indicatieve waarde heeft om het begrip „kapitaalverkeer” te definiëren (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 31) – dat de materiële werkingssfeer van deze vrijheid ziet op verrichtingen die betrekking hebben op tegoeden of verplichtingen in nationale of buitenlandse valuta’s, waaronder het verstrekken van leningen of het schenken van geldsommen.
42 Aangezien de steun die door het 7e of het 9e EOF kan worden toegekend, zowel uit niet-terugvorderbare steun als uit leningen bestaat, moet worden vastgesteld dat een belastingpraktijk als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, in beginsel het vrije verkeer van kapitaal kan belemmeren."
HvJ EU 7 september 2023, C‑15/22 (RF)
"30 Het kapitaalverkeer omvat namelijk handelingen waarmee niet-ingezetenen op het grondgebied van een lidstaat in onroerend goed beleggen, zoals blijkt uit de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361. Deze nomenclatuur behoudt voor de definitie van het begrip kapitaalverkeer de indicatieve waarde die zij voorheen reeds bezat (arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Onder dat begrip vallen met name beleggingen in onroerende goederen die bestaan in het verwerven van eigendomsrechten op landbouwgrond, zoals in het bijzonder blijkt uit de verklarende aantekeningen in deze nomenclatuur, waarin wordt verduidelijkt dat de in die nomenclatuur opgenomen categorie van beleggingen in onroerende goederen de „koop van bebouwde en onbebouwde eigendommen” omvat.
32 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat het hoofdgeding betrekking heeft op de verwerving door een niet-ingezetene, namelijk een Oostenrijks staatsburger, van eigendomsrechten op landbouwgrond op het grondgebied van de Republiek Bulgarije.
33 Aangezien deze situatie betrekking heeft op het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63 VWEU, moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling uitsluitend in het licht van deze vrijheid worden onderzocht."
HvJ EU 18 januari 2024, C‑562/22 (JD – OB)
Schenkingen
"17 Overeenkomstig artikel 63, lid 1, VWEU zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling alsmede tussen lidstaten en derde landen verboden.
18 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de fiscale behandeling van schenkingen, of deze nu worden gedaan in geld of in onroerende of roerende zaken, valt onder de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van kapitaal, tenzij de constituerende elementen hiervan binnen één lidstaat zijn gelegen (zie arrest Mattner, C‑510/08, EU:C:2010:216, punt 20).
19 Hieruit volgt dat een situatie als die in het hoofdgeding, waarin een in een lidstaat wonende persoon een schenking verricht die betrekking heeft op een in een andere lidstaat gelegen onroerend goed, binnen de werkingssfeer van artikel 63, lid 1, VWEU valt.
20 Op het gebied van het successierecht heeft het Hof reeds geoordeeld dat het feit dat als voorwaarde voor de toekenning van belastingvoordelen geldt dat de overgedragen zaak op het nationale grondgebied is gelegen, een in beginsel door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt (zie arrest Jäger, C‑256/06, EU:C:2008:20, punten 28‑35). Voorts vormen ook maatregelen die leiden tot een waardevermindering van de schenking van een ingezetene van een andere lidstaat dan die waar de betrokken zaken zich bevinden en waar de schenking van deze zaken wordt belast, een dergelijke beperking (zie arrest Mattner, EU:C:2010:216, punt 26)."
HvJ EU 18 december 2014, C‑133/13 (Q)
Nalatenschappen
"36 Volgens vaste rechtspraak van het Hof behoren de directe belastingen weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten, maar zijn deze niettemin verplicht om die bevoegdheid uit te oefenen met eerbiediging van het Unierecht en met name van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden [arrest van 21 december 2021, Finanzamt V (Erfopvolging – Beperkte belastingplicht en aftrek van legitieme porties), C‑394/20, EU:C:2021:1044, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling alsmede tussen lidstaten en derde landen.
38 Volgens vaste rechtspraak valt de fiscale behandeling van nalatenschappen onder de bepalingen van het VWEU inzake het kapitaalverkeer, tenzij de constituerende elementen ervan binnen één lidstaat zijn gelegen (arrest van 22 november 2018, Huijbrechts, C‑679/17, EU:C:2018:940, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Een situatie waarin een lidstaat erfbelasting heft over buiten zijn grondgebied gelegen goederen van een nalatenschap, die toebehoren aan een persoon die op het tijdstip van zijn overlijden op het grondgebied van die lidstaat woonde en die worden verkregen door een eveneens in deze lidstaat ingezeten erfgenaam, kan niet als een zuiver interne situatie worden beschouwd. Bijgevolg valt een dergelijke situatie onder het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU."
HvJ EU 12 oktober 2023, C-670/21 (BA)
"15 Ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling alsmede tussen lidstaten en derde landen verboden.
16 Volgens vaste rechtspraak valt de fiscale behandeling van nalatenschappen onder de bepalingen van het VWEU inzake het verkeer van kapitaal, tenzij de constituerende elementen ervan binnen één lidstaat zijn gelegen (arresten van 17 januari 2008, Jäger, C‑256/06, EU:C:2008:20, punt 25, en 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, EU:C:2009:33, punt 27).
17 In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde legaat door een inwoner van België is gedaan aan een belastingplichtige die in Nederland woont, en betrekking heeft op een uit bosgebieden bestaand domein dat op het grondgebied van laatstgenoemde lidstaat is gelegen.
18 Een dergelijke situatie valt derhalve binnen de werkingssfeer van artikel 63, lid 1, VWEU.
19 Inzake de erfbelasting blijkt uit vaste rechtspraak dat het feit dat als voorwaarde voor de toekenning van belastingvoordelen geldt dat het overgedragen goed op het nationale grondgebied is gelegen, een door artikel 63, lid 1, VWEU in beginsel verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt (arresten van 17 januari 2008, Jäger, C‑256/06, EU:C:2008:20, punt 35, en 18 december 2014, Q, C‑133/13, EU:C:2014:2460, punt 20)."
HvJ EU 22 november 2018, C‑679/17 (Huijbrechts)
"19 Allereerst moet dus worden bepaald of op bedoelde wetgeving artikel 49 VWEU, betreffende de vrijheid van vestiging, of artikel 63 VWEU, betreffende het vrije kapitaalverkeer, toepassing moet vinden.
20 Het is thans vaste rechtspraak dat voor het antwoord op de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene of onder de andere vrijheid van verkeer valt, het voorwerp van de betrokken wettelijke regeling in de beschouwing moet worden betrokken (zie in die zin arresten van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, Jurispr. blz. I-305, punt 33, en 15 september 2011, Halley, C‑132/10, Jurispr. blz. I-8353, punt 17).
21 In het hoofdgeding heeft de litigieuze maatregel tot voorwerp de fiscale behandeling van nalatenschappen die onder meer een deelneming in kapitaalvennootschappen omvatten.
22 Ook volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de fiscale behandeling van nalatenschappen in beginsel valt onder artikel 63 VWEU, betreffende het vrije kapitaalverkeer. Bij nalatenschappen, waarbij één of meerdere personen het door een overledene nagelaten vermogen verkrijgen, gaat het immers, daar zij vallen onder rubriek XI („Kapitaalverkeer van persoonlijke aard”) van bijlage I bij richtlijn 88/361, om kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU (zie onder meer arresten van 11 september 2008, Eckelkamp e.a., C‑11/07, Jurispr. blz. I‑6845, punt 39, en Arens-Sikken, C‑43/07, Jurispr. blz. I‑6887, punt 30; 15 oktober 2009, Busley en Cibrian Fernandez, C‑35/08, Jurispr. blz. I‑9807, punt 18, en 10 februari 2011, Missionswerk Werner Heukelbach, C‑25/10, Jurispr. blz. I-497, punt 16)."
HvJ EU 19 juni 2012, C‑31/11 (Scheunemann)
"28 Met betrekking tot een lening tussen burgers die in verschillende lidstaten wonen, dient vooraf de werkingssfeer van artikel 56 EG te worden onderzocht. Het is vaste rechtspraak dat, nu het Verdrag geen definitie bevat van het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van lid 1 van dat artikel, de nomenclatuur in bijlage I bij richtlijn 88/361 indicatieve waarde behoudt, ook al is deze richtlijn vastgesteld op grond van de artikelen 69 en 70, lid 1, EEG-Verdrag (de artikelen 67‑73 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 73 B‑73G EG-Verdrag, nadien de artikelen 56 EG‑60 EG), waarbij de nomenclatuur die zij bevat, zoals in de derde alinea van de inleiding van deze bijlage te kennen wordt gegeven, geen uitputtende lijst van het kapitaalverkeer is (zie met name arresten van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, Jurispr. blz. I‑359, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, Jurispr. blz. I‑8591, punt 39; 15 oktober 2009, Busley en Cibrian Fernandez, C‑35/058, Jurispr. blz. I‑9807, punt 17, en 10 februari 2011, Missionswerk Werner Heukelbach, C‑25/10, Jurispr. blz. I-497, punt 15)."
HvJ EU 26 april 2012, gevoegde zaken C‑578/10 tot en met C‑580/10 (Van Putten)
Aftrek van verplichtingen op de nalatenschap afhankelijk van inwonerschap van de erflater en/of erfgenamen
"56 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 63 en 65 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat inzake de berekening van erfbelasting die bepaalt dat de verplichtingen ter zake van de legitieme porties bij verkrijging van in die lidstaat gelegen onroerende goederen niet als schulden van de nalatenschap in mindering kunnen worden gebracht op de waarde van de nalatenschap, wanneer op de datum van het overlijden noch de erflater noch de erfgenaam zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in die lidstaat had, terwijl die verplichtingen volledig in mindering kunnen worden gebracht indien op die datum ten minste één van hen zijn woonplaats of gewone verblijfplaats wél in die lidstaat had.
57 Uit de overwegingen in de punten 27 tot en met 30 van het onderhavige arrest volgt dat moet worden onderzocht of een dergelijke nationale regeling een beperking van het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU vormt en, zo ja, of een dergelijke beperking gerechtvaardigd is."
HvJ EU 21 december 2021, C‑394/20 (XY)
De relatie tot artikel 49 Handvest grondrechten
"111 Gelet op een en ander moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 63 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 49, lid 3, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die, met het oog op de bestrijding van belastingfraude en -ontwijking, natuurlijke en rechtspersonen verbiedt om op het nationale grondgebied een betaling in contanten te verrichten wanneer het bedrag ervan gelijk is aan of hoger is dan een vastgestelde drempel, en hen verplicht een dergelijk bedrag over te schrijven of te storten op een betaalrekening, ook indien het gaat om de uitkering van dividenden van een vennootschap, en die voorts voorziet in een sanctieregeling voor schendingen van dit verbod waarin het bedrag van de geldboete die kan worden opgelegd wordt berekend op basis van een vast percentage dat wordt toegepast op het totaalbedrag van de in strijd met het genoemde verbod verrichte betaling, zonder dat deze geldboete kan worden aangepast aan de concrete omstandigheden van het geval, mits deze regeling geschikt is om de verwezenlijking van de genoemde doelstellingen te garanderen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om deze te bereiken."
"e. Strijdigheid met het EU-recht (hoger beroep Inspecteur)
5.26.
Volgens belanghebbende is toepassing van artikel 13l Wet Vpb in strijd met de vrijheid van vestiging omdat haar buitenlandse dochtervennootschap [E] niet in een fiscale eenheid gevoegd kan worden met belanghebbende, terwijl als dat wel mogelijk zou zijn geweest, artikel 13l Wet Vpb niet van toepassing zou zijn geweest. Zij doet derhalve ten aanzien van deze deelneming een beroep op toepassing van de zogenoemde per-elementbenadering (zie HvJ 22 februari 2018, X B.V. en X N.V., C-398/16 en C-399/16, ECLI:EU:C:2018:110, BNB 2018/92, en het eindarrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1968, BNB 2019/17 (hierna ook: de Italiaanse telecomzaak)).
5.27.
De Rechtbank heeft het beroep op de per-elementbenadering gehonoreerd. Naar het Hof begrijpt heeft de Inspecteur ter zitting van de Rechtbank - terecht - het standpunt van belanghebbende onderschreven dat in de hiervóór onder 5.26 vermelde situatie sprake is van een verschil in behandeling van objectief met elkaar vergelijkbare binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen. Volgens de Inspecteur kan echter (primair) dit verschil in behandeling worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, dan wel dient (subsidiair) bij de berekening van de omvang van het nadeel rekening te worden gehouden met het zogenoemde goodwill-gat alsmede met het bepaalde in artikel 13l, lid 7, Wet Vpb.
Rechtvaardigingsgronden
5.28.
De Inspecteur heeft zich op drie rechtvaardigingsgronden beroepen, te weten: 1) de noodzaak om de samenhang van het Nederlandse (vennootschaps)belastingstelsel te waarborgen; 2) de noodzaak om een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden te behouden; en 3) de bestrijding van belastingontwijking. Naar de kern genomen heeft de Inspecteur aan zijn betoog ten grondslag gelegd dat het gaat om het 'matchen' van belaste baten en aftrekbare lasten en daartoe heeft hij samengevat weergegeven het volgende aangevoerd. De wetgever heeft met de invoering van artikel 13l Wet Vpb de aftrekbaarheid van rentekosten ingeperkt in de situatie waarin tegenover vrijgestelde voordelen uit hoofde van een deelneming bovenmatige aftrekbare rentekosten staan. In geval van voeging van een dochtermaatschappij in een fiscale eenheid, is artikel 13l Wet Vpb niet langer van toepassing ten aanzien van de dochter. Echter, aan de doelstelling van deze bepaling wordt in dat geval geen afbreuk gedaan omdat als gevolg van de vermogensconsolidatie binnen de fiscale eenheid geen vrijstelde voordelen tegenover de bovenmatige rentekosten staan. Bij een grensoverschrijdende situatie ligt dit anders, aangezien de uit hoofde van de deelneming in een buitenlandse dochter genoten voordelen ingevolge de deelnemingsvrijstelling zijn vrijgesteld. Volgens de Inspecteur bestrijdt artikel 13l Wet Vpb ongewenste renteaftrek en is deze bepaling volledig in lijn met de internationale en Europese consensus en uitgangspunten, zoals neergelegd in bijv. action 4 van het BEPS-project van de OESO en artikel 4 van de Anti Tax Avoidance Directive 1 van de Europese Unie (Richtlijn (EU) 2016/11643; hierna: de ATAD).
5.29.
Het Hof is van oordeel dat de door de Inspecteur aangevoerde rechtvaardigingsgronden falen op overeenkomstige gronden als het HvJ heeft gebezigd in de Italiaanse telecomzaak (zie punt 39 tot en met 50 van dat arrest).
5.29.1.
Voorop moet worden gesteld dat, aangezien het in het onderhavige geval in de per-elementbenadering optredende verschil in behandeling niet voortvloeit uit alleen artikel 13l Wet Vpb maar uit de gecombineerde toepassing van die bepaling en artikel 15 Wet Vpb, betreffende de fiscale eenheid, bij het onderzoek naar de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond de doelstellingen van beide bepalingen in ogenschouw dienen te worden genomen (vgl. punt 49 van de Italiaanse telecomzaak). Het betoog van de Inspecteur steunt alleen op de doelstelling van artikel 13l Wet Vpb en moet reeds op die grond worden verworpen. Meer in het bijzonder merkt het Hof het volgende op.
5.29.2.
In casu gaat het - evenals in de Italiaanse telecomzaak - om de mogelijkheid om rentelasten in aftrek te brengen (en niet om de aan de fiscale eenheid inherente compensatie van kosten en baten in het algemeen; vgl. HvJ 25 februari 2010, C-337/08, X Holding, ECLI:EU:C:2010:89, BNB 2010/166). De redenering van het HvJ in punt 40 van de Italiaanse telecomzaak volgend, verkrijgt een moedervennootschap die met haar dochteronderneming een fiscale eenheid vormt derhalve niet een aan de belastingregeling van de fiscale eenheid specifiek verbonden voordeel als zij de beperking van artikel 13l Wet Vpb ontgaat, zodat de noodzaak om de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te behouden, niet als rechtvaardigingsgrond kan dienen.
5.29.3.
Het onder 5.28 weergegeven betoog van de Inspecteur houdt voorts niet in dat de samenhang van de regeling van de fiscale eenheid in gevaar zou komen indien de rente ter zake van een lening voor de financiering van de verwerving van aandelen in een niet-ingezeten dochtervennootschap, in aftrek zou mogen worden gebracht. De noodzaak om de samenhang van het Nederlandse belastingstelsel te verzekeren kan derhalve niet dienen als rechtvaardigingsgrond (vgl. punt 43 tot en met 45 van de Italiaanse telecomzaak). Het Hof voegt daaraan toe dat het door de Inspecteur aangevoerde argument van de fiscale coherentie bovendien faalt op grond van het Bosal-arrest (HvJ 18 september 2003, C-168/01, Bosal Holding BV, ECLI:EU:C:2003:479, BNB 2003/344). Weliswaar staan bij een binnenlandse dochtermaatschappij in een fiscale eenheid tegenover de aftrekbare bovenmatige rente geen vrijgestelde voordelen en bij een buitenlandse dochtermaatschappij wel, maar dit mag niet worden aangemerkt als een samenhangend voordeel voor de toepassing van het primaire EU-recht. Uit het Bosal-arrest volgt immers dat Nederland niet deelnemingsrente in aftrek mag beperken omdat de deelneming in Nederland geen belastbare winst behaalt. De aftrek van rente mag dus niet worden beperkt als er geen belastbaar inkomen tegenover de rente staat, ook als dat in lijn is met de maatregelen in het kader van de ATAD (en het BEPS-project); het Bosal-gat (de asymmetrische behandeling van enerzijds baten en anderzijds de met die baten samenhangende lasten) vindt immers zijn oorsprong in het primaire EU-recht.
5.29.4.
Wat betreft de rechtvaardiging van het verschil in behandeling door de doelstelling van de bestrijding van belastingontwijking en fraude, geldt evenzeer dat de doelstelling van beide bepalingen (artikel 13l Wet Vpb en artikel 15 Wet Vpb) in ogenschouw dient te worden genomen. Hoewel artikel 13l Wet Vpb een antimisbruikdoelstelling heeft - het Hof laat in het midden of deze bepaling ook een proportionele maatregel is om dat doel te bereiken - kan datzelfde niet worden gezegd van de doelstelling van artikel 15 Wet Vpb. Het verschil in behandeling kan derhalve niet worden gerechtvaardigd door het voorkomen van misbruik (vgl. punt 46 tot en met 50 van de Italiaanse telecomzaak)."
"28 Met betrekking tot een lening tussen burgers die in verschillende lidstaten wonen, dient vooraf de werkingssfeer van artikel 56 EG te worden onderzocht. Het is vaste rechtspraak dat, nu het Verdrag geen definitie bevat van het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van lid 1 van dat artikel, de nomenclatuur in bijlage I bij richtlijn 88/361 indicatieve waarde behoudt, ook al is deze richtlijn vastgesteld op grond van de artikelen 69 en 70, lid 1, EEG-Verdrag (de artikelen 67‑73 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 73 B‑73G EG-Verdrag, nadien de artikelen 56 EG‑60 EG), waarbij de nomenclatuur die zij bevat, zoals in de derde alinea van de inleiding van deze bijlage te kennen wordt gegeven, geen uitputtende lijst van het kapitaalverkeer is (zie met name arresten van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, Jurispr. blz. I‑359, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, Jurispr. blz. I‑8591, punt 39; 15 oktober 2009, Busley en Cibrian Fernandez, C‑35/058, Jurispr. blz. I‑9807, punt 17, en 10 februari 2011, Missionswerk Werner Heukelbach, C‑25/10, Jurispr. blz. I-497, punt 15).
29 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat schenkingen en nalatenschappen, die onder rubriek XI („Kapitaalverkeer van persoonlijke aard”) van bijlage I bij richtlijn 88/361 vallen, kapitaalverkeer in de zin van artikel 56 EG vormen, tenzij alle bestanddelen binnen één lidstaat gelegen zijn (zie arrest van 31 maart 2011, Schröder, C‑450/09, Jurispr. blz. I-2497, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hetzelfde geldt voor „Leningen”, die onder dezelfde rubriek van bijlage I bij deze richtlijn vallen."
HvJ EU 26 april 2012, gevoegde zaken C‑578/10 tot en met C‑580/10 (Van Putten)
Definitie 'kapitaalverkeer'
"16 Zoals door de verwijzende rechter is opgemerkt vormen successies, die hierin bestaan dat één of meerdere personen de nalatenschap van een overledene verkrijgen, volgens vaste rechtspraak van het Hof, kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU, tenzij alle constituerende delen binnen één lidstaat gelegen zijn (zie in die zin arresten van 23 februari 2006, Van Hilten-van der Heijden, C‑513/03, EU:C:2006:131, punten 39‑42; 17 januari 2008, Jäger, C‑256/06, EU:C:2008:20, punten 24 en 25; 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punten 19 en 20, en 3 september 2014, Commissie/Spanje, C‑127/12, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2130, punten 52 en 53).
17 De nalatenschap die in het hoofdgeding aan de orde is, omvat een vermogensbestanddeel dat afkomstig is uit een eerdere successie tussen de zuster en de moeder van Feilen in Oostenrijk, alwaar dat vermogensbestanddeel toen was gelegen en waar zij ten tijde van het overlijden van de zuster woonden. Dit grensoverschrijdende element is de reden dat de vermindering van de erfbelasting van § 27 ErbStg niet aan Feilen is toegekend. Aangezien een dergelijke situatie niet als zuiver binnenlandse situatie kan worden aangemerkt, valt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde erfenis onder het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU."
HvJ EU 30 juni 2016, C‑123/15 (Feilen)
"Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
38 Volgens vaste rechtspraak verbiedt artikel 63, lid 1, VWEU op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten (zie arrest van 17 september 2015, F. E. Familienprivatstiftung Eisenstadt, C‑589/13, EU:C:2015:612, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 In casu staat vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schenking onder artikel 63, lid 1, VWEU valt."
HvJ EU 8 juni 2016, C‑479/14 (Sabine Hünnebeck)
"35 Volgens vaste rechtspraak van het Hof verbiedt artikel 56, lid 1, EG op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten (arresten Persche, C‑318/07, EU:C:2009:33, punt 23, en Mattner, C‑510/08, EU:C:2010:216, punt 18).
36 Bij gebreke van een begripsbepaling voor „kapitaalverkeer” in de zin van artikel 56, lid 1, EG in het EG‑Verdrag, heeft het Hof een indicatieve waarde toegekend aan de nomenclatuur in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag [artikel ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam] (PB L 178, blz. 5), ook al is deze vastgesteld op basis van de artikelen 69 en 70, lid 1, van het EEG-Verdrag (na wijziging, artikelen 69 en 70, lid 1, van het EG-Verdrag, ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam), waarbij de lijst die zij bevat, zoals blijkt uit de inleiding van deze bijlage, niet uitputtend is. Schenkingen en giften zijn ingedeeld onder rubriek XI, getiteld „Kapitaalverkeer van persoonlijke aard”, van die bijlage I (arresten Persche, C‑318/07, EU:C:2009:33, punt 24; Mattner, C‑510/08, EU:C:2010:216, punt 19, en Commissie/Spanje, C‑127/12, EU:C:2014:2130, punt 52).
37 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de fiscale behandeling van schenkingen, of deze nu worden gedaan in geld of in onroerende of roerende goederen, onder de bepalingen van het EG‑Verdrag inzake het vrije verkeer van kapitaal valt, tenzij de constituerende elementen hiervan binnen één lidstaat zijn gelegen (zie in die zin arresten Persche, C‑318/07, EU:C:2009:33, punt 27; Mattner, C‑510/08, EU:C:2010:216, punt 20, en Q, C‑133/13, EU:C:2014:2460, punt 18)."
HvJ EU 17 september 2015, C‑589/13 (F.E. Familieprivatstiftung Eisenstadt)
"18 Artikel 56, lid 1, EG verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling, alsook tussen lidstaten en derde landen.
19 Gelet op het feit dat het Verdrag geen definitie van het begrip „kapitaalverkeer” bevat, heeft het Hof erkend dat de in bijlage I bij richtlijn 88/361 opgenomen nomenclatuur indicatieve waarde heeft, met dien verstande dat de lijst die zij bevat, zoals in de inleiding van deze bijlage te kennen wordt gegeven, niet uitputtend is (zie met name arresten van 23 februari 2006, Van Hilten-van der Heijden, C‑513/03, Jurispr. blz. I‑1957, punt 39, en 10 februari 2011, Missionswerk Werner Heukelbach, C‑25/10, Jurispr. blz. I‑497, punt 15).
20 Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak dat erfenissen die bestaan in de overdracht van de nalatenschap van een overledene aan één of meerdere personen, die onder rubriek XI van bijlage I bij richtlijn 88/361, met als opschrift „Kapitaalverkeer van persoonlijke aard”, valt, kapitaalverkeer in de zin van artikel 56 EG vormen, tenzij alle constituerende delen binnen één lidstaat gelegen zijn (zie met name arrest van 11 december 2003, Barbier, C‑364/01, Jurispr. blz. I‑15013, punt 58; arrest Van Hilten-van der Heijden, reeds aangehaald, punten 40‑42, en arrest van 19 juli 2012, Scheunemann, C‑31/11, punt 22).
HvJ EU 17 oktober 2013, C‑181/12 (Welte)
"21 Om te beginnen staat vast dat de verwerving van rechten van deelneming in een beleggingsfonds een directe belegging vormt in de vorm van een deelneming in het kapitaal van een financiële onderneming en, bijgevolg, kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU, zoals overigens wordt vermeld in punt IV van de nomenclatuur in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag [dit artikel is ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam] (PB L 178, blz. 5), en in de daarin vervatte toelichtingen (zie, voor wat betreft het bezit van aandelen en de verwerving van effecten, arresten van 4 juni 2002, Commissie/Frankrijk, C‑483/99, Jurispr. blz. I‑4781, punt 37, en Commissie/België, C‑503/99, Jurispr. blz. I‑4809, punt 38)."
HvJ EU 7 juni 2012, C‑39/11 (VBV - Vorsorgekasse)
Wanneer is een ongunstige behandeling verenigbaar met de vrijheid van kapitaalverkeer
"35 Een dergelijke ongunstige behandeling kan slechts verenigbaar zijn met de bepalingen van het VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal, indien zij betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang (zie met name arresten van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑446/04, Jurispr. blz. I‑11753, punt 167, en 18 december 2007, Grønfeldt, C‑436/06, Jurispr. blz. I‑12357, punt 16)."
HvJ EU 8 november 2012, C‑342/10 (Europese Commissie - Finland)
Artikel 40 EER heeft dezelfde strekking als artikel 63 VwEU
"35 Hieruit volgt dat beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal tussen burgers van staten die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, weliswaar moeten worden getoetst aan artikel 40 van deze overeenkomst en bijlage XII bij deze overeenkomst, doch dat deze bepalingen dezelfde juridische strekking hebben als de bepalingen van artikel 63 VWEU (zie met name arrest Établissements Rimbaud, reeds aangehaald, punt 22)."
HvJ EU 24 juni 2011, C‑476/10 (Projektart e.a.)
De relatie met artikel 65 VwEU en artikel 17 Handvest Grondrechten
"130 Gelet op een en ander dient de slotsom te luiden dat Hongarije niet heeft aangetoond dat de afschaffing door de bestreden regeling van rechten van vruchtgebruik die direct of indirect in handen zijn van onderdanen van andere lidstaten dan Hongarije, de verwezenlijking van door de rechtspraak van het Hof aanvaarde of in artikel 65, lid 1, onder b), VWEU genoemde doelstellingen van algemeen belang beoogt te waarborgen en evenmin dat deze afschaffing geschikt en coherent is, of beperkt tot de maatregelen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van deze doelstellingen. Voorts is deze afschaffing niet in overeenstemming met artikel 17, lid 1, van het Handvest. Bijgevolg zijn de belemmeringen van het vrije verkeer van kapitaal die het gevolg zijn van de ontneming van goederen die zijn verkregen met kapitaal dat door artikel 63 VWEU wordt beschermd, niet gerechtvaardigd.
131 In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat Hongarije zijn verplichtingen krachtens artikel 63 VWEU juncto artikel 17 van het Handvest niet is nagekomen door de bestreden regeling vast te stellen en aldus de rechten van vruchtgebruik op landbouwgrond in Hongarije die direct of indirect in handen zijn van onderdanen van andere lidstaten, van rechtswege af te schaffen."
HvJ EU 21 mei 2019, C‑235/17 (Europese Commissie - Hongarije)
De relatie met artikel 49 VwEU
"Toepasselijke vrijheid van verkeer
17 Aangezien in de prejudiciële vragen wordt verwezen naar zowel de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging als de bepalingen van dat Verdrag die betrekking hebben op het vrije verkeer van kapitaal, moet worden uitgemaakt welke vrijheid in het hoofdgeding van toepassing is [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 34].
18 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij de beantwoording van de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening worden gehouden met het voorwerp van de regeling in kwestie (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 In dit opzicht moet in herinnering worden gebracht dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een duidelijke invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend en waarmee de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder artikel 49 VWEU, betreffende de vrijheid van vestiging, valt. Nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen, zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de onderneming uit te oefenen, dienen daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal te worden getoetst [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
20 In casu beoogt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zoals ten uitvoer gelegd door de belastingdienst, de vermogenswinst uit de overdracht van aandelen in micro- en kleine ondernemingen die niet op gereglementeerde of niet-gereglementeerde markten zijn genoteerd, fiscaal te bevoordelen, voor zover zij in Portugal een economische activiteit uitoefenen. Zoals de Europese Commissie heeft opgemerkt, is deze regeling van toepassing op alle overdrachten van aandelen van deze vennootschappen, ongeacht de omvang van de betrokken deelnemingen.
21 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling heeft dus, zonder situaties die onder de vrijheid van vestiging vallen van haar werkingssfeer uit te sluiten, in het algemeen betrekking op deelnemingen, ongeacht of deze zijn verworven met de bedoeling invloed uit te oefenen op het bestuur van en de zeggenschap over een onderneming. Deze regelgeving kan het vrije verkeer van kapitaal derhalve aanzienlijk aantasten. De eventuele beperking van de vrijheid van vestiging ten gevolge van die regeling is een onvermijdelijk gevolg van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal en rechtvaardigt dus geen autonome toetsing van die regeling aan artikel 49 VWEU [zie in die zin arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 16 november 2023, C‑472/22 (NO)
De relatie met het vrije dienstenverkeer
"73 De Commissie verzoekt het Hof bovendien vast te stellen dat het Koninkrijk België de uit artikel 63 VWEU en artikel 40 van de EER-Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen.
74 Aangezien de bepalingen van het Verdrag en van de EER-Overeenkomst betreffende de vrijheid van dienstverrichting zich verzetten tegen de litigieuze regeling, behoeft deze regeling niet afzonderlijk aan artikel 63 VWEU en artikel 40 van de EER-Overeenkomst inzake het vrije verkeer van kapitaal te worden getoetst (zie naar analogie arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 79)."
HvJ EU 6 juni 2013, C‑383/10 (Europese Commissie - België)
"30 Aangezien de prejudiciële vraag is gesteld uit het oogpunt van zowel artikel 56 VWEU als artikel 63 VWEU, dient vooraf te worden uitgemaakt of – en in voorkomend geval in hoeverre – een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting en/of het vrije verkeer van kapitaal ongunstig kan beïnvloeden.
31 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat om te bepalen of een nationale wettelijke regeling onder de ene of de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening moet worden gehouden met het voorwerp van de regeling in kwestie (zie in die zin arresten van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 3 maart 2020, Tesco-Global Áruházak, C‑323/18, EU:C:2020:140, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Het hoofdgeding heeft betrekking op een verzoek tot nietigverklaring van handelingen waarbij bronbelasting is geheven over dividenden die in 2015 en 2016 door in Portugal gevestigde vennootschappen aan verzoekster in het hoofdgeding zijn uitgekeerd, en de verenigbaarheid met het Unierecht van een nationale regeling die de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor vrijstelling van bronbelasting voorbehoudt aan icb’s die volgens de Portugese regeling zijn opgericht en hun activiteiten uitoefenen, of waarvan de beheersmaatschappij via een vaste inrichting in Portugal actief is.
33 Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling aldus betrekking heeft op de fiscale behandeling van door icb’s ontvangen dividenden, moet ervan worden uitgegaan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie onder het vrije verkeer van kapitaal valt (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punten 35 en 36).
34 Gesteld bovendien dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling de werkzaamheden van een icb die is gevestigd in een andere lidstaat – waar zij rechtmatig soortgelijke diensten verricht – dan de Portugese Republiek verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt, vloeien deze gevolgen onvermijdelijk voort uit de fiscale behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan deze niet-ingezeten instelling, en rechtvaardigen zij niet dat de prejudiciële vragen afzonderlijk worden getoetst aan de vrijheid van dienstverrichting. Deze vrijheid lijkt in casu immers ondergeschikt aan het vrije verkeer van kapitaal en kan daarmee worden verbonden (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 37).
35 Gelet op het voorgaande moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling uitsluitend aan artikel 63 VWEU worden getoetst."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
De relatie met artikel 267 VwEU
"41 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of een dergelijke uitlegging van artikel 63 VWEU, die is gegeven in een op grond van artikel 267 VWEU gewezen prejudicieel arrest, een verplichting voor de verwijzende rechter met zich meebrengt om de betrokken nationale regeling buiten toepassing te laten, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 267 VWEU verleende bevoegdheid geeft aan een regel van Unierecht, de betekenis en strekking van dat voorschrift verklaart en preciseert, voor zover dat nodig is, zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden begrepen en toegepast (arrest van 7 augustus 2018, Hochtief, C‑300/17, EU:C:2018:635, punt 55). Een prejudicieel arrest is met andere woorden louter declaratoir en niet constitutief van aard (arrest van 28 januari 2015, Starjakob, C‑417/13, EU:C:2015:38, punt 63).
42 Wanneer een vraag over de uitlegging van het Unierecht duidelijk is beantwoord in de rechtspraak van het Hof, moet de nationale rechter dus zelf al het nodige doen om ervoor te zorgen dat deze uitlegging wordt toegepast (zie in die zin arrest van 5 april 2016, PFE, C‑689/13, EU:C:2016:199, punt 42).
43 Bovendien is krachtens het voorrangsbeginsel, indien de nationale regelgeving niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan worden uitgelegd, de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is belast met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht verplicht om de volle werking van deze bepalingen te verzekeren en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke, zelfs latere, met een bepaling van Unierecht strijdige nationale regeling buiten toepassing te laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten (zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punten 58 en 61).
44 Wat artikel 63 VWEU betreft, waarop het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat dit artikel rechtstreekse werking heeft, zodat het voor de nationale rechter kan worden ingeroepen en tot gevolg heeft dat daarmee strijdige nationale bepalingen buiten toepassing worden gelaten (zie in die zin arrest van 14 september 2017, The Trustees of the BT Pension Scheme, C‑628/15, EU:C:2017:687, punt 49).
45 Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling onverenigbaar is met artikel 63 VWEU, zoals volgt uit het arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth (C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157), moet de verwijzende rechter, bij wie een beroep tot nietigverklaring van een met name op deze regeling gebaseerd besluit is ingesteld, in casu de volle werking van artikel 63 VWEU waarborgen door die nationale regeling buiten toepassing te laten voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding."
HvJ EU 10 maart 2022, C-177/20 („Grossmania”)
De fiscale behandeling van dividenden
"76 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de fiscale behandeling van dividenden zowel onder de vrijheid van vestiging als onder het vrije verkeer van kapitaal kan vallen (arrest van 7 september 2017, Eqiom en Enka, C‑6/16, EU:C:2017:641, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77 Voor de beantwoording van de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene of de andere vrijheid van verkeer valt, dient rekening te worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie (arrest van 7 september 2017, Eqiom en Enka, C‑6/16, EU:C:2017:641, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een bepalende invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend en de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder de Verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging valt. Nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de onderneming uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (arrest van 7 september 2017, Eqiom en Enka, C‑6/16, EU:C:2017:641, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 20 december 2017, gevoegde zaken C‑504/16 en C‑613/16 (Deister)
"Het bestaan van een belemmering voor het vrije kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU
44 Volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest Santander Asset Management SGIIC e.a., C‑338/11–C‑347/11, EU:C:2012:286, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...).
56 Uit een en ander volgt dat, zo de verwijzende rechterlijke instantie tot de conclusie mocht komen dat in de hoofdgedingen de toepassing van een bronheffing van 15 % op de dividenden van niet-ingezeten belastingplichtigen ertoe leidt dat op die belastingplichtigen in Nederland een zwaardere definitieve belastingdruk rust dan op ingezeten belastingplichtigen voor dezelfde dividenden, een dergelijk verschil in fiscale behandeling van belastingplichtigen op grond van hun woonplaats niet-ingezeten belastingplichtigen kan doen besluiten om niet in vennootschappen die in Nederland gevestigd zijn te investeren en dus een belemmering voor het vrije kapitaalverkeer vormt, die in beginsel ingevolge artikel 63 VWEU verboden is."
HvJ EU 17 september 2015, gevoegde zaken C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14 (Miljoen)
Evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid
"111 Dit betoog beoogt in wezen de nationale regeling in het hoofdgeding te rechtvaardigen door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen en om de doeltreffendheid van de belastingheffing te verzekeren, met het doel om, zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 16 ZKPO, belastingontwijking te voorkomen.
112 In dit verband is een maatregel die het vrije verkeer van kapitaal beperkt volgens vaste rechtspraak van het Hof slechts toelaatbaar voor zover deze gerechtvaardigd is door dwingende redenen van algemeen belang en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt, wat inhoudt dat die maatregel geschikt is om de verwezenlijking van het rechtmatig nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van dat doel [arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
113 Volgens de rechtspraak van het Hof vormen zowel het behoud van de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid over de lidstaten als de bestrijding van belastingontwijking dwingende redenen van algemeen belang die een belemmering van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden, waaronder het vrije kapitaalverkeer, kunnen rechtvaardigen (arrest van 8 maart 2017, Euro Park Service, C‑14/16, EU:C:2017:177, punt 65). Datzelfde geldt voor de noodzaak om een doelmatige invordering van de belasting te waarborgen (zie in die zin arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114 Wat betreft de geschiktheid voor het beoogde doel van de nationale regeling in het hoofdgeding zij eraan herinnerd dat de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te vrijwaren, een verschil in behandeling kan rechtvaardigen wanneer de onderzochte regeling ertoe strekt gedragingen te voorkomen die afbreuk kunnen doen aan het recht van een lidstaat om zijn belastingbevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot activiteiten die op zijn grondgebied plaatsvinden (arrest van 31 mei 2018, Hornbach-Baumarkt, C‑382/16, EU:C:2018:366, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
115 Wat dat betreft heeft het Hof reeds geoordeeld dat de bronheffingsprocedure een wettig en passend middel vormt voor de fiscale behandeling van de inkomsten van een buiten de heffingsstaat gevestigde belastingplichtige (zie in die zin arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 68).
116 In casu kan de lidstaat van vestiging dankzij de nationale regeling aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan bronbelasting wordt geheven op fictieve rente over renteloze leningen van niet-ingezeten vennootschappen aan ingezeten vennootschappen, zijn fiscale bevoegdheid uitoefenen in verband met de op zijn grondgebied verrichte activiteiten, met het doel te voorkomen dat die leningen slechts worden verstrekt om de belasting te ontwijken die normaal gesproken verschuldigd zou zijn over de inkomsten uit de op dat grondgebied verrichte activiteiten.
117 Een dergelijke regeling moet dus geschikt worden geacht om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te vrijwaren en om de doeltreffendheid van de belastingheffing te verzekeren teneinde belastingontwijking te voorkomen
118 Wat betreft de vraag of de nationale regeling aan de orde in het hoofdgeding niet verder gaat dan nodig is om deze doelen te bereiken, heeft Viva Telecom Bulgaria ter terechtzitting betoogd dat de teruggaafprocedure volgens artikel 202a ZKPO excessief lang duurt, aangezien een eventuele teruggaaf van de te veel ingehouden bronbelasting die een ingezeten vennootschap heeft afgedragen over de bruto fictieve rente op een renteloze lening van een niet-ingezeten vennootschap mogelijk pas na drie jaar plaatsvindt.
119 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter volgt evenwel uit de toelichting ter terechtzitting van verweerder in het hoofdgeding dat een dergelijke teruggaaf in de regel binnen dertig dagen na de aanvraag plaatsvindt en dat de procedure slechts in uitzonderlijke gevallen drie jaar kan duren. Bovendien heeft de Bulgaarse regering ter terechtzitting aangegeven dat de belastingdienst vanaf de dertigste dag na indiening van de aangifte rente over de verschuldigde bedragen moet betalen, hetgeen eveneens door deze rechter moet worden nagegaan.
120 Onder voorbehoud van deze verificatie lijkt de nationale regeling aan de orde in het hoofdgeding vanuit het oogpunt van de duur van de teruggaafprocedure dus niet verder te gaan dan nodig is om de nagestreefde doelen te verwezenlijken.
121 In deze omstandigheden lijkt deze nationale regeling te kunnen worden gerechtvaardigd door het doel om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te vrijwaren en de doeltreffendheid van de belastingheffing te verzekeren teneinde belastingontwijking te voorkomen."
HvJ EU 24 februari 2022, C-257/20 (“Viva Telecom Bulgaria” EOOD)
Bronbelasting op dividenden van niet-ingezetenen
"61 Uit een en ander volgt dat, zo de verwijzende rechterlijke instantie tot de conclusie mocht komen dat in de hoofdgedingen de toepassing van een bronheffing van 15 % op de dividenden van niet-ingezeten belastingplichtigen ertoe leidt dat op die belastingplichtigen in Nederland een zwaardere definitieve belastingdruk rust dan op ingezeten belastingplichtigen voor dezelfde dividenden, een dergelijk verschil in fiscale behandeling van belastingplichtigen op grond van hun woonplaats niet-ingezeten belastingplichtigen kan doen besluiten om niet in vennootschappen die in Nederland gevestigd zijn te investeren en dus een belemmering voor het vrije kapitaalverkeer vormt, die in beginsel ingevolge artikel 63 VWEU verboden is."
HvJ EU 17 september 2015, gevoegde zaken C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14 (Miljoen)
Het tariefsverschil in de dividendbelasting tussen ingezetenen en niet-ingezetenen
"32 Terwijl dividenduitkeringen aan ingezeten pensioenfondsen derhalve in de praktijk door de litigieuze bepalingen van nationaal recht zijn vrijgesteld of vrijwel zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting, worden dividenduitkeringen aan niet-ingezeten pensioenfondsen daarentegen uit hoofde van deze nationale regeling belast tegen een tarief van 19,5 %, of tegen een tarief van 15 % of minder uit hoofde van de verdragen ter voorkoming van dubbele belasting die de Republiek Finland heeft gesloten.
33 Een dergelijke ongunstige behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten pensioenfondsen in vergelijking met de behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten pensioenfondsen, kan in een andere lidstaat dan de Republiek Finland gevestigde vennootschappen ervan doen afzien in de Republiek Finland te investeren en vormt dus een beperking van het vrije kapitaalverkeer die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (zie arrest van 8 november 2007, Amurta, C‑379/05, Jurispr. blz. I‑9569, punt 28).
34 Anders dan de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk suggereren, kan niet worden aangenomen dat deze ongunstige behandeling wordt geneutraliseerd door de verdragen ter voorkoming van dubbele belasting die de Republiek Finland heeft gesloten. Daartoe is immers noodzakelijk dat de gevolgen van het uit de nationale wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling door toepassing van een dergelijk verdrag worden gecompenseerd (arrest van 20 oktober 2011, Commissie/Duitsland, C‑284/09, Jurispr. blz. I-9879, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals blijkt uit de toelichting die de Republiek Finland ter terechtzitting heeft gegeven, heeft zij slechts drie verdragen gesloten waarin het tarief voor de dividendbelasting 0 % bedraagt; in het merendeel van de andere verdragen bedraagt het tarief 15 %.
35 Een dergelijke ongunstige behandeling kan slechts verenigbaar zijn met de bepalingen van het VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal, indien zij betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang (zie met name arresten van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑446/04, Jurispr. blz. I‑11753, punt 167, en 18 december 2007, Grønfeldt, C‑436/06, Jurispr. blz. I‑12357, punt 16).
36 Met betrekking tot de vraag of de situaties in geding objectief vergelijkbaar zijn, moet eraan worden herinnerd dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het door de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel (zie arresten van 25 februari 2010, X Holding, C‑337/08, Jurispr. blz. I‑1215, punt 22, en 6 september 2012, Philips Electronics UK, C‑18/11, punt 17)."
HvJ EU 8 november 2012, C‑342/10 (Finland - Europese Commissie)
De nationale rechter dient te onderzoeken of een belastingverdrag een beperking van het vrije kapitaalverkeer bij de belastingheffing over dividenden kan neutraliseren
"84 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord dat een lidstaat niet met een beroep op het bestaan van een volledig belastingkrediet dat door een andere lidstaat unilateraal wordt verleend aan een in die andere lidstaat gevestigde ontvangende vennootschap, kan ontsnappen aan de uit de uitoefening van zijn heffingsbevoegdheid voortvloeiende verplichting tot het voorkomen van dubbele economische belasting van dividenden, wanneer hij dubbele economische belasting van dividenden uitgekeerd aan op zijn grondgebied gevestigde ontvangende vennootschappen voorkomt. Beroept een lidstaat zich op een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting dat hij heeft gesloten met een andere lidstaat, dan staat het aan de nationale rechter om vast te stellen of in het hoofdgeding rekening moet worden gehouden met dit verdrag en, in voorkomend geval, na te gaan of met dit verdrag de gevolgen van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal kunnen worden geneutraliseerd."
HvJ EU 8 november 2007, C‑379/05 (Amurta)
Samenloop algemeen
"68 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de verdragsregels inzake het vrij verrichten van diensten en het vrij verkeer van kapitaal, inzonderheid de artikelen 56 VWEU, 58 VWEU en 63, lid 1, VWEU, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een bepaling van nationaal recht die kredietinstellingen verbiedt bepaalde bankprovisies in rekening te brengen.
69 Vooraf zij vastgesteld dat er geen reden is om de nationale bepaling die aan de orde is in het hoofdgeding te onderzoeken in het licht van de verdragsregels betreffende het vrij verkeer van kapitaal.
70 Wanneer een nationale maatregel immers zowel met het vrij verrichten van diensten als met het vrij verkeer van kapitaal verband houdt, moet worden onderzocht in hoeverre de uitoefening van die fundamentele vrijheden wordt belemmerd en of, in de omstandigheden van het hoofdgeding, een van die vrijheden voorrang heeft boven de ander. Het Hof toetst de betrokken maatregel in beginsel slechts aan een van deze twee vrijheden, indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (arrest van 3 oktober 2006, Fidium Finanz, C‑452/04, Jurispr. blz. I‑9521, punt 34)."
HvJ EU 12 juli 2012, C‑602/10 (SC Volksbank România)
De samenloop met artikel 49 VwEU/vrijheid van vestiging
"89 De fiscale behandeling van dividenden kan zowel onder artikel 49 VWEU betreffende de vrijheid van vestiging als onder artikel 63 VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal vallen (reeds aangehaalde arresten Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, punt 33, en Accor, punt 30).
90 Met betrekking tot de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene of de andere vrijheid van verkeer valt, blijkt uit ondertussen vaste rechtspraak dat rekening dient te worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie (arresten van 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas, C‑196/04, Jurispr. blz. I‑7995, punten 31‑33; 12 december 2006, Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, C‑374/04, Jurispr. blz. I‑11673, punten 37 en 38, en 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation, C‑524/04, Jurispr. blz. I‑2107, punten 26‑34, en reeds aangehaalde arresten Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, punt 34, en Accor, punt 31).
91 Een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op participaties waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, valt onder artikel 49 VWEU inzake de vrijheid van vestiging (zie arrest Test Claimants in the FII Group Litigation, reeds aangehaald, punt 37; arrest van 21 oktober 2010, Idryma Typou, C‑81/09, Jurispr. blz. I‑10161, punt 47; arrest Accor, reeds aangehaald, punt 32, en arrest van 19 juli 2012, Scheunemann, C‑31/11, punt 23).
92 Nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de onderneming uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (reeds aangehaalde arresten Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, punt 35; Accor, punt 32, en Scheunemann, punt 23)."
HvJ EU 13 november 2012, C‑35/11 (Test Claimants in the FII Group Litigation)
"40 Een nationale regeling die alleen van toepassing is op het verwerven van deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, valt dan ook binnen de werkingssfeer van artikel 49 VWEU inzake de vrijheid van vestiging (arrest van 13 november 2012, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑35/11, EU:C:2012:707, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Nationale bepalingen die van toepassing zijn op deelnemingen die enkel als belegging worden genomen zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de betrokken onderneming uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (arrest van 13 november 2012, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑35/11, EU:C:2012:707, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 3 september 2020, C‑719/18 (Vivendi)
“17 Aangezien de verwijzende rechter in zijn vraag verwijst naar zowel de vrijheid van vestiging als het vrije verkeer van kapitaal, neergelegd in respectievelijk de artikelen 49 en 63 VWEU, dient vooraf in herinnering te worden gebracht dat de oprichting door een in een lidstaat gevestigde natuurlijke of rechtspersoon van een hem volledig toebehorende vaste inrichting – zoals een filiaal – in een andere lidstaat, binnen de materiële werkingssfeer van artikel 49 VWEU valt (zie in die zin arresten van 15 mei 2008, Lidl Belgium, C‑414/06, EU:C:2008:278, punt 15, en 15 september 2011, Dickinger en Ömer, C‑347/09, EU:C:2011:582, punt 35).
18 In casu heeft het hoofdgeding betrekking op de invloed van de nationale regeling op de fiscale behandeling van een geldoverdracht tussen een in Roemenië gevestigd filiaal en de in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij.
19 Gesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingregeling beperkingen inhoudt voor het vrije verkeer van kapitaal, dan zijn die beperkingen een onvermijdelijk gevolg van een eventuele belemmering van de vrijheid van vestiging en rechtvaardigen zij niet dat genoemde belastingregeling wordt getoetst aan artikel 63 VWEU (zie naar analogie arrest van 15 mei 2008, Lidl Belgium, C‑414/06, EU:C:2008:278, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 Tegen deze achtergrond moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling alleen worden getoetst aan de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging."
HvJ EU 8 oktober 2020, C‑558/19 (Impresa Pizzarotti & C SPA Italia Sucursala Cluj)
"77 Aangezien de verwijzende rechter tegelijk verwijst naar de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal, die zijn neergelegd in de artikelen 49 respectievelijk 63 VWEU, moet eerst worden vastgesteld welke van deze twee vrijheden door een nationale regeling als in het hoofdgeding kan worden aangetast.
78 Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat rekening moet worden gehouden met het voorwerp van de betrokken regeling (arrest van 10 juni 2015, X, C‑686/13, EU:C:2015:375, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 Zo valt een nationale regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder artikel 49 VWEU inzake de vrijheid van vestiging (arrest van 10 juni 2015, X, C‑686/13, EU:C:2015:375, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80 Nationale bepalingen inzake deelnemingen die zijn verworven met het uitsluitende doel te beleggen, zonder dat de houder invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming wenst uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (arrest van 10 juni 2015, X, C‑686/13, EU:C:2015:375, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81 Over de nationale regeling in het hoofdgeding geeft de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing aan dat artikel 16, lid 2, punt 3, ZKPO van toepassing is op renteloze leningen tussen zowel verbonden als niet-verbonden vennootschappen, dus ongeacht of een vennootschap een bepaalde invloed kan uitoefenen op de besluiten en de activiteiten van een andere. Dit blijkt overigens ook uit de tekst van lid 1 van dit artikel, dat uitdrukkelijk niet-verbonden vennootschappen betreft.
82 In een dergelijk geval zijn de feiten van de zaak – waaruit naar voren komt dat de kredietgevende vennootschap ten tijde van de relevante feiten enig aandeelhouder van de kredietnemende vennootschap was – niet van belang om te bepalen of de omstandigheden van dit geding de ene of de andere fundamentele vrijheid betreffen (zie in die zin arrest van 10 juni 2015, X, C‑686/13, EU:C:2015:375, punten 22 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83 Daarom moet op grond van het voorwerp van de nationale regeling in het hoofdgeding worden geconcludeerd dat deze regeling hoofdzakelijk het vrije verkeer van kapitaal betreft zoals neergelegd in artikel 63 VWEU (zie in die zin arrest van 26 februari 2019, N Luxembourg 1 e.a., C‑115/16, C‑118/16, C‑119/16 en C‑299/16, EU:C:2019:134, punt 158 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84 Gesteld dat deze nationale regeling de vrijheid van vestiging beperkt, is deze beperking in deze omstandigheden het onvermijdelijke gevolg van een eventuele belemmering van het vrije kapitaalverkeer en rechtvaardigt zij dus geen autonome toetsing van deze regeling aan artikel 49 VWEU (arrest van 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, EU:C:2009:559, punt 51).
85 Derhalve moet worden onderzocht of deze nationale regeling het vrije verkeer van kapitaal beperkt in de zin van artikel 63 VWEU en, als dat het geval is, of die beperking vanuit het oogpunt van deze bepaling kan worden gerechtvaardigd."
HvJ EU 24 februari 2022, C-257/20 (“Viva Telecom Bulgaria” EOOD)
De samenloop met artikel 56 VwEU/vrije dienstenverkeer
"70 Wanneer een nationale maatregel immers zowel met het vrij verrichten van diensten als met het vrij verkeer van kapitaal verband houdt, moet worden onderzocht in hoeverre de uitoefening van die fundamentele vrijheden wordt belemmerd en of, in de omstandigheden van het hoofdgeding, een van die vrijheden voorrang heeft boven de ander. Het Hof toetst de betrokken maatregel in beginsel slechts aan een van deze twee vrijheden, indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (arrest van 3 oktober 2006, Fidium Finanz, C‑452/04, Jurispr. blz. I‑9521, punt 34)."
HvJ EU 12 juli 2012, C‑602/10 (SC Volksbank România)
Definitie van 'beperking van het kapitaalverkeer'
"Bestaan van een beperking in de zin van artikel 63 VWEU
48 Volgens de rechtspraak van het Hof strekken de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het vrije kapitaalverkeer beperken, zich mede uit tot de maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of die ingezetenen van deze lidstaat ervan kunnen weerhouden in andere lidstaten investeringen te doen (zie met name arresten van 10 april 2014, Emerging Markets Series of DFA Investment Trust Company, C‑190/12, EU:C:2014:249, punt 39, en 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Met name het feit dat een lidstaat dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten pensioenfondsen ongunstiger behandelt dan dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten pensioenfondsen, kan in een andere dan die lidstaat gevestigde vennootschappen ervan doen afzien in die lidstaat te investeren, zodat dit een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (zie in die arresten van 8 november 2012, Commissie/Finland, C‑342/10, EU:C:2012:688, punt 33; 22 november 2012, Commissie/Duitsland, C‑600/10, niet gepubliceerd, EU:C:2012:737, punt 15, en 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 28).
50 Wanneer op dividenden die aan niet-ingezeten pensioenfondsen worden uitgekeerd een zwaardere belastingdruk rust dan op dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten pensioenfondsen, dan is er sprake van een dergelijke minder gunstige behandeling (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 48). Hetzelfde geldt wanneer aan ingezeten pensioenfondsen uitgekeerde dividenden geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld, terwijl dividenden die aan niet-ingezeten pensioenfondsen worden uitgekeerd, onderworpen zijn aan een definitieve inhouding aan de bron (zie in die zin arrest van 8 november 2012, Commissie/Finland, C‑342/10, EU:C:2012:688, punten 32 en 33)."
HvJ EU 13 november 2019, C‑641/17 (College Pension Plan of British Columbia)
"Het zij herinnerd dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die ingezetenen van een lidstaat kunnen ontmoedigen in een andere lidstaat in onroerend goed investeringen te doen (arrest van 11 september 2014, Verest en Gerards, C‑489/13, EU:C:2014:2210, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 12 april 2018, C‑110/17 (Commissie - België)
"Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de maatregelen die ingevolge artikel 63 VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, in geval van erfenissen mede de maatregelen omvatten die leiden tot waardevermindering van de erfenis van een ingezetene van een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan de betrokken zaken zich bevinden en waar de overdracht van die zaken door vererving wordt belast (zie met name arresten van 11 december 2003, Barbier, C‑364/01, EU:C:2003:665, punt 62, en 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 De regelgeving van een lidstaat, volgens welke de toepassing van een vrijstelling van erfbelasting afhangt van de woonplaats van de erflater of de verkrijger ten tijde van het overlijden, vormt een beperking van het vrij verkeer van kapitaal, wanneer zij tot gevolg heeft dat erfenissen waarbij niet-ingezetenen zijn betrokken zwaarder worden belast dan die waarbij enkel ingezetenen zijn betrokken (zie in die zin arresten van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punten 25 en 26, en 3 september 2014, Commissie/Spanje, C‑127/12, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2130, punt 58)."
HvJ EU 26 mei 2016, C‑244/15 (Europese Commissie - Griekenland)
Beperking genotsrecht voor inwoners andere EU-Lidstaten
"61 Volgens vaste rechtspraak verbiedt artikel 63, lid 1, VWEU op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten (arrest van 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12–C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 In casu moet worden vastgesteld dat een regeling als in de hoofdgedingen, die voorziet in het tenietgaan van bij overeenkomst verkregen rechten van vruchtgebruik op landbouwgrond, waaronder rechten die zijn verkregen ten gevolge van de uitoefening van het recht van vrij verkeer van kapitaal, alleen al op grond van het voorwerp van die regeling die vrijheid beperkt. Dat, zoals de verwijzende rechter in zijn tweede vraag in zaak C‑52/16 in overweging neemt, eventueel wordt voorzien in een vergoeding van personen die, na dergelijke rechten te hebben verworven, daarvan zijn beroofd op grond van die regeling, doet niet af aan die vaststelling.
63 Die regeling ontneemt de belanghebbende namelijk de mogelijkheid om het genot te blijven hebben van het door hem verkregen recht aangezien zij hem met name belet de betrokken landbouwgrond te exploiteren voor het met dat recht beoogde gebruik, alsook de mogelijkheid om dat recht te vervreemden.
64 Aangezien de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling aldus staatsburgers van andere lidstaten dan Hongarije, die vrijheid van kapitaalverkeer genieten, het genot ontzegt van de goederen waarin zij kapitaal hebben geïnvesteerd, vormt zij een belemmering van die vrijheid.
65 Bovendien blijkt uit vaste rechtspraak dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, met name mede de maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen (arresten van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 1 oktober 2009, Woningstichting Sint Servatius, C‑567/07, EU:C:2009:593, punt 21).
66 Een nationale regeling als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, vormt dus een beperking van de in artikel 63 VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheid."
HvJ EU 6 maart 2018, gevoegde zaken C‑52/16 en C‑113/16 (Segro)
Vrijstelling van erfbelasting die afhankelijk is van de woonplaats van de erflater of de verkrijger vormt een beperking
"Bestaan van een beperking van het vrij verkeer van kapitaal
28 Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de maatregelen die ingevolge artikel 63 VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, in geval van erfenissen mede de maatregelen omvatten die leiden tot waardevermindering van de erfenis van een ingezetene van een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan de betrokken zaken zich bevinden en waar de overdracht van die zaken door vererving wordt belast (zie met name arresten van 11 december 2003, Barbier, C‑364/01, EU:C:2003:665, punt 62, en 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 De regelgeving van een lidstaat, volgens welke de toepassing van een vrijstelling van erfbelasting afhangt van de woonplaats van de erflater of de verkrijger ten tijde van het overlijden, vormt een beperking van het vrij verkeer van kapitaal, wanneer zij tot gevolg heeft dat erfenissen waarbij niet-ingezetenen zijn betrokken zwaarder worden belast dan die waarbij enkel ingezetenen zijn betrokken (zie in die zin arresten van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punten 25 en 26, en 3 september 2014, Commissie/Spanje, C‑127/12, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2130, punt 58)."
HvJ EU 26 mei 2016, C‑244/15 (Europese Commissie - Griekenland)
Artikel 40 EER heeft dezelfde strekking als artikel 63 VWEU
"35 Hieruit volgt dat beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal tussen burgers van staten die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, weliswaar moeten worden getoetst aan artikel 40 van deze overeenkomst en bijlage XII bij deze overeenkomst, doch dat deze bepalingen dezelfde juridische strekking hebben als de bepalingen van artikel 63 VWEU (zie met name arrest Établissements Rimbaud, reeds aangehaald, punt 22)."
63 Aangezien de bepalingen van artikel 40 van de EER-Overeenkomst dezelfde juridische strekking hebben als de in wezen identieke bepalingen van artikel 63 VWEU, zijn alle voorgaande overwegingen inzake het bestaan van een beperking van het vrije kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU in omstandigheden als die van het onderhavige beroep mutatis mutandis toepasbaar op dat artikel 40 (arrest van 4 mei 2017, Commissie/Griekenland, C‑98/16, niet gepubliceerd, EU:C:2017:346, punt 49)."
HvJ EU 12 april 2018, C‑110/17 (Commissie - België)
"74 Aangezien de bepalingen van het Verdrag en van de EER-Overeenkomst betreffende de vrijheid van dienstverrichting zich verzetten tegen de litigieuze regeling, behoeft deze regeling niet afzonderlijk aan artikel 63 VWEU en artikel 40 van de EER-Overeenkomst inzake het vrije verkeer van kapitaal te worden getoetst (zie naar analogie arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 79)."
HvJ EU 6 juni 2013, C‑383/10 (Europese Commissie - België)
"42 Aangezien de bepalingen van artikel 40 van de EER-Overeenkomst dezelfde juridische strekking hebben als de in wezen identieke bepalingen van artikel 56 EG (zie arrest van 11 juni 2009, Commissie/Nederland, C‑521/07, Jurispr. blz. I‑4873, punt 33, en arrest Établissements Rimbaud, reeds aangehaald, punt 22), zijn alle voorgaande overwegingen in omstandigheden als die in het hoofdgeding naar analogie toepasbaar op dat artikel 40."
HvJ EU 16 juni 2011, C‑10/10 (Europese Commissie - Oostenrijk)
50 Een van de belangrijkste doelstellingen van de EER-Overeenkomst is een zo volledig mogelijke verwezenlijking van het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal in de gehele EER, zodat de op het grondgebied van de Unie verwezenlijkte interne markt wordt uitgebreid naar de EVA-staten. In deze optiek beogen meerdere bepalingen van deze Overeenkomst een zo uniform mogelijke uitlegging ervan te waarborgen in de gehele EER (zie advies 1/92 van 10 april 1992, Jurispr. blz. I‑2821). Het staat aan het Hof om er in dit kader over te waken dat de regels van de EER-Overeenkomst die in wezen gelijk zijn aan die van het Verdrag, uniform worden uitgelegd in de lidstaten (arresten van 23 september 2003, Ospelt en Schlössle Weissenberg, C‑452/01, Jurispr. blz. I‑9743, punt 29, en 19 november 2009, Commissie/Italië, C‑540/07, Jurispr. blz. I‑10983, punt 65).
51 Daaruit volgt dat beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal tussen ingezetenen van staten die partij zijn bij de EER-Overeenkomst weliswaar moeten worden getoetst aan artikel 40 van en bijlage XII bij deze Overeenkomst, maar dat deze bepalingen dezelfde juridische strekking hebben als de in wezen identieke bepalingen van artikel 56 EG (zie arrest van 11 juni 2009, Commissie/Nederland, C‑521/07, Jurispr. blz. I‑4873, punt 33, en arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 66).
52 Om de redenen die zijn uiteengezet bij de toetsing van het beroep van de Commissie aan artikel 56, lid 1, EG, moet bijgevolg worden aangenomen dat de verplichting tot aanstelling van een fiscaal vertegenwoordiger die de Portugese wettelijke regeling aan niet-ingezetenen oplegt, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt in de zin van artikel 40 EER-Overeenkomst."
HvJ EU 5 mei 2011, C‑267/09 (Commissie - Portugal)
Nationale bepaling die keuze mogelijk maakt voor niet-discrimerende bepaling heft de strijdigheid met het vrije verkeer van kapitaal niet op
"42 Meteen moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid voor in de Unie of de EER wonende personen om op grond van artikel 72, leden 9 en 10, CIRS te kiezen voor een belastingregeling die vergelijkbaar is met die welke geldt voor Portugese ingezetenen, en aldus in aanmerking te komen voor de in artikel 43, lid 2, van dat wetboek bedoelde aftrek van 50 %, een niet-ingezeten belastingplichtige, zoals MK, in staat stelt te kiezen tussen een discriminerende belastingregeling, namelijk die van artikel 72, lid 1, CIRS, en een andere regeling die dat niet zou zijn.
43 In dit verband moet worden benadrukt dat een dergelijke keuze in casu de discriminerende gevolgen van de eerste van deze twee belastingregelingen niet kan uitsluiten.
44 Indien zou worden erkend dat die keuze een dergelijk effect heeft, zou dat immers tot gevolg hebben dat een belastingregeling als rechtmatig wordt beschouwd die op zich wegens het discriminerende karakter ervan nog steeds in strijd is met artikel 63 VWEU (zie in die zin arrest van 18 maart 2010, Gielen, C‑440/08, EU:C:2010:148, punt 52).
45 Zoals het Hof reeds heeft gepreciseerd, blijft een nationale regeling die een door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheid beperkt, in casu het vrije verkeer van kapitaal, bovendien nog steeds onverenigbaar met het Unierecht, ook al is de toepassing ervan facultatief (zie in die zin arrest van 18 maart 2010, Gielen, C‑440/08, EU:C:2010:148, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Hieruit volgt dat de keuze die in het hoofdgeding openstaat voor de niet-ingezeten belastingplichtige om op dezelfde wijze te worden belast als ingezeten belastingplichtigen, de in punt 32 van het onderhavige arrest vastgestelde beperking niet verenigbaar kan maken met het Verdrag.
47 Gelet op een en ander moet op de voorgelegde vraag worden geantwoord dat artikel 63 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 65 VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die – opdat vermogenswinst die uit de verkoop van een in die lidstaat gelegen onroerend goed wordt verkregen door een in een andere lidstaat wonende belastingplichtige, niet zwaarder wordt belast dan vermogenswinst die bij ditzelfde soort transactie wordt behaald door een ingezetene van eerstbedoelde lidstaat – het van de keuze van die belastingplichtige laat afhangen welke belastingregeling van toepassing is."
HvJ EU 18 maart 2021, C‑388/19 (MK)
Nationale bepalingen omtrent de bewijslast(verdeling)
"39 Dienaangaande heeft het Hof reeds gepreciseerd dat eventuele moeilijkheden bij de vaststelling van de in een andere lidstaat daadwerkelijk betaalde belasting niet een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal kunnen rechtvaardigen (zie reeds aangehaalde arresten Manninen, punt 54, en Test Claimants in the FII Group Litigation, punt 70).
40 In casu moet worden vastgesteld dat een nationale wetgeving als die in het hoofdgeding, volgens welke voor de toekenning van het belastingkrediet de overlegging van een certificaat overeenkomstig het nationale stelsel van de betrokken lidstaat is vereist, zonder dat de aandeelhouder de mogelijkheid heeft om het bedrag van de door de uitkerende vennootschap daadwerkelijk betaalde belasting aan de hand van andere gegevens en relevante informatie te bewijzen, een door artikel 65, lid 3, VWEU verboden verkapte beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt (zie naar analogie arrest van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, Jurispr. blz. I‑359, punt 72).
41 Stellig volgt uit de rechtspraak dat de noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen een dwingende reden van algemeen belang vormt die een beperking van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kan rechtvaardigen, en dat een lidstaat maatregelen mag toepassen die een duidelijke en nauwkeurige controle mogelijk maken van het bedrag van de in een andere lidstaat gemaakte kosten die in die lidstaat mogen worden afgetrokken (zie met name arresten van 15 mei 1997, Futura Participations en Singer, C‑250/95, Jurispr. blz. I‑2471, punt 31, en 10 maart 2005, Laboratoires Fournier, C‑39/04, Jurispr. blz. I‑2057, punt 24).
42 Een beperkende maatregel kan echter slechts gerechtvaardigd zijn, indien hij in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, dat wil zeggen dat hij geschikt moet zijn om het ermee nagestreefde doel te bereiken en niet verder mag gaan dan ter bereiking van dit doel nodig is (zie met name arrest van 18 december 2007, A, C‑101/05, Jurispr. blz. I‑11531, punten 55 en 56, en arrest Persche, reeds aangehaald, punt 52).
43 Een regeling van een lidstaat die personen die in die lidstaat onbeperkt belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting en die hebben geïnvesteerd in kapitaalvennootschappen die in een andere lidstaat zijn gevestigd, volstrekt belet bewijsmateriaal voor te leggen dat voldoet aan andere criteria, met name inzake de overlegging, dan de in de wetgeving van de eerste lidstaat voor binnenlandse investeringen neergelegde criteria, zou echter niet alleen in strijd zijn met het beginsel van behoorlijk bestuur, maar zou vooral verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is ter bereiking van de doelstelling van doeltreffendheid van de fiscale controles.
44 Op voorhand valt immers niet uit te sluiten dat deze aandeelhouders in staat zijn relevante bewijsstukken over te leggen aan de hand waarvan de belastingautoriteiten van de lidstaat van heffing duidelijk en nauwkeurig kunnen controleren welke uitgaven in andere lidstaten daadwerkelijk zijn gedaan (zie naar analogie reeds aangehaalde arresten Laboratoires Fournier, punt 25, en Persche, punt 53).
45 Met betrekking tot de bewijslast en de nauwkeurigheid waaraan het bewijsmateriaal moet voldoen dat vereist is om in aanmerking te komen voor een belastingkrediet met betrekking tot de door een in een andere lidstaat gevestigde kapitaalvennootschap uitgekeerde dividenden, dient eraan te worden herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de belastingautoriteiten van een lidstaat het recht hebben om van de belastingplichtige de bewijzen te verlangen die zij noodzakelijk achten om te oordelen of is voldaan aan de in de betrokken wetgeving gestelde voorwaarden voor toekenning van een belastingvoordeel, en bijgevolg of dat voordeel al dan niet moet worden verleend (zie arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Deze beoordeling mag niet te formalistisch worden verricht, zodat de overlegging van bewijsstukken die niet zo gedetailleerd zijn als en niet de vorm hebben van het vennootschapsbelastingcertificaat dat is voorgeschreven door de wetgeving van de lidstaat die heffingsbevoegd is met betrekking tot een aandeelhouder die dividenden heeft ontvangen van een in een andere lidstaat gevestigde kapitaalvennootschap, maar aan de hand waarvan de belastingautoriteiten van de heffingsbevoegde lidstaat niettemin duidelijk en nauwkeurig kunnen nagaan of is voldaan aan de voorwaarden voor de verkrijging van een belastingvoordeel, door deze autoriteiten als gelijkwaardig aan de overlegging van dit certificaat moet worden beschouwd."
HvJ EU 30 juni 2011, C‑262/09 (Meillicke)
De vrijheid van kapitaalverkeer is niet van toepassing op interne situaties
"39 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof een nationale regeling die zonder onderscheid van toepassing is op onderdanen van alle lidstaten, in het algemeen slechts onder de in het VWEU neergelegde bepalingen inzake de fundamentele vrijheden kan vallen voor zover zij van toepassing is op situaties die een verband vertonen met het verkeer tussen de lidstaten (zie in die zin arrest van 5 maart 2002, Reisch e.a., C‑515/99, C‑519/99–C‑524/99 en C‑526/99–C‑540/99, EU:C:2002:135, punt 24).
40 De bepalingen van het VWEU inzake het vrij verkeer van kapitaal zijn immers niet van toepassing op situaties die in alle opzichten geheel in de interne sfeer van één lidstaat liggen (arrest van 20 maart 2014, Caixa d’Estalvis i Pensions de Barcelona, C‑139/12, EU:C:2014:174, punt 42)."
HvJ EU 14 september 2017, C‑628/15 (The Trustees of the BT Pension Scheme)
Kapitaalverkeer tussen EU-Lidstaten en Landen en Gebieden Overzee (LGO)
"19 Aangezien de Britse Maagdeneilanden, waar Lovett en Grebell zijn ingeschreven, zijn vermeld in de lijst van LGO van bijlage II bij het VWEU, dient te worden onderzocht of artikel 63 VWEU van toepassing is op het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en de LGO.
20 Artikel 63 VWEU verbiedt „alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen”. Gelet op de onbeperkte territoriale werkingssfeer van deze bepaling moet worden aangenomen dat deze bepaling noodzakelijkerwijs van toepassing is op het kapitaalverkeer naar en uit de LGO.
21 Bijgevolg dient te worden uitgemaakt of een nationale regeling als die in het hoofdgeding het vrije verkeer van kapitaal kan belemmeren.
22 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling werd door het Hof reeds getoetst aan artikel 63 VWEU, in het arrest van 11 oktober 2007, ELISA (C‑451/05, Jurispr. blz. I‑8251), en aan artikel 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3), in het arrest van 28 oktober 2010, Établissements Rimbaud (C‑72/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie). Uit het arrest ELISA (punt 60) blijkt dat een grensoverschrijdende investering in onroerende zaken een kapitaalbeweging in de zin van artikel 63 VWEU vormt.
(...).
28 In dit opzicht dient eerst te worden bepaald of de LGO met het oog op de toepassing van de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van kapitaal moeten worden gelijkgesteld met lidstaten of derde staten.
29 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de LGO voorwerp zijn van een bijzondere associatieregeling omschreven in het vierde deel van het Verdrag zodat de algemene verdragsbepalingen, waarvan de territoriale werkingssfeer in beginsel tot de lidstaten is beperkt, zonder uitdrukkelijke verwijzing niet op de LGO van toepassing zijn (zie arresten van 12 februari 1992, Leplat, C‑260/90, Jurispr. blz. I‑643, punt 10; 28 januari 1999, Van der Kooy, C‑181/97, Jurispr. blz. I‑483, punt 37; 22 november 2001, Nederland/Raad, C‑110/97, Jurispr. blz. I‑8763, punt 49, en 12 september 2006, Eman en Sevinger, C‑300/04, Jurispr. blz. I‑8055, punt 46). De LGO vallen dus slechts op dezelfde wijze als de lidstaten onder de bepalingen van Unierecht wanneer in het Unierecht uitdrukkelijk is voorzien in een dergelijke gelijkstelling van de LGO met de lidstaten.
30 Evenwel dient te worden vastgesteld dat het EG-Verdrag en het VWEU geen uitdrukkelijke verwijzing naar het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en de LGO bevatten.
31 Bijgevolg genieten de LGO als derde staten de in artikel 63 VWEU voorziene vrijmaking van het kapitaalverkeer.
32 Deze uitlegging vindt steun in de bepalingen van het Zevende LGO-besluit, dat werd vastgesteld toen de vrijmaking van het kapitaalverkeer ten aanzien van derde staten was voltooid. Artikel 47, lid 2, van dit besluit bepaalt immers dat artikel 64 VWEU naar analogie van toepassing is op de LGO."
HvJ EU 5 mei 2011, C‑384/09 (Prunus)
Belastingverdragen als rechtvaardiging van de beperking van het vrije kapitaalverkeer
"44 Volgens vaste rechtspraak is een beperking van het vrije kapitaalverkeer slechts toelaatbaar wanneer zij gerechtvaardigd is uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang (arresten van 13 december 2005, Marks & Spencer, C‑446/03, Jurispr. blz. I‑10837, punt 35; 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas, C‑196/04, Jurispr. blz. I‑7995, punt 47; 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation, C‑524/04, Jurispr. blz. I‑2107, punt 64, en 18 juni 2009, Aberdeen Property Fininvest Alpha, C‑303/07, Jurispr. blz. I‑5145, punt 57).
45 Volgens de verwijzende rechter beoogt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te verzekeren overeenkomstig het territorialiteitsbeginsel. De Bondsrepubliek Duitsland oefent aldus haar heffingsbevoegdheid uit voor op haar grondgebied aangegroeide meerwaarden, die als gevolg van de omzetting van de onderliggende activa in combinatie met de toepassing van een bilateraal dubbelbelastingverdrag, niet door deze lidstaat kunnen worden belast op het tijdstip waarop zij zich daadwerkelijk realiseren.
46 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de handhaving van de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten een door het Hof erkend legitiem doel is (zie in die zin arrest Marks & Spencer, reeds aangehaald, punt 45; arresten van 7 september 2006, N, C‑470/04, Jurispr. blz. I‑7409, punt 42; 18 juli 2007, Oy AA, C‑231/05, Jurispr. blz. I‑6373, punt 51, en 15 mei 2008, Lidl Belgium, C‑414/06, Jurispr. blz. I‑3601, punt 31).
47 Bovendien volgt uit vaste rechtspraak dat de lidstaten bij gebreke van unificatie‑ of harmonisatiemaatregelen die door de Unie zijn aangenomen bevoegd blijven om, door het sluiten van overeenkomsten of unilateraal, de criteria voor de verdeling van hun heffingsbevoegdheid vast te stellen teneinde onder meer dubbele belasting af te schaffen (arrest van 19 november 2009, Commissie/Italië, C‑540/07, Jurispr. blz. I‑10983, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest National Grid Indus, reeds aangehaald, punt 45)."
HvJ EU 23 januari 2014, C‑164/12 (DMC)
Het onderscheid tussen de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van kapitaalverkeer
"29 In dit verband zij allereerst herinnerd aan de afbakening tussen de bepalingen van het Verdrag inzake de vrijheid van dienstverrichting en die inzake het vrije verkeer van kapitaal.
30 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat uit de bewoordingen van de artikelen 56 VWEU en 63 VWEU alsmede uit de plaats ervan in twee verschillende hoofdstukken van titel IV van het Verdrag blijkt dat zij weliswaar nauw met elkaar verband houden, maar verschillende situaties beogen te regelen en elk een eigen werkingssfeer hebben (zie in die zin arrest Fidium Finanz, C‑452/04, EU:C:2006:631, punt 28).
31 Met betrekking tot de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene of de andere van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat rekening dient te worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie (zie in die zin arresten Holböck, C‑157/05, EU:C:2007:297, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak; Dijkman en Dijkman‑Lavaleije, C‑233/09, EU:C:2010:397, punt 26, en Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑35/11, EU:C:2012:707, punt 90).
32 Zoals de advocaat‑generaal in punt 67 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, is een nationale wettelijke regeling die in hoofdzaak het verrichten van financiële diensten betreft, onderworpen aan de bepalingen van het Verdrag inzake de vrijheid van dienstverrichting, ook al kan zij kapitaalverkeer met zich brengen of verband houden met kapitaalverkeer.
33 Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat een nationale regeling van een lidstaat op grond waarvan voor het bedrijfsmatig verstrekken van kredieten op zijn grondgebied door een vennootschap met zetel in een derde land is vereist dat vooraf een vergunning wordt afgegeven en die derhalve tot gevolg heeft dat die vennootschap moeilijker toegang krijgt tot de financiële markt, hoofdzakelijk inbreuk maakt op de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting in de zin van de artikelen 56 VWEU en volgende (arrest Fidium Finanz, C‑452/04, EU:C:2006:631, punten 49 en 50)."
HvJ EU 21 mei 2015, C‑560/13 (Wagner Raith)
Het onderscheid tussen het vrije verkeer van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal
"36 Wanneer op basis van het voorwerp van die regeling niet kan worden uitgemaakt of zij overwegend onder artikel 49 VWEU dan wel onder artikel 63 VWEU valt, houdt het Hof rekening met de feitelijke gegevens van het concrete geval om uit te maken of de situatie waarop het hoofdgeding betrekking heeft, onder de ene of de andere van die bepalingen valt (arrest van 11 juni 2020, KOB, C‑206/19, EU:C:2020:463, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Voorts onderzoekt het Hof, wanneer een nationale maatregel zowel verband houdt met de vrijheid van vestiging als met het vrije verkeer van kapitaal, de betrokken maatregel in beginsel uit het oogpunt van slechts één van deze twee vrijheden, indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (zie naar analogie arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 In casu heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling betrekking op de vrijstelling voor beleggingsfondsen die rechtens bij overeenkomst zijn opgericht en hoofdzakelijk beleggen in vastgoed en waardepapieren met betrekking tot vastgoed.
39 Wat in de eerste plaats vastgoedinvesteringen betreft, is het vaste rechtspraak dat nationale maatregelen die verband houden met handelingen waarmee niet-ingezetenen dergelijke investeringen op het grondgebied van een lidstaat doen, zowel onder artikel 49 VWEU betreffende de vrijheid van vestiging als onder artikel 63 VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal kunnen vallen (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 29)."
HvJ EU 7 april 2022, C‑342/20 (A SCPI)
Het onderscheid tussen vrij verkeer van vestiging en vrij verkeer van kapitaal bij aandelenbelangen in vennootschappen
"42 Verder moeten de genoemde eisen slechts worden getoetst aan de vrijheid van vestiging, en dus niet aan het vrije verkeer van kapitaal.
43 Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten van die vennootschap kunnen worden bepaald, onder de vrijheid van vestiging valt (arresten van 13 april 2000, Baars, C‑251/98, EU:C:2000:205, punt 22, en 10 juni 2015, X, C‑686/13, ECLI:EU:C:2015:375, punt 18)."
HvJ EU 27 februari 2019, C‑563/17 (Associação Peço a Palavra)
De samenloop tussen een staatssteunonderzoek door de Europese Commissie en de vrijheid van kapitaalverkeer
"45 Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de nationale rechterlijke instanties en de Commissie in het bij het Verdrag ingestelde systeem voor toezicht op staatssteun aanvullende, maar onderscheiden taken vervullen (zie in die zin arresten van 11 juli 1996, SFEI e.a., C‑39/94, EU:C:1996:285, punt 41, en 15 september 2016, PGE, C‑574/14, EU:C:2016:686, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Terwijl de beoordeling van de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de interne markt onder de exclusieve bevoegdheid valt van de Commissie, die daarbij onder toezicht van de rechterlijke instanties van de Unie staat, zien de nationale rechterlijke instanties toe op de vrijwaring van de rechten van de justitiabelen in geval van schending van de bij artikel 108, lid 3, laatste zin, VWEU opgelegde verplichting om staatssteun vooraf bij de Commissie aan te melden (zie in die zin arrest van 8 december 2011, Residex Capital IV, C‑275/10, EU:C:2011:814, punt 27). Wanneer de justitiabelen zich op een dergelijke miskenning beroepen, en de nationale rechter deze miskenning vaststelt, moet hij daaruit overeenkomstig zijn nationale recht alle consequenties trekken, zonder dat zijn beslissing echter een beoordeling impliceert van de verenigbaarheid van de steun met de interne markt, wat tot de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie behoort, onder toezicht van het Hof (zie in die zin arrest van 23 april 2002, Nygård, C‑234/99, EU:C:2002:244, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Uit de rechtspraak van het Hof volgt ook dat een nationale rechter enkel bevoegd is om te beoordelen of de uitvoeringsvoorschriften van een steunregeling verenigbaar zijn met rechtstreeks werkende Verdragsbepalingen – andere dan die inzake staatssteun – wanneer die voorschriften afzonderlijk kunnen worden beoordeeld en wanneer zij, ofschoon zij onderdeel zijn van de betrokken steunregeling, niet noodzakelijk zijn ter bereiking van het doel of voor de goede werking ervan (zie in die zin arresten van 22 maart 1977, Iannelli & Volpi, 74/76, EU:C:1977:51, punt 14, en 23 april 2002, Nygård, C‑234/99, EU:C:2002:244, punt 57).
48 Daarentegen kan er een dermate nauw verband bestaan tussen enerzijds het doel van de steun en anderzijds de uitvoeringsvoorschriften ervan, dat een afzonderlijke beoordeling van die voorschriften niet mogelijk is en ter beoordeling van hun consequenties voor de verenigbaarheid van de steun in zijn geheel noodzakelijkerwijze de procedure van artikel 108 VWEU moet worden gevolgd (zie in die zin arrest van 22 maart 1977, Iannelli & Volpi, 74/76, EU:C:1977:51, punt 14).
49 In casu is dit inderdaad het geval met een woonplaatsvereiste zoals voorzien in de regeling inzake teruggaaf van dividendbelasting die in het hoofdgeding aan de orde is, ervan uitgaande evenwel dat het daarbij om een staatssteunregeling gaat, aangezien dat vereiste onlosmakelijk lijkt samen te hangen met het doel van de betrokken vrijstellingsmaatregelen, te weten het begunstigen van uitsluitend nationale ondernemingen.
50 Bovendien moet worden opgemerkt dat in het hoofdgeding een dergelijk toezicht onvermijdelijk, ook al is het slechts indirect, tot gevolg zou hebben dat het woonplaatsvereiste van artikel 2 van de Wet Vpb 1969 voor de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor publiekrechtelijke ondernemingen, dat een noodzakelijk vereiste is voor de verwezenlijking van het doel en de werking van deze steunregeling, ter discussie wordt gesteld.
51 Het lijkt dan ook niet mogelijk een dergelijk vereiste, dat noodzakelijk blijkt te zijn voor de verwezenlijking van het doel en voor de werking van een steunregeling, te isoleren zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie en de nationale rechterlijke instanties op het gebied van staatssteun.
52 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een nationale rechter beoordeelt of een woonplaatsvereiste als aan de orde in het hoofdgeding verenigbaar is met het vrije verkeer van kapitaal, wanneer de betrokken regeling voor de teruggaaf van dividendbelasting een steunregeling is.
53 Hieruit volgt dat die rechter a fortiori geen gevolgen kan verbinden aan een eventuele schending, wegens dat woonplaatsvereiste, van het vrij verkeer van kapitaal door de teruggaaf van die belasting toe te staan, zodat de in punt 43 van dit arrest vermelde vraag niet hoeft te worden beantwoord.
54 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de artikelen 107 en 108 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter niet kan beoordelen of een woonplaatsvereiste als aan de orde in het hoofdgeding verenigbaar is met artikel 56, lid 1, EG, thans artikel 63, lid 1, VWEU, wanneer de betrokken regeling voor de teruggaaf van dividendbelasting een steunregeling is."
HvJ EU 2 mei 2019, C‑598/17 (A-fonds)
Het voorkomen van economisch dubbele belasting
"69 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de artikelen 49 VWEU en artikel 63 VWEU in de weg staan aan wettelijke bepalingen van een lidstaat ter voorkoming van de economische dubbele belasting van dividend zoals aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan een moedermaatschappij de voorheffing die zij moet betalen wanneer zij van haar dochterondernemingen ontvangen dividend dooruitdeelt aan haar eigen aandeelhouders, mag verrekenen met het belastingkrediet dat aan de uitkering van dat dividend is verbonden indien het dividend een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming betreft, maar die deze mogelijkheid niet bieden wanneer dat dividend afkomstig is van een dochteronderneming die is gevestigd in een andere lidstaat, daar volgens die wettelijke bepalingen in dat laatste geval geen belastingkrediet wordt toegekend ter zake van de uitkering van dat dividend door die dochteronderneming."
HvJ EU 15 september 2011, C‑310/09 (Accor)
Het voorkomen van misbruik
"36Wat het voorkomen van misbruik betreft, volgt overigens uit de rechtspraak van het Hof dat de justitiabelen zich weliswaar niet met het oog op misbruik of bedrog op het Unierecht kunnen beroepen, maar een algemeen vermoeden van misbruik niet kan worden gebaseerd op de omstandigheid dat een in Italië woonachtige persoon in deze lidstaat een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig gebruikt dat hem om niet ter beschikking is gesteld door een in die andere lidstaat woonachtige persoon [beschikking van 10 september 2020, Waals Gewest (Inschrijving van een geleend voertuig), C‑41/20–C‑43/20, niet gepubliceerd, EU:C:2020:703, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].”
HvJ EU 16 december 2021, C‑274/20 (GN en WX)
Literatuur
J.J.A.M. Korving en J.C. van der Have, Brexit en directe belastingen: There’s still a way to escape that Brexit day? Vrij naar: Milqman (feat. Anna & Mimmi), ‘Regrets Won’t Do on Brexit Day’, MBB 2021/40, stellen:
"Zoals reeds is opgemerkt gelden de Europese verdragsvrijheden niet meer voor het VK, hoogstens geldt een ervan – het vrije kapitaalverkeer – nog in relatie tot het VK. Het geografische bereik van de meeste fundamentele vrijheden is immers beperkt tot EU-situaties, waardoor een grensoverschrijdende belemmering niet kan worden bestreden met een beroep op de vrijheden van goederen, diensten en vestiging. De Brexit heeft echter, vanuit het perspectief van de EU, geen invloed op het vrije verkeer van kapitaal. Deze vrijheid werkt immers al in relatie tot niet-EU-lidstaten (of derde landen), zoals het VK nu ook is,33 behoudens toepassing van rechtvaardigingsgronden of de standstillbepaling.Dat betekent dat belemmeringen in de wetgeving van EU-lidstaten die het VK raken, bijvoorbeeld ten aanzien van investeringen in het VK, met een beroep op het vrije kapitaalverkeer teniet kunnen worden gedaan, tenzij deze beperkingen al bestonden op 31 december 1993. Om het VK er toe aan te zetten geen nieuwe belemmeringen te introduceren in het kader van het vrije kapitaalverkeer in relatie tot de EU is ook een met het vrije kapitaalverkeer vergelijkbare bepaling opgenomen in de overeenkomst.Deze bepaalt dat zowel de EU als het VK met betrekking tot verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans het vrije verkeer van kapitaal toestaat met het oog op de liberalisering van investeringen. Wij nemen aan dat hiermee enige wederkerigheid van het vrije kapitaalverkeer moet worden gewaarborgd.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Lexplicatie, commentaar op art. 63 VWEU
Bronnen en citaten
mr. E. Thomas, actueel t/m 13-03-2026
13-03-2026
01-12-2009 tot: -
mr. E. Thomas
Lexplicatie, commentaar op art. 63 VWEU
JCDI:ADS8785:1
EU-recht / Marktintegratie
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 63
Jurisprudentie
Het begrip 'vrije verkeer van kapitaal'
"58 Wat artikel 63 VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal betreft, daaronder vallen directe investeringen in de vorm van deelneming in een onderneming door aandeelhouderschap die de mogelijkheid biedt om daadwerkelijk deel te hebben in het bestuur van of de zeggenschap over een vennootschap, en portefeuillebeleggingen, namelijk de verwerving van effecten op de kapitaalmarkt met uitsluitend doel te beleggen zonder invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming te willen uitoefenen (zie arrest van 21 oktober 2010, Idryma Typou, C‑81/09, EU:C:2010:622, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 In het hoofdgeding staat echter vast dat de onderneming die tot collectief ontslag wil overgaan, een bedrijf is waarin een in een andere lidstaat gevestigde multinationale groep van ondernemingen een meerderheidsbelang heeft, waardoor die groep een zodanige invloed op de besluiten van die onderneming kan uitoefenen dat hij de activiteiten ervan kan bepalen. Vast staat ook dat een dergelijk geval onder de vrijheid van vestiging valt, zoals in punt 47 van het onderhavige arrest is uiteengezet. Gesteld dat de regeling waarop het hoofdgeding betrekking heeft het vrije verkeer van kapitaal beperkt, dan is dat in het kader van een dergelijke zaak het onvermijdelijke gevolg van een eventuele belemmering van de vrijheid van vestiging en rechtvaardigt dat geen afzonderlijke toetsing aan artikel 63 VWEU (zie in die zin arresten van 26 maart 2009, Commissie/Italië, C‑326/07, EU:C:2009:193, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 november 2012, Commissie/Griekenland, C‑244/11, EU:C:2012:694, punt 30).
60 Bijgevolg hoeft de regeling aan de orde in het hoofdgeding niet afzonderlijk te worden getoetst aan de regels van het VWEU over het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 21 december 2016, C‑201/15 (AGET Iraklis)
Artikel 63 VwEU heeft rechtstreekse werking
"89 Ook het vrije verkeer van werknemers, het vrij verrichten van diensten en het vrije kapitaalverkeer zoals gewaarborgd in respectievelijk de artikelen 45, 56 en 63 VWEU maken deel uit van de openbare orde van de Unie. Ook deze drie bepalingen, die als enige in het hoofdgeding aan de orde zijn, hebben rechtstreekse werking (zie met betrekking tot artikel 45 VWEU arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en met betrekking tot artikel 63 VWEU arrest van 10 maart 2022, Grossmania, C‑177/20, EU:C:2022:175, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zij maken deel uit van de fundamenten van de interne markt, die een ruimte zonder binnengrenzen omvat in de zin van artikel 26 VWEU."
HvJ EU 1 augustus 2025, C‑600/23 (Royal Football Club Seraing SA)
Bestaan van objectief vergelijkbare situaties
"45 Uit de rechtspraak van het Hof volgt, ten eerste, dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het doel dat wordt nagestreefd met de in het geding zijnde nationale wettelijke regeling, alsook van het voorwerp en de inhoud daarvan, en ten tweede, dat alleen de criteria die in die regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking mogen worden genomen om te beoordelen of het uit een dergelijke wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling van objectief verschillende situaties vormt (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Keva e.a., C‑39/23, EU:C:2024:648, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of XX vergelijkbaar is met een ingezeten vennootschap die dividenden ontvangt vanuit het oogpunt van de kosten die volgen uit de toename van verplichtingen jegens cliënten uit hoofde van unit-linked polissen die het gevolg is van het feit dat de vennootschappen in de aandelen waarvan XX heeft belegd, winst behalen.
47 Er dient te worden opgemerkt dat de verwijzende rechter niet aangeeft welke specifieke doelstelling de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Nederlandse wettelijke regeling nastreeft door een ingezeten vennootschap die overeenkomsten zoals in het hoofdgeding heeft gesloten de mogelijkheid te bieden om de kosten die volgen uit de toename van haar verplichtingen jegens cliënten in mindering te brengen op het belastbare bedrag. Hij vermeldt slechts dat het hierbij gaat om de aftrek van gemaakte kosten.
48 Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat ingezetenen en niet-ingezetenen van een lidstaat in een vergelijkbare situatie verkeren met betrekking tot uitgaven zoals beroepskosten die rechtstreeks verband houden met een activiteit die in die lidstaat belastbaar inkomen heeft gegenereerd (zie onder meer arresten van 24 februari 2015, Grünewald, C‑559/13, EU:C:2015:109, punt 29; 8 november 2012, Commissie/Finland, C‑342/10, EU:C:2012:688, punt 37; 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 57, en 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 74).
49 Volgens de rechtspraak van het Hof is er sprake van een rechtstreeks verband met de betrokken activiteit wanneer wegens deze activiteit kosten worden gemaakt, die dus noodzakelijk zijn voor de uitoefening ervan (arresten van 24 februari 2015, Grünewald, C‑559/13, EU:C:2015:109, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland, C‑18/15, EU:C:2016:549, punt 46, en 6 december 2018, Montag, C‑480/17, EU:C:2018:987, punt 33).
50 Het Hof heeft geoordeeld dat er in het geval van inkomsten in de vorm van dividenden van een dergelijk verband slechts sprake is indien die kosten rechtstreeks samenhangen met de inning als zodanig van de dividenden (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punten 58 en 59)."
HvJ 7 november 2024, C‑782/22 (XX - Belastingdienst)
"56 Uit de rechtspraak van het Hof volgt ten eerste dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het doel dat wordt nagestreefd met de bepalingen van de betrokken nationale regeling, alsook van het voorwerp en de inhoud van die bepalingen, en ten tweede, dat alleen de criteria die in die regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking mogen worden genomen om te beoordelen of het uit die regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling van objectief verschillende situaties vormt (arrest van 30 april 2025, Finanzamt für Großbetriebe, C‑602/23, EU:C:2025:290, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...).
64 Ten slotte houdt de door de Duitse regering aangevoerde doelstelling om uitsluitend aan ingezeten familiestichtingen een voordeel toe te kennen op grond dat alleen hun vermogen, anders dan dat van niet-ingezeten stichtingen, onderworpen is aan een periodieke belasting in de vorm van een vervangende erfbelasting, noodzakelijkerwijs en nauw verband met de oprichting van nationale familiestichtingen, zodat artikel 63, lid 1, VWEU – dat beperkingen van grensoverschrijdend kapitaalverkeer juist verbiedt – volledig zou worden uitgehold indien zou worden erkend dat bepaalde situaties niet met elkaar kunnen worden vergeleken op grond van het enkele feit dat een stichting in een andere staat is gevestigd [zie in die zin arresten van 26 februari 2019, X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd), C‑135/17, EU:C:2019:136, punt 68; 9 september 2021, Real Vida Seguros, C‑449/20, EU:C:2021:721, punt 36, en 12 oktober 2023, BA (Nalatenschappen – Beleid voor sociale huisvesting in de Unie), C‑670/21, EU:C:2023:763, punt 64].
65 Hieruit volgt dat het verschil in behandeling dat wordt gemaakt door de regeling die aan de orde is in het hoofdgeding, betrekking heeft op situaties die objectief vergelijkbaar zijn."
HvJ EU 13 november 2025, C‑142/24 (Familiestiftung - Finanzamt Köln-West)
Gelijke behandeling van binnenlandse en buitenlandse investeringen
"34 Vervolgens wordt deze winst in beide gevallen in Portugal belast. Voor zover de Portugese regering zich erop beroept dat belastingplichtigen die hun kapitaal hebben geïnvesteerd in aandelen die op buitenlandse beurzen zijn genoteerd, de in het buitenland op de dividenden daarvan betaalde belasting kunnen aftrekken van de in Portugal geheven belasting, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de situatie van een belastingplichtige die dividenden ontvangt uit een andere lidstaat, ten aanzien van een belastingregel die ertoe strekt economische dubbele belasting van winstuitkeringen te voorkomen of te verminderen, in zoverre met die van een belastingplichtige die binnenlandse dividenden ontvangt vergelijkbaar is dat de winst in beginsel in beide gevallen opeenvolgende keren kan worden belast (zie in die zin arrest van 24 november 2016, SECIL, C‑464/14, EU:C:2016:896, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De mogelijkheid voor belastingplichtigen die hun kapitaal hebben geïnvesteerd in aandelen die op buitenlandse beurzen zijn genoteerd om de in het buitenland op de dividenden daarvan betaalde belasting af te trekken van de in Portugal geheven belasting, gesteld al dat die mogelijkheid wordt aangetoond, kan deze belastingplichtigen dus niet in een andere situatie brengen dan belastingplichtigen die hun kapitaal hebben geïnvesteerd in aandelen die op de Portugese beurs zijn genoteerd.
35 Ten slotte blijkt zowel uit de verwijzingsbeslissing als uit de schriftelijke opmerkingen van de Portugese regering dat het belastingvoordeel voor belastingplichtigen die hun kapitaal hebben geïnvesteerd in aandelen die op de Portugese beurs zijn genoteerd, tot doel had de Portugese beurs dynamischer te maken en te ontwikkelen.
36 Aangezien een dergelijke doelstelling, zoals blijkt uit de overwegingen in de punten 22 en 23 van het onderhavige arrest, noodzakelijkerwijs en nauw samenhangt met de bevordering van binnenlandse investeringen, zou artikel 63, lid 1, VWEU, dat beperkingen van het grensoverschrijdende kapitaalverkeer juist verbiedt, volledig worden uitgehold indien werd erkend dat een investering in aandelen die op de Portugese beurs zijn genoteerd belastingplichtigen in een andere situatie plaatst dan belastingplichtigen die hebben geïnvesteerd in aandelen die op buitenlandse beurzen zijn genoteerd [zie naar analogie arrest van 26 februari 2019, X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd), C‑135/17, EU:C:2019:136, punt 68]."
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
"61 In dit verband zij eraan herinnerd dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor de dividenden die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van de ingezeten belastingplichtigen (arresten van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 67, en 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Het enkele feit dat die lidstaat zijn fiscale bevoegdheid uitoefent, brengt immers als zodanig, los van enige heffing van belasting in een andere lidstaat, een risico van opeenvolgende belastingheffingen of economische dubbele belasting mee. In een dergelijk geval dient de lidstaat van vestiging van de uitkerende vennootschap ervoor te zorgen dat niet-ingezeten belastingplichtigen, wat de in zijn nationale recht vervatte regeling ter voorkoming of vermindering van opeenvolgende belastingheffingen of economische dubbele belasting betreft, een behandeling ondergaan die vergelijkbaar is met die van ingezeten belastingplichtigen opdat zij niet worden geconfronteerd met een in beginsel door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer (arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 Ingeval de verwijzende rechter van oordeel is dat een niet-ingezeten vennootschap in een situatie verkeert die objectief vergelijkbaar is met die van een ingezeten vennootschap, moet volgens de in punt 44 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak nog worden onderzocht of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verschil in behandeling in voorkomend geval kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang."
HvJ 7 november 2024, C‑782/22 (XX - Belastingdienst)
Beoordeling vergelijkbaarheid binnenlandse en grensoverschrijdende investeringen
"44 Uit de rechtspraak van het Hof volgt, ten eerste, dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het doel dat wordt nagestreefd met de in het geding zijnde nationale wettelijke regeling, alsook van het voorwerp en de inhoud daarvan, en ten tweede, dat alleen de criteria die in die regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking mogen worden genomen om te beoordelen of het uit een dergelijke wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling van objectief verschillende situaties vormt [arresten van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door icbe’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 49, en 7 november 2024, XX (Zogeheten unit-linked overeenkomsten), C‑782/22, EU:C:2024:932, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
45 Daarom heeft het Hof geoordeeld dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor de dividenden die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van ingezeten belastingplichtigen [arresten van 12 december 2006, Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, C‑374/04, EU:C:2006:773, punt 68, en 19 december 2024, Credit Suisse Securities (Europe), C‑601/23, EU:C:2024:1048, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 27 november 2025, C‑525/24 (Santander Renta Variable España Pensiones, Fondo de Pensiones)
Het begrip 'kapitaalverkeer'
"41 In dit verband blijkt uit de nomenclatuur van de kapitaalbewegingen in bijlage I bij richtlijn 88/361 – die nog steeds indicatieve waarde heeft om het begrip „kapitaalverkeer” te definiëren (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 31) – dat de materiële werkingssfeer van deze vrijheid ziet op verrichtingen die betrekking hebben op tegoeden of verplichtingen in nationale of buitenlandse valuta’s, waaronder het verstrekken van leningen of het schenken van geldsommen."
HvJ EU 7 september 2023, C‑15/22 (RF)
"15 Wat voorts het vrije verkeer van kapitaal betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof, nu het VWEU geen definitie van het begrip „kapitaalverkeer” bevat, heeft erkend dat de nomenclatuur in de bijlage bij richtlijn 88/361 indicatieve waarde heeft, ook al is deze vastgesteld op basis van de artikelen 69 en 70, lid 1, EEG-Verdrag (de artikelen 67 tot en met 73 EEG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 73 B tot en met 73 G EG-Verdrag, nadien de artikelen 56 EG tot en met 60 EG), waarbij de lijst die zij bevat, zoals in de inleiding te kennen wordt gegeven, niet uitputtend is (zie arresten van 23 februari 2006, Van Hilten-van der Heijden, C‑513/03, Jurispr. blz. I‑1957, punt 39; 14 september 2006, Centro di Musicologia Walter Stauffer, C‑386/04, Jurispr. blz. I‑8203, punt 22; 11 september 2008, Eckelkamp e.a., C‑11/07, Jurispr. blz. I‑6845, punt 38; 11 september 2008, Arens‑Sikken, C‑43/07, Jurispr. blz. I‑6887, punt 29, en 22 april 2010, Mattner, C‑510/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 19)."
HvJ EU 10 februari 2011, C-25/11 (Missionswerk Werner Heukelbach eV)
"25 Met betrekking tot artikel 63 VWEU is het vaste rechtspraak dat, aangezien het Verdrag geen definitie bevat van het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van lid 1 van dat artikel, de nomenclatuur in bijlage I bij richtlijn 88/361 een indicatieve waarde behoudt, ook al is deze richtlijn vastgesteld op basis van de artikelen 69 en 70, lid 1, EEG-Verdrag (de artikelen 67 tot en met 73 EEG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 73 B tot en met 73 G EG-Verdrag, later de artikelen 56 EG tot en met 60 EG), waarbij de nomenclatuur die zij bevat, zoals in de derde alinea van de inleiding van deze bijlage te kennen wordt gegeven, het begrip „kapitaalverkeer” geenszins beperkt (zie met name arresten van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, Jurispr. blz. I‑359, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, Jurispr. blz. I‑8591, punt 39; 15 oktober 2009, Busley en Cibrian Fernandez, C‑35/08, Jurispr. blz. I‑9807, punt 17, en 10 februari 2011, Missionswerk Werner Heukelbach, C‑25/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 15).
26 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat schenkingen en nalatenschappen, die onder rubriek XI („Kapitaalverkeer van persoonlijke aard”) van bijlage I bij richtlijn 88/361 vallen, kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU vormen, tenzij alle bestanddelen binnen één lidstaat gelegen zijn (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Persche, punt 27; Busley en Cibrian Fernandez, punt 18, en Missionswerk Werner Heukelbach, punt 16).
27 Bijgevolg valt de overdracht van in Duitsland gelegen onroerende goederen als gift of als voorschot op het erfdeel ten gunste van een in België wonende natuurlijke persoon onder artikel 63 VWEU."
HvJ EU 31 maart 2011, nr. C-450/09 (Schröder)
“47 Wat in de eerste plaats het bestaan van kapitaalverkeer betreft, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat, bij het ontbreken van een definitie van het begrip „kapitaalverkeer” in het VWEU, dit begrip moet worden verstaan in het licht van de indicatieve en niet-uitputtende nomenclatuur in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van [het bij het Verdrag van Amsterdam] ingetrokken artikel 67 van het [EG‑Verdrag] (PB 1988, L 178, blz. 5) [arresten van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, EU:C:2009:33, punt 24, en 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 54].
48 Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat schenkingen en nalatenschappen, die onder rubriek XI („Kapitaalverkeer van persoonlijke aard”) van deze bijlage I vallen, onder het begrip „kapitaalverkeer” vallen, tenzij alle essentiële bestanddelen binnen één lidstaat gelegen zijn (zie in die zin arresten van 26 april 2012, Van Putten, C‑578/10–C‑580/10, EU:C:2012:246, punt 29, en 16 juli 2015, Commissie/Frankrijk, C‑485/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:506, punt 22).
49 Voorts omvat dit begrip door niet-ingezetenen aan ingezetenen verstrekte financiële leningen en kredieten en door niet-ingezetenen aan ingezetenen verleende borgstellingen en andere garanties, zoals opgesomd in de rubrieken VIII en IX van deze bijlage I.”
HvJ EU 18 juni 2020, C‑78/18 (Europese Commissie - Zweden)
"32 Aangezien het Verdrag geen definitie van het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU bevat, heeft het Hof de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van [het bij het Verdrag van Amsterdam ingetrokken] artikel 67 van het [EG-]Verdrag (PB 1988, L 178, blz. 5) als indicatie genomen. Zo heeft het Hof geoordeeld dat van kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU met name sprake is bij de zogenoemde „directe” investeringen, te weten investeringen in de vorm van een deelneming in een onderneming door aandeelhouderschap die de mogelijkheid biedt om daadwerkelijk deel te hebben in het bestuur van of de zeggenschap over een vennootschap (arrest van 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12–C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Aangezien directe investeringen gericht zijn op de vestiging of de handhaving van duurzame en rechtstreekse betrekkingen tussen de kapitaalverschaffer en de onderneming waarvoor de desbetreffende middelen bestemd zijn, moeten de aandeelhouders de mogelijkheid hebben daadwerkelijk deel te hebben in het bestuur van of de zeggenschap over deze onderneming (zie in die zin arrest van 10 november 2011, Commissie/Portugal, C‑212/09, EU:C:2011:717, punt 43).
34 Derhalve valt de verwerving van een deelneming in het kapitaal van een financiële beleggingsmaatschappij zoals aan de orde in het hoofdgeding, met name voor zover die gepaard gaat met stemrechten die overeenkomen met het percentage van die verwerving, onder het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU.”
HvJ EU 16 september 2020, C‑339/19 (Romenergo en Aris Capital)
"17 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld met betrekking tot een bruikleen die is overeengekomen tussen in verschillende lidstaten woonachtige burgers, gaat het bij het grensoverschrijdend lenen om niet van een motorvoertuig om kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU (arrest van 29 oktober 2015, Nagy, C‑583/14, EU:C:2015:737, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 Aangezien artikel 63 VWEU van toepassing is en in bijzondere discriminatieverboden voorziet, vindt artikel 18 VWEU dus geen toepassing (arrest van 29 oktober 2015, Nagy, C‑583/14, EU:C:2015:737, punt 24)."
HvJ EU 16 december 2021, C‑274/20 (GN en WX)
"40 Het kapitaalverkeer omvat namelijk handelingen waarmee niet-ingezetenen op het grondgebied van een lidstaat in onroerend goed beleggen, zoals blijkt uit de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het EG-Verdrag (PB 1988, L 178, blz. 5). Deze nomenclatuur behoudt voor de definitie van het begrip kapitaalverkeer de indicatieve waarde die zij voorheen reeds bezat (arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 7 april 2022, C‑342/20 (A SCPI)
"27 Aangezien het VWEU geen definitie van het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU bevat, heeft het Hof voor die definitie de nomenclatuur van kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361 als indicatie genomen, met dien verstande dat deze nomenclatuur niet uitputtend is, zoals in herinnering gebracht in de inleiding van die bijlage (arresten van 15 februari 2017, X, C‑317/15, EU:C:2017:119, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 september 2020, Romenergo en Aris Capital, C‑339/19, EU:C:2020:709, punt 32).
28 Deze bijlage I vermeldt in rubriek VI „verrichtingen in rekeningen-courant en depositorekeningen bij financiële instellingen” en in rubriek VIII „financiële leningen en kredieten”. Voorts wordt in het onderdeel „Verklarende aantekeningen” van deze bijlage nader bepaald dat de term „kredietinstellingen” onder meer duidt op banken.
29 Ten slotte heeft het Hof reeds verduidelijkt dat het bedrijfsmatig verstrekken van kredieten ook verband houdt met de vrijheid van kapitaalverkeer (zie in die zin arresten van 3 oktober 2006, Fidium Finanz, C‑452/04, EU:C:2006:631, punt 43, en 14 februari 2019, Milivojević, C‑630/17, EU:C:2019:123, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Gelet op voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat financiële leningen en kredieten alsook verrichtingen in rekeningen-courant en depositorekeningen bij financiële instellingen, in het bijzonder kredietinstellingen, kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU vormen."
HvJ EU 2 maart 2023, C‑78/21 (AS „PrivatBank”, A, B, Unimain Holdings LTD)
Bestaan van objectief vergelijkbare situaties
45 Uit de rechtspraak van het Hof volgt, ten eerste, dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het doel dat wordt nagestreefd met de in het geding zijnde nationale wettelijke regeling, alsook van het voorwerp en de inhoud daarvan, en ten tweede, dat alleen de criteria die in die regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking mogen worden genomen om te beoordelen of het uit een dergelijke wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling van objectief verschillende situaties vormt (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Keva e.a., C‑39/23, EU:C:2024:648, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of XX vergelijkbaar is met een ingezeten vennootschap die dividenden ontvangt vanuit het oogpunt van de kosten die volgen uit de toename van verplichtingen jegens cliënten uit hoofde van unit-linked polissen die het gevolg is van het feit dat de vennootschappen in de aandelen waarvan XX heeft belegd, winst behalen.
47 Er dient te worden opgemerkt dat de verwijzende rechter niet aangeeft welke specifieke doelstelling de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Nederlandse wettelijke regeling nastreeft door een ingezeten vennootschap die overeenkomsten zoals in het hoofdgeding heeft gesloten de mogelijkheid te bieden om de kosten die volgen uit de toename van haar verplichtingen jegens cliënten in mindering te brengen op het belastbare bedrag. Hij vermeldt slechts dat het hierbij gaat om de aftrek van gemaakte kosten.
48 Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat ingezetenen en niet-ingezetenen van een lidstaat in een vergelijkbare situatie verkeren met betrekking tot uitgaven zoals beroepskosten die rechtstreeks verband houden met een activiteit die in die lidstaat belastbaar inkomen heeft gegenereerd (zie onder meer arresten van 24 februari 2015, Grünewald, C‑559/13, EU:C:2015:109, punt 29; 8 november 2012, Commissie/Finland, C‑342/10, EU:C:2012:688, punt 37; 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 57, en 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 74).
49 Volgens de rechtspraak van het Hof is er sprake van een rechtstreeks verband met de betrokken activiteit wanneer wegens deze activiteit kosten worden gemaakt, die dus noodzakelijk zijn voor de uitoefening ervan (arresten van 24 februari 2015, Grünewald, C‑559/13, EU:C:2015:109, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland, C‑18/15, EU:C:2016:549, punt 46, en 6 december 2018, Montag, C‑480/17, EU:C:2018:987, punt 33).
50 Het Hof heeft geoordeeld dat er in het geval van inkomsten in de vorm van dividenden van een dergelijk verband slechts sprake is indien die kosten rechtstreeks samenhangen met de inning als zodanig van de dividenden (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punten 58 en 59)."
HvJ 7 november 2024, C‑782/22 (XX - Belastingdienst)
Wat valt niet onder het begrip kapitaalverkeer: uitkeringen met als juridische basis de ACS-EEG-Overeenkomst
"44 In dit verband zij eraan herinnerd dat het juist is dat het Hof in punt 38 van het arrest van 2 maart 1994, Parlement/Raad (C‑316/91, EU:C:1994:76), heeft geoordeeld dat de staten de uitgaven die noodzakelijk zijn voor de financiële steun als bedoeld in artikel 231 van de vierde ACS-EEG-Overeenkomst en artikel 1 van het aan die overeenkomst gehechte financieel protocol rechtstreeks voor hun rekening nemen.
45 In datzelfde punt heeft het Hof evenwel een onderscheid gemaakt tussen het ten laste nemen van die uitgaven door de lidstaten en de verdeling van de steun die dit mogelijk beoogt te maken, aangezien het Hof heeft beklemtoond dat die steun niet werd verdeeld door die staten, maar door het 7e EOF. Voorts heeft het Hof in punt 29 van dat arrest opgemerkt dat het feit dat de vierde ACS-EEG-Overeenkomst was gesloten door zowel de Europese Economische Gemeenschap als de lidstaten, deze – onder voorbehoud van afwijkingen waarin uitdrukkelijk was voorzien – jegens de ACS-staten gezamenlijk aansprakelijk waren voor de nakoming van alle verplichtingen die voortvloeiden uit de aangegane verbintenissen, waaronder die welke betrekking hadden op de financiële steun. Zoals blijkt uit de punten 30 tot en met 32 van voornoemd arrest, wordt in de vierde ACS-EEG-Overeenkomst dan ook weliswaar de uitdrukking „financiële steun van de Gemeenschap” gebezigd, maar moet deze uitdrukking in de context van die overeenkomst worden opgevat als een verwijzing naar de Europese Economische Gemeenschap en haar lidstaten samen.
46 In de punten 33 tot en met 37 van datzelfde arrest heeft het Hof daaruit afgeleid dat de steun die door het 7e EOF werd uitgekeerd, tot doel had de in artikel 231 van de vierde ACS-EEG-Overeenkomst genoemde verplichting tot het verlenen van financiële steun na te komen die op de Gemeenschap en de lidstaten gezamenlijk rustte, maar die de lidstaten vrijwillig hadden besloten op zich te nemen, hetgeen de reden was waarom zij het 7e EOF hadden ingesteld.
47 Gelet op het voorgaande moet dus worden geoordeeld dat de lidstaten weliswaar rechtstreeks de voor de financiële steun noodzakelijke uitgaven en, meer in het algemeen, de kapitaalvoorziening van het 7e EOF voor hun rekening nemen, maar dat de verdeling van die steun door dit fonds niet moet worden geacht te gebeuren door de lidstaten, maar door een entiteit die bij intergouvernementele overeenkomst is opgericht om in de plaats van de Unie en de lidstaten de verplichtingen op zich te nemen die zij bij de bekrachtiging van een gemengde internationale overeenkomst gezamenlijk zijn aangegaan.
48 Derhalve moet worden vastgesteld dat de kapitaalbeweging waarmee de verdeling van financiële steun door het 7e EOF gepaard gaat, geen kapitaalbeweging is die plaatsvindt tussen lidstaten of tussen een lidstaat en een derde land, maar wel tussen die entiteit en – in beginsel – een derde land, zodat zij niet binnen de werkingssfeer van het vrije kapitaalverkeer kan vallen.
49 Hetzelfde geldt voor de verdeling van financiële steun door het 9e EOF, aangezien de bepalingen van de Overeenkomst van Cotonou en het intern akkoord betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van de Overeenkomst van Cotonou op dit punt overeenkomen met de hierboven genoemde bepalingen."
HvJ EU 7 september 2023, C‑15/22 (RF)
Wat valt niet onder het kapitaalverkeer: Te onzekere en te indirecte beperkingen van het kapitaalverkeer
"50 Overigens moet, zelfs indien de belastingpraktijk in kwestie binnen de werkingssfeer van het vrije verkeer van kapitaal zou vallen, in herinnering worden gebracht dat het vaste rechtspraak is dat wanneer de mogelijkerwijs uit een nationale maatregel voortvloeiende beperkingen te onzeker en indirect zijn, deze beperkingen niet kunnen worden geacht een van de verkeersvrijheden te belemmeren (zie naar analogie arrest van 27 oktober 2022, Instituto do Cinema e do Audiovisual, C‑411/21, EU:C:2022:836, punt 29). Een belastingpraktijk als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, kan geen zekere en rechtstreekse negatieve invloed hebben op de door het 7e of het 9e EOF toegekende financieringen.
51 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat een belastingpraktijk als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet onder het in artikel 63, lid 1, VWEU bedoelde vrije verkeer van kapitaal valt."
HvJ EU 7 september 2023, C‑15/22 (RF)
Kapitaalverkeer betreft een beweging tussen (1) EU-Lidstaten of (2) een EU-Lidstaat en een derde Staat
"43 Uit de bewoordingen van artikel 63, lid 1, VWEU blijkt dat voor de toepassing van het vrije kapitaalverkeer een beweging tussen lidstaten of tussen een lidstaat en een derde land vereist is."
HvJ EU 7 september 2023, C‑15/22 (RF)
Het onderscheid tussen het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging
"34 Aangezien in de prejudiciële vraag wordt verwezen naar zowel de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging als de bepalingen van dat Verdrag die betrekking hebben op het vrije verkeer van kapitaal, moet worden vastgesteld welke vrijheid in het hoofdgeding van toepassing is (arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat bij de beantwoording van de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening moet worden gehouden met het voorwerp van de regeling in kwestie (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Wanneer op basis van het voorwerp van die regeling niet kan worden uitgemaakt of zij overwegend onder artikel 49 VWEU dan wel onder artikel 63 VWEU valt, houdt het Hof rekening met de feitelijke gegevens van het concrete geval om uit te maken of de situatie waarop het hoofdgeding betrekking heeft, onder de ene of de andere van die bepalingen valt (arrest van 11 juni 2020, KOB, C‑206/19, EU:C:2020:463, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Voorts onderzoekt het Hof, wanneer een nationale maatregel zowel verband houdt met de vrijheid van vestiging als met het vrije verkeer van kapitaal, de betrokken maatregel in beginsel uit het oogpunt van slechts één van deze twee vrijheden, indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (zie naar analogie arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 In casu heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling betrekking op de vrijstelling voor beleggingsfondsen die rechtens bij overeenkomst zijn opgericht en hoofdzakelijk beleggen in vastgoed en waardepapieren met betrekking tot vastgoed.
39 Wat in de eerste plaats vastgoedinvesteringen betreft, is het vaste rechtspraak dat nationale maatregelen die verband houden met handelingen waarmee niet-ingezetenen dergelijke investeringen op het grondgebied van een lidstaat doen, zowel onder artikel 49 VWEU betreffende de vrijheid van vestiging als onder artikel 63 VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal kunnen vallen (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 29).
40 Het kapitaalverkeer omvat namelijk handelingen waarmee niet-ingezetenen op het grondgebied van een lidstaat in onroerend goed beleggen, zoals blijkt uit de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het EG-Verdrag (PB 1988, L 178, blz. 5). Deze nomenclatuur behoudt voor de definitie van het begrip kapitaalverkeer de indicatieve waarde die zij voorheen reeds bezat (arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Verder leidt de uitoefening van het recht om op het grondgebied van een andere lidstaat onroerende goederen te verwerven, te exploiteren en te vervreemden, dat het noodzakelijke complement van de vrijheid van vestiging is, tot kapitaalverkeer (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 30 en aangehaalde rechtspraak).
42 Niettemin kunnen de regels inzake het recht van vestiging in beginsel slechts worden toegepast indien een permanente aanwezigheid in de lidstaat van ontvangst verzekerd is en, in het geval van verwerving en bezit van onroerende goederen, deze goederen actief worden beheerd (arrest van 14 september 2006, Centro di Musicologia Walter Stauffer, C‑386/04, EU:C:2006:568, punt 19).
43 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat A in Finland niet beschikt over bedrijfsruimten of enige andere vestiging van waaruit zij haar vastgoedinvesteringen in Finland, al was het maar gedeeltelijk, zou beheren of daarover beslissingen zou nemen.
44 Wat in de tweede plaats deelnemingen in kapitaalvennootschappen betreft, volgt uit de vaste rechtspraak van het Hof dat de fiscale behandeling van dividenden die door dergelijke vennootschappen worden uitgekeerd, niet alleen onder artikel 63 VWEU, maar ook onder artikel 49 VWEU kunnen vallen (zie in die zin arrest van 20 september 2018, EV, C‑685/16, EU:C:2018:743, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 In dit opzicht is reeds geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een duidelijke invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend en waarmee de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder artikel 49 VWEU, betreffende de vrijheid van vestiging, valt. Nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen, zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de onderneming uit te oefenen, dienen daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal te worden getoetst (arrest van 13 maart 2014, Bouanich, C‑375/12, EU:C:2014:138, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Zoals in punt 38 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling betrekking op de fiscale behandeling van inkomsten uit vastgoedinvesteringen van instellingen voor collectieve belegging.
47 Die regeling sluit situaties die onder de vrijheid van vestiging vallen niet uit van haar werkingssfeer, maar ziet op investeringen die als belegging worden gedaan zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de onderneming uit te oefenen. Zij kan het vrije verkeer van kapitaal derhalve aanzienlijk aantasten. Eventuele beperkingen van de vrijheid van vestiging ten gevolge van die regeling zouden een onvermijdelijk gevolg zijn van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal en rechtvaardigen dus geen autonome toetsing van die regeling aan artikel 49 VWEU (zie in die zin arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Gelet op het voorgaande moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregel uitsluitend worden getoetst aan de artikelen 63 en 65 VWEU."
HvJ EU 7 april 2022, C‑342/20 (A SCPI)
Exploitatie van grond als kapitaalverkeer
"23 Volgens vaste rechtspraak moet in dit kader rekening worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie (zie in die zin arresten van 13 maart 2014, Bouanich, C‑375/12, EU:C:2014:138, punt 27, en 3 maart 2020, Tesco-Global Áruházak, C‑323/18, EU:C:2020:140, punten 50 en 51).
24 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat KOB landbouwgrond in Letland wenst te verwerven om die te exploiteren. Ook blijkt eruit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet alleen betrekking heeft op de verwerving van landbouwgrond in Letland, maar ook de duurzame exploitatie ervan ten behoeve van de landbouw beoogt te waarborgen.
25 Op basis van het voorwerp van deze regeling kan dus niet worden uitgemaakt of zij overwegend onder artikel 49 VWEU dan wel onder artikel 63 VWEU valt. In een dergelijk geval houdt het Hof rekening met de feitelijke gegevens van het concrete geval om uit te maken of de situatie waarop het hoofdgeding betrekking heeft, onder de ene of de andere van deze bepalingen valt (zie naar analogie arrest van 13 maart 2014, Bouanich, C‑375/12, EU:C:2014:138, punt 30).
26 In het onderhavige geval blijkt uit de verwijzingsbeslissing en het aan het Hof overgelegde dossier dat de feitelijke situatie van het hoofdgeding wordt gekenmerkt door het feit dat een handelsvennootschap ten behoeve van de uitoefening van haar landbouwactiviteit geen landbouwgrond in Letland mag verwerven zolang haar vertegenwoordiger en haar vennoten niet hebben aangetoond dat zij hun verblijfplaats hebben in die lidstaat en de Letse taal op een bepaald niveau beheersen.
27 Een dergelijke situatie valt, anders dan andere situaties waarvan het Hof heeft geoordeeld dat die overwegend onder de vrijheid van kapitaalverkeer vielen (zie onder meer arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punten 58 en 59), in de eerste plaats onder de vrijheid van vestiging.
28 Bijgevolg moet een nationale wettelijke regeling zoals aan de orde in het hoofdgeding, overeenkomstig de in punt 22 in herinnering gebrachte rechtspraak, uitsluitend uit het oogpunt van de laatstgenoemde vrijheid worden onderzocht."
HvJ EU 11 juni 2020, C‑206/19 („KOB” SIA)
"99 Volgens artikel 63, lid 1, VWEU zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.
100 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak, aangezien het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU niet is gedefinieerd in het VWEU, het Hof indicatieve waarde heeft toegekend aan de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het [(bij het Verdrag van Amsterdam ingetrokken EG-]Verdrag (PB 1988, L 178, blz. 5) (arresten van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, EU:C:2009:33, punt 24; 10 november 2011, Commissie/Portugal, C‑212/09, EU:C:2011:717, punt 47, en 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12–C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 40).
101 Zo heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU met name bestaat in de zogenoemde „directe” investeringen, te weten investeringen in de vorm van een deelneming in een onderneming door aandeelhouderschap, die de mogelijkheid biedt om daadwerkelijk deel te hebben in het bestuur van en de zeggenschap over een vennootschap, alsmede de zogenoemde „portefeuillebeleggingen”, te weten investeringen in de vorm van de verwerving van effecten op de kapitaalmarkt met uitsluitend doel te beleggen, zonder invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming te willen uitoefenen [arresten van 11 november 2011, Commissie/Portugal, C‑543/08, EU:C:2010:669, punt 46; 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12 – C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 40, en 26 februari 2019, X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd), C‑135/17, EU:C:2019:136, point 26].
102 Ten aanzien van deze twee investeringsvormen heeft het Hof gepreciseerd dat nationale maatregelen die het verwerven van aandelen in de betrokken ondernemingen kunnen blokkeren of beperken, of investeerders uit andere lidstaten ervan kunnen weerhouden in die ondernemingen te investeren, moeten worden aangemerkt als „beperkingen” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (arresten van 21 oktober 2010, Idryma Typou, C‑81/09, EU:C:2010:622, punt 55; 10 november 2011, Commissie/Portugal, C‑212/09, EU:C:2011:717, punt 48, en 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12 – C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 41)."
HvJ EU 16 juli 2020, zaak C‑686/18 (O.C. e.a.)
Successies/nalatenschappen/legaten vallen binnen de reikwijdte van artikel 63 VwEU
"28 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling alsmede tussen lidstaten en derde landen.
29 Zoals uit de rechtspraak blijkt, vallen successies, die hierin bestaan dat een of meerdere personen de nalatenschap van een overledene verkrijgen, dat wil zeggen in de overdracht aan de erfgenamen van de eigendom van de verschillende goederen, rechten en elementen waaruit het betrokken vermogen bestaat, onder de bepalingen van het VWEU betreffende het kapitaalverkeer, in het bijzonder artikel 63 VWEU, tenzij alle constituerende delen ervan binnen één lidstaat gelegen zijn [zie in die zin arresten van 23 februari 2006, Van Hilten-Van der Heijden, C‑513/03, EU:C:2006:131, punt 41; 21 december 2021, Finanzamt V (Erfopvolging – Beperkte belastingplicht en aftrek van legitieme porties), C‑394/20, EU:C:2021:1044, punt 29, en 12 oktober 2023, BA (Nalatenschappen – Beleid voor sociale huisvesting in de Unie), C‑670/21, EU:C:2023:763, punt 38]."
HvJ EU 30 oktober 2025, C‑373/24 [Ramavić](NI – Kroatië)
"46 Uit de rechtspraak van het Hof inzake erfopvolging blijkt dat een regeling van een lidstaat die de toepassing van een belastingvoordeel op het gebied van nalatenschappen, zoals een belastingvrijstelling, laat afhangen van de woonplaats van de erflater of de begunstigde dan wel van de plaats van de goederen die deel uitmaken van de nalatenschap, een beperking vormt van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU wanneer zij tot gevolg heeft dat nalatenschappen waarbij niet-ingezetenen of in een andere lidstaat gelegen goederen zijn betrokken zwaarder worden belast dan nalatenschappen waarbij alleen ingezetenen zijn betrokken of die alleen in de lidstaat van belastingheffing gelegen goederen omvat, en derhalve leidt tot een waardevermindering van de nalatenschap (arrest van 30 juni 2016, Feilen, C‑123/15, EU:C:2016:496, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Het Hof heeft voorts geoordeeld dat een regeling die bepaalt dat legaten aan bepaalde op het nationale grondgebied gevestigde rechtspersonen zonder winstoogmerk fiscaal gunstiger worden behandeld dan legaten aan soortgelijke entiteiten die in andere lidstaten van de Unie of de EER zijn gevestigd, tot gevolg heeft dat de waarde van goederen die worden nagelaten aan rechtspersonen zonder winstoogmerk die in lidstaten van de Unie of de EER zijn gevestigd, wordt verminderd, en dat zij dus een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU vormt (zie in die zin arrest van 4 mei 2017, Commissie/Griekenland, C‑98/16, EU:C:2017:346, punten 32, 33 en 35).
48 Gelet op de in de punten 46 en 47 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet worden geoordeeld dat de beperkingen op het kapitaalverkeer in de zin van artikel 40 van de EER-Overeenkomst, wat betreft de overdracht van vermogen aan een familiestichting, die gelijkgesteld wordt met een schenking onder levenden, ook de beperkingen omvatten die voorzien in een gunstigere fiscale behandeling van schenkingen aan een op het nationale grondgebied gevestigde familiestichting dan van schenkingen aan soortgelijke entiteiten die in EER-lidstaten zijn gevestigd en die tot gevolg hebben dat de waarde van de goederen die aan een dergelijke soortgelijke entiteit worden geschonken, wordt verminderd.
49 Bovendien volgt uit vaste rechtspraak dat een liquiditeitsnadeel dat zich voordoet in een grensoverschrijdende situatie een beperking van de fundamentele vrijheden kan vormen wanneer een soortgelijk nadeel zich niet voordoet in een zuiver nationale situatie (arrest van 17 september 2015, F. E. Familienprivatstiftung Eisenstadt, C‑589/13, EU:C:2015:612, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 13 november 2025, C‑142/24 (Familiestiftung - Finanzamt Köln-West)
Successierecht valt binnen de reikwijdte van het vrije verkeer van kapitaal
"28 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen.
29 De belasting die wordt geheven op successies, die bestaan in een overdracht van de nalatenschap van een overledene aan een of meerdere personen, valt onder de bepalingen van het VWEU betreffende het vrije kapitaalverkeer, tenzij alle constituerende delen van de successie binnen één lidstaat gelegen zijn (arrest van 26 mei 2016, Commissie/Griekenland, C‑244/15, EU:C:2016:359, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Een situatie waarin een lidstaat erfbelasting heft over op zijn grondgebied gelegen goederen van de nalatenschap die toebehoren aan een persoon die op het tijdstip van zijn overlijden niet in die lidstaat woonde en die worden verkregen door een eveneens niet-ingezeten erfgenaam, kan niet als een zuiver interne situatie worden beschouwd. Bijgevolg valt een dergelijke situatie onder het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU.
31 Derhalve moet worden onderzocht of een nationale regeling die voorziet in een vermindering van de belastingvrije som in geval van een beperkte erfbelastingplicht, een beperking van het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU vormt en, zo ja, of een dergelijke beperking gerechtvaardigd is."
HvJ EU 21 december 2021, C‑394/20 (XY)
De wijze van berekening van het honorarium van een notaris voor de verplichte verklaring erfrecht
"47 Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 63, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de bezoldiging van een notaris op wiens diensten een erfgenaam in bepaalde omstandigheden een beroep moet doen om de in het nationale recht vastgestelde erfrechtverklaring te laten opstellen, wordt berekend over het volledige brutovermogen van de nalatenschap dat alle in die lidstaat en in een andere lidstaat gelegen goederen omvat, en niet alleen over uitsluitend de bruto-activa bestaande uit de goederen die zich in de eerste lidstaat bevinden, zonder dat rekening wordt gehouden met het honorarium dat de erfgenaam heeft betaald als bezoldiging voor de door een notaris in de tweede lidstaat opgestelde erfrechtverklaring, dat eveneens over het volledige brutovermogen van de nalatenschap wordt berekend."
HvJ EU 30 oktober 2025, C‑373/24 [Ramavić](NI – Kroatië)
Verzwegen vermogen in het buitenland
"12 Volgens de nationale wetgeving die in de onderhavige zaak aan de orde is, riskeren Spaanse ingezetenen die niet, onvolledig of te laat aangifte doen van de goederen en rechten die zij in het buitenland bezitten, een navordering van de verschuldigde belasting over de bedragen die overeenkomen met de waarde van die goederen of rechten, ook wanneer deze laatste zijn verworven in een tijdvak waarvoor de verjaringstermijn reeds is verstreken, alsmede een evenredige geldboete en specifieke forfaitaire geldboeten.
13 Een dergelijke wettelijke regeling, die in het algemeen betrekking heeft op goederen of rechten die Spaanse ingezetenen in het buitenland bezitten, zonder dat dit bezit noodzakelijkerwijs gepaard gaat met het verwerven van deelnemingen in het kapitaal van in het buitenland gevestigde entiteiten of hoofdzakelijk is ingegeven door de wens om er financiële diensten af te nemen, valt binnen de werkingssfeer van het vrije verkeer van kapitaal. Hoewel die regeling ook afbreuk kan doen aan de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van vestiging, lijken deze vrijheden toch ondergeschikt te zijn aan het vrije verkeer van kapitaal en kunnen zij daarmee worden verbonden. Dat geldt hoe dan ook voor het vrije verkeer van werknemers.
14 Voorts moet worden vastgesteld dat de Commissie onvoldoende gegevens heeft verstrekt om het Hof in staat te stellen te beoordelen in hoeverre de betrokken nationale wettelijke regeling schending oplevert van het vrije verkeer van burgers van de Unie of het vrije verkeer van werknemers, welke vrijheden in de artikelen 21 en 45 VWEU zijn gewaarborgd.
15 Uit het voorgaande volgt dat de door de Commissie aangevoerde grieven moeten worden bezien vanuit het oogpunt van het vrije verkeer van kapitaal, dat wordt gewaarborgd door artikel 63 VWEU en artikel 40 van de EER-Overeenkomst, die in wezen dezelfde juridische strekking hebben (zie in die zin arresten van 11 juni 2009, Commissie/Nederland, C‑521/07, EU:C:2009:360, punt 33, en 5 mei 2011, Commissie/Portugal, C‑267/09, EU:C:2011:273, punt 51)."
HvJ EU 27 januari 2022, C‑788/19 (Europese Commissie – Spanje)
Het bedrijfsmatig verstrekken van kredieten als kapitaalverkeer
"37 In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het verstrekken van kredieten door een kredietinstelling een dienst in de zin van artikel 56 VWEU is (arrest van 14 februari 2019, Milivojević, C‑630/17, EU:C:2019:123, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Aldus, en ook gelet op de in punt 29 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, houdt het bedrijfsmatig verstrekken van kredieten in beginsel zowel verband met de vrijheid van dienstverrichting in de zin van de artikelen 56 VWEU en volgende als met de vrijheid van kapitaalverkeer in de zin van de artikelen 63 VWEU en volgende (zie in die zin arrest van 14 februari 2019, Milivojević, C‑630/17, EU:C:2019:123, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Wanneer een nationale maatregel verband houdt met zowel het vrij verrichten van diensten als het vrije verkeer van kapitaal, moet worden onderzocht in hoeverre de uitoefening van die fundamentele vrijheden wordt belemmerd en of, in de omstandigheden van het geval, een van die vrijheden voorrang heeft boven de andere. Het Hof onderzoekt de betrokken maatregel in beginsel uit het oogpunt van slechts één van deze twee vrijheden indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (arrest van 14 februari 2019, Milivojević, C‑630/17, EU:C:2019:123, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Zoals de advocaat-generaal in de punten 44 en 45 van haar conclusie heeft opgemerkt, blijkt in casu dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde administratieve maatregel betrekking heeft op zowel het gebruik van financiële diensten van de bank als de kapitaalstroom als zodanig.
41 Ten eerste is deze administratieve maatregel, doordat hij is gebaseerd op het criterium van de maandelijkse omvang van de creditomzet, rechtstreeks van invloed op het kapitaalverkeer, ongeacht of de betrokken cliënt gebruikmaakt van door PrivatBank verstrekte adviesdiensten. Ten tweede doet een administratieve maatregel die PrivatBank verbiedt om zakelijke relaties aan te gaan en verplicht om een einde te maken aan bestaande zakelijke relaties met bepaalde cliënten, afbreuk aan de vrijheid van dienstverrichting van deze kredietinstelling.
42 In het licht van de voorgaande overwegingen moet de tweede prejudiciële vraag aldus worden geherformuleerd dat de verwijzende rechter in essentie wenst te vernemen of artikel 56, eerste alinea, en artikel 63, lid 1, VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat een administratieve maatregel waarbij de bevoegde autoriteit van een lidstaat, ten eerste, een kredietinstelling verbiedt om zakelijke relaties aan te gaan met natuurlijke personen of rechtspersonen die geen banden hebben met de lidstaat waar deze instelling is gevestigd en van wie de maandelijkse creditomzet een bepaald bedrag overschrijdt, en, ten tweede, die kredietinstelling verplicht om een einde te maken aan dergelijke zakelijke relaties wanneer deze na de vaststelling van die maatregel zijn aangegaan, een beperking van het vrij verrichten van diensten in de zin van die eerste bepaling en een beperking van het kapitaalverkeer in de zin van die tweede bepaling vormt."
HvJ EU 2 maart 2023, C‑78/21 (AS „PrivatBank”, A, B, Unimain Holdings LTD)
Informatie-uitwisseling tussen de Belastingdiensten van de EU-Lidstaten
“22 Zoals in punt 20 van het onderhavige arrest is aangegeven, behoren de noodzaak om de doeltreffendheid van de belastingcontroles te waarborgen en het doel van bestrijding van belastingfraude en -ontwijking tot de dwingende redenen van algemeen belang die de invoering van een beperking van de vrijheden van verkeer kunnen rechtvaardigen (zie in die zin arresten van 11 juni 2009, X en Passenheim-van Schoot, C‑155/08 en C‑157/08, EU:C:2009:368, punten 45 en 46, en 15 september 2011, Halley, C‑132/10, EU:C:2011:586, punt 30).
23 Wat het kapitaalverkeer betreft, bepaalt artikel 65, lid 1, onder b), VWEU voorts dat het bepaalde in artikel 63 VWEU niets afdoet aan het recht van de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wetten en voorschriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied.
24 Aangezien de hoeveelheid informatie waarover de nationale autoriteiten beschikken met betrekking tot de activa die hun fiscale ingezetenen in het buitenland bezitten, over het algemeen kleiner is dan die waarover zij beschikken met betrekking tot de activa die zich op hun grondgebied bevinden, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de bestaande mechanismen voor informatie-uitwisseling en administratieve samenwerking tussen de lidstaten, lijkt de litigieuze regeling in casu geschikt te zijn om de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken. Nagegaan moet evenwel worden of zij niet verder gaat dan nodig is om deze doelstellingen te bereiken."
HvJ EU 27 januari 2022, C‑788/19 (Europese Commissie – Spanje)
De relatie tussen primair en secundair Europees recht
"45 Wanneer een gebied op Unieniveau uitputtend is geharmoniseerd, moeten volgens vaste rechtspraak van het Hof alle daarop betrekking hebbende nationale maatregelen worden getoetst aan de bepalingen van die harmonisatiemaatregel en niet aan die van het primaire recht (arrest van 6 december 2018, FENS, C‑305/17, EU:C:2018:986, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Daarom moeten de vragen van de verwijzende rechter eerst worden onderzocht voor zover zij betrekking hebben op de uitlegging van de richtlijnen 2003/49, 2011/96 en 2008/7 en vervolgens, indien een uitputtende harmonisatie ontbreekt, voor zover zij de artikelen 49 en 63 VWEU, artikel 5, lid 4, en artikel 12, onder b), VEU, en artikel 47 van het Handvest betreffen.
HvJ EU 24 februari 2022, C-257/20 (“Viva Telecom Bulgaria” EOOD)
Het begrip 'belemmering' of 'beperking'
"36 Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien om in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat kunnen ontmoedigen om in andere staten investeringen te doen [arresten van 6 oktober 2011, Commissie/Portugal, C‑493/09, EU:C:2011:635, punt 28, en 7 november 2024, XX (Zogeheten unit-linked overeenkomsten), C‑782/22, EU:C:2024:932, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37 Het onderzoek naar het ontmoedigende karakter van de maatregelen kan zowel maatregelen betreffen die materiële vereisten stellen om in aanmerking te komen voor een dergelijk belastingvoordeel als maatregelen die vastleggen welke bewijzen niet-ingezeten belastingplichtigen daartoe moeten overleggen (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 50)."
HvJ EU 27 november 2025, C‑525/24 (Santander Renta Variable España Pensiones, Fondo de Pensiones)
"37 In dit verband zij eraan herinnerd dat het begrip „beperking” in de zin van deze bepaling overheidsmaatregelen omvat die discriminerend zijn doordat zij, al dan niet rechtstreeks, een verschil in behandeling tussen het nationale kapitaalverkeer en het grensoverschrijdende kapitaalverkeer invoeren dat niet overeenstemt met een objectief verschil in situaties en derhalve natuurlijke of rechtspersonen uit andere lidstaten of derde landen ervan kunnen weerhouden grensoverschrijdend kapitaalverkeer te verrichten (arrest van 30 april 2025, Finanzamt für Großbetriebe, C‑602/23, EU:C:2025:290, punt 45).
38 Het Hof heeft op het gebied van de erfbelasting immers geoordeeld dat een nationale regeling die een dergelijk verschil in behandeling invoert en ertoe leidt dat nalatenschappen waarbij niet-ingezetenen betrokken zijn of die in een andere lidstaat gelegen goederen bevatten, zwaarder worden belast dan nalatenschappen waarbij alleen ingezetenen zijn betrokken of waarbij alleen in de lidstaat van heffing gelegen goederen zijn betrokken, en die bijgevolg tot een waardevermindering van de nalatenschap leidt, een door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Feilen, C‑123/15, EU:C:2016:496, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Uit de rechtspraak volgt dat zelfs een nationale regeling die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en grensoverschrijdende situaties, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal kan vormen wanneer zij in feite tot gevolg heeft dat grensoverschrijdende situaties worden benadeeld (zie in die zin arrest van 30 april 2025, Finanzamt für Großbetriebe, C‑602/23, EU:C:2025:290, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 30 oktober 2025, C‑373/24 [Ramavić](NI – Kroatië)
"44 Volgens vaste rechtspraak verbiedt artikel 63, lid 1, VWEU op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen (arrest van 2 maart 2023, PrivatBank e.a., C‑78/21, EU:C:2023:137, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Het begrip „beperking” in de zin van deze bepaling omvat overheidsmaatregelen die een discriminerende werking hebben doordat zij direct of indirect leiden tot een verschil in behandeling tussen nationaal kapitaalverkeer en grensoverschrijdend kapitaalverkeer dat geen betrekking heeft op situaties die objectief verschillend zijn, en die derhalve natuurlijke personen of rechtspersonen uit andere lidstaten of derde landen ervan weerhouden om grensoverschrijdende kapitaalbewegingen te verrichten (zie in die zin arrest van 2 maart 2023, PrivatBank e.a., C‑78/21, EU:C:2023:137, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Zo kan het feit dat een lidstaat inkomsten die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten icbe’s ongunstiger behandelt dan inkomsten die worden uitgekeerd aan ingezeten icbe’s, in een andere lidstaat gevestigde instellingen ervan doen afzien in die lidstaat investeringen te doen, zodat dit een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt die in beginsel verboden wordt door artikel 63 VWEU [arrest van 27 februari 2025, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (Wijze waarop een icb wordt beheerd), C‑18/23, EU:C:2025:119, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47 Een nationale regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers, kan bovendien een beperking van het vrije verkeer van kapitaal inhouden. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat zelfs een op objectieve criteria berustend onderscheid grensoverschrijdende situaties de facto kan benadelen [arrest van 27 februari 2025, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (Wijze waarop een icb wordt beheerd), C‑18/23, EU:C:2025:119, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 30 april 2025, C‑602/23 (Finanzamt für Großbetriebe)
"57 Volgens vaste rechtspraak strekken de maatregelen die krachtens artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het vrije kapitaalverkeer beperken, zich uit tot maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of die ingezetenen van deze lidstaat kunnen ontmoedigen in andere staten investeringen te doen [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
58 Met name het feit dat een lidstaat inkomsten die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten icb’s ongunstiger behandelt dan inkomsten die worden uitgekeerd aan ingezeten icb’s, kan in een andere dan die lidstaat gevestigde instellingen ervan doen afzien in die lidstaat investeringen te doen, zodat dit een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
59 Van een dergelijke minder gunstige behandeling is sprake wanneer inkomsten die door niet-ingezeten icb’s worden verworven, niet in aanmerking komen voor een vrijstelling, terwijl inkomsten van ingezeten icb’s worden vrijgesteld [zie in die zin arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
(...).
74 Een wettelijke regeling die een dergelijke voorwaarde invoert kan niet-ingezeten icb’s ervan weerhouden om te beleggen in aandelen van op de effectenbeurs van Warschau genoteerde vennootschappen, in obligaties die zijn uitgegeven door kapitaalvennootschappen gevestigd in Polen, alsmede in Poolse staatsobligaties, en vormt dan ook een beperking van het vrije verkeer van kapitaal die in beginsel verboden is door artikel 63, lid 1, VWEU."
HvJ EU 27 februari 2025, C‑18/23 (F S.A.)
"30 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 In het bijzonder kan een ongunstige behandeling door een lidstaat van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten vennootschappen in vergelijking met de behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten vennootschappen, in een andere dan die lidstaat gevestigde vennootschappen ervan doen afzien in eerstbedoelde lidstaat te investeren, zodat zij een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 19 december 2024, C‑601/23 (Credit Suisse)
"54 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten (arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 Handelingen waarmee niet-ingezetenen op het grondgebied van een lidstaat in onroerend goed beleggen, vallen onder het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU. Dat is met name het geval bij beleggingen in onroerende goederen die, zoals in casu, bestaan in het verwerven van eigendomsrechten op landbouwgrond [zie in die zin arresten van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punten 56 en 57, en 18 januari 2024, JD (Woonplaatsvereiste), C‑562/22, EU:C:2024:55, punten 30 en 31].
56 Voorts kan een nationale maatregel die zonder onderscheid van toepassing is, een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormen wanneer daardoor de situatie van een investeerder wordt beïnvloed en in het bijzonder wanneer daardoor investeerders uit andere lidstaten ervan worden weerhouden om in de betrokken lidstaat te investeren of een investering aan te houden (zie in dit verband met name arresten van 4 juni 2002, Commissie/Frankrijk, C‑483/99, EU:C:2002:327, punten 38‑42; 13 mei 2003, Commissie/Spanje, C‑463/00, EU:C:2003:272, punten 54‑62; 10 november 2011, Commissie/Portugal, C‑212/09, EU:C:2011:717, punt 65, en 8 mei 2013, Libert e.a., C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288, punten 64‑66)."
HvJ EU 12 december 2024, C‑419/23 (CN)
"28 Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat kunnen ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arresten van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 48, en 29 juli 2024, Keva e.a., C‑39/23, EU:C:2024:648, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 In het bijzonder kan het feit dat een lidstaat dividenden die aan niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd minder gunstig behandelt dan dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, in een andere dan deze lidstaat gevestigde vennootschappen ervan doen afzien in deze lidstaat te investeren, zodat het een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel verboden is ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU [zie in die zin arresten van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 50].
30 Zo is er sprake van een minder gunstige behandeling wanneer op dividenden die aan niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd een zwaardere belastingdruk rust dan op dezelfde dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd. Hetzelfde geldt wanneer dividenden die aan een ingezeten vennootschap worden uitgekeerd geheel of in aanzienlijke mate worden vrijgesteld, terwijl dividenden die aan een niet-ingezeten vennootschap worden uitgekeerd, onderworpen zijn aan een definitieve inhouding aan de bron (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ 7 november 2024, C‑782/22 (XX - Belastingdienst)
"40 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten. De maatregelen die ingevolge het voornoemde artikel verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen [arresten van 27 april 2023, L Fund, C‑537/20, EU:C:2023:339, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 januari 2024, JD (Woonplaatsvereiste), C‑562/22, EU:C:2024:55, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
(...).
45 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat ingezeten publiekrechtelijke pensioenfondsen met betrekking tot de fiscale behandeling van dividenden die worden uitgekeerd door in Zweden gevestigde vennootschappen, waarin § 2, eerste alinea, van hoofdstuk 7 van wet (1999:1229) op de inkomstenbelasting voorziet, zijn vrijgesteld van bronbelasting die vastgesteld is voor dit soort dividenden, terwijl niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen niet in aanmerking komen voor een dergelijke vrijstelling.
46 Een dergelijk verschil in fiscale behandeling leidt tot een nadelige behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen, waardoor deze instellingen ervan kunnen worden weerhouden te investeren in vennootschappen die in Zweden zijn gevestigd (zie naar analogie arrest van 17 maart 2022, AllianzGI-Fonds AEVN, C‑545/19, EU:C:2022:193, punt 39)."
HvJ EU 29 juli 2024, C‑39/23 (Keva)
"21 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het verkeer van kapitaal tussen de lidstaten. De maatregelen die ingevolge deze bepaling verboden zijn omdat zij het verkeer van kapitaal beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 27 april 2023, L Fund, C‑537/20, EU:C:2023:339, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 20 juni 2024, C‑420/23 (Faurécia – Assentos de Automóvel)
"Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
34 Volgens vaste rechtspraak verbiedt artikel 63, lid 1, VWEU op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten. De maatregelen die ingevolge het voornoemde artikel verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door icbe’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
35 Vastgesteld moet worden dat het woonplaatsvereiste van artikel 3c ZSPZZ alleen al door het voorwerp van die regeling het vrije verkeer van kapitaal beperkt (zie naar analogie arrest van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 25). Voorts kan deze nationale regeling niet-ingezetenen ervan doen afzien investeringen te doen in Bulgarije [zie naar analogie arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36 Deze nationale regeling vormt dus een beperking van het in artikel 63 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 18 januari 2024, C‑562/22 (JD – OB)
"Beperking van het vrije verkeer van kapitaal
22 Overeenkomstig artikel 63, lid 1, VWEU zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.
23 Volgens vaste rechtspraak van het Hof strekken de maatregelen die krachtens artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het vrije kapitaalverkeer beperken, zich uit tot maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien investeringen in een lidstaat te doen, of die ingezetenen kunnen ontmoedigen investeringen in andere lidstaten te doen (arrest van 17 maart 2022, AllianzGI-Fonds AEVN, C‑545/19, EU:C:2022:193, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 In casu voert de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zoals uitgevoerd door de belastingdienst, een verschil in behandeling in tussen Portugese fiscale ingezetenen die deelnemingen bezitten in ondernemingen die in Portugal een economische activiteit uitoefenen, en degenen die deelnemingen bezitten in ondernemingen die buiten Portugal een economische activiteit uitoefenen, waarbij de vermogenswinst op de overdracht van die aandelen zwaarder wordt belast. Deze regeling maakt het dus aantrekkelijker om te investeren in ondernemingen die op het Portugese grondgebied zijn gevestigd, ten nadele van ondernemingen die in andere lidstaten zijn gevestigd.
25 Een dergelijk verschil in behandeling naargelang de plaats van investering van het kapitaal heeft immers tot gevolg dat een Portugees fiscaal ingezetene wordt ontmoedigd om zijn kapitaal te investeren in een vennootschap die in een andere staat gevestigd is, en heeft ook een restrictief gevolg voor in andere staten gevestigde vennootschappen doordat het voor deze vennootschappen een belemmering vormt bij het bijeenbrengen van kapitaal in Portugal (zie naar analogie arresten van 6 juni 2000, Verkooijen, C‑35/98, EU:C:2000:294, punten 34 en 35; 15 juli 2004, Weidert en Paulus, C‑242/03, EU:C:2004:465, punten 13 en 14, en 18 december 2007, Grønfeldt, C‑436/06, EU:C:2007:820, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat verschil in behandeling vormt dus een door artikel 63 VWEU in beginsel verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 16 november 2023, C‑472/22 (NO)
"41 Op het gebied van erfbelasting heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat voor de toekenning van belastingvoordelen als voorwaarde geldt dat het overgedragen goed op het nationale grondgebied is gelegen, een in beginsel door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt (arrest van 18 december 2014, Q, C‑133/13, EU:C:2014:2460, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ook maatregelen die leiden tot een waardevermindering van de nalatenschap van een ingezetene van een andere lidstaat dan die waar de betrokken goederen zich bevinden, vormen een dergelijke beperking [arrest van 21 december 2021, Finanzamt V (Erfopvolging – Beperkte belastingplicht en aftrek van legitieme porties), C‑394/20, EU:C:2021:1044, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42 Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn mede de maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien om in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van bedoelde lidstaat kunnen ontmoedigen om in andere staten investeringen te doen (arrest van 15 oktober 2009, Busley en Cibrian Fernandez, C‑35/08, EU:C:2009:625, punt 20).
43 In casu bepaalt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling dat wanneer een nalatenschap onroerende goederen omvat die onderdeel zijn van het privévermogen en voor woondoeleinden worden verhuurd, deze goederen voor de berekening van de erfbelasting niet worden gewaardeerd op de volledige marktwaarde, maar op 90 % daarvan wanneer zij zijn gelegen op het nationale grondgebied, in een andere lidstaat of in een derde staat die partij is bij de EER-Overeenkomst. Deze regeling sluit onroerende goederen die zijn gelegen in een derde staat die geen partij is bij de EER-Overeenkomst, van het belastingvoordeel uit.
44 Een dergelijke regeling, die de toekenning van het belastingvoordeel afhankelijk stelt van de plaats waar de tot de nalatenschap behorende goederen zich bevinden, heeft tot gevolg dat onroerende goederen die zijn gelegen in een derde staat die geen partij is bij de EER-Overeenkomst, zwaarder worden belast dan die welke op het nationale grondgebied zijn gelegen, en heeft derhalve tot gevolg dat de waarde van deze nalatenschap vermindert (zie in die zin arrest van 17 januari 2008, Jäger, C‑256/06, EU:C:2008:20, punt 32).
45 Bovendien kan dit fiscale nadeel een in Duitsland wonende natuurlijke persoon er zowel van weerhouden om te investeren in voor woondoeleinden verhuurd onroerend goed dat is gelegen in een derde staat die geen partij is bij de EER-Overeenkomst, als om een dergelijk goed waarvan hij eigenaar is, te behouden (zie in die zin arrest van 15 oktober 2009, Busley en Cibrian Fernandez, C‑35/08, EU:C:2009:625, punt 27)."
HvJ EU 12 oktober 2023, C-670/21 (BA)
"27 Uit de in de punten 24 tot en met 26 van het onderhavige arrest uiteengezette elementen blijkt dat de rente-inkomsten uit obligaties en schuldbewijzen die in een andere staat dan Portugal zijn uitgegeven, worden benadeeld ten opzichte van de rente-inkomsten uit obligaties en schuldbewijzen die in die lidstaat zijn uitgegeven.
28 Deze nationale regeling voert aldus een verschil in behandeling in naargelang van de plaats waar het kapitaal wordt geïnvesteerd, hetgeen tot gevolg heeft dat een in Portugal wonende belastingplichtige ervan wordt afgeschrikt zijn kapitaal in een andere staat te beleggen en het bijeenbrengen van kapitaal in Portugal wordt belemmerd (zie in die zin arrest van 1 juli 2010, Dijkman en Dijkman-Lavaleije, C‑233/09, EU:C:2010:397, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Voor zover de Portugese regering aanvoert dat een ingezeten belastingplichtige die zich in de situatie van FL bevindt, op grond van artikel 101, lid 2, onder b), CIRS de mogelijkheid had om in aanmerking te komen voor het bevrijdende tarief van 20 % op de rente-inkomsten uit obligaties en schuldbewijzen die zijn uitbetaald door een niet-ingezeten entiteit, door deze entiteit te machtigen om over deze rente-inkomsten bronbelasting in te houden, moet ten eerste worden opgemerkt dat de verwijzende rechter deze mogelijkheid niet heeft vermeld. Ten tweede zou zelfs die mogelijkheid niet afdoen aan wat in het vorige punt van het onderhavige arrest is vastgesteld, aangezien het enkel noodzakelijk is om een dergelijke formaliteit te vervullen voor rente-inkomsten uit obligaties en schuldbewijzen die zijn uitgegeven door niet-ingezeten entiteiten én door dergelijke entiteiten zijn uitbetaald, en niet voor rente-inkomsten uit obligaties en schuldbewijzen die zijn uitgegeven door in Portugal ingezeten entiteiten of door dergelijke entiteiten zijn uitbetaald.
30 Hieruit volgt dat een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een in beginsel door artikel 56, lid 1, EG verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt."
HvJ EU 12 oktober 2023, C‑312/22 (FL)
"29 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen.
30 Volgens vaste rechtspraak zijn onder meer maatregelen die niet‑ingezetenen ervan kunnen weerhouden in een lidstaat investeringen te doen, of die ingezetenen van een lidstaat ervan kunnen weerhouden in andere staten investeringen te doen, beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal (arrest van 16 juni 2022, ACC Silicones, C‑572/20, EU:C:2022:469, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Tot de nationale maatregelen die als „beperkingen” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU kunnen worden aangemerkt, behoren met name maatregelen die een verschil in behandeling invoeren dat, wanneer het leidt tot een minder gunstige behandeling van de inkomsten van een ingezetene van een lidstaat die hun oorsprong hebben in een andere staat, vergeleken met de behandeling van inkomsten uit de eerste lidstaat, een dergelijke ingezetene ervan kan weerhouden zijn kapitaal in een andere staat te beleggen [zie in die zin arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door icbe’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
(...).
42 Ten slotte klopt het dat de nationale maatregelen die als „beperkingen” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU kunnen worden aangemerkt, niet alleen maatregelen omvatten die het verwerven van aandelen van in andere staten gevestigde vennootschappen kunnen blokkeren of beperken, maar ook maatregelen die investeerders ervan kunnen weerhouden dergelijke deelnemingen in in andere staten gevestigde vennootschappen aan te houden (arrest van 22 januari 2009, STEKO Industriemontage, C‑377/07, EU:C:2009:29, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 22 juni 2023, C‑258/22 (H)
"42 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten. De maatregelen die ingevolge het voornoemde artikel verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door icbe’s uitgekeerde inkomsten), C-480/19, EU:C:2021:334, punt 26].
(...).
47 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Duitse wettelijke regeling zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting, terwijl niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen niet in aanmerking komen voor een dergelijke vrijstelling.
48 Niet-ingezeten en ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen worden dus aan verschillende belastingregels onderworpen, hetgeen ongunstig is voor niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen.
49 Een dergelijke verschillende behandeling kan niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen ervan doen afzien te beleggen in onroerende goederen die in Duitsland zijn gelegen, en kan daarnaast in Duitsland gevestigde beleggers ervan doen afzien om voor zulke investeringen een beroep te doen op niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen (zie in die zin arresten van 10 mei 2012, Santander Asset Management SGIIC e.a., C-338/11–C-347/11, EU:C:2012:286, punt 17, en 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C-480/16, EU:C:2018:480, punt 44).
50 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door rekening te houden met de belastingheffing die van toepassing is op dividenden die worden uitgekeerd aan beleggers in ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen, aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Duitse wettelijke regeling de vrijstelling van deze fondsen niet afhankelijk stelt van de voorwaarde dat alle onroerende inkomsten op het niveau van de beleggers worden belast.
51 In het geval van niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen met in Duitsland gevestigde beleggers, blijkt immers uit de verwijzingsbeslissing dat – naast de beperkte onderwerping van deze fondsen aan vennootschapsbelasting – deze beleggers, die volledig aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen, ook onderworpen zijn aan belasting over inkomsten uit kapitaal met betrekking tot de door deze fondsen uitgekeerde dividenden.
52 Het is juist dat het in § 4, lid 2, zevende volzin, InvStG 2004 geboden recht op aftrek bedoeld is om deze dubbele belasting te elimineren. Uit het dossier blijkt echter dat de volledige eliminatie van deze dubbele belasting in de praktijk afhangt van de bijzondere fiscale situatie van iedere houder van deelnemingsrechten en dus onzeker is. De Duitse regering heeft overigens tijdens de terechtzitting verklaard dat ingezeten beleggers in niet-ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen mogelijk kunnen worden benadeeld ten opzichte van ingezeten beleggers in ingezeten gespecialiseerde vastgoedfondsen, afhankelijk van hun fiscale situatie.
53 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat een wettelijke regeling, zoals in casu de Duitse, neerkomt op een in beginsel door artikel 63 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 27 april 2023, C-537/20 (L. Fund)
"48 In de tweede plaats volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het begrip „beperking” in artikel 63 VWEU op algemene wijze alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en tussen de lidstaten en derde landen omvat (arrest van 6 oktober 2021, ECOTEX BULGARIA, C‑544/19, EU:C:2021:803, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 In het bijzonder omvat dit begrip overheidsmaatregelen die een discriminerende werking hebben doordat zij direct of indirect leiden tot een verschil in behandeling tussen nationaal kapitaalverkeer en grensoverschrijdend kapitaalverkeer dat geen betrekking heeft op situaties die objectief verschillend zijn, en die derhalve natuurlijke personen of rechtspersonen uit andere lidstaten of derde landen ervan weerhouden om grensoverschrijdende kapitaalbewegingen te verrichten [arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen), C‑78/18, EU:C:2020:476, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 2 maart 2023, C‑78/21 (AS „PrivatBank”, A, B, Unimain Holdings LTD)
"31 Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn onder meer maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen weerhouden in een lidstaat investeringen te doen, of die ingezetenen van een lidstaat ervan kunnen weerhouden in andere staten investeringen te doen, beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 16 juni 2022, C‑572/20 (ACC Silicones Ltd)
"Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
49 Uit vaste rechtspraak volgt dat de maatregelen die krachtens artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat kunnen ontmoedigen om in andere staten investeringen te doen (arresten van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Met name het feit dat een lidstaat inkomsten die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging ongunstiger behandelt dan inkomsten die worden uitgekeerd aan ingezeten instellingen voor collectieve belegging, kan in een andere dan die lidstaat gevestigde instellingen ervan doen afzien in die lidstaat investeringen te doen, zodat dit een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Wanneer aan ingezeten instellingen voor collectieve belegging uitgekeerde inkomsten worden vrijgesteld, terwijl inkomsten die door niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging worden verworven, onderworpen zijn aan een definitieve inhouding aan de bron, dan is er sprake van een dergelijke minder gunstige behandeling (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 50).
52 In de onderhavige zaak voert de betrokken nationale regeling een verschil in behandeling in dat niet gebaseerd is op de staat van vestiging van de instelling voor collectieve belegging, maar wel op de rechtsvorm van die instelling. Alleen rechtens bij overeenkomst opgerichte instellingen voor collectieve belegging kunnen immers onder de voorwaarden van die regeling in aanmerking komen voor de belastingvrijstelling.
53 Volgens de bewoordingen van § 20a, vierde alinea, van de wet op de inkomstenbelasting lijkt de voorwaarde inzake de oprichting bij overeenkomst van het fonds uitsluitend betrekking te hebben op niet-ingezeten fondsen. Zoals de verwijzende rechter en de Finse regering evenwel opmerken, kunnen beleggingsfondsen en gespecialiseerde beleggingsfondsen naar Fins recht enkel bij overeenkomst worden opgericht, zodat de in die bepaling bedoelde vrijstelling voorbehouden is aan instellingen voor collectieve belegging die rechtens bij overeenkomst zijn opgericht, ongeacht de staat waar die instellingen zijn gevestigd.
54 Dienaangaande zij opgemerkt dat een nationale regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal kan inhouden. Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat zelfs een op objectieve criteria berustend onderscheid grensoverschrijdende situaties de facto minder gunstig kan behandelen (zie arresten van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 39).
55 Dat is in het bijzonder het geval wanneer een belastingvoordeel op grond van een nationale regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers, uitsluitend wordt toegekend in situaties waarin een marktdeelnemer voldoet aan voorwaarden of verplichtingen die per definitie of de facto eigen zijn aan de nationale markt, zodat alleen op de nationale markt actieve marktdeelnemers aan die voorwaarden of verplichtingen kunnen voldoen terwijl de vergelijkbare niet-ingezeten marktdeelnemers daaraan over het algemeen niet voldoen (arresten van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 40).
56 Zoals in punt 53 van dit arrest is opgemerkt, kunnen beleggingsfondsen en gespecialiseerde beleggingsfondsen in Finland enkel bij overeenkomst worden opgericht.
57 Aangezien het Unierecht op dit punt niet is geharmoniseerd, staat het de lidstaten inderdaad vrij om de rechtsvorm te bepalen waarin fondsen op hun grondgebied kunnen worden opgericht.
58 Het staat de lidstaten ook vrij, teneinde het gebruik van instellingen voor collectieve belegging te bevorderen, om een bijzondere belastingregeling vast te stellen voor die instellingen en de door hen ontvangen dividenden en andere inkomsten, en om te bepalen aan welke materiële en formele voorwaarden moet worden voldaan om voor die regeling in aanmerking te komen (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 Bovendien kan het vrije verkeer van kapitaal niet aldus worden begrepen dat een lidstaat verplicht is om zijn belastingregeling af te stemmen op die van een andere lidstaat, teneinde te waarborgen dat in alle situaties de belasting aldus wordt geheven dat alle verschillen als gevolg van de nationale belastingregelingen verdwijnen, aangezien de beslissingen van een belastingplichtige betreffende de belegging in een andere lidstaat naargelang van het geval meer of minder voordelig of nadelig voor deze belastingplichtige kunnen uitvallen (arresten van 7 november 2013, K, C‑322/11, EU:C:2013:716, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 72).
60 Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 53 en 54 van zijn conclusie, mogen de toekenningsvoorwaarden van een belastingvoordeel waarin een lidstaat voor bepaalde instellingen voor collectieve belegging voorziet, echter geen beperking van het vrije verkeer van kapitaal inhouden (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 46).
61 Gelet op de in punt 57 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte ontbrekende harmonisatie, zou het vrije verkeer van kapitaal zijn werking verliezen indien een niet-ingezeten instelling voor collectieve belegging, die is opgericht in de rechtsvorm die is toegestaan of vereist krachtens de wettelijke regeling van de lidstaat waar zij is gevestigd en die overeenkomstig die regeling handelt, in een andere lidstaat waar zij investeringen doet, verstoken blijft van een belastingvoordeel vanwege het enkele feit dat haar rechtsvorm niet overeenkomt met de rechtsvorm die in deze laatste lidstaat voor instellingen voor collectieve belegging is vereist.
62 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat volgens de toelichting van de Finse regering alternatieve beleggingsinstellingen in de zin van richtlijn 2011/61 in Finland bij statuten mogen worden opgericht en dat die fondsen vastgoedinvesteringen mogen verrichten, zonder evenwel in aanmerking te komen voor de vrijstelling van § 20a van de wet op de inkomstenbelasting.
63 De in Finland gevestigde instellingen voor collectieve belegging kunnen namelijk de rechtsvorm aannemen waarmee zij in aanmerking komen voor de vrijstelling, terwijl niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging onderworpen zijn aan de voorwaarden van de wetgeving van de lidstaat waar zij zijn gevestigd.
64 De voorwaarde inzake de oprichting bij overeenkomst is dus weliswaar niet een voorwaarde waaraan alleen ingezeten instellingen voor collectieve belegging kunnen voldoen, maar dat neemt niet weg dat die voorwaarde deze laatste instellingen kan bevoordelen ten nadele van instellingen voor collectieve belegging die bij statuten zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waar zij zijn gevestigd.
65 Hieruit volgt dat een dergelijke regeling niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging ervan kan doen afzien om vastgoedinvesteringen in Finland te doen en derhalve een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt die in beginsel verboden is bij artikel 63 VWEU."
HvJ EU 7 april 2022, C‑342/20 (A SCPI)
"Is er sprake van een beperking van het vrije kapitaalverkeer?
36 Volgens vaste rechtspraak van het Hof strekken de maatregelen die krachtens artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het vrije kapitaalverkeer beperken, zich uit tot maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien investeringen in een lidstaat te doen, of die ingezetenen kunnen ontmoedigen investeringen in andere lidstaten te doen (zie met name arresten van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 In casu staat vast dat de belastingvrijstelling waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorziet, wordt verleend aan icb’s die volgens de Portugese regeling zijn opgericht en hun activiteiten uitoefenen, terwijl dividenden die worden uitgekeerd aan in een andere lidstaat gevestigde icb’s, niet voor deze vrijstelling in aanmerking komen.
38 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling leidt dus tot een nadelige behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten icb’s, doordat over die dividenden bronbelasting wordt geheven en de mogelijkheid om vrijstelling van bronbelasting te genieten is voorbehouden aan ingezeten icb’s.
39 Een dergelijke nadelige behandeling kan, ten eerste, niet-ingezeten icb’s ervan doen afzien te beleggen in vennootschappen die in Portugal zijn gevestigd, en, ten tweede, in Portugal gevestigde beleggers ervan weerhouden om aandelen in dergelijke icb’s te verwerven, zodat deze een in beginsel door artikel 63 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punten 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
"86 In de eerste plaats blijkt inzake het bestaan van een beperking uit vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 63, lid 1, VWEU maatregelen verbiedt die het kapitaalverkeer beperken doordat zij niet-ingezetenen ervan doen afzien om in een lidstaat investeringen te doen of doordat zij ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 24 februari 2022, C-257/20 (“Viva Telecom Bulgaria” EOOD)
"18 Volgens vaste rechtspraak van het Hof vormen maatregelen van een lidstaat beperkingen van het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU wanneer zij de ingezetenen van die staat ontmoedigen, beletten of minder mogelijkheden bieden om investeringen te verrichten in andere lidstaten [zie in die zin arresten van 26 september 2000, Commissie/België, C‑478/98, EU:C:2000:497, punt 18; 23 oktober 2007, Commissie/Duitsland, C‑112/05, EU:C:2007:623, punt 19, en 26 mei 2016, NN (L) International, C‑48/15, EU:C:2016:356, punt 44].
19 In casu wordt met de verplichting om door middel van „formulier 720” aangifte te doen van goederen of rechten in het buitenland en de sancties voor niet-nakoming, niet-behoorlijke nakoming of niet-tijdige nakoming van deze verplichting, waarvoor geen equivalent bestaat op het gebied van in Spanje gelegen activa of rechten, een verschil in behandeling van Spaanse ingezetenen ingevoerd naargelang de plaats waar hun activa zich bevinden. Deze verplichting kan ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen, beletten of minder mogelijkheden bieden om investeringen te verrichten in andere lidstaten en vormt derhalve – zoals het Hof reeds heeft geoordeeld met betrekking tot een wettelijke regeling die tot doel heeft de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen en belastingfraude in verband met het verzwijgen van activa in het buitenland te bestrijden – een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU en artikel 40 van de EER-Overeenkomst (zie in die zin arrest van 11 juni 2009, X en Passenheim-van Schoot, C‑155/08 en C‑157/08, EU:C:2009:368, punten 36‑40).
20 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat deze wettelijke regeling betrekking heeft op belastingplichtigen die hun activa om fiscale redenen verzwijgen. Dat een wettelijke regeling tot doel heeft de doeltreffendheid van de belastingcontroles te waarborgen en belastingfraude te bestrijden, staat immers niet in de weg aan de vaststelling dat er sprake is van een beperking van het kapitaalverkeer. Deze doelstellingen zijn slechts enkele van de dwingende redenen van algemeen belang die de invoering van een dergelijke beperking kunnen rechtvaardigen (zie in die zin arresten van 11 juni 2009, X en Passenheim-van Schoot, C‑155/08 en C‑157/08, EU:C:2009:368, punten 45 en 46, en 15 september 2011, Halley, C‑132/10, EU:C:2011:586, punt 30)."
HvJ EU 27 januari 2022, C‑788/19 (Europese Commissie – Spanje)
"Beperking in de zin van artikel 63 VWEU
32 De maatregelen die het kapitaalverkeer beperken, omvatten in geval van nalatenschappen mede maatregelen die leiden tot waardevermindering van de nalatenschap van een ingezetene van een andere staat dan die op het grondgebied waarvan de betrokken zaken zich bevinden (arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 In casu bepaalt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling dat wanneer een nalatenschap in Duitsland gelegen onroerende zaken omvat en noch de erflater, noch de erfgenaam op het tijdstip van het overlijden in deze lidstaat woonde, de belastingvrije som lager is dan die welke zou zijn toegepast indien de erflater of de erfgenaam op die datum in die lidstaat had gewoond. Die belastingvrije som wordt namelijk verminderd met een bedrag dat overeenkomt met het aandeel dat de waarde van het niet in die lidstaat belastbare vermogen vertegenwoordigt in de totale waarde van de nalatenschap.
34 Bijgevolg leidt een dergelijke regeling ertoe dat de erfenissen tussen niet-ingezetenen zwaarder worden belast dan die waarbij ten minste één ingezetene is betrokken, en heeft zij dus tot gevolg dat de nalatenschap in waarde vermindert. Hieruit volgt dat een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU oplevert (zie met name arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Rechtvaardiging van de beperking van het vrije kapitaalverkeer uit hoofde van artikel 65 VWEU
35 Uit artikel 65, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met lid 3 van dat artikel, volgt dat de lidstaten in hun nationale regeling onderscheid mogen maken tussen belastingplichtigen die ingezetenen zijn en belastingplichtigen die niet-ingezetenen zijn, voor zover dit onderscheid geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt.
36 Bijgevolg moet onderscheid worden gemaakt tussen de door artikel 65, lid 1, onder a), VWEU toegestane verschillen in behandeling en de krachtens artikel 65, lid 3, VWEU verboden discriminaties. In dat verband komt uit de rechtspraak van het Hof naar voren dat een nationale regeling enkel kan worden geacht verenigbaar te zijn met de Verdragsbepalingen betreffende het vrije kapitaalverkeer indien het verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Feilen, C‑123/15, EU:C:2016:496, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit laatste geval moet het verschil in behandeling geschikt zijn om het ermee nagestreefde doel te bereiken en mag het niet verder gaan dan ter bereiking van dit doel nodig is (zie in die zin arrest van 22 november 2018, Huijbrechts, C‑679/17, EU:C:2018:940, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...).
Beperking in de zin van artikel 63 VWEU
58 Zoals in punt 32 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, omvatten maatregelen die het vrije verkeer van kapitaal beperken in geval van erfopvolging maatregelen die leiden tot waardevermindering van de nalatenschap van een ingezetene van een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan de betrokken goederen zich bevinden.
59 In casu bepaalt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling dat wanneer een nalatenschap in Duitsland gelegen onroerende zaken omvat en noch de erflater noch de erfgenaam ten tijde van het overlijden in die lidstaat woonde, deze erfgenaam de verplichtingen ter zake van de legitieme porties niet als schuld van de nalatenschap kan aftrekken, terwijl dit wél is toegestaan wanneer de erflater of hij zelf ten tijde van het overlijden zijn woonplaats wél in Duitsland had.
60 Een dergelijke regeling, die de mogelijkheid om de verplichtingen ter zake van de legitieme porties met betrekking tot op het nationale grondgebied gelegen onroerende zaken in mindering te brengen op de erfbelasting afhankelijk stelt van de woonplaats van de erflater en de erfgenaam op het tijdstip van het overlijden, leidt er bijgevolg toe dat nalatenschappen tussen niet-ingezetenen die dergelijke zaken omvatten zwaarder worden belast dan nalatenschappen waarbij ten minste één ingezetene betrokken is, zodat de waarde van dergelijke nalatenschappen wordt verminderd. Hieruit volgt dat een nationale regeling zoals aan de orde in het hoofdgeding een beperking van het vrije kapitaalverkeer is in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (zie naar analogie arrest van 11 september 2008, Eckelkamp e.a., C‑11/07, EU:C:2008:489, punten 45 en 46)."
HvJ EU 21 december 2021, C‑394/20 (XY)
"Beperking van het vrije verkeer van kapitaal
36 Opgemerkt dient te worden dat volgens vaste rechtspraak de maatregelen die krachtens artikel 56, lid 1, EG (thans, na wijziging, artikel 63, lid 1, VWEU) verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat kunnen ontmoedigen om in andere staten investeringen te doen (zie met name arresten van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 In casu is in de hoofdgedingen de vraag aan de orde of gesloten beleggingsfondsen en open beleggingsfondsen vanuit fiscaal oogpunt verschillend mogen worden behandeld wegens de verschillen tussen deze twee soorten fondsen, zodat moet worden onderzocht of het criterium dat verband houdt met het soort vastgoedfonds – te weten „open” dan wel „gesloten” – een beperking kan vormen die in beginsel verboden is krachtens artikel 56, lid 1, EG (thans, na wijziging, artikel 63, lid 1, VWEU).
38 In dit verband zij erop gewezen dat het criterium dat betrekking heeft op de vorm van het vastgoedfonds, op zichzelf geen verschil in behandeling tussen ingezeten en niet-ingezeten vastgoedfondsen oplevert.
39 Een nationale regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers, kan evenwel een beperking van het vrije verkeer van kapitaal inhouden. Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat zelfs een op objectieve criteria berustend onderscheid grensoverschrijdende situaties de facto minder gunstig kan behandelen (arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Dat is het geval wanneer een belastingvoordeel op grond van een nationale regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers, uitsluitend wordt toegekend in situaties waarin een marktdeelnemer voldoet aan voorwaarden of verplichtingen die per definitie of de facto eigen zijn aan de nationale markt, zodat alleen op de nationale markt actieve marktdeelnemers aan die voorwaarden of verplichtingen kunnen voldoen terwijl de vergelijkbare niet-ingezeten marktdeelnemers daaraan over het algemeen niet voldoen (arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 16 december 2021, gevoegde zaken C‑478/19 en C‑479/19 (UBS Real Estate)
"Bestaan van een beperking
25 Maatregelen van een lidstaat die de ingezetenen van deze staat ervan weerhouden in andere lidstaten leenovereenkomsten te sluiten, vormen beperkingen in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (zie met name arrest van 29 oktober 2015, Nagy, C‑583/14, EU:C:2015:737, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Volgens artikel 93, lid 1-bis, van de wegenverkeerswet is het eenieder die sinds meer dan zestig dagen woonplaats heeft in Italië verboden aan het verkeer deel te nemen met een in het buitenland geregistreerd voertuig.
27 Bijgevolg is een persoon die sinds meer dan zestig dagen woonplaats heeft in Italië, zoals GN, en die beschikt over een in een andere lidstaat geregistreerd motorvoertuig en hiermee in Italië aan het verkeer wenst deel te nemen, verplicht dit voertuig in laatstgenoemde lidstaat te registreren, hetgeen de betaling van kosten en belastingen en het vervullen van ingewikkelde administratieve formaliteiten meebrengt, zoals de verwijzende rechter opmerkt.
28 Aangezien een bruikleen in wezen bestaat in de mogelijkheid om de geleende zaak te gebruiken, dient te worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, doordat personen die sinds meer dan zestig dagen woonplaats hebben in Italië een belasting moeten betalen bij het gebruik op het Italiaanse wegennet van een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig, ook al is dat om niet geleend van een ingezetene van een andere lidstaat, ertoe leidt dat de grensoverschrijdende bruikleen om niet van motorvoertuigen wordt belast (zie in die zin arrest van 26 april 2012, van Putten, C‑578/10–C‑580/10, EU:C:2012:246, punt 39). Bruikleen om niet van een in Italië geregistreerd voertuig is daarentegen niet aan deze belasting onderworpen.
29 Een dergelijk verschil in behandeling naargelang de staat waarin het geleende voertuig is geregistreerd, kan inwoners van Italië ervan weerhouden de bruikleen, door inwoners van een andere lidstaat, van een in laatstgenoemde lidstaat geregistreerd voertuig te aanvaarden [zie in die zin beschikking van 10 september 2020, Waals Gewest (Inschrijving van een geleend voertuig), C‑41/20–C‑43/20, niet gepubliceerd, EU:C:2020:703, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30 Bijgevolg vormt de in punt 24 van het onderhavige arrest bedoelde nationale regeling, voor zover zij inwoners van Italië ervan kan weerhouden in andere lidstaten leenovereenkomsten te sluiten, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (zie in die zin arrest van 26 april 2012, van Putten, C‑578/10–C‑580/10, EU:C:2012:246, punten 40 en 41)."
HvJ EU 16 december 2021, C‑274/20 (GN en WX)
“61 Ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.
62 Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvat het begrip „beperking” in artikel 63 VWEU op algemene wijze alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en tussen de lidstaten en derde landen [arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen), C‑78/18, EU:C:2020:476, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
63 Bovendien omvatten volgens vaste rechtspraak van het Hof de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (zie in die zin arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 6 oktober 2021, C‑544/19, V-N 2021/34.14 en H&I 2021/658 comments Thomas (Ecotex)
"15 De maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien om in een lidstaat investeringen te doen of die ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen om in andere staten investeringen te doen (arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."15
16 In het bijzonder kan een verschil in behandeling dat ertoe leidt dat inkomsten die een belastingplichtige van een lidstaat in een andere lidstaat heeft verkregen, minder gunstig worden behandeld in vergelijking met inkomsten uit de eerste lidstaat, een dergelijke persoon ervan weerhouden om zijn kapitaal in een andere lidstaat te beleggen [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door ICBE’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
"62 Volgens artikel 63, lid 1, VWEU zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.
63 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die ingezetenen van een lidstaat ervan kunnen weerhouden om in een andere lidstaat in onroerend goed investeringen te doen (arrest van 12 april 2018, Commissie/België, C‑110/17, EU:C:2018:250, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft BJ in de belastingjaren die in het hoofdgeding aan de orde zijn inkomsten ontvangen uit de verhuur, voor woondoeleinden, van een appartement in Luxemburg.
65 Bijgevolg is artikel 63 VWEU van toepassing op het hoofdgeding."
HvJ EU 15 juli 2021, C‑241/20 (BJ)
"22 Vervolgens blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arresten van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 50, en 18 januari 2018, Jahin, C‑45/17, EU:C:2018:18, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 30 april 2020, C‑565/18, V-N 2020/23.13 (Société Générale)
"54 Volgens vaste rechtspraak heeft het begrip „beperking” in de zin van artikel 49 VWEU betrekking op alle maatregelen die de uitoefening van de vrijheid van vestiging verbieden, belemmeren of minder aantrekkelijk maken (arrest van 28 april 2009, Commissie/Italië, C‑518/06, Jurispr. blz. I‑3491, punt 62).
55 Nationale maatregelen die het verwerven van aandelen van de betrokken ondernemingen kunnen blokkeren of beperken, of beleggers uit andere lidstaten ervan kunnen weerhouden in die ondernemingen te investeren, moeten ook worden aangemerkt als „beperkingen” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 19).
56 In het hoofdgeding werkt de betrokken nationale maatregel ontradend voor de beleggers en belemmert hij dus hun toegang tot de markt voor deelnemingen in vennootschappen.
57 Krachtens de nationale maatregel kunnen aandeelhouders in een naamloze televisievennootschap namelijk aansprakelijk worden gesteld voor aan deze vennootschap opgelegde geldboeten, zodat zij ervoor zorgen dat deze vennootschap de Griekse wetgeving en deontologische regels naleeft, terwijl zij in het kader van hun bevoegdheden krachtens de regels inzake de werking van de organen van naamloze vennootschappen daartoe niet de materiële mogelijkheid hebben.
58 Hoewel de maatregel zonder onderscheid van toepassing is op Griekse beleggers en op beleggers uit andere lidstaten, werkt hij bovendien meer ontradend voor beleggers uit andere lidstaten dan voor Griekse beleggers.
59 Het doel de aandeelhouders ertoe aan te zetten allianties met andere aandeelhouders te sluiten om de beslissingen van de directie van de vennootschap te kunnen beïnvloeden, ook al geldt het voor alle aandeelhouders, is namelijk ongetwijfeld veel moeilijker te bereiken voor beleggers uit andere lidstaten die de gewoonten van de Griekse media minder kennen en niet noodzakelijkerwijze kennis hebben van de verschillende groepen of allianties die zijn vertegenwoordigd in het kapitaal van een vennootschap die houder is van een vergunning tot oprichting en exploitatie van een televisiezender.
60 Derhalve beperkt een nationale maatregel als die in het hoofdgeding zowel de vrijheid van vestiging als het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 21 oktober 2010, C‑81/09 (Idryma Typou)
"32. De minder gunstige fiscale behandeling van niet-ingezetenen kan hen ontmoedigen in Duitsland gelegen onroerende goederen te verwerven of aan te houden (zie naar analogie arrest van 8 september 2005, Blanckaert, nr. C 512/03, Jur. p. I 7685, punt 39). Tevens kunnen Duitse inwoners worden ontmoedigd om personen die in een andere lidstaat wonen dan de Bondsrepubliek Duitsland aan te duiden als begunstigde van een voorschot op het erfdeel (zie naar analogie arrest Missionswerk Werner Heukelbach, reeds aangehaald, punt 25).33. Een dergelijke wettelijke regeling vormt dus een in beginsel bij art. 63 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 31 maart 2011, nr. C-450/09, LJN BQ0729, V-N 2011/19.27; NTFR 2011, 957, m.nt. Korving; H&I 2011/9.4, m.comm. Paternotte; RvdW 2011/673 (Schröder).
"45 Volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 24 november 2016, C‑464/14 (Secil)
"23 Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (zie arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 30 juni 2016, C‑176/15 (Riskin en Timmermans)
"40 Aangaande de vraag of de betrokken regeling een beperking in de zin van deze bepaling vormt, zij eraan herinnerd dat nationale bepalingen ter vaststelling van de waarde van een onroerende zaak voor de berekening van de belastingschuld bij verkrijging door schenking, niet alleen de aankoop van in de betrokken lidstaat gelegen onroerende zaken kunnen ontmoedigen, maar ook kunnen leiden tot een waardevermindering van de schenking van een ingezetene van een andere lidstaat dan die waarin deze zaken zijn gelegen (zie arrest van 22 april 2010, Mattner, C‑510/08, EU:C:2010:216, punt 25)."
HvJ EU 8 juni 2016, C-479/14 (Hünnebeck)
"27 Volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (zie met name arresten van 8 november 2012, Commissie/Finland, C‑342/10, EU:C:2012:688, punt 28, en van 22 november 2012, Commissie/Duitsland, C‑600/10, niet gepubliceerd, EU:C:2012:737, punt 14).
28 In het bijzonder kan een ongunstige behandeling door een lidstaat van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten pensioenfondsen in vergelijking met de behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten pensioenfondsen, in een andere dan die lidstaat gevestigde vennootschappen ervan doen afzien in eerstbedoelde lidstaat te investeren, zodat zij een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (zie arresten van 8 november 2012, Commissie/Finland, C‑342/10, EU:C:2012:688, punt 33, en van 22 november 2012, Commissie/Duitsland, C‑600/10, niet gepubliceerd, EU:C:2012:737, punt 15)."
HvJ EU 2 juni 2016, C‑252/14 (Pensioenfonds Metaal en Techniek)
"18 In dit verband zij in de eerste plaats herinnerd aan de vaste rechtspraak dat schenkingen en nalatenschappen kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU vormen, tenzij alle bestanddelen binnen één lidstaat gelegen zijn (zie in die zin met name arrest Schröder, EU:C:2011:198, punt 26). De overdracht in kwestie van aandelen in een in Duitsland gevestigde vennootschap aan een natuurlijke persoon die in een andere lidstaat woont, in het kader van een voorschot op het erfdeel, valt dus onder artikel 63 VWEU.
19 In de tweede plaats omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen of dergelijke investeringen aan te houden (zie met name arrest Schröder, EU:C:2011:198, punt 30)."
HvJ EU 24 februari 2015, C‑559/13 (Grünewald)
"21 In dit verband zij eraan herinnerd dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die ingezetenen van een lidstaat kunnen ontmoedigen in een andere lidstaat in onroerend goed investeringen te doen (arrest Libert e.a., C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288, punt 44)."
HvJ EU 21 september 2014, C‑489/13 (Verest en Gerards)
"39 Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arresten van 18 december 2007, A, C‑101/05, Jurispr. blz. I‑11531, punt 40; 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, Jurispr. blz. I‑305, punt 50, en arrest Santander Asset Management SGIIC e.a., reeds aangehaald, punt 15)."
HvJ EU 10 april 2014, C‑190/12 (Emerging Markets Series of DFA Investment Trust Company)
"27 Eveneens volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 56, lid 1, EG verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, Jurispr. blz. I‑1129, punt 24, en arrest Santander Asset Management SGIIC e.a., reeds aangehaald, punt 15)."
HvJ EU 3 oktober 2013, C‑282/12 (Itelcar)
"22 De maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen of dergelijke investeringen aan te houden (zie in die zin arresten van 22 januari 2009, STEKO Industriemontage, C‑377/07, Jurispr. blz. I‑299, punten 23 en 24, en 31 maart 2011, Schröder, C‑450/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 30).
23 Met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat in deze regeling bij de vaststelling van de verjaringstermijn voor de schatting van aandelen op naam met het oog op heffing van successierechten een onderscheid wordt gemaakt naargelang van de ligging van de zetel van de werkelijke leiding van de emitterende vennootschap, aangezien de verjaringstermijn voor de schatting van aandelen die zijn uitgegeven door een vennootschap waarvan de zetel van de werkelijke leiding in België is gelegen, twee jaar bedraagt terwijl deze verjaringstermijn tien jaar bedraagt wanneer de aandelen zijn uitgegeven door een vennootschap waarvan deze zetel in een andere lidstaat is gelegen.
24 Toepassing van deze langere verjaringstermijn op erfgenamen die aandelen aanhouden in een vennootschap waarvan de zetel van de werkelijke leiding in een andere lidstaat dan het Koninkrijk België is gelegen, kan echter tot gevolg hebben dat Belgische ingezetenen ervan afzien te investeren of investeringen aan te houden in buiten deze lidstaat gelegen activa, aangezien hun erfgenamen langere tijd in onzekerheid over een mogelijke fiscale navordering zullen verkeren.
25 Een dergelijke nationale wettelijke regeling vormt dus een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU."
HvJ EU 15 september 2011, C‑132/10 (Halley)
"Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten.
22 Uit vaste rechtspraak volgt dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, in geval van successies mede de maatregelen omvatten die leiden tot waardevermindering van de nalatenschap van een persoon die woonplaats heeft in een andere staat dan de lidstaat waar de betrokken zaken zich bevinden en waar de vererving van die zaken wordt belast (reeds aangehaald arrest Van Hilten-van der Heijden, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling behoudt de mogelijkheid om voor het verlaagde tarief van de successierechten in aanmerking te komen voor aan organismen zonder winstoogmerk die hun zetel van werkzaamheden hebben in België dan wel in de lidstaat waar de erflater daadwerkelijk verbleef of zijn arbeidsplaats had op het tijdstip van zijn overlijden, of waar hij voorheen daadwerkelijk is verbleven of zijn arbeidsplaats heeft gehad.
24 Deze wettelijke regeling leidt dus ertoe dat een successie zwaarder wordt belast wanneer de begunstigde een organisme zonder winstoogmerk is dat zijn zetel van werkzaamheden heeft in een lidstaat waar de erflater niet daadwerkelijk is verbleven of zijn arbeidsplaats heeft gehad, en beperkt bijgevolg het kapitaalverkeer doordat zij de waarde van voornoemde nalatenschap vermindert (zie naar analogie reeds aangehaald arrest Eckelkamp e.a., punt 45).
25 Zoals door de Commissie is uiteengezet, maakt voorts de toepassing van een hoger belastingtarief op bepaalde grensoverschrijdende kapitaalbewegingen dan op bewegingen binnen België, die grensoverschrijdende kapitaalbewegingen minder aantrekkelijk, aangezien het hogere tarief Belgische ingezetenen ervan doet afzien als legatarissen personen aan te wijzen die zijn gevestigd in lidstaten waar zijzelf niet daadwerkelijk zijn verbleven of hun arbeidsplaats hebben gehad (zie in die zin arrest van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, Jurispr. blz. I‑359, punt 38)."
HvJ EU 10 februari 2011, C‑25/10 (Missionswerk Werner Heukelbach)
“20 Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat een nationale wettelijke regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten vennootschappen toch een beperking van het vrije verkeer van kapitaal kan inhouden aangezien zelfs een op objectieve criteria berustend onderscheid grensoverschrijdende situaties de facto kan benadelen (arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 Dat is het geval wanneer een nationale wettelijke regeling de toekenning van een belastingvoordeel afhankelijk stelt van een voorwaarde die weliswaar zonder onderscheid van toepassing is, maar naar haar aard of in feite eigen is aan de nationale markt, waardoor alleen ingezeten vennootschappen die voorwaarde kunnen vervullen, terwijl niet-ingezeten vennootschappen er over het algemeen niet aan voldoen (zie arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
Nadelige fiscale behandeling van niet-ingezetenen
"36 Volgens vaste rechtspraak van het Hof strekken de maatregelen die krachtens artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het vrije kapitaalverkeer beperken, zich uit tot maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien investeringen in een lidstaat te doen, of die ingezetenen kunnen ontmoedigen investeringen in andere lidstaten te doen (zie met name arresten van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 In casu staat vast dat de belastingvrijstelling waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorziet, wordt verleend aan icb’s die volgens de Portugese regeling zijn opgericht en hun activiteiten uitoefenen, terwijl dividenden die worden uitgekeerd aan in een andere lidstaat gevestigde icb’s, niet voor deze vrijstelling in aanmerking komen.
38 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling leidt dus tot een nadelige behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten icb’s, doordat over die dividenden bronbelasting wordt geheven en de mogelijkheid om vrijstelling van bronbelasting te genieten is voorbehouden aan ingezeten icb’s.
39 Een dergelijke nadelige behandeling kan, ten eerste, niet-ingezeten icb’s ervan doen afzien te beleggen in vennootschappen die in Portugal zijn gevestigd, en, ten tweede, in Portugal gevestigde beleggers ervan weerhouden om aandelen in dergelijke icb’s te verwerven, zodat deze een in beginsel door artikel 63 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punten 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Zelfs een geringe beperking is verboden
“105 Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof dat de Verdragsartikelen betreffende het vrije verkeer van goederen en personen, het vrij verrichten van diensten en het vrije kapitaalverkeer fundamentele regels voor de Unie vormen en dat elke belemmering van deze vrijheden, hoe gering ook, verboden is (arrest van 5 december 2013, Zentralbetriebsrat der gemeinnützigen Salzburger Landeskliniken, C‑514/12, EU:C:2013:799, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
HvJ EU 11 november 2021, C-168/20 (BJ, curator in het faillissement van de heer M, OV, curator in het faillissement van de heer M - Mevrouw M, MH, ILA en de heer M)
Het mogelijk afzien van investeringen door buitenlandse (EU)investeerders/grensoverschrijdende dimensie
"30 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen of dergelijke investeringen aan te houden (zie in die zin arrest van 22 januari 2009, STEKO Industriemontage, C‑377/08, Jurispr. blz. I‑299, punten 23 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 31 maart 2011, nr. C-450/09 (Schröder)
"45 Artikel 63 VWEU bepaalt in lid 1 dat alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden zijn.
46 Uit de bewoordingen van deze bepaling vloeit voort dat er voor een schending ervan sprake moet zijn van kapitaalverkeer met een grensoverschrijdende dimensie en van een beperking van het vrije kapitaalverkeer."
HvJ EU 18 juni 2020, C‑78/18 (Europese Commissie - Zweden)
Een vrijstelling van belasting die is voorbehouden aan bepaalde vastgoedfondsen
74 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 56 EG (thans, na wijziging, artikel 63 VWEU) aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan de verlaging van de hypotheek- en de kadasterbelasting voorbehouden is aan gesloten vastgoedfondsen, met uitsluiting van open vastgoedfondsen, voor zover deze twee categorieën van fondsen zich in objectief vergelijkbare situaties bevinden, tenzij dat verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd door de doelstelling systeemrisico’s op de vastgoedmarkt te beperken.”
HvJ EU 16 december 2021, gevoegde zaken C‑478/19 en C‑479/19 (UBS Real Estate)
Het heffen van een bronbelasting bij niet-ingezetenen versus een vrijstelling voor ingezetenen
"40 Hieruit volgt dat dividenden die aan niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd minder gunstig worden behandeld dan dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, aangezien over die eerste dividenden een definitieve belasting van 15 % wordt geheven, terwijl die laatste uiteindelijk van belasting worden vrijgesteld.
41 Een dergelijke ongunstige behandeling van dividenden door een lidstaat kan niet-ingezeten vennootschappen ervan doen afzien in die lidstaat te investeren, zodat zij een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU in beginsel verboden is.
42 Desalniettemin doet het bepaalde in artikel 63 VWEU volgens artikel 65, lid 1, onder a), VWEU niet af aan het recht van de lidstaten de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die een onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd.
43 Het is vaste rechtspraak dat artikel 65, lid 1, onder a), VWEU, als uitzondering op het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van kapitaal, strikt moet worden uitgelegd. Deze bepaling kan dan ook niet aldus worden uitgelegd dat elke belastingwetgeving die een onderscheid maakt tussen belastingplichtigen naargelang van hun vestigingsplaats of van de lidstaat waar zij hun kapitaal beleggen, automatisch verenigbaar is met het VWEU [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44 De door artikel 65, lid 1, onder a), VWEU toegestane verschillen in behandeling mogen volgens lid 3 van dit artikel namelijk geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking vormen. Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat dergelijke verschillen in behandeling slechts zijn toegestaan wanneer zij betrekking hebben op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn of, in het tegenovergestelde geval, wanneer zij worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ 7 november 2024, C‑782/22 (XX - Belastingdienst)
De heffing van forensenbelasting
"a) het vrije verkeer van kapitaal
5.4
De centrale stelling van [appellant] is dat door de heffing van forensenbelasting een ontoelaatbaar onderscheid wordt gemaakt tussen een natuurlijk persoon die, zoals [appellant] , niet zijn hoofdverblijf in de gemeente heeft enerzijds en een natuurlijk persoon die dat wel heeft anderzijds. Indien beiden, naast hun hoofdverblijf, in de gemeente gedurende meer dan 90 dagen per jaar een gemeubileerde woning beschikbaar houden (hierna ook kort: een ‘tweede woning’ hebben), wordt alleen de eerste persoon voor de forensenbelasting belast. [appellant] voert aan dat op grond van art. 65 lid 1 VWEU de lidstaten bevoegd zijn de bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd, maar dat dit niet mag leiden tot arbitraire discriminatie. Van dit laatste is in dit geval wel sprake, want het gaat om gelijke gevallen, namelijk twee personen die allebei een tweede woning hebben in de gemeente, aldus [appellant] . Er is ook geen dwingende reden van algemeen belang die de heffing van forensenbelasting rechtvaardigt, want volgens vaste jurisprudentie van het HvJEU vormt de bescherming van de belastingopbrengst nooit een dwingende reden van algemeen belang. Volgens [appellant] is de forensenbelasting op zichzelf weliswaar nog nooit onderwerp van een procedure bij het HvJEU geweest, maar blijkt uit jurisprudentie met betrekking tot vergelijkbare gemeentelijke heffingen dat een onderscheid in tarieven tussen ingezetenen en niet-ingezetenen in strijd is met de vrijheid om diensten af te nemen.
5.5
Het hof oordeelt als volgt. Op grond van de criteria geformuleerd in het Köbler-arrest5 gaat het in deze zaak om de vraag of zich het uitzonderlijke geval voordoet dat de Hoge Raad het Unierecht kennelijk heeft geschonden. De eis dat sprake is van een ‘kennelijke schending’ impliceert dat de schending met enige evidentie moet blijken en dat het er in dit geding niet om gaat of het hof aan de hand van een beoordeling ten gronde van de stellingen van [appellant] vaststelt of de forensenbelasting al dan niet in strijd is met het Unierecht. Het HvJEU heeft in het Köbler-arrest immers belang gehecht aan de specifieke aard van de rechterlijke functie en de gerechtvaardigde eisen van rechtszekerheid. Met andere woorden: het is niet de bedoeling dat de zaak die geëindigd is met het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, in het onderhavige geding nog eens ‘over’ wordt gedaan. Dat zou in strijd zijn met het beginsel van rechtszekerheid. Daarom is slechts in uitzonderlijke gevallen ruimte voor aansprakelijkheid van de Staat voor een uitspraak van de Hoge Raad. Het is aan [appellant] als eisende partij om voldoende te onderbouwen dat zich hier een zodanig uitzonderlijk geval voordoet en te motiveren waarom de Hoge Raad het Unierecht kennelijk heeft geschonden.
5.6
[appellant] is daarin niet geslaagd. Zoals hij zelf erkent is de verenigbaarheid van de forensenbelasting met de vrijheid van kapitaalverkeer nooit aan het HvJEU voorgelegd. [appellant] heeft evenmin kunnen wijzen op lagere (binnen- of buitenlandse) rechtspraak waarin deze vraag aan de orde is gekomen en in zijn voordeel werd beslist. Hij heeft evenmin gewezen op opinies in de literatuur die zijn standpunt ondersteunen. [appellant] heeft wel gewezen op uitspraken van het HvJEU, maar die gaan hetzij over een van de andere vrijheden (die hun eigen juridische kader hebben), hetzij over de vrijheid van kapitaalverkeer maar niet over de forensenbelasting of een vergelijkbare heffing. Uit die uitspraken blijkt dus niet, laat staan met de nodige evidentie, dat de forensenbelasting in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer. Daarbij is nog het volgende relevant.
5.7
Anders dan in veel van de door [appellant] aangehaalde uitspraken, wordt bij de heffing van forensenbelasting geen onderscheid gemaakt tussen ingezetenen van Nederland en ingezetenen van andere lidstaten. Forensenbelasting wordt geheven van de persoon die een tweede woning in de gemeente heeft zonder in diezelfde gemeente zijn hoofdverblijf te hebben, ongeacht in welk land (Nederland dan wel een andere lidstaat) hij woont. Het valt dan ook niet in te zien dat de forensenbelasting een beperking vormt van het vrij verkeer van kapitaal tussen Nederland en andere lidstaten. Weliswaar kan een nationale regeling die, zoals hier, zonder onderscheid geldt voor ingezetenen van de lidstaat en niet-ingezetenen van de lidstaat een beperking van het vrije verkeer inhouden, maar dan moet vaststaan dat grensoverschrijdende situaties de facto worden benadeeld.6 Op een dergelijk effect heeft [appellant] zich niet (voldoende gemotiveerd) beroepen. De vergelijking die [appellant] ten slotte wil maken met gemeenten die bij musea7, zwembaden en dergelijke een lager tarief hanteren voor inwoners van de gemeenten en anderen, gaat reeds niet op omdat het daarbij ging om de vrijheid van dienstverlening, in ieder geval niet om het vrij verkeer van kapitaal of de forensenbelasting.
5.8
Bij het voorgaande komt dat het in dit geval gaat om een recreatiewoning in een vakantiepark, die [appellant] aanhoudt voor familiebezoek en die hij niet verhuurt. [appellant] heeft niet gewezen op rechtspraak of literatuur waaruit zou volgen dat een dergelijke aankoop, waarbij financiële motieven kennelijk niet op de voorgrond staan, kan worden beschouwd als een investering die beschermd wordt door art. 63 lid 1 VWEU. Zonder nadere toelichting op de verwachte waardeontwikkeling of het verwachte rendement van de recreatiewoning, een toelichting die [appellant] slechts in algemene zin maar niet toegespitst op zijn eigen situatie heeft gegeven8, valt niet in te zien waarom deze aankoop moet worden beschouwd als een ‘belegging’ in onroerend goed in de zin van de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij de (voormalige) Richtlijn 88/361.9 Het arrest van de HvJEU waar [appellant] naar verwijst inzake Établissements Rimbaud SA10 ging over een vennootschap waarvan vaststond dat deze in onroerende zaken in Frankrijk had belegd (rov. 18), niet over een particulier die een recreatiewoning had gekocht voor familiebezoek.
5.9
Het is bovendien maar zeer de vraag of de forensenbelasting wel een beperking van het kapitaalverkeer vormt. Deze belasting knoopt immers niet aan bij enige investering of belegging in onroerend goed binnen een gemeente, maar wordt geheven van de persoon die gedurende meer dan 90 dagen per jaar een gemeubileerde woning voor zich of zijn gezin beschikbaar houdt. Op grond van welke titel hij die woning beschikbaar houdt (eigendom of huur) is voor de heffing niet van belang. Integendeel, juist een persoon die als belegging een tweede woning in de gemeente koopt en deze gedurende het hele jaar verhuurt, wordt niet voor de forensenbelasting aangeslagen. Over een en ander zou wellicht anders kunnen worden gedacht indien aangenomen zou moeten worden dat de forensenbelasting in feite grensoverschrijdende beleggingen in onroerend goed belemmert, maar zoals hiervoor overwogen heeft [appellant] dat niet (voldoende gemotiveerd) aangevoerd."
Gerechtshof Den Haag 11 oktober 2022, 200.282.734/02, ECLI:NL:GHDHA:2022:2863. Het cassatieberoep tegen dit (civiele) arrest is door de (civiele kamer van de) Hoge Raad met toepassing van artikel 81 Wet RO verworpen (HR 15 maart 2024, 22/04898, ECLI:NL:HR:2024:425).
Verbod gebruik in andere Lidstaat geregistreerd motorvoertuig
“40 Bijgevolg moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 63, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die het eenieder die sinds meer dan zestig dagen woonplaats heeft in die lidstaat, verbiedt om in die lidstaat aan het verkeer deel te nemen met een in een andere lidstaat geregistreerd motorvoertuig, ongeacht de persoon op wiens naam dat voertuig is geregistreerd, zonder dat rekening wordt gehouden met de duur van het gebruik van dat voertuig in eerstgenoemde lidstaat en zonder dat de betrokken persoon aanspraak kan maken op vrijstelling wanneer dit voertuig niet is bestemd om hoofdzakelijk in eerstgenoemde lidstaat duurzaam te worden gebruikt of daar feitelijk niet duurzaam wordt gebruikt.”
HvJ EU 16 december 2021, C‑274/20 (GN en WX)
Kosten die verband houden met een bepaalde activiteit in een bepaalde Lidstaat
"100 In dat verband zij eraan herinnerd dat, bij de directe belastingen, de situatie van ingezetenen en die van niet-ingezetenen in het algemeen niet vergelijkbaar is (arrest van 14 februari 1995, Schumacker, C‑279/93, EU:C:1995:31, punt 31).
101 Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor de inkomsten die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van de ingezeten belastingplichtigen (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 47).
102 In het bijzonder met betrekking tot de vaststelling, voor de berekening van de inkomstenbelasting, van kosten die rechtstreeks verband houden met een activiteit waardoor in een lidstaat belastbare inkomsten zijn verworven, heeft het Hof reeds geoordeeld dat ingezeten en niet-ingezeten vennootschappen in een vergelijkbare situatie verkeren (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 24 februari 2022, C-257/20 (“Viva Telecom Bulgaria” EOOD)
De bewijslast voor niet-ingezetenen
"51 In casu moet een niet-ingezeten pensioenfonds, om in aanmerking te komen voor vrijstelling van vennootschapsbelasting dan wel voor teruggaaf daarvan, een verklaring overleggen die is bevestigd en geattesteerd door de autoriteiten die toezicht houden op dat fonds in de lidstaat waar het is gevestigd. Deze verklaring moet ten eerste aantonen dat het fonds uitsluitend de betaling garandeert van uitkeringen uit hoofde van ouderdoms‑ of invaliditeitspensioenen, uitkeringen uit hoofde van nabestaandenpensioenen, uitkeringen bij vervroegde uittreding of vervroegde pensionering en uitkeringen bij ziekte na uitdiensttreding, evenals, indien deze een aanvulling vormen op en bijkomend zijn aan deze uitkeringen, de toekenning van uitkeringen bij overlijden, ten tweede, dat het wordt beheerd door instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/41 vallen en, ten derde, dat het de uiteindelijk gerechtigde van de inkomsten is.
52 Met betrekking tot de vraag of een dergelijke verklaring geschikt is om de verwezenlijking van de in punt 49 van het onderhavige arrest genoemde doelstellingen op coherente en systematische wijze te waarborgen, dient in dat verband in herinnering te worden gebracht dat de belastingautoriteiten van een lidstaat het recht hebben om van de belastingplichtige het bewijs te verlangen dat zij noodzakelijk achten om te beoordelen of voldaan is aan de voorwaarden voor toekenning van een belastingvoordeel en bijgevolg of dat voordeel al dan niet moet worden toegekend. De inhoud, de vorm en de mate van nauwkeurigheid waaraan de informatie moet voldoen die door de belastingplichtige wordt verstrekt, worden bepaald door de lidstaat die dat voordeel toekent, zodat hij de belasting correct kan heffen (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Opdat de verkrijging van een belastingvoordeel door een niet-ingezeten belastingplichtige niet onmogelijk of uiterst moeilijk zou worden gemaakt, mag van die belastingplichtige evenwel niet worden verlangd dat hij stukken overlegt die in alle opzichten dezelfde vorm hebben en even gedetailleerd zijn als de bewijsstukken die zijn vastgesteld in de nationale wettelijke regeling van de lidstaat die dat belastingvoordeel toekent, wanneer die lidstaat aan de hand van de door die belastingplichtige verstrekte stukken voor het overige duidelijk en nauwkeurig kan nagaan of aan de voorwaarden voor de verkrijging van het betrokken belastingvoordeel is voldaan. Aan niet-ingezeten belastingplichtigen mogen immers geen buitensporig zware administratieve lasten worden opgelegd waardoor zij de facto niet in aanmerking komen voor een belastingvoordeel (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Hieruit vloeit voort dat het vereiste – dat uitsluitend geldt voor niet-ingezeten pensioenfondsen – om een verklaring van de autoriteiten van een andere lidstaat over te leggen, zoals bedoeld in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, alleen geschikt is om op coherente en systematische wijze de doeltreffendheid van de belastingcontroles en een doelmatige invordering van de belastingen te waarborgen indien deze autoriteiten over de nodige bevoegdheden en verantwoordelijkheden beschikken om een dergelijke verklaring af te geven en deze binnen een redelijke termijn aan het betrokken pensioenfonds kunnen verstrekken."
HvJ EU 27 november 2025, C‑525/24 (Santander Renta Variable España Pensiones, Fondo de Pensiones)
De relatie met richtlijn 90/435
"32 Voor deelnemingen beneden de in richtlijn 90/435 vastgestelde drempels staat het aan de lidstaten om te bepalen of en in hoeverre dubbele economische belasting of opeenvolgende belastingheffingen over de uitgekeerde winst moeten worden voorkomen en hiertoe unilateraal of door middel van met andere lidstaten gesloten overeenkomsten regelingen ter vermindering of voorkoming van deze dubbele economische belasting of opeenvolgende belastingheffingen in te stellen, zonder dat het hun evenwel is toegestaan maatregelen te treffen die in strijd zijn met de vrijheden van verkeer (zie in die zin arresten van 12 december 2006, Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, C‑374/04, EU:C:2006:773, punt 54, en 8 november 2007, Amurta, C‑379/05, EU:C:2007:655, punt 24)."
HvJ EU 16 juni 2022, C‑572/20 (ACC Silicones Ltd)
Een onevenredige geldboete op de niet-nakoming van aangifteverplichtingen met betrekking tot zijn goederen of rechten in het buitenland
"48 Vooraf zij eraan herinnerd dat het bij gebreke van harmonisatie in het Unierecht weliswaar aan de lidstaten staat om de sancties te kiezen die hun passend voorkomen in geval van niet-nakoming van de verplichtingen krachtens hun nationale wetgeving op het gebied van directe belastingen, maar dat zij hun bevoegdheid moeten uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 12 juli 2001, Louloudakis, C‑262/99, EU:C:2001:407, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Wat de evenredigheid van de geldboete van 150 % betreft, blijkt uit de eerste aanvullende bepaling van wet 7/2012 dat de toepassing van artikel 39, lid 2, van de wet betreffende de inkomstenbelasting van natuurlijke personen of van artikel 134, lid 6, van de bij koninklijk wetsbesluit 4/2004 van 5 maart 2004 goedgekeurde geconsolideerde tekst van de wet betreffende de vennootschapsbelasting, waarvan de bepalingen vervolgens zijn opgenomen in artikel 121, lid 6, van de wet betreffende de vennootschapsbelasting, leidt tot de oplegging van een geldboete van 150 % van de totale verschuldigde belasting over de bedragen die overeenkomen met de waarde van de in het buitenland aangehouden goederen of rechten. Deze geldboete is cumulatief met de in de achttiende aanvullende bepaling van de algemene belastingwet bepaalde forfaitaire geldboeten, die worden opgelegd per gegeven of geheel van gegevens dat onvolledig, onjuist of vals is en in „formulier 720” had moeten worden opgenomen.
50 Hoewel het Koninkrijk Spanje stelt dat deze proportionele geldboete wordt opgelegd wegens niet-nakoming van een materiële verplichting tot betaling van belasting, moet worden vastgesteld dat de oplegging ervan rechtstreeks verband houdt met de niet-nakoming van aangifteverplichtingen. Zij wordt immers alleen opgelegd aan belastingplichtigen wier situatie onder artikel 39, lid 2, van de wet betreffende de inkomstenbelasting van natuurlijke personen of artikel 121, lid 6, van de wet betreffende de vennootschapsbelasting valt, met andere woorden aan belastingplichtigen die niet, niet behoorlijk of niet tijdig hebben voldaan aan de verplichting om informatie over hun goederen of rechten in het buitenland te verstrekken, met uitsluiting van degenen die dergelijke goederen of rechten weliswaar met niet-aangegeven inkomsten hebben verworven, maar wel aan deze verplichting hebben voldaan.
51 Voorts voert het Koninkrijk Spanje aan dat de proportionele geldboete van 150 % in de praktijk wordt opgelegd na een individuele beoordeling en dat het tarief ervan kan worden gedifferentieerd. De bewoordingen van de eerste aanvullende bepaling van wet 7/2012 suggereren evenwel dat de enkele toepassing van artikel 39, lid 2, van de wet betreffende de inkomstenbelasting van natuurlijke personen of van artikel 121, lid 6, van de wet betreffende de vennootschapsbelasting volstaat voor de vaststelling dat er sprake is van een belastingovertreding, die als bijzonder ernstig wordt beschouwd en wordt bestraft met een geldboete van 150 % van het ontdoken belastingbedrag, waarbij dit tarief niet als een maximumtarief is geformuleerd.
52 Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat de differentiatiemogelijkheden die worden geboden door een ruling van 6 juni 2017 – na het met redenen omkleed advies dat de Commissie op 15 februari 2017 aan het Koninkrijk Spanje heeft gezonden –, niet in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van het onderhavige beroep, aangezien het bestaan van een niet-nakoming volgens vaste rechtspraak moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn [zie in die zin arrest van 22 januari 2020, Commissie/Italië (Richtlijn bestrijding van betalingsachterstand), C‑122/18, EU:C:2020:41, punt 58]. Dat de in die ruling vervatte uitlegging met terugwerkende kracht is opgenomen in de wet, heeft geen invloed op dit punt.
53 Ten slotte moet worden gewezen op het zeer hoge tarief voor de proportionele geldboete, dat haar een zeer repressief karakter verleent en dat in veel gevallen, gelet op de cumulatie met de forfaitaire geldboeten waarin de achttiende aanvullende bepaling van de algemene belastingwet daarenboven voorziet, ertoe kan leiden dat het door de belastingplichtige verschuldigde totaalbedrag wegens niet-nakoming van de verplichting tot verstrekking van informatie over zijn goederen of rechten in het buitenland oploopt tot meer dan 100 % van de waarde van die goederen of rechten, zoals de Commissie benadrukt.
54 In die omstandigheden heeft deze instelling aangetoond dat de Spaanse wetgever op onevenredige wijze inbreuk heeft gemaakt op het vrije verkeer van kapitaal door de niet-nakoming door de belastingplichtige van zijn aangifteverplichtingen met betrekking tot zijn goederen of rechten in het buitenland te bestraffen met een proportionele geldboete van 150 % van het verschuldigde belastingbedrag over de bedragen die overeenkomen met de waarde van die goederen of rechten, welke boete kan worden gecumuleerd met forfaitaire geldboeten."
HvJ EU 27 januari 2022, C-788/19 (Europese Commissie – Spanje)
Alleen binnenlandse rechtsvormen kunnen voor een bepaalde fiscale vrijstelling in aanmerking komen
"49 Uit vaste rechtspraak volgt dat de maatregelen die krachtens artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat kunnen ontmoedigen om in andere staten investeringen te doen (arresten van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Met name het feit dat een lidstaat inkomsten die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging ongunstiger behandelt dan inkomsten die worden uitgekeerd aan ingezeten instellingen voor collectieve belegging, kan in een andere dan die lidstaat gevestigde instellingen ervan doen afzien in die lidstaat investeringen te doen, zodat dit een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Wanneer aan ingezeten instellingen voor collectieve belegging uitgekeerde inkomsten worden vrijgesteld, terwijl inkomsten die door niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging worden verworven, onderworpen zijn aan een definitieve inhouding aan de bron, dan is er sprake van een dergelijke minder gunstige behandeling (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 50).
(...).
60 Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 53 en 54 van zijn conclusie, mogen de toekenningsvoorwaarden van een belastingvoordeel waarin een lidstaat voor bepaalde instellingen voor collectieve belegging voorziet, echter geen beperking van het vrije verkeer van kapitaal inhouden (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 46).
61 Gelet op de in punt 57 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte ontbrekende harmonisatie, zou het vrije verkeer van kapitaal zijn werking verliezen indien een niet-ingezeten instelling voor collectieve belegging, die is opgericht in de rechtsvorm die is toegestaan of vereist krachtens de wettelijke regeling van de lidstaat waar zij is gevestigd en die overeenkomstig die regeling handelt, in een andere lidstaat waar zij investeringen doet, verstoken blijft van een belastingvoordeel vanwege het enkele feit dat haar rechtsvorm niet overeenkomt met de rechtsvorm die in deze laatste lidstaat voor instellingen voor collectieve belegging is vereist.
62 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat volgens de toelichting van de Finse regering alternatieve beleggingsinstellingen in de zin van richtlijn 2011/61 in Finland bij statuten mogen worden opgericht en dat die fondsen vastgoedinvesteringen mogen verrichten, zonder evenwel in aanmerking te komen voor de vrijstelling van § 20a van de wet op de inkomstenbelasting.
63 De in Finland gevestigde instellingen voor collectieve belegging kunnen namelijk de rechtsvorm aannemen waarmee zij in aanmerking komen voor de vrijstelling, terwijl niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging onderworpen zijn aan de voorwaarden van de wetgeving van de lidstaat waar zij zijn gevestigd.
64 De voorwaarde inzake de oprichting bij overeenkomst is dus weliswaar niet een voorwaarde waaraan alleen ingezeten instellingen voor collectieve belegging kunnen voldoen, maar dat neemt niet weg dat die voorwaarde deze laatste instellingen kan bevoordelen ten nadele van instellingen voor collectieve belegging die bij statuten zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waar zij zijn gevestigd.
65 Hieruit volgt dat een dergelijke regeling niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging ervan kan doen afzien om vastgoedinvesteringen in Finland te doen en derhalve een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt die in beginsel verboden is bij artikel 63 VWEU."
HvJ EU 7 april 2022, C‑342/20 (A SCPI)
"72 In dit verband is het vaste rechtspraak van het Hof dat de handhaving van de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten als rechtvaardigingsgrond kan worden aanvaard wanneer de betrokken regeling ertoe strekt gedragingen te voorkomen die afbreuk kunnen doen aan het recht van een lidstaat om zijn belastingbevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot activiteiten die op zijn grondgebied plaatsvinden (arrest van 27 april 2023, L Fund, C‑537/20, EU:C:2023:339, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Een lidstaat die – zoals in het hoofdgeding het geval is – ervoor heeft gekozen om geen belasting te heffen over de inkomsten van binnenlandse oorsprong die ingezeten fondsen ontvangen, kan zich niet beroepen op de noodzaak om te zorgen voor een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten ter rechtvaardiging van het feit dat wel belasting wordt geheven bij niet-ingezeten fondsen die dergelijke inkomsten ontvangen (arrest van 27 april 2023, L Fund, C‑537/20, EU:C:2023:339, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74 Hieruit volgt dat de rechtvaardigingsgrond die berust op het bewaren van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten, evenmin kan worden aanvaard.
75 Bijgevolg kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling niet worden geacht verenigbaar te zijn met de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van kapitaal op grond dat zij wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.
76 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan dividenden die door ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd aan niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen, aan een bronheffing worden onderworpen, terwijl dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten publiekrechtelijke pensioenfondsen van een dergelijke belasting zijn vrijgesteld."
HvJ EU 29 juli 2024, C‑39/23 (Keva)
Lidstaten mogen de hoeveelheid contanten op hun grondgebied verminderen
"60 Vooraf moet worden gepreciseerd dat de lidstaten bij gebreke van gemeenschappelijke of geharmoniseerde regels betreffende de voorwaarden waaronder en de wijze waarop zij de betalingen in contanten op hun grondgebied kunnen beperken, weliswaar vrij zijn om dergelijke beperkingen in te voeren, maar dat zij bij de uitoefening van deze vrijheid het Unierecht in acht moeten nemen (zie naar analogie arrest van 22 november 2018, Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank (C‑625/17, EU:C:2018:939, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 6 oktober 2021, C-544/19, ECLI:EU:C:2021:803 (Ecotex)
Vastgoedinvesteringen
"35 Wat vastgoedinvesteringen betreft, is het vaste rechtspraak dat nationale maatregelen die verband houden met handelingen waarmee niet-inwoners dergelijke investeringen op het grondgebied van een lidstaat doen, zowel onder artikel 49 VWEU betreffende de vrijheid van vestiging als onder artikel 63 VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal kunnen vallen [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat bij de beantwoording van de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening moet worden gehouden met het voorwerp van de regeling in kwestie en, wanneer op basis van die regeling niet kan worden uitgemaakt onder welke van de fundamentele vrijheden zij overwegend valt, met de feitelijke gegevens van het concrete geval [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37 De regels inzake het recht van vestiging kunnen in beginsel evenwel slechts worden toegepast indien een permanente aanwezigheid in de lidstaat van ontvangst verzekerd is en, in het geval van verwerving en bezit van onroerende goederen, deze goederen actief worden beheerd [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 12 maart 2026, C‑119/24 [Chefquet]
Verbod op zuivere financiële investeringen in advocatenpraktijk op straffe van schrapping van het advocatentableau vormt geen belemmering
"80 In die omstandigheden moet op de eerste, de derde en de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 15, lid 2, onder c), en lid 3, van richtlijn 2006/123 en artikel 63 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die het, op straffe van schrapping van de betrokken advocatenvennootschap van het tableau, verbiedt om aandelen in die vennootschap over te dragen aan een zuiver financiële investeerder die niet voornemens is om in die vennootschap een in die regeling genoemde beroepsactiviteit uit te oefenen."
HvJ EU 19 december 2024, C‑295/23 (Halmer Rechtsanwaltsgesellschaft UG)
Herinschrijving in het kadaster van geschrapte zakelijke rechten
"52 In de derde plaats heeft het Hof geoordeeld dat de herinschrijving van de in strijd met artikel 63 VWEU in het kadaster geschrapte rechten van vruchtgebruik het meest geschikte middel is om, op zijn minst voor de toekomst, de juridische en feitelijke situatie te herstellen waarin de betrokkene zich zou hebben bevonden indien zijn rechten niet onrechtmatig waren geschrapt. In specifieke gevallen kunnen er echter objectieve en legitieme obstakels, met name van juridische aard, aan zo een maatregel in de weg staan, met name wanneer, sinds de schrapping van de rechten van vruchtgebruik, de grond waarop die rechten rustten te goeder trouw is verworven door een nieuwe eigenaar of is herverkaveld. Alleen indien een dergelijke herinschrijving daadwerkelijk onmogelijk blijkt te zijn, is het voor het ongedaan maken van de onwettige gevolgen van de schending van het Unierecht noodzakelijk dat de voormalige houders van de geschrapte rechten van vruchtgebruik een recht op een – al dan niet financiële – compensatie wordt toegekend, waarvan de waarde zodanig is dat deze de economische schade als gevolg van de schrapping van die rechten financieel vergoedt (zie in die zin arrest van 10 maart 2022, Grossmania, C‑177/20, EU:C:2022:175, punten 66 en 68)."
HvJ EU 12 december 2024, C‑419/23 (CN)
Het Verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel in een bilateraal belastingverdrag kan geen rechtvaardiging vormen voor een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
"45 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat ingezeten publiekrechtelijke pensioenfondsen met betrekking tot de fiscale behandeling van dividenden die worden uitgekeerd door in Zweden gevestigde vennootschappen, waarin § 2, eerste alinea, van hoofdstuk 7 van wet (1999:1229) op de inkomstenbelasting voorziet, zijn vrijgesteld van bronbelasting die vastgesteld is voor dit soort dividenden, terwijl niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen niet in aanmerking komen voor een dergelijke vrijstelling.
46 Een dergelijk verschil in fiscale behandeling leidt tot een nadelige behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen, waardoor deze instellingen ervan kunnen worden weerhouden te investeren in vennootschappen die in Zweden zijn gevestigd (zie naar analogie arrest van 17 maart 2022, AllianzGI-Fonds AEVN, C‑545/19, EU:C:2022:193, punt 39).
47 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van de Zweedse regering dat het non-discriminatiebeginsel in de zin van artikel 24 van het OESO-modelbelastingverdrag, zoals blijkt uit de punten 10 en 12 van het commentaar op artikel 24, niet inhoudt dat een staat die aan zijn eigen publiekrechtelijke lichamen bijzondere belastingvoordelen toekent, verplicht is om dezelfde voordelen toe te kennen aan de publiekrechtelijke lichamen van een andere staat.
48 In dit verband volstaat het erop te wijzen dat de regering zich niet op deze punten in het commentaar op artikel 24 van het OESO-modelbelastingverdrag kan beroepen om te ontkomen aan de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen (zie naar analogie arrest van 16 juli 2009, Damseaux, C‑128/08, EU:C:2009:471, punt 34).
49 Wat het argument van de Zweedse regering betreft dat het Unierecht bij gebreke van harmonisatie ervan ter zake geen enkele verplichting oplegt die de lidstaten gemeen hebben om bij te dragen aan de financiering van de socialezekerheidsstelsels van de andere lidstaten, zij eraan herinnerd dat het weliswaar vaststaat dat het Unierecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten, in acht neemt, maar dat dit niet wegneemt dat de lidstaten in de uitoefening van die bevoegdheid het Unierecht, en met name de bepalingen van het VWEU betreffende de fundamentele vrijheden, moeten eerbiedigen [zie in die zin arresten van 28 april 2022, Gerencia Regional de Salud de Castilla y León, C‑86/21, EU:C:2022:310, punt 18, en 30 juni 2022, INSS (Cumulatie van uitkeringen wegens volledige arbeidsongeschiktheid), C‑625/20, EU:C:2022:508, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
50 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, neerkomt op een in beginsel door artikel 63 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 29 juli 2024, C‑39/23 (Keva)
Uitsluiting van niet-ingezetenen van bepaalde voordelen in combinatie met fiscale transparantie: geen beperking
"64 Hieruit volgt dat op de eerste en de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat er geen sprake is van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal wanneer een nationale regeling tot gevolg heeft dat een niet-ingezeten entiteit die enerzijds dezelfde kenmerken heeft als een icbe in de zin van richtlijn 2009/65 en anderzijds rechtspersoonlijkheid bezit en in zoverre vergelijkbaar is met een ingezeten rechtspersoon – ook al wordt een ingezeten icbe volgens deze nationale regeling als fiscaal transparant beschouwd en kan zij niet als rechtspersoon optreden – wordt uitgesloten van teruggaaf van de belasting op inkomsten uit kapitaal, op voorwaarde dat de door de niet-ingezeten entiteit ontvangen inkomsten worden toegerekend aan haar deelnemers en in haar staat van vestiging niet worden belast op het niveau van die entiteit, maar op het niveau van haar deelnemers."
HvJ EU 30 april 2025, C‑602/23 (Finanzamt für Großbetriebe)
Artikel 63 VwEU omvat de vrijheid om deelnemingen te verwerven en aan te houden
"42 Ten slotte klopt het dat de nationale maatregelen die als „beperkingen” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU kunnen worden aangemerkt, niet alleen maatregelen omvatten die het verwerven van aandelen van in andere staten gevestigde vennootschappen kunnen blokkeren of beperken, maar ook maatregelen die investeerders ervan kunnen weerhouden dergelijke deelnemingen in in andere staten gevestigde vennootschappen aan te houden (arrest van 22 januari 2009, STEKO Industriemontage, C‑377/07, EU:C:2009:29, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 22 juni 2023, C‑258/22 (H Lebensversicherung)
Het onderscheid tussen het vrije verkeer van vestiging (artikel 49 VwEU) en het vrije verkeer van kapitaal (artikel 63 VwEU)
"51 Voorts moet om te bepalen of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, volgens vaste rechtspraak rekening worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie [arrest van 4 oktober 2024, Staatssecretaris van Financiën (Rente die betrekking heeft op een groepsinterne lening), C‑585/22, EU:C:2024:822, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
52 Zo valt een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder artikel 49 VWEU [arrest van 4 oktober 2024, Staatssecretaris van Financiën (Rente die betrekking heeft op een groepsinterne lening), C‑585/22, EU:C:2024:822, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
53 Nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen, zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming uit te oefenen, dienen daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 27 februari 2025, C‑18/23 (F S.A.)
Wanneer zijn binnenlandse en grensoverschrijdende situaties vergelijkbaar?
“99 Wat betreft, ten eerste, de vergelijkbaarheid van de situaties in het hoofdgeding, hebben verweerder in het hoofdgeding in zijn schriftelijke opmerkingen en de Bulgaarse regering ter terechtzitting aangevoerd dat het verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd doordat een niet-ingezeten en een ingezeten vennootschap zich in objectief verschillende situaties bevinden vanuit het oogpunt van de vennootschapsbelasting, omdat de eerste in tegenstelling tot de tweede geen financiële, boekhoudkundige en fiscale resultaten behaalt waardoor zij in Bulgarije aan die belasting kan worden onderworpen.
100 In dat verband zij eraan herinnerd dat, bij de directe belastingen, de situatie van ingezetenen en die van niet-ingezetenen in het algemeen niet vergelijkbaar is (arrest van 14 februari 1995, Schumacker, C‑279/93, EU:C:1995:31, punt 31).
101 Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor de inkomsten die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van de ingezeten belastingplichtigen (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 47).
102 In het bijzonder met betrekking tot de vaststelling, voor de berekening van de inkomstenbelasting, van kosten die rechtstreeks verband houden met een activiteit waardoor in een lidstaat belastbare inkomsten zijn verworven, heeft het Hof reeds geoordeeld dat ingezeten en niet-ingezeten vennootschappen in een vergelijkbare situatie verkeren (zie in die zin arrest van 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
103 In casu moet worden vastgesteld dat de Republiek Bulgarije er met de nationale regeling aan de orde in het hoofdgeding voor heeft gekozen om haar fiscale bevoegdheid uit te oefenen over renteloze leningen die door niet-ingezeten vennootschappen zijn verleend aan ingezeten vennootschappen, zodat deze niet-ingezeten vennootschappen wat de rechtstreeks aan die leningen verbonden kosten betreft, bijgevolg moeten worden geacht zich in een situatie te bevinden die vergelijkbaar is met die van ingezeten vennootschappen.
104 Het Hof heeft in het arrest van 22 december 2008, Truck Center (C‑282/07, EU:C:2008:762), inderdaad vastgesteld dat, in de omstandigheden van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, een verschil in behandeling bestaande in de toepassing van verschillende heffingstechnieken die afhankelijk waren van de vestigingsplaats van de belastingplichtige, situaties betrof die niet objectief vergelijkbaar waren, zodat dit verschil in behandeling, dat bovendien de ingezeten begunstigden niet noodzakelijkerwijs een voordeel verschafte, met name geen beperking van het vrije kapitaalverkeer vormde (zie in die zin arrest van 22 december 2008, Truck Center, C‑282/07, EU:C:2008:762, punten 41 en 49‑51, en 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 70).
105 Uit punt 94 van het onderhavige arrest blijkt echter dat, anders dan in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 22 december 2008, Truck Center (C‑282/07, EU:C:2008:762), de ingezeten vennootschappen die een renteloze lening hebben verstrekt in de onderhavige zaak een liquiditeitsvoordeel genieten ten opzichte van niet-ingezeten vennootschappen die een dergelijke lening hebben verstrekt, doordat zij de rechtstreeks aan die lening verbonden kosten op een verschillend moment kunnen aftrekken.
106 Uit de punten 91 tot en met 93 van het onderhavige arrest volgt dat de omvang van dit voordeel wordt bepaald door de duur van de krachtens de nationale regeling in het hoofdgeding ingestelde teruggaafprocedure waarmee niet-ingezeten vennootschappen kunnen verzoeken om de herberekening van de bronbelasting over de bruto fictieve rente op de renteloze lening zodat die belasting net zo hoog wordt als de vennootschapsbelasting die een ingezeten vennootschap over die verstrekte lening zou hebben betaald.
107 In deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het verschil in behandeling bij de belasting van fictieve rente op een renteloze lening, naargelang die wordt verstrekt door ingezeten of niet-ingezeten vennootschappen, zich beperkt tot de wijze van belastinginning (zie naar analogie arresten van 26 februari 2019, N Luxembourg 1 e.a., C‑115/16, C‑118/16, C‑119/16 en C‑299/16, EU:C:2019:134, punten 164 en 165, en 13 november 2019, College Pension Plan of British Columbia, C‑641/17, EU:C:2019:960, punten 71‑73).
108 Dit verschil in behandeling betreft dus situaties die objectief vergelijkbaar zijn.”
HvJ EU 24 februari 2022, C-257/20 (“Viva Telecom Bulgaria” EOOD)
"51 Uit de rechtspraak van het Hof volgt, ten eerste, dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het doel dat wordt nagestreefd met de in het geding zijnde nationale bepalingen, alsook van het voorwerp en de inhoud van die bepalingen, en ten tweede, dat alleen de criteria die in de betreffende wettelijke regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking moeten worden genomen om te beoordelen of het uit een dergelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling van objectief verschillende situaties vormt [arresten van 27 april 2023, L Fund, C‑537/20, EU:C:2023:339, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 oktober 2023, BA (Nalatenschappen – Beleid voor sociale huisvesting in de Unie), C‑670/21, EU:C:2023:763, punt 59).
(...).
62 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat aangezien alleen ingezeten publiekrechtelijke pensioenfondsen in aanmerking komen voor de vrijstelling van § 2, eerste alinea, van hoofdstuk 7 van wet (1999:1229) op de inkomstenbelasting en niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen van deze vrijstelling zijn uitgesloten, het enige criterium dat een onderscheid kan maken tussen Zweedse publiekrechtelijke pensioenfondsen en niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen, in werkelijkheid de plaats van vestiging van de fondsen is.
63 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat in casu het verschil in behandeling tussen niet-ingezeten publiekrechtelijke pensioeninstellingen en ingezeten publiekrechtelijke pensioenfondsen, zoals vastgesteld in punt 46 van het onderhavige arrest, ziet op situaties die objectief vergelijkbaar zijn."
HvJ EU 29 juli 2024, C‑39/23 (Keva)
"38 Ten tweede moet het bestaan van een mogelijk ongunstige behandeling van de aan niet-ingezeten vennootschappen uitgekeerde dividenden worden beoordeeld over elk belastingjaar afzonderlijk (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Aangezien door een niet-ingezeten vennootschap ontvangen dividenden worden belast op het moment van uitkering, moet rekening worden gehouden met het belastingjaar waarin de dividenden worden uitgekeerd om de belastingdruk op dergelijke dividenden te vergelijken met de belastingdruk op dividenden die zijn uitgekeerd aan een ingezeten vennootschap die belastingplichtig is in Biskaje (zie naar analogie arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 31)."
HvJ EU 19 december 2024, C‑601/23 (Credit Suisse)
Verschillende heffingstechnieken
“50 Wat het in punt 44 van het onderhavige arrest vermelde argument van de Portugese regering betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof in de omstandigheden die hebben geleid tot het arrest van 22 december 2008, Truck Center (C‑282/07, EU:C:2008:762), heeft erkend dat op de ontvangers van kapitaalinkomsten verschillende heffingstechnieken moesten worden toegepast naargelang deze ontvangers ingezetenen dan wel niet-ingezetenen zijn, aangezien dit verschil in behandeling betrekking had op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn (zie in die zin arrest van 22 december 2008, Truck Center, C‑282/07, EU:C:2008:762, punt 41).
51 Evenzo heeft het Hof in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek (C‑252/14, EU:C:2016:402), geoordeeld dat de verschillende behandeling van de belasting van aan pensioenfondsen uitgekeerde dividenden naargelang deze ingezeten dan wel niet-ingezeten zijn, die voortvloeit uit de toepassing van twee verschillende heffingstechnieken op deze respectieve fondsen, gerechtvaardigd was door het verschil in situatie van deze twee categorieën belastingplichtigen, gelet op het in die zaak door de nationale regeling nagestreefde doel alsmede op het voorwerp en de inhoud daarvan.
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Doel nationale regeling en onderscheidingscriteria vaststellen
"59 Voor zover het betoog van de Portugese regering betrekking heeft op de vermeende noodzaak om rekening te houden met de situatie van de aandeelhouders, volgt bovendien uit de rechtspraak van het Hof dat bij het onderzoek van de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie van de betrokken lidstaat rekening moet worden gehouden met het door de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel (zie onder meer arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede met het voorwerp en de inhoud daarvan (zie onder meer arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Bovendien moeten enkel de criteria die in de betrokken regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of het uit een dergelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling vormt van objectief verschillende situaties (zie in die zin arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Het belasten van de inkomsten van aandeelhouders in kapitaalvennootschappen
“68 Indien de verwijzende rechter tot de conclusie komt dat de Portugese regeling inzake dividendbelasting, in de wens om niet af te zien van elke belasting op dividenden die worden uitgekeerd door in Portugal gevestigde vennootschappen, ertoe strekt het niveau van belastingheffing te verplaatsen naar de aandeelhouders van de icb’s, moet eraan worden herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat wanneer de betrokken nationale regeling tot doel heeft het belastingniveau van het beleggingsvehikel te verplaatsen naar de aandeelhouder daarvan, in beginsel de materiële voorwaarden voor de bevoegdheid om belasting te heffen over de inkomsten van de aandeelhouders beslissend moeten worden geacht, en niet de gebruikte heffingstechniek (arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 60).
69 Een niet-ingezeten icb kan evenwel aandeelhouders hebben van wie de fiscale woonplaats zich in Portugal bevindt en ten aanzien van wier inkomsten deze lidstaat zijn heffingsbevoegdheid kan uitoefenen. Vanuit dit oogpunt bevindt een niet-ingezeten icb zich in een situatie die objectief vergelijkbaar is met die van een in Portugal gevestigde icb (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 61).
70 Het is juist dat de Portugese Republiek niet-ingezeten aandeelhouders niet kan belasten over dividenden die door niet-ingezeten icb’s worden uitgekeerd, zoals de Portugese regering overigens zowel in haar schriftelijke opmerkingen als in haar antwoorden op de vragen van het Hof heeft erkend. Een dergelijke onmogelijkheid strookt echter met de logica van de verplaatsing van het niveau waarop belasting wordt geheven, van het vehikel naar de aandeelhouder daarvan (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 62).
71 Wat in de tweede plaats de relevante onderscheidingscriteria in de zin van de in punt 60 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof betreft, moet worden vastgesteld dat het enige onderscheidingscriterium dat in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling is vastgelegd, is gebaseerd op de vestigingsplaats van de icb’s, doordat enkel niet-ingezeten instellingen worden onderworpen aan bronbelasting op de door hen ontvangen dividenden.
72 Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, is de situatie van een ingezeten icb die dividenden ontvangt evenwel vergelijkbaar met die van een niet-ingezeten icb, aangezien in beide gevallen de gemaakte winst in beginsel economisch dubbel of opeenvolgende keren kan worden belast (zie in die zin arrest van 10 april 2014, Emerging Markets Series of DFA Investment Trust Company, C‑190/12, EU:C:2014:249, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Bijgevolg kan op basis van het onderscheidingscriterium waarnaar de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling verwijst, dat uitsluitend betrekking heeft op de vestigingsplaats van de icb’s, geen objectief verschil in situatie tussen deze ingezeten en niet-ingezeten instellingen worden vastgesteld.
74 Gelet op al het voorgaande moet worden vastgesteld dat in casu het verschil in behandeling tussen ingezeten en niet-ingezeten icb’s betrekking heeft op objectief vergelijkbare situaties.”
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Maatregelen zonder onderscheid kunnen ook een belemmering vormen
"20 Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat een nationale wettelijke regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten vennootschappen toch een beperking van het vrije verkeer van kapitaal kan inhouden aangezien zelfs een op objectieve criteria berustend onderscheid grensoverschrijdende situaties de facto kan benadelen (arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 Dat is het geval wanneer een nationale wettelijke regeling de toekenning van een belastingvoordeel afhankelijk stelt van een voorwaarde die weliswaar zonder onderscheid van toepassing is, maar naar haar aard of in feite eigen is aan de nationale markt, waardoor alleen ingezeten vennootschappen die voorwaarde kunnen vervullen, terwijl niet-ingezeten vennootschappen er over het algemeen niet aan voldoen (zie arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
Objectief vergelijkbare situaties
"Bestaan van objectief vergelijkbare situaties
69 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een binnenlandse situatie van de betrokken lidstaat moet worden onderzocht aan de hand van de met de nationale bepalingen in kwestie nagestreefde doelstelling, alsmede aan de hand van het voorwerp en de inhoud van die bepalingen (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Voorts moeten enkel de criteria die in de betreffende regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn opgenomen, in aanmerking worden genomen om te beoordelen of het uit die regeling voortvloeiende verschil in behandeling een objectief verschil tussen de in het geding zijnde situaties weerspiegelt (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 In casu wijst de Finse regering er in de eerste plaats op dat de in § 20a van de wet op de inkomstenbelasting bedoelde vrijstelling beoogt te vermijden dat inkomsten uit beleggingen dubbel worden belast en ernaar streeft dat beleggingen via fondsen fiscaal worden behandeld als directe beleggingen. Volgens deze bepaling wordt de fiscale behandeling bepaald door de rechtsvorm van de entiteit en hangt zij af van het antwoord op de vraag of de belasting wordt geheven bij zowel de entiteit als de eigenaar ervan, zoals het geval is voor naamloze vennootschappen, dan wel of de belasting uitsluitend bij de eigenaar wordt geheven, zoals het geval is voor commanditaire vennootschappen, beleggingsfondsen en gespecialiseerde beleggingsfondsen.
72 Voorts betoogt die regering dat een rechtens bij statuten opgerichte instelling voor collectieve belegging en een rechtens bij overeenkomst opgericht gespecialiseerd beleggingsfonds naar Fins recht zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden, gelet op de doelstelling van wet (213/2019) op de beleggingsfondsen en wet (162/2014) inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen om beleggers te beschermen in geval van faillissement van fondsen.
73 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het feit dat een instelling voor collectieve belegging bij statuten is opgericht, in het licht van de doelstellingen om dubbele belasting op inkomsten uit beleggingen te voorkomen en indirecte beleggingen via fondsen fiscaal op dezelfde wijze te behandelen als directe beleggingen, haar niet noodzakelijkerwijs in een andere situatie plaatst dan die van een instelling voor collectieve belegging die bij overeenkomst is opgericht.
74 Die doelstellingen kunnen namelijk ook worden bereikt wanneer een instelling voor collectieve belegging bij statuten is opgericht, maar in haar lidstaat van vestiging is vrijgesteld van inkomstenbelasting of onder een fiscale transparantieregeling valt.
75 Dit wordt overigens bevestigd door de omstandigheid waarnaar de Finse regering heeft verwezen, dat naar nationaal recht een alternatieve beleggingsinstelling die, wat de rechtsvorm betreft, bij statuten is opgericht, impliceert dat er zowel bij dat fonds als bij de beleggers inkomstenbelasting wordt geheven, terwijl er voor een bij overeenkomst opgericht fonds uitsluitend bij de beleggers belasting wordt geheven.
76 Met betrekking tot, in de tweede plaats, de overwegingen van de Finse regering inzake de grotere bescherming van de beleggers die zou voortvloeien uit het feit dat een beleggingsfonds bij overeenkomst is opgericht, moet worden opgemerkt dat in die overwegingen weliswaar de redenen worden uiteengezet die de nationale wetgever ertoe kunnen hebben gebracht te eisen dat ingezeten beleggingsfondsen in deze vorm worden opgericht, maar op grond van dergelijke overwegingen kan met betrekking tot de bij § 20a van de wet op de inkomstenbelasting toegekende vrijstelling van inkomstenbelasting geen objectief onderscheid worden gemaakt tussen rechtens bij overeenkomst opgerichte instellingen voor collectieve belegging en instellingen met een andere rechtsvorm.
77 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat een niet-ingezeten instelling voor collectieve belegging die rechtens bij statuten is opgericht en in haar staat van vestiging is vrijgesteld van belasting over haar inkomsten of onder een fiscale transparantieregeling valt, in het licht van de nationale bepalingen met betrekking tot een vrijstelling die ertoe strekt beleggingen via fondsen fiscaal gelijk te stellen met directe beleggingen, zich in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van een ingezeten beleggingsfonds dat rechtens bij overeenkomst is opgericht."
HvJ EU 7 april 2022, C‑342/20 (A SCPI)
"47 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een binnenlandse situatie van de betrokken lidstaat moet worden onderzocht aan de hand van de met de nationale bepalingen in kwestie nagestreefde doelstelling (zie met name arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede aan de hand van het voorwerp en de inhoud van die bepalingen (zie met name arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Enkel de criteria die in de betreffende regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn opgenomen, moeten in aanmerking worden genomen om te beoordelen of het uit die regeling voortvloeiende verschil in behandeling een objectief verschil tussen de in het geding zijnde situaties weerspiegelt (zie in die zin arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 In dit verband moet er – zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt – in de eerste plaats op worden gewezen dat bij het onderzoek of er een objectief verschil bestaat tussen de situatie van open en die van gesloten vastgoedfondsen, de voornaamste moeilijkheid gelegen is in het feit dat de verwijzende rechter niet duidelijk uiteenzet waarom het Italiaanse recht het in de hoofdgedingen aan de orde zijnde belastingvoordeel verschaft."
HvJ EU 16 december 2021, gevoegde zaken C‑478/19 en C‑479/19 (UBS Real Estate)
"Vergelijkbaarheid van de betrokken situaties
37 De Duitse regering stelt dat een erfenis tussen niet-ingezetenen en die waarbij een ingezetene betrokken is, objectief verschillende situaties betreffen. Het verschil in fiscale behandeling van een nalatenschap tussen niet-ingezetenen en van die waarbij een ingezetene betrokken is wat betreft de erfbelasting op in Duitsland gelegen onroerende zaken, is dus objectief gerechtvaardigd.
38 Opgemerkt zij dat de hoogte van de erfbelasting over in Duitsland gelegen onroerende zaken krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling wordt berekend op basis van zowel de waarde van die onroerende zaken als de persoonlijke band tussen de erflater en de erfgenaam. Geen van beide criteria hangt echter af van hun woonplaats. Bovendien beschouwt de betrokken nationale regeling zowel de verkrijger van een nalatenschap tussen niet-ingezetenen als die van een nalatenschap waarbij ten minste één ingezetene betrokken is, als belastingplichtigen voor de inning van erfbelasting over in Duitsland gelegen onroerende zaken. In beide gevallen vloeit de bepaling van de klasse en het tarief van de belasting voor de berekening van de erfbelasting namelijk voort uit dezelfde regels. Volgens deze regeling worden de nalatenschappen tussen niet-ingezetenen en die waarbij een ingezetene betrokken is, voor de berekening van de erfbelasting over in Duitsland gelegen onroerende zaken slechts verschillend behandeld wat de berekening van de belastbare verrijking van de verkrijger betreft.
39 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de nationale wetgever, door ten behoeve van de belastingheffing op onroerende goederen de niet-ingezeten erfgenamen die een dergelijk goed hebben verkregen van een niet-ingezeten erflater enerzijds en de niet-ingezeten of ingezeten erfgenamen die zo’n goed hebben verkregen van een ingezeten erflater, alsook de ingezeten erfgenamen die hetzelfde onroerende goed hebben verkregen van een niet-ingezeten erflater anderzijds, gelijk te behandelen, zelf heeft geoordeeld dat tussen die categorieën erfgenamen, wat de modaliteiten en de voorwaarden voor inning van de erfbelasting betreft, geen enkel objectief verschil in situatie bestaat (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 51).
40 Het is juist dat, zoals de Duitse regering betoogt, de Duitse belastingbevoegdheid in gevallen van beperkte erfbelastingplicht op nalatenschappen tussen niet-ingezetenen, beperkt is tot het binnenlands onroerend vermogen, terwijl deze bevoegdheid zich in gevallen van onbeperkte erfbelasting op nalatenschappen waarbij ten minste één ingezetene betrokken is, uitstrekt tot alle overgaande vermogensbestanddelen. Voorts wordt in het hoofdgeding, anders dan het geval was bij de bepalingen die met name het voorwerp waren van het arrest van 17 oktober 2013, Welte (C‑181/12, EU:C:2013:662), het bedrag van de belastingvrije som voor beperkt belastingplichtige erfgenamen niet meer forfaitair bepaald, maar op grond van het aandeel dat de waarde van het vermogen waarop die bevoegdheid wordt uitgeoefend, vertegenwoordigt in de totale waarde van de nalatenschap.
41 Deze omstandigheden kunnen echter niet afdoen aan de conclusie in punt 39 van het onderhavige arrest. In gevallen van onbeperkte belastingplicht verschilt de belastingvrije som waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling voorziet immers geenszins naargelang van de hoogte van de heffingsgrondslag die onder de Duitse belastingbevoegdheid valt. Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat deze belastingvrije som, die wordt vastgesteld aan de hand van de verwantschap tussen de erfgenaam en de erflater, automatisch aan elke erfgenaam wordt toegekend op de enkele grond dat hij in Duitsland aan erfbelasting onderworpen is, om te verzekeren dat een deel van het gezinsvermogen door vermindering van het totale bedrag van de nalatenschap wordt vrijgesteld. Wat de belasting betreft die voortvloeit uit de uitoefening door de Bondsrepubliek Duitsland van haar belastingbevoegdheid, bevindt een beperkt belastingplichtige erfgenaam zich in een situatie die vergelijkbaar is met die van een onbeperkt belastingplichtige erfgenaam. Immers, net zoals deze hoedanigheid van belastingplichtige geenszins afhangt van de woonplaats – gelet op het feit dat volgens de betrokken regeling elke verkrijging van in Duitsland gelegen onroerende zaken aan erfbelasting is onderworpen, ongeacht of de erflater en de erfgenaam al dan niet ingezetenen zijn – hangen de aard van de familieband tussen deze laatsten en de doelstelling van de gedeeltelijke vrijstelling van het gezinsvermogen evenmin af van de woonplaats (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 53).
42 Zo zou de verkrijger van een nalatenschap waarvan de heffingsgrondslag in Duitsland bestaat uit onroerende goederen die gelijkwaardig zijn aan die waarover verzoekster in het hoofdgeding erfbelasting verschuldigd is, anders dan zij, aanspraak kunnen maken op de volledige belastingvrije som waarin de nationale regeling voorziet, indien hij die goederen heeft verkregen van een erflater die op het Duitse grondgebied woonde en met wie hij een familieband had, of indien hij zelf in Duitsland woonde en die goederen heeft verkregen van een erflater die daar niet woonde.
43 Hieruit volgt dat de door de Duitse regering aangevoerde omstandigheden, gelet op deze belastingvrije som, er niet toe kunnen leiden dat de situatie van de niet-ingezeten erfgenaam van een niet-ingezeten erflater objectief verschilt van de situatie van de niet-ingezeten erfgenaam van een ingezeten erflater of van de ingezeten erfgenaam van een ingezeten of niet-ingezeten erflater (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 55).
44 Uit het voorgaande volgt dat een verschil in behandeling als dat in het hoofdgeding, dat betrekking heeft op het recht op een belastingvrije som, objectief vergelijkbare situaties betreft.
(...).
– Vergelijkbaarheid van de betrokken situaties
62 Zoals blijkt uit de punten 37 tot en met 39 van het onderhavige arrest, bestaat er wat betreft de hoogte van de erfbelasting die verschuldigd is over in Duitsland gelegen onroerende zaken geen objectief verschil tussen nalatenschappen tussen personen die op het tijdstip van het overlijden niet in deze lidstaat wonen, en nalatenschappen tussen personen van wie er op dat tijdstip ten minste één in die lidstaat woont.
63 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door het argument van de Duitse regering dat de verplichtingen ter zake van de legitieme porties geen rechtstreeks verband houden met de in Duitsland gelegen onroerende zaken waarover erfbelasting wordt geheven, anders dan het geval is bij de rechtspraak die met name voortvloeit uit het arrest van 11 september 2008, Eckelkamp e.a. (C‑11/07, EU:C:2008:489), dat betrekking heeft op de aftrekbaarheid van lasten die rusten op een aan de erfbelasting onderworpen onroerende zaak.
64 Los van de kwalificatie ervan naar nationaal recht hebben de verplichtingen ter zake van de legitieme porties immers in ieder geval gedeeltelijk betrekking op de in Duitsland gelegen onroerende zaken waarop de Bondsrepubliek Duitsland haar belastingbevoegdheid uitoefent.
65 Uit het voorgaande volgt dat een verschil in behandeling als dat in het hoofdgeding, dat betrekking heeft op de aftrekbaarheid van verplichtingen ter zake van de legitieme porties, objectief vergelijkbare situaties betreft."
HvJ EU 21 december 2021, C‑394/20 (XY)
"Bestaan van objectief vergelijkbare situaties
43 Met het oog op de beoordeling van de vergelijkbaarheid van de betrokken situaties vraagt de verwijzende rechter zich ten eerste af of de situatie van de aandeelhouders op dezelfde wijze in aanmerking moet worden genomen als die van de icb’s, en ten tweede of het eventueel van belang is dat het Portugese belastingstelsel bepaalde belastingen kent waaraan alleen ingezeten icb’s zijn onderworpen.
44 De Portugese regering betoogt in wezen dat de respectieve situaties van ingezeten en niet-ingezeten icb’s niet objectief vergelijkbaar zijn, omdat de belasting van dividenden die deze twee categorieën beleggingsinstellingen van in Portugal gevestigde vennootschappen ontvangen, wordt geregeld door verschillende heffingstechnieken. Dergelijke dividenden zijn namelijk onderworpen aan bronbelasting wanneer zij worden uitgekeerd aan een niet-ingezeten icb, en aan zegelrecht en de specifieke inkomstenbelasting van artikel 88.°, lid 11, van het wetboek vennootschapsbelasting wanneer zij worden uitgekeerd aan een ingezeten icb.
45 Deze regering geeft ook aan dat uit artikel 22.°-A EBF volgt dat dividenden die ingezeten icb’s uitkeren aan hun aandeelhouders die op Portugees grondgebied wonen, of die kunnen worden toegerekend aan een op dat grondgebied gelegen vaste inrichting, worden belast tegen een tarief van 28 % (wanneer de begunstigden onderworpen zijn aan de belasting over de inkomsten van natuurlijke personen) of 25 % (wanneer de begunstigden onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting), terwijl dividenden uitgekeerd aan aandeelhouders die niet in Portugal ingezeten zijn en aldaar geen vaste inrichting hebben, in beginsel zijn vrijgesteld van de belasting over de inkomsten van natuurlijke personen en van de vennootschapsbelasting (op enkele uitzonderingen na die hoofdzakelijk bedoeld zijn om misbruik te voorkomen).
46 Volgens deze regering bestaat er een nauwe samenhang tussen de belasting over de inkomsten van de icb’s en over die van de aandeelhouders van deze instellingen. Het Portugese model van belastingheffing op icb’s, dat „samengesteld” van aard is, combineert aldus structureel de belastingen die rusten op ingezeten icb’s, te weten het zegelrecht en de specifieke belasting als bedoeld in artikel 88.°, lid 11, van het wetboek vennootschapsbelasting, en de in het vorige punt vermelde belastingen die rusten op aandeelhouders van dergelijke instellingen. Voor zover zij onderling zeer goed geïntegreerd zijn en elk onmisbaar zijn voor de samenhang van het ingevoerde belastingstelsel moeten deze verschillende belastingen in hun geheel worden beschouwd.
47 Voorts voegt deze regering daaraan toe dat bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid van de betrokken situaties de gevolgen van de fiscale transparantie die kenmerkend is voor de verhouding tussen verzoekster in het hoofdgeding en haar aandeelhouders, niet buiten beschouwing mogen worden gelaten. Het resultaat is dat de in Portugal geheven bronbelasting onmiddellijk kan worden afgewenteld op de aandeelhouders die, omdat zij niet van belasting zijn vrijgesteld, hun aandeel in die in Portugal geheven bronbelasting kunnen verrekenen of crediteren met hun in Duitsland verschuldigde belasting.
48 Ten slotte is de Portugese regering van mening dat verzoekster in het hoofdgeding, voor zover zij er vrijelijk voor heeft gekozen om niet in Portugal werkzaam te zijn via een vaste inrichting, zichzelf heeft uitgesloten van elke mogelijke vergelijking met in Portugal gevestigde icb’s, aangezien haar situatie in feite vergelijkbaar is met die van andere niet-ingezeten entiteiten waarvan de in Portugal ontvangen dividenden steeds worden belast tegen een tarief van 25 %.
49 Het is vaste rechtspraak dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor dividenden die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van de ingezeten belastingplichtigen (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Vergelijkbaarheid van de betrokken situaties
"37 De Duitse regering stelt dat een erfenis tussen niet-ingezetenen en die waarbij een ingezetene betrokken is, objectief verschillende situaties betreffen. Het verschil in fiscale behandeling van een nalatenschap tussen niet-ingezetenen en van die waarbij een ingezetene betrokken is wat betreft de erfbelasting op in Duitsland gelegen onroerende zaken, is dus objectief gerechtvaardigd.
38 Opgemerkt zij dat de hoogte van de erfbelasting over in Duitsland gelegen onroerende zaken krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling wordt berekend op basis van zowel de waarde van die onroerende zaken als de persoonlijke band tussen de erflater en de erfgenaam. Geen van beide criteria hangt echter af van hun woonplaats. Bovendien beschouwt de betrokken nationale regeling zowel de verkrijger van een nalatenschap tussen niet-ingezetenen als die van een nalatenschap waarbij ten minste één ingezetene betrokken is, als belastingplichtigen voor de inning van erfbelasting over in Duitsland gelegen onroerende zaken. In beide gevallen vloeit de bepaling van de klasse en het tarief van de belasting voor de berekening van de erfbelasting namelijk voort uit dezelfde regels. Volgens deze regeling worden de nalatenschappen tussen niet-ingezetenen en die waarbij een ingezetene betrokken is, voor de berekening van de erfbelasting over in Duitsland gelegen onroerende zaken slechts verschillend behandeld wat de berekening van de belastbare verrijking van de verkrijger betreft.
39 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de nationale wetgever, door ten behoeve van de belastingheffing op onroerende goederen de niet-ingezeten erfgenamen die een dergelijk goed hebben verkregen van een niet-ingezeten erflater enerzijds en de niet-ingezeten of ingezeten erfgenamen die zo’n goed hebben verkregen van een ingezeten erflater, alsook de ingezeten erfgenamen die hetzelfde onroerende goed hebben verkregen van een niet-ingezeten erflater anderzijds, gelijk te behandelen, zelf heeft geoordeeld dat tussen die categorieën erfgenamen, wat de modaliteiten en de voorwaarden voor inning van de erfbelasting betreft, geen enkel objectief verschil in situatie bestaat (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 51).
40 Het is juist dat, zoals de Duitse regering betoogt, de Duitse belastingbevoegdheid in gevallen van beperkte erfbelastingplicht op nalatenschappen tussen niet-ingezetenen, beperkt is tot het binnenlands onroerend vermogen, terwijl deze bevoegdheid zich in gevallen van onbeperkte erfbelasting op nalatenschappen waarbij ten minste één ingezetene betrokken is, uitstrekt tot alle overgaande vermogensbestanddelen. Voorts wordt in het hoofdgeding, anders dan het geval was bij de bepalingen die met name het voorwerp waren van het arrest van 17 oktober 2013, Welte (C‑181/12, EU:C:2013:662), het bedrag van de belastingvrije som voor beperkt belastingplichtige erfgenamen niet meer forfaitair bepaald, maar op grond van het aandeel dat de waarde van het vermogen waarop die bevoegdheid wordt uitgeoefend, vertegenwoordigt in de totale waarde van de nalatenschap.
41 Deze omstandigheden kunnen echter niet afdoen aan de conclusie in punt 39 van het onderhavige arrest. In gevallen van onbeperkte belastingplicht verschilt de belastingvrije som waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling voorziet immers geenszins naargelang van de hoogte van de heffingsgrondslag die onder de Duitse belastingbevoegdheid valt. Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat deze belastingvrije som, die wordt vastgesteld aan de hand van de verwantschap tussen de erfgenaam en de erflater, automatisch aan elke erfgenaam wordt toegekend op de enkele grond dat hij in Duitsland aan erfbelasting onderworpen is, om te verzekeren dat een deel van het gezinsvermogen door vermindering van het totale bedrag van de nalatenschap wordt vrijgesteld. Wat de belasting betreft die voortvloeit uit de uitoefening door de Bondsrepubliek Duitsland van haar belastingbevoegdheid, bevindt een beperkt belastingplichtige erfgenaam zich in een situatie die vergelijkbaar is met die van een onbeperkt belastingplichtige erfgenaam. Immers, net zoals deze hoedanigheid van belastingplichtige geenszins afhangt van de woonplaats – gelet op het feit dat volgens de betrokken regeling elke verkrijging van in Duitsland gelegen onroerende zaken aan erfbelasting is onderworpen, ongeacht of de erflater en de erfgenaam al dan niet ingezetenen zijn – hangen de aard van de familieband tussen deze laatsten en de doelstelling van de gedeeltelijke vrijstelling van het gezinsvermogen evenmin af van de woonplaats (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 53).
42 Zo zou de verkrijger van een nalatenschap waarvan de heffingsgrondslag in Duitsland bestaat uit onroerende goederen die gelijkwaardig zijn aan die waarover verzoekster in het hoofdgeding erfbelasting verschuldigd is, anders dan zij, aanspraak kunnen maken op de volledige belastingvrije som waarin de nationale regeling voorziet, indien hij die goederen heeft verkregen van een erflater die op het Duitse grondgebied woonde en met wie hij een familieband had, of indien hij zelf in Duitsland woonde en die goederen heeft verkregen van een erflater die daar niet woonde.
43 Hieruit volgt dat de door de Duitse regering aangevoerde omstandigheden, gelet op deze belastingvrije som, er niet toe kunnen leiden dat de situatie van de niet-ingezeten erfgenaam van een niet-ingezeten erflater objectief verschilt van de situatie van de niet-ingezeten erfgenaam van een ingezeten erflater of van de ingezeten erfgenaam van een ingezeten of niet-ingezeten erflater (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 55).
44 Uit het voorgaande volgt dat een verschil in behandeling als dat in het hoofdgeding, dat betrekking heeft op het recht op een belastingvrije som, objectief vergelijkbare situaties betreft."
HvJ EU 21 december 2021, C‑394/20 (XY)
Een regeling ter voorkoming van dubbele belasting
"43 Teneinde aan te tonen dat dit in casu het geval is , refereert de Duitse regering aan de overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting.
44 In dit verband zij eraan herinnerd dat een lidstaat zich weliswaar niet kan beroepen op een door een andere lidstaat eenzijdig toegekend voordeel om te ontkomen aan de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen, maar dat het doel dat erin bestaat te waarborgen dat dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten en niet-ingezeten vennootschappen op dezelfde wijze worden behandeld, kan worden bereikt door middel van een met een andere lidstaat gesloten overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting (zie in die zin arrest van 8 november 2007, Amurta, C‑379/05, EU:C:2007:655, punten 78 en 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak), op voorwaarde dat de toepassing van die overeenkomst het mogelijk maakt de gevolgen van het uit de nationale wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling volledig te compenseren.
45 Het verschil in behandeling tussen dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten vennootschappen en dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten vennootschappen verdwijnt pas wanneer de op grond van die nationale wettelijke regeling ingehouden bronbelasting met de in de andere lidstaat verschuldigde belasting kan worden verrekend ten belope van het door die wettelijke regeling ingestelde verschil in behandeling (arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Volgens de aan het Hof verstrekte gegevens is het tarief van de door de Bondsrepubliek Duitsland geheven bronbelasting over dividenden uit aandelen die in handen zijn van een gespreid aandeelhouderschap, welke dividenden worden uitgekeerd aan een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap, krachtens de overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting beperkt tot 15 % en kan deze bronbelasting worden verrekend met de Britse belasting. Krachtens artikel XVIII, lid 1, onder a), van deze overeenkomst is deze verrekening echter beperkt tot de Britse belasting die wordt berekend op basis van de winst of de inkomsten die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de Duitse belasting.
47 Een dergelijke regeling lijkt niet in alle gevallen te waarborgen dat het uit de nationale wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling wordt gecompenseerd, aangezien een dergelijke compensatie immers slechts mogelijk is ingeval het bedrag van de over de uitgekeerde dividenden berekende Britse belasting ten minste gelijk is aan het bedrag van de door de Bondsrepubliek Duitsland geheven bronbelasting (zie in die zin arresten van 20 oktober 2011, Commissie/Duitsland, C‑284/09, EU:C:2011:670, punten 67 en 68, en 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 86).
48 Zonder teruggaaf van de bronbelasting zou alleen de volledige verrekening van deze inhouding met de belasting die de niet-ingezeten vennootschap die de dividenden ontvangt, verschuldigd is in haar lidstaat van vestiging, het uit de nationale wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling kunnen wegnemen, waarbij de eventuele verrekeningsmogelijkheden op het niveau van de directe of indirecte aandeelhouders van deze vennootschap buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten, een punt waarmee de Duitse wettelijke regeling overigens geen rekening houdt met betrekking tot ingezeten vennootschappen.
49 Noch het in aftrek brengen – als bedrijfskosten of beroepskosten – van de ingehouden bronbelasting op de grondslag van de belasting die de vennootschap die de dividenden ontvangt, in de lidstaat van vestiging verschuldigd is, noch de omstandigheid dat deze vennootschap beschikt over de mogelijkheid tot overdracht van verrekening, waarbij steeds onzeker is of daarvan gebruik zal kunnen worden gemaakt – terwijl ingezeten vennootschappen recht hebben op onmiddellijke verrekening en in voorkomend geval op teruggaaf van het saldo van de betaalde bronbelasting – kan dat verschil in behandeling daarentegen volledig neutraliseren (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 83, en naar analogie arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punten 28‑34).
50 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties kan een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de teruggaaf van de ingehouden bronbelasting over inkomsten uit kapitaal aan strengere voorwaarden wordt onderworpen wanneer de ontvanger van de dividenden een niet‑ingezeten vennootschap is dan wanneer het gaat om een ingezeten vennootschap, zonder dat dit verschil in behandeling bij overeenkomst wordt geneutraliseerd, in andere lidstaten gevestigde vennootschappen ervan weerhouden om te investeren in vennootschappen van de betrokken lidstaat, en kan deze regeling eveneens een hindernis vormen voor de ingezeten vennootschappen om bij in andere lidstaten gevestigde vennootschappen kapitaal te verwerven. De betrokken wettelijke regeling vormt dan ook een in beginsel door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal."
HvJ EU 16 juni 2022, C‑572/20 (ACC Silicones Ltd)
Een belastingverdrag zorgt voor vergelijkbaarheid van binnenlandse en grensoverschrijdende situaties
"49 Het is vaste rechtspraak dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor dividenden die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van de ingezeten belastingplichtigen (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Economisch dubbele belasting
“59 Voor zover het betoog van de Portugese regering betrekking heeft op de vermeende noodzaak om rekening te houden met de situatie van de aandeelhouders, volgt bovendien uit de rechtspraak van het Hof dat bij het onderzoek van de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie van de betrokken lidstaat rekening moet worden gehouden met het door de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel (zie onder meer arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede met het voorwerp en de inhoud daarvan (zie onder meer arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Bovendien moeten enkel de criteria die in de betrokken regeling als relevante onderscheidingscriteria zijn vastgesteld, in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of het uit een dergelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling vormt van objectief verschillende situaties (zie in die zin arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 Wat in casu in de eerste plaats het voorwerp, de inhoud en het doel van de Portugese regeling inzake dividendbelasting betreft, zowel op het niveau van de icb’s zelf als op het niveau van de aandeelhouders ervan, blijkt zowel uit het antwoord van de verwijzende rechter op het verzoek om informatie van het Hof als uit het antwoord van de Portugese regering op de schriftelijke vragen die haar in de loop van de onderhavige procedure zijn gesteld, dat deze regeling is opgezet volgens de logica van de „exitheffing”, in die zin dat icb’s die volgens de Portugese regeling zijn opgericht en hun activiteiten uitoefenen, zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting, waarbij de last van deze belasting wordt afgewenteld op de ingezeten aandeelhouders ervan, terwijl niet-ingezeten aandeelhouders daarvan zijn vrijgesteld.
62 De Portugese regering heeft namelijk gepreciseerd dat met de nationale regeling inzake dividendbelasting doelstellingen werden nagestreefd zoals met name het vermijden van internationale economische dubbele belasting en het overhevelen van de belastingheffing van de icb’s naar de aandeelhouders ervan, zodat de belastingheffing op deze inkomsten ongeveer gelijk is aan die welke zou zijn toegepast indien deze inkomsten rechtstreeks waren verkregen door de aandeelhouders van deze instellingen.
63 In casu staat het aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen, om, rekening houdend met alle aspecten van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde fiscale wettelijke regeling en met de bestanddelen van deze belastingregeling in hun geheel, het hoofddoel te bepalen dat met de nationale regeling in kwestie wordt beoogd (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punt 79).
64 Indien de verwijzende rechter tot de conclusie komt dat de Portugese regeling inzake dividendbelasting – gelet op de omstandigheid dat de icb’s tussenpersoon zijn ten opzichte van de aandeelhouders ervan – dubbele belasting van door ingezeten vennootschappen uitgekeerde dividenden beoogt te voorkomen, moet eraan worden herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat ingezeten ontvangende vennootschappen, wat de maatregelen betreft waarin een lidstaat voorziet om opeenvolgende belastingheffingen over of economische dubbele belasting van door een ingezeten vennootschap uitgekeerde inkomsten te voorkomen of te verminderen, zich niet noodzakelijk bevinden in een situatie die vergelijkbaar is met die van ontvangende vennootschappen die zijn gevestigd in een andere lidstaat (arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
Het gunstiger behandelen van een binnenlandse vennootschap/ingezetene in een verliessituatie
"40 In het onderhavige geval zou deze belastingdruk voor die laatste vennootschap echter nul zijn wanneer zij een dergelijk belastingjaar afsluit met een negatief resultaat.
41 Ten derde zal het eventuele uitstel van belastingheffing over deze dividenden het karakter aannemen van een definitieve vrijstelling, indien de ingezeten vennootschap niet meer winstgevend wordt alvorens haar activiteiten te beëindigen (zie naar analogie arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 33).
42 Derhalve kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling een voordeel verschaffen aan ingezeten vennootschappen die zich in een verlieslatende situatie bevinden, aangezien uit die situatie op zijn minst een cashflowvoordeel en zelfs een vrijstelling voortvloeit, terwijl niet-ingezeten vennootschappen ongeacht hun resultaat onderworpen zijn aan een onmiddellijke en definitieve belastingheffing (zie naar analogie arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 34).
43 Het provinciebestuur van Biskaje en de Spaanse regering herinneren er in dit verband aan dat aan een niet-ingezeten vennootschap zoals Credit Suisse Securities (Europe) uitgekeerde dividenden, krachtens artikel 25, lid 1, onder a), van regionale wet 12/2013 juncto artikel 10, lid 2, onder a), i), van het Spaans-Britse verdrag, onderworpen zijn aan een belastingtarief van 10 %, terwijl aan een ingezeten vennootschap uitgekeerde dividenden, voor zover zij zijn opgenomen in de heffingsgrondslag van de vennootschapsbelasting, zijn onderworpen aan een belastingtarief van 28 %.
44 Een dergelijke omstandigheid kan echter niet wegnemen dat dividenden die aan een niet-ingezeten vennootschap worden uitgekeerd, minder gunstig worden behandeld.
45 In de eerste plaats kan een ongunstige fiscale behandeling die indruist tegen een fundamentele vrijheid immers niet met het Unierecht verenigbaar worden geacht omdat er eventueel andere voordelen bestaan (arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 In de tweede plaats is het minder gunstige belastingtarief dat door het provinciebestuur van Biskaje en de Spaanse regering wordt aangevoerd met betrekking tot dividenden die aan een ingezeten vennootschap worden uitgekeerd hoe dan ook niet relevant, aangezien dergelijke dividenden zijn vrijgesteld van de verschuldigde belasting wanneer de ingezeten vennootschap in de boekjaren na het innen van die dividenden haar activiteiten beëindigt zonder winstgevend te zijn geweest. De omstandigheid dat een regeling van een lidstaat nadelig is voor niet-ingezetenen, kan niet worden gecompenseerd door de omstandigheid dat die regeling in andere situaties niet-ingezetenen niet ongunstiger behandelt dan ingezetenen (zie naar analogie arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Bovendien moet worden vastgesteld dat een dergelijk verschil in fiscale behandeling van dividenden op grond van de vestigingsplaats van de vennootschappen die deze dividenden ontvangen, niet-ingezeten vennootschappen kan doen besluiten om niet te investeren in vennootschappen die in Biskaje gevestigd zijn.
48 Hieruit volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling een in beginsel door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt."
HvJ EU 19 december 2024, C‑601/23 (Credit Suisse)
Binnen en buiten EU niet dezelfde reikwijdte van het vrije verkeer van kapitaal
"26 In dit verband dient te worden opgemerkt dat om na te gaan of de nadere bepalingen voor de teruggaaf van de bronbelasting over dividenden die worden uitgekeerd aan in derde landen gevestigde vennootschappen verenigbaar zijn met het Unierecht, een specifieke beoordeling zou moeten worden verricht, aangezien artikel 63, lid 1, VWEU beperkingen van het kapitaalverkeer, ook tussen lidstaten en derde landen weliswaar op algemene wijze verbiedt, maar de rechtspraak inzake beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal binnen de Unie niet integraal kan worden toegepast op het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en derde landen, dat zich afspeelt binnen een andere juridische context [zie in die zin arrest van 26 februari 2019, X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd), C‑135/17, EU:C:2019:136, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 16 juni 2022, C‑572/20 (ACC Silicones Ltd)
Artikel 63 VwEU kent rechten toe aan particulieren
"70 Allereerst is het in casu zo dat artikel 63 VWEU ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren, aangezien het, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, de houders van rechten van vruchtgebruik een recht verstrekt om deze rechten niet in strijd met dat artikel te worden ontnomen (zie naar analogie arrest van 14 september 2017, The Trustees of the BT Pension Scheme, C‑628/15, EU:C:2017:687, punt 48). Ook artikel 17 van het Handvest vormt een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen [arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 68].
71 Vervolgens blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat een schending van het Unierecht kennelijk gekwalificeerd is wanneer zij is blijven bestaan in weerwil van de uitspraak van een arrest houdende vaststelling van de verweten niet‑nakoming, een prejudiciële beslissing of vaste rechtspraak van het Hof ter zake waaruit blijkt dat de betrokken gedraging de kenmerken van een schending vertoont (arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad, C‑45/15 P, EU:C:2017:402, punt 31). Zoals in punt 37 van het onderhavige arrest is vastgesteld, is dat in casu het geval.
72 Ten slotte lijkt er, in het licht van de arresten van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth (C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157), en 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond) (C‑235/17, EU:C:2019:432), een rechtstreeks causaal verband te bestaan tussen de schending van artikel 63 VWEU en de door Grossmania geleden schade, hetgeen de verwijzende rechter, of in voorkomend geval de naar Hongaars recht ter zake bevoegde rechter, dient na te gaan."
HvJ EU 10 maart 2022, C-177/20 („Grossmania”)
De relatie met artikel 49 VwEU
"57 Uit de vaste rechtspraak van het Hof blijkt bovendien dat een nationale maatregel die verband houdt met zowel de vrijheid van vestiging als het vrije verkeer van kapitaal, in beginsel slechts uit het oogpunt van een van deze twee vrijheden moet worden onderzocht indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (zie in die zin arrest van 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, EU:C:2009:559, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 Voorts blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat een nationale regeling, voor zover zij enkel ziet op verhoudingen binnen een groep van vennootschappen, hoofdzakelijk de vrijheid van vestiging aantast (arrest van 26 juni 2008, Burda, C‑284/06, EU:C:2008:365, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...).
61 Beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal, gesteld al dat de betrokken wettelijke regeling die vrijheid zou beperken, zouden het onvermijdelijke gevolg zijn van een eventuele belemmering van de vrijheid van vestiging, en dus geen autonome toetsing van die regeling aan artikel 63 VWEU rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 18 juli 2007, Oy AA, C‑231/05, EU:C:2007:439, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Bijgevolg vallen nationale wettelijke regelingen zoals de regelingen inzake overdrachten binnen een groep, die enkel van toepassing zijn op groepen van vennootschappen, overwegend binnen de werkingssfeer van artikel 49 VWEU, dat de vrijheid van vestiging waarborgt, en hoeven zij dus niet te worden onderzocht in het licht van het door artikel 63 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van kapitaal.
63 Bovendien zij eraan herinnerd dat artikel 63 VWEU hoe dan ook niet kan worden toegepast in een situatie die in beginsel binnen de werkingssfeer van artikel 49 VWEU valt, wanneer een van de betrokken ondernemingen haar fiscale woonplaats in een derde land heeft, wat in het kader van de overdracht van 2011 geldt voor de Zwitserse vennootschap.
64 Aangezien het VWEU de vrijheid van vestiging niet verruimt tot derde landen, moet namelijk worden vermeden dat de uitlegging van artikel 63, lid 1, VWEU, wat de betrekkingen met deze staten betreft, marktdeelnemers die buiten de territoriale werkingssfeer van de vrijheid van vestiging vallen, de kans geeft profijt uit deze vrijheid te halen (arrest van 24 november 2016, SECIL, C‑464/14, EU:C:2016:896, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 De toepasselijkheid van artikel 63 VWEU, zoals vermeld in de formulering van de tweede vraag, hoeft dus niet aanvullend te worden onderzocht.
66 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op groepen van vennootschappen niet binnen de werkingssfeer van dat artikel valt."
HvJ EU 16 februari 2023, C‑707/20 (Gallaher)
"50 Aangezien de verwijzende rechter zowel op de vrijheid van vestiging als op de vrijheid van kapitaalverkeer doelt, moet vooraf worden bepaald welke fundamentele vrijheid op het hoofdgeding van toepassing is, hetgeen veronderstelt dat rekening wordt gehouden met het voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling en, in voorkomend geval, met de feitelijke gegevens van het concrete geval (zie in die zin arresten van 13 november 2012, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑35/11, EU:C:2012:707, punten 90, 93 en 94, en 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C‑257/20, EU:C:2022:125, punten 78, 82 en 83).
51 Dienaangaande valt een nationale regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder de vrijheid van vestiging. Nationale bepalingen inzake deelnemingen die zijn verworven met het uitsluitende doel om te beleggen, zonder dat de houder invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming wenst uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (arrest van 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C‑257/20, EU:C:2022:125, punten 79 en 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Hieruit volgt dat een nationale wettelijke regeling die niet alleen toepassing vindt op deelnemingen die de mogelijkheid bieden een zekere invloed op de beslissingen van een vennootschap uit te oefenen en de activiteiten ervan te bepalen, maar van toepassing is ongeacht de grootte van de deelneming van de aandeelhouder in een vennootschap, zowel onder de vrijheid van vestiging als onder de vrijheid van kapitaalverkeer kan vallen (zie in die zin arresten van 24 mei 2007, Holböck, C‑157/05, EU:C:2007:297, punten 23 en 24, en 21 oktober 2010, Idryma Typou, C‑81/09, EU:C:2010:622, punt 49)."
HvJ EU 19 december 2024, C‑295/23 (Halmer Rechtsanwaltsgesellschaft UG)
De samenloop tussen het vrije verkeer van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal
"50 Aangezien de verwijzende rechter zowel op de vrijheid van vestiging als op de vrijheid van kapitaalverkeer doelt, moet vooraf worden bepaald welke fundamentele vrijheid op het hoofdgeding van toepassing is, hetgeen veronderstelt dat rekening wordt gehouden met het voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling en, in voorkomend geval, met de feitelijke gegevens van het concrete geval (zie in die zin arresten van 13 november 2012, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑35/11, EU:C:2012:707, punten 90, 93 en 94, en 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C‑257/20, EU:C:2022:125, punten 78, 82 en 83).
51 Dienaangaande valt een nationale regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder de vrijheid van vestiging. Nationale bepalingen inzake deelnemingen die zijn verworven met het uitsluitende doel om te beleggen, zonder dat de houder invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming wenst uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (arrest van 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C‑257/20, EU:C:2022:125, punten 79 en 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Hieruit volgt dat een nationale wettelijke regeling die niet alleen toepassing vindt op deelnemingen die de mogelijkheid bieden een zekere invloed op de beslissingen van een vennootschap uit te oefenen en de activiteiten ervan te bepalen, maar van toepassing is ongeacht de grootte van de deelneming van de aandeelhouder in een vennootschap, zowel onder de vrijheid van vestiging als onder de vrijheid van kapitaalverkeer kan vallen (zie in die zin arresten van 24 mei 2007, Holböck, C‑157/05, EU:C:2007:297, punten 23 en 24, en 21 oktober 2010, Idryma Typou, C‑81/09, EU:C:2010:622, punt 49).
53 Dit gezegd zijnde, onderzoekt het Hof de betrokken maatregel in beginsel slechts uit het oogpunt van een van deze twee vrijheden indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (arresten van 3 oktober 2006, Fidium Finanz, C‑452/04, EU:C:2006:631, punt 34, en 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, EU:C:2009:559, punt 37).
54 In casu beoogt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling met name te voorkomen dat personen die geen advocaat of beoefenaar van een in § 59a, lid 1, eerste volzin, en lid 2, BRAO (oud) genoemd beroep zijn, een deelneming in een advocatenvennootschap verwerven, ongeacht de omvang van die deelneming.
55 Voorts heeft SIVE 51 % van het aandelenkapitaal van HR verworven. Nationale bepalingen die van toepassing zijn wanneer een in een lidstaat gevestigde vennootschap een deelneming in het kapitaal van een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap bezit waardoor zij in beginsel een beslissende invloed heeft op de besluiten van die laatste vennootschap en de activiteiten ervan kan bepalen (zie in die zin arrest van 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, EU:C:2009:559, punt 47), hetgeen het geval is bij een meerderheidsbelang (zie in die zin beschikking van 10 mei 2007, Lasertec, C‑492/04, EU:C:2007:273, punt 23, en arrest van 21 december 2016, AGET Iraklis, C‑201/15, EU:C:2016:972, punten 46 en 47), vallen binnen de materiële werkingssfeer van de vrijheid van vestiging.
56 De statuten van HR zijn evenwel gewijzigd om SIVE de invloed te ontnemen waarop zij op grond van het kapitaalcriterium aanspraak zou hebben kunnen maken. Zoals blijkt uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt, kan een dergelijke wijziging erop wijzen dat SIVE de aandelen in HR uitsluitend heeft verworven om die vennootschap kapitaal te verschaffen zodat zij de ontwikkeling van een innovatief, op nieuwe technologieën gebaseerd juridisch model zou kunnen financieren.
57 Hieruit volgt dat het hoofdgeding zowel onder de vrijheid van vestiging als onder het vrije verkeer van kapitaal valt, zonder dat een van die vrijheden kan worden geacht ondergeschikt te zijn aan de andere."
HvJ EU 19 december 2024, C‑295/23 (Halmer Rechtsanwaltsgesellschaft UG)
De relatie met artikel 56 VwEU
"De toepasselijke vrijheid van verkeer
30 Aangezien de prejudiciële vraag is gesteld uit het oogpunt van zowel artikel 56 VWEU als artikel 63 VWEU, dient vooraf te worden uitgemaakt of – en in voorkomend geval in hoeverre – een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting en/of het vrije verkeer van kapitaal ongunstig kan beïnvloeden.
31 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat om te bepalen of een nationale wettelijke regeling onder de ene of de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening moet worden gehouden met het voorwerp van de regeling in kwestie (zie in die zin arresten van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 3 maart 2020, Tesco-Global Áruházak, C‑323/18, EU:C:2020:140, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Het hoofdgeding heeft betrekking op een verzoek tot nietigverklaring van handelingen waarbij bronbelasting is geheven over dividenden die in 2015 en 2016 door in Portugal gevestigde vennootschappen aan verzoekster in het hoofdgeding zijn uitgekeerd, en de verenigbaarheid met het Unierecht van een nationale regeling die de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor vrijstelling van bronbelasting voorbehoudt aan icb’s die volgens de Portugese regeling zijn opgericht en hun activiteiten uitoefenen, of waarvan de beheersmaatschappij via een vaste inrichting in Portugal actief is.
33 Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling aldus betrekking heeft op de fiscale behandeling van door icb’s ontvangen dividenden, moet ervan worden uitgegaan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie onder het vrije verkeer van kapitaal valt (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punten 35 en 36).
34 Gesteld bovendien dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling de werkzaamheden van een icb die is gevestigd in een andere lidstaat – waar zij rechtmatig soortgelijke diensten verricht – dan de Portugese Republiek verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt, vloeien deze gevolgen onvermijdelijk voort uit de fiscale behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan deze niet-ingezeten instelling, en rechtvaardigen zij niet dat de prejudiciële vragen afzonderlijk worden getoetst aan de vrijheid van dienstverrichting. Deze vrijheid lijkt in casu immers ondergeschikt aan het vrije verkeer van kapitaal en kan daarmee worden verbonden (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 37).
35 Gelet op het voorgaande moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling uitsluitend aan artikel 63 VWEU worden getoetst."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
"22 In casu lijkt het vrij verrichten van diensten ondergeschikt aan het vrije verkeer van kapitaal en kan het daarmee worden verbonden. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling heeft namelijk betrekking op de gevolgen die voor een ingezeten belastingplichtige voortvloeien uit de uitoefening van het vrije verkeer van kapitaal. Het is net de uitoefening van deze laatste fundamentele vrijheid die het voor de betrokkene noodzakelijk kan maken om een tussenpersoon te kiezen voor het uitkeren van de rente-inkomsten die voortvloeien uit de obligaties en schuldbewijzen in kwestie, teneinde – zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing – in aanmerking te komen voor het bevrijdende belastingtarief van 20 % op die rente-inkomsten. De keuze van deze tussenpersoon en, bijgevolg, de aspecten die verband houden met het vrij verrichten van diensten vloeien in een dergelijke context onvermijdelijk voort uit de fiscale behandeling van die rente-inkomsten (zie in die zin arrest van 1 juli 2010, Dijkman en Dijkman-Lavaleije, C‑233/09, EU:C:2010:397, punten 34 en 35).
23 Overigens is het vaste rechtspraak dat de maatregelen die ingevolge artikel 56, lid 1, EG verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van die lidstaat kunnen ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arresten van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 24, en 18 december 2007, A, C‑101/05, EU:C:2007:804, punt 40)."
HvJ EU 12 oktober 2023, C‑312/22 (FL)
De relatie met de artikelen 49 en 56 VwEU
"23 Volgens vaste rechtspraak dient, om te bepalen of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening te worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie (arrest van 16 februari 2023, Gallaher, C‑707/20, EU:C:2023:101, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 Zo valt een nationale regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder artikel 49 VWEU (arrest van 16 februari 2023, Gallaher, C‑707/20, EU:C:2023:101, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Daarnaast blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat een nationale regeling, voor zover zij enkel ziet op verhoudingen binnen een groep van vennootschappen, hoofdzakelijk de vrijheid van vestiging aantast (arrest van 16 februari 2023, Gallaher, C‑707/20, EU:C:2023:101, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 In casu heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling betrekking op de fiscale behandeling van rente ter zake van leenschulden die door een belastingplichtige zijn aangegaan bij een met die belastingplichtige verbonden lichaam of natuurlijke persoon, voor zover deze schulden betrekking hebben op de verwerving of uitbreiding van een belang in een ander lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een met die belastingplichtige verbonden lichaam wordt.
27 Ingevolge artikel 10a, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting worden lichamen als verbonden beschouwd wanneer zij direct of indirect minimaal 33,3 % van de deelnemingen in het andere lichaam houden, of wanneer een derde lichaam direct of indirect minimaal 33,3 % van de deelnemingen in de twee andere lichamen houdt.
28 Volgens de rechtspraak van het Hof kan een dergelijk percentage de deelnemende vennootschap een bepalende invloed verlenen op de besluiten van de vennootschap waarmee zij verbonden is (zie in die zin arrest van 31 mei 2018, Hornbach-Baumarkt, C‑382/16, EU:C:2018:366, punt 29).
29 Aangezien het voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling betrekking heeft op de fiscale behandeling van rente die uit hoofde van schulden binnen een groep van vennootschappen is betaald tussen lichamen die direct of indirect een bepalende invloed op elkaar kunnen hebben, valt deze regeling dus binnen de werkingssfeer van de vrijheid van vestiging.
30 Gesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingregeling het vrij verrichten van diensten of het vrije verkeer van kapitaal beperkt, vloeien deze beperkingen onvermijdelijk voort uit een eventuele belemmering van de vrijheid van vestiging, en rechtvaardigen zij niet dat de prejudiciële vragen afzonderlijk worden onderzocht in het licht van de artikelen 56 VWEU en 63 VWEU (zie naar analogie arrest van 17 maart 2022, AllianzGI-Fonds AEVN, C‑545/19, EU:C:2022:193, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 De prejudiciële vragen dienen dan ook te worden beantwoord uit het oogpunt van artikel 49 VWEU."
HvJ EU 4 oktober 2024, C‑585/22 (X BV)
Verboden onderscheid naar de vestigingsplaats van een kredietnemer
"37 Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan kortetermijnkasverrichtingen zijn vrijgesteld van zegelrecht wanneer daarbij twee in die lidstaat gevestigde entiteiten betrokken zijn, maar niet wanneer de kredietnemer in een andere lidstaat gevestigd is."
HvJ EU 20 juni 2024, C‑420/23 (Faurécia – Assentos de Automóvel)
De relatie met artikel 17 Handvest
"77 Uit een en ander volgt dat artikel 63 VWEU en artikel 17 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een recht van vruchtgebruik dat gevestigd is op in die lidstaat gelegen landbouwgrond en na de definitieve inschrijving ervan in het kadaster geschrapt en doorgehaald is ingevolge een met deze artikelen strijdige regeling van die lidstaat, op verzoek van de persoon die dit recht werd ontnomen in het kadaster moet worden heringeschreven, zelfs wanneer de oorspronkelijke inschrijving van dat recht in strijd was met de nationale wettelijke regeling die ten tijde van die inschrijving van toepassing was."
HvJ EU 12 december 2024, C‑419/23 (CN)
De relatie met artikel 51 Handvest
"85 In dat verband heeft het Hof er eveneens aan herinnerd dat de door het Handvest gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst en dat zij dus met name moeten worden geëerbiedigd wanneer een nationale regeling binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt [zie met name arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond, C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
86 Dat is in het bijzonder het geval wanneer een nationale regeling de uitoefening van een of meer door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden kan belemmeren en de betrokken lidstaat zich beroept op redenen als genoemd in artikel 65 VWEU of op door het Unierecht erkende dwingende redenen van algemeen belang om een dergelijke belemmering te rechtvaardigen. In een dergelijk geval kan de betrokken nationale regeling volgens vaste rechtspraak slechts in aanmerking komen voor de uitzonderingen waarin aldus is voorzien, indien zij in overeenstemming is met de grondrechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert [arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
87 In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer een lidstaat een maatregel vaststelt die afwijkt van een in het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheid, zoals het vrije verkeer van kapitaal, deze maatregel binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt (zie naar analogie arrest van 14 juni 2017, Online Games e.a., C‑685/15, EU:C:2017:452, punt 56).
88 Het gebruik door een lidstaat van de in het Unierecht neergelegde uitzonderingen om een belemmering van een door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheid te rechtvaardigen, moet immers worden geacht „het recht van de Unie ten uitvoer [te] brengen” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest [arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 6 oktober 2021, C-544/19, ECLI:EU:C:2021:803 (Ecotex)
De relatie met artikel 65 VwEU
"40 Krachtens artikel 65, lid 1, onder a), VWEU doet artikel 63 VWEU evenwel niets af aan het recht van de lidstaten om de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd.
41 Als uitzondering op het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van kapitaal moet deze bepaling strikt worden uitgelegd. Zij kan dan ook niet aldus worden uitgelegd dat elke belastingwetgeving die onderscheid tussen belastingplichtigen maakt naargelang van hun vestigingsplaats of van de lidstaat waarin zij hun kapitaal beleggen, automatisch verenigbaar is met het VWEU. De afwijking waarin artikel 65, lid 1, onder a), VWEU voorziet, wordt immers zelf beperkt door artikel 65, lid 3, VWEU, dat bepaalt dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde nationale bepalingen „geen middel tot willekeurige discriminatie [mogen] vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer en betalingsverkeer als omschreven in artikel 63 [VWEU]” [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door icbe’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42 Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat bijgevolg onderscheid moet worden gemaakt tussen de door artikel 65, lid 1, onder a), VWEU toegestane verschillen in behandeling en de door artikel 65, lid 3, VWEU verboden gevallen van discriminatie. Een nationale belastingregeling kan enkel verenigbaar met de Verdragsbepalingen betreffende het vrije kapitaalverkeer worden geacht indien het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door icbe’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
"26 Zoals de Portugese regering benadrukt, doet het bepaalde in artikel 63 VWEU krachtens artikel 65, lid 1, onder a), VWEU evenwel niets af aan het recht van de lidstaten om de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd.
"287 Als uitzondering op het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van kapitaal moet deze bepaling strikt worden uitgelegd. Zij kan dan ook niet aldus worden uitgelegd dat elke belastingwetgeving die een onderscheid tussen belastingplichtigen maakt naargelang van hun vestigingsplaats of van de staat waarin zij hun kapitaal beleggen, automatisch verenigbaar is met het VWEU. De afwijking waarin artikel 65, lid 1, onder a), VWEU voorziet, wordt immers zelf beperkt door artikel 65, lid 3, VWEU, dat bepaalt dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde nationale bepalingen „geen middel tot willekeurige discriminatie [mogen] vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer en betalingsverkeer als omschreven in artikel 63 [VWEU]” [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door ICBE’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
28 Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat bijgevolg onderscheid moet worden gemaakt tussen de door artikel 65, lid 1, onder a), VWEU toegestane verschillen in behandeling en de door artikel 65, lid 3, VWEU verboden gevallen van discriminatie. Een nationale belastingregeling kan enkel worden geacht verenigbaar te zijn met de VWEU-bepalingen betreffende het vrije kapitaalverkeer indien het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang [arrest van 29 april 2021, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Door ICBE’s uitgekeerde inkomsten), C‑480/19, EU:C:2021:334, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
29 Bijgevolg moet in de eerste plaats worden onderzocht of er een objectief verschil bestaat tussen de ontvanger van dividenden op aandelen die op de Portugese beurs zijn genoteerd en de ontvanger van dividenden op aandelen die op buitenlandse beurzen zijn genoteerd.
30 Het is vaste rechtspraak dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een binnenlandse situatie van de lidstaat moet worden onderzocht aan de hand van het met de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel (arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
Rechtvaardigingsgrond
"Rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal
37 Volgens de rechtspraak van het Hof is een maatregel zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, die het vrije verkeer van kapitaal beperkt, slechts toelaatbaar voor zover hij gerechtvaardigd is door dwingende redenen van algemeen belang en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt, wat inhoudt dat hij geschikt is om de verwezenlijking van het rechtmatig nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van dat doel [zie in die zin arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
38 Verder zij er in dit verband aan herinnerd dat een nationale regeling slechts geschikt is om de verwezenlijking van het betrokken doel te waarborgen wanneer de verwezenlijking ervan op coherente en systematische wijze wordt nagestreefd [zie in die zin arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 18 januari 2024, C‑562/22 (JD – OB)
"64 Er zij aan herinnerd dat een beperking van het vrije verkeer van kapitaal volgens vaste rechtspraak toelaatbaar is indien zij gerechtvaardigd is uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is [arresten van 27 april 2023, L Fund, C‑537/20, EU:C:2023:339, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 november 2023, Autoridade Tributária e Aduaneira (Vermogenswinst op aandelenoverdrachten), C‑472/22, EU:C:2023:880, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 29 juli 2024, C‑39/23 (Keva)
Het aanhouden van goederen/rechten buiten de woonstaat rechtvaardigt niet de conclusie van belastingfraude of - ontwijking
"27 Volgens vaste rechtspraak van het Hof volstaat de enkele omstandigheid dat een ingezeten belastingplichtige goederen of rechten buiten het grondgebied van een lidstaat aanhoudt, niet om uit te gaan van een algemeen vermoeden van belastingfraude en -ontwijking (zie in die zin arresten van 11 maart 2004, de Lasteyrie du Saillant, C‑9/02, EU:C:2004:138, punt 51, en 7 november 2013, K, C‑322/11, EU:C:2013:716, punt 60).
28 Voorts gaat een regeling waarbij louter op grond van het feit dat aan alle voorwaarden van die regeling is voldaan wordt vermoed dat sprake is van frauduleus gedrag, zonder de belastingplichtige de mogelijkheid te bieden om dit vermoeden om keren, in beginsel verder dan nodig is om de doelstelling van bestrijding van belastingfraude en -ontwijking te verwezenlijken [zie in die zin arresten van 3 oktober 2013, Itelcar, C‑282/12, EU:C:2013:629, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 februari 2019, X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd), C‑135/17, EU:C:2019:136, punt 88]."
HvJ EU 27 januari 2022, C‑788/19 (Europese Commissie – Spanje)
De hoogte van fiscale geldboeten
"48 Vooraf zij eraan herinnerd dat het bij gebreke van harmonisatie in het Unierecht weliswaar aan de lidstaten staat om de sancties te kiezen die hun passend voorkomen in geval van niet-nakoming van de verplichtingen krachtens hun nationale wetgeving op het gebied van directe belastingen, maar dat zij hun bevoegdheid moeten uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 12 juli 2001, Louloudakis, C‑262/99, EU:C:2001:407, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Wat de evenredigheid van de geldboete van 150 % betreft, blijkt uit de eerste aanvullende bepaling van wet 7/2012 dat de toepassing van artikel 39, lid 2, van de wet betreffende de inkomstenbelasting van natuurlijke personen of van artikel 134, lid 6, van de bij koninklijk wetsbesluit 4/2004 van 5 maart 2004 goedgekeurde geconsolideerde tekst van de wet betreffende de vennootschapsbelasting, waarvan de bepalingen vervolgens zijn opgenomen in artikel 121, lid 6, van de wet betreffende de vennootschapsbelasting, leidt tot de oplegging van een geldboete van 150 % van de totale verschuldigde belasting over de bedragen die overeenkomen met de waarde van de in het buitenland aangehouden goederen of rechten. Deze geldboete is cumulatief met de in de achttiende aanvullende bepaling van de algemene belastingwet bepaalde forfaitaire geldboeten, die worden opgelegd per gegeven of geheel van gegevens dat onvolledig, onjuist of vals is en in „formulier 720” had moeten worden opgenomen.
50 Hoewel het Koninkrijk Spanje stelt dat deze proportionele geldboete wordt opgelegd wegens niet-nakoming van een materiële verplichting tot betaling van belasting, moet worden vastgesteld dat de oplegging ervan rechtstreeks verband houdt met de niet-nakoming van aangifteverplichtingen. Zij wordt immers alleen opgelegd aan belastingplichtigen wier situatie onder artikel 39, lid 2, van de wet betreffende de inkomstenbelasting van natuurlijke personen of artikel 121, lid 6, van de wet betreffende de vennootschapsbelasting valt, met andere woorden aan belastingplichtigen die niet, niet behoorlijk of niet tijdig hebben voldaan aan de verplichting om informatie over hun goederen of rechten in het buitenland te verstrekken, met uitsluiting van degenen die dergelijke goederen of rechten weliswaar met niet-aangegeven inkomsten hebben verworven, maar wel aan deze verplichting hebben voldaan.
51 Voorts voert het Koninkrijk Spanje aan dat de proportionele geldboete van 150 % in de praktijk wordt opgelegd na een individuele beoordeling en dat het tarief ervan kan worden gedifferentieerd. De bewoordingen van de eerste aanvullende bepaling van wet 7/2012 suggereren evenwel dat de enkele toepassing van artikel 39, lid 2, van de wet betreffende de inkomstenbelasting van natuurlijke personen of van artikel 121, lid 6, van de wet betreffende de vennootschapsbelasting volstaat voor de vaststelling dat er sprake is van een belastingovertreding, die als bijzonder ernstig wordt beschouwd en wordt bestraft met een geldboete van 150 % van het ontdoken belastingbedrag, waarbij dit tarief niet als een maximumtarief is geformuleerd.
52 Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat de differentiatiemogelijkheden die worden geboden door een ruling van 6 juni 2017 – na het met redenen omkleed advies dat de Commissie op 15 februari 2017 aan het Koninkrijk Spanje heeft gezonden –, niet in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van het onderhavige beroep, aangezien het bestaan van een niet-nakoming volgens vaste rechtspraak moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn [zie in die zin arrest van 22 januari 2020, Commissie/Italië (Richtlijn bestrijding van betalingsachterstand), C‑122/18, EU:C:2020:41, punt 58]. Dat de in die ruling vervatte uitlegging met terugwerkende kracht is opgenomen in de wet, heeft geen invloed op dit punt.
53 Ten slotte moet worden gewezen op het zeer hoge tarief voor de proportionele geldboete, dat haar een zeer repressief karakter verleent en dat in veel gevallen, gelet op de cumulatie met de forfaitaire geldboeten waarin de achttiende aanvullende bepaling van de algemene belastingwet daarenboven voorziet, ertoe kan leiden dat het door de belastingplichtige verschuldigde totaalbedrag wegens niet-nakoming van de verplichting tot verstrekking van informatie over zijn goederen of rechten in het buitenland oploopt tot meer dan 100 % van de waarde van die goederen of rechten, zoals de Commissie benadrukt.
54 In die omstandigheden heeft deze instelling aangetoond dat de Spaanse wetgever op onevenredige wijze inbreuk heeft gemaakt op het vrije verkeer van kapitaal door de niet-nakoming door de belastingplichtige van zijn aangifteverplichtingen met betrekking tot zijn goederen of rechten in het buitenland te bestraffen met een proportionele geldboete van 150 % van het verschuldigde belastingbedrag over de bedragen die overeenkomen met de waarde van die goederen of rechten, welke boete kan worden gecumuleerd met forfaitaire geldboeten."
HvJ EU 27 januari 2022, C-788/19 (Europese Commissie – Spanje)
Grensoverschrijdend
“49 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling waarbij minimumbedragen voor de diensten van architecten en ingenieurs worden vastgesteld en overeenkomsten die van deze regeling afwijken, nietig worden verklaard.
50 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat in de regel de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging, de vrijheid van dienstverrichting en het vrije verkeer van kapitaal niet van toepassing zijn als een situatie zich in al haar aspecten slechts binnen één lidstaat voordoet (arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, doet het hoofdgeding zich in al zijn aspecten binnen de Bondsrepubliek Duitsland voor. Niets in het dossier waarover het Hof beschikt wijst er immers op dat een partij in het hoofdgeding buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland is gevestigd of dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde diensten buiten dit grondgebied zijn verricht.
52 In dit verband moet worden opgemerkt dat wanneer een nationale rechter het Hof ter zake van een situatie die zich in al haar aspecten binnen één lidstaat voordoet, vraagt om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van de bepalingen van het VWEU die betrekking hebben op de fundamentele vrijheden, het Hof niet kan oordelen dat dit verzoek noodzakelijk is voor de beslechting van de bij deze rechterlijke instantie aanhangige zaak als die rechter geen aanwijzingen in die zin heeft verstrekt. De specifieke aspecten waaruit valt op te maken dat er een verband bestaat tussen enerzijds het voorwerp of de omstandigheden van een geding waarvan alle aspecten zich binnen de betrokken lidstaat voordoen en anderzijds artikel 49, 56 of 63 VWEU, moeten immers blijken uit de verwijzingsbeslissing (zie in die zin arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 54).
53 Bijgevolg dient de verwijzende rechter in een situatie als die in het hoofdgeding in overeenstemming met de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof duidelijk te maken aan het Hof in welk opzicht het bij hem aanhangige geschil, ondanks het zuiver nationale karakter daarvan, een aanknopingspunt heeft met de bepalingen van het Unierecht ter zake van de fundamentele vrijheden waardoor het prejudiciële verzoek om uitlegging noodzakelijk is voor de beslechting van dat geschil (zie in die zin arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 55).
54 Aangezien de verwijzingsbeslissing geen enkele aanwijzing in die zin bevat, kan de onderhavige vraag niet als ontvankelijk worden aangemerkt (zie in die zin arresten van 20 september 2018, Fremoluc, C‑343/17, EU:C:2018:754, punt 33; 14 november 2018, Memoria en Dall’Antonia, C‑342/17, EU:C:2018:906, punt 21, en 24 oktober 2019, Belgische Staat, C‑469/18 en C‑470/18, EU:C:2019:895, punt 26).
55 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de tweede vraag niet-ontvankelijk is.”
HvJ EU 18 januari 2022, C‑261/20 (Thelen Technopark Berlin)
Het onderscheid naar de plaats waar aandelen aan de effectenbeurs genoteerd zijn
"22 Een praktijk waarbij aan de gunstige fiscale behandeling van dividenden de voorwaarde wordt verbonden dat de aandelen die deze dividenden genereren, op de nationale beurs zijn genoteerd, leidt er door de aard van deze voorwaarde al toe dat investeringen in ingezeten vennootschappen worden bevoordeeld en dat investeringen in niet-ingezeten vennootschappen derhalve worden benadeeld.
23 Ten eerste moet immers worden opgemerkt dat vennootschappen die naar de beurs gaan en waarvan de aandelen dus worden toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, in de regel aan hun nationale beurs worden genoteerd. Ten tweede kunnen vennootschappen hun aandelen weliswaar gelijktijdig op een buitenlandse beurs en op hun nationale beurs laten noteren door gebruik te maken van cross-listing, maar is het aantal niet-ingezeten vennootschappen dat op een bepaalde beurs is genoteerd, over het algemeen aanzienlijk lager dan dat van ingezeten vennootschappen.
(...).
41 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 63 en 65 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de belastingpraktijk van een lidstaat volgens welke dividenden op aandelen die op de beurs van die lidstaat zijn genoteerd, met het oog op de vaststelling van de heffingsgrondslag voor de inkomstenbelasting van een belastingplichtige, slechts voor 50 % van hun bedrag meetellen terwijl dividenden op aandelen die op beurzen van andere lidstaten zijn genoteerd volledig worden meegerekend.”
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
Het onderscheid naar de plaats waar een motorrijtuig is geregistreerd
“Bestaan van een beperking
25 Maatregelen van een lidstaat die de ingezetenen van deze staat ervan weerhouden in andere lidstaten leenovereenkomsten te sluiten, vormen beperkingen in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (zie met name arrest van 29 oktober 2015, Nagy, C‑583/14, EU:C:2015:737, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Volgens artikel 93, lid 1-bis, van de wegenverkeerswet is het eenieder die sinds meer dan zestig dagen woonplaats heeft in Italië verboden aan het verkeer deel te nemen met een in het buitenland geregistreerd voertuig.
27 Bijgevolg is een persoon die sinds meer dan zestig dagen woonplaats heeft in Italië, zoals GN, en die beschikt over een in een andere lidstaat geregistreerd motorvoertuig en hiermee in Italië aan het verkeer wenst deel te nemen, verplicht dit voertuig in laatstgenoemde lidstaat te registreren, hetgeen de betaling van kosten en belastingen en het vervullen van ingewikkelde administratieve formaliteiten meebrengt, zoals de verwijzende rechter opmerkt.
28 Aangezien een bruikleen in wezen bestaat in de mogelijkheid om de geleende zaak te gebruiken, dient te worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, doordat personen die sinds meer dan zestig dagen woonplaats hebben in Italië een belasting moeten betalen bij het gebruik op het Italiaanse wegennet van een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig, ook al is dat om niet geleend van een ingezetene van een andere lidstaat, ertoe leidt dat de grensoverschrijdende bruikleen om niet van motorvoertuigen wordt belast (zie in die zin arrest van 26 april 2012, van Putten, C‑578/10–C‑580/10, EU:C:2012:246, punt 39). Bruikleen om niet van een in Italië geregistreerd voertuig is daarentegen niet aan deze belasting onderworpen.
29 Een dergelijk verschil in behandeling naargelang de staat waarin het geleende voertuig is geregistreerd, kan inwoners van Italië ervan weerhouden de bruikleen, door inwoners van een andere lidstaat, van een in laatstgenoemde lidstaat geregistreerd voertuig te aanvaarden [zie in die zin beschikking van 10 september 2020, Waals Gewest (Inschrijving van een geleend voertuig), C‑41/20–C‑43/20, niet gepubliceerd, EU:C:2020:703, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30 Bijgevolg vormt de in punt 24 van het onderhavige arrest bedoelde nationale regeling, voor zover zij inwoners van Italië ervan kan weerhouden in andere lidstaten leenovereenkomsten te sluiten, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (zie in die zin arrest van 26 april 2012, van Putten, C‑578/10–C‑580/10, EU:C:2012:246, punten 40 en 41).”
HvJ EU 16 december 2021, C‑274/20 (GN en WX)
Het begrip 'directe investeringen'
"101 Zo heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU met name bestaat in de zogenoemde „directe” investeringen, te weten investeringen in de vorm van een deelneming in een onderneming door aandeelhouderschap, die de mogelijkheid biedt om daadwerkelijk deel te hebben in het bestuur van en de zeggenschap over een vennootschap, alsmede de zogenoemde „portefeuillebeleggingen”, te weten investeringen in de vorm van de verwerving van effecten op de kapitaalmarkt met uitsluitend doel te beleggen, zonder invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming te willen uitoefenen [arresten van 11 november 2011, Commissie/Portugal, C‑543/08, EU:C:2010:669, punt 46; 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12 – C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 40, en 26 februari 2019, X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd), C‑135/17, EU:C:2019:136, point 26].
102 Ten aanzien van deze twee investeringsvormen heeft het Hof gepreciseerd dat nationale maatregelen die het verwerven van aandelen in de betrokken ondernemingen kunnen blokkeren of beperken, of investeerders uit andere lidstaten ervan kunnen weerhouden in die ondernemingen te investeren, moeten worden aangemerkt als „beperkingen” in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU (arresten van 21 oktober 2010, Idryma Typou, C‑81/09, EU:C:2010:622, punt 55; 10 november 2011, Commissie/Portugal, C‑212/09, EU:C:2011:717, punt 48, en 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12 – C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 41)."
HvJ EU 16 juli 2020, zaak C‑686/18 (O.C. e.a.)
Interne situatie
"25 Ook al vormt het recht op een doeltreffende voorziening zoals gewaarborgd door artikel 6, lid 1, EVRM, waarnaar de verwijzende rechter verwijst, een algemeen beginsel van het recht van de Unie (zie met name arrest van 16 juli 2009, Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, C‑385/07 P, Jurispr. blz. I‑6155, punten 177 en 178) en is het bevestigd in artikel 47 van het handvest, dit neemt niet weg dat uit geen enkel concreet element van de verwijzingsbeslissing kan worden opgemaakt dat er een band bestaat tussen het voorwerp van het hoofdgeding en het recht van de Unie. Het hoofdgeding, waarin een geschil tussen een Belgische staatsburger en de Belgische Staat is gerezen omtrent de heffing van belasting over op het grondgebied van deze lidstaat uitgeoefende activiteiten, vertoont geen enkel aanknopingspunt met een van de situaties die in de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen, diensten en kapitaal aan de orde zijn. Bovendien zijn geen door de betrokken lidstaat ter uitvoering van het recht van de Unie genomen nationale maatregelen in het geding.
26 Hieruit volgt dat niet is aangetoond dat het Hof bevoegd is om de prejudiciële vraag te beantwoorden."
HvJ EU 1 maart 2011, C‑457/09 (Chartry)
"27 Ten tweede dient te worden opgemerkt dat de bepalingen van het VWEU betreffende het vrije kapitaalverkeer niet van toepassing zijn op zuiver interne situaties waarin het kapitaalverkeer binnen één lidstaat plaatsvindt. Aldus staat het aan de verwijzende rechter om, vóór deze artikel 63 VWEU toepast, na te gaan of in het hoofdgeding sprake is van een grensoverschrijdende situatie waarin de vrijheid van kapitaalverkeer binnen de Europese Unie wordt uitgeoefend (zie in die zin beschikking van 12 oktober 2017, Fisher, C‑192/16, EU:C:2017:762, punt 35)."
HvJ EU 16 september 2020, C‑339/19 (Romenergo en Aris Capital)
Vergelijkbaarheid binnenlandse en buitenlandse situaties
"36 Met betrekking tot de vraag of de situaties in geding objectief vergelijkbaar zijn, moet eraan worden herinnerd dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het door de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel (zie arresten van 25 februari 2010, X Holding, C‑337/08, Jurispr. blz. I‑1215, punt 22, en 6 september 2012, Philips Electronics UK, C‑18/11, punt 17)."
HvJ EU 8 november 2012, C‑342/10 (Europese Commissie - Finland)
Onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen
"53 Zoals de verwijzende rechterlijke instantie opmerkt, heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling tot gevolg dat wanneer een ingezeten belastingplichtige aandelen in een ingezeten kapitaalvennootschap heeft verkregen van een niet-ingezeten aandeelhouder, de waardevermindering van die aandelen ten gevolge van winstuitkeringen wordt uitgesloten van de belastinggrondslag van de verkrijger, terwijl in geval van verkrijging van deze aandelen van een ingezeten aandeelhouder dergelijke waardevermindering de belastinggrondslag van de verkrijger vermindert.
54 Deze beperking van de inaanmerkingneming van de waardevermindering van de aandelen ten gevolge van winstuitkeringen is van toepassing vanaf het jaar van de verkrijging vandie aandelen en in de negen daaropvolgende jaren, en betreft uitsluitend winstverminderingen door winstuitkeringen of door winstoverdrachten ter uitvoering van een overeenkomst tot regeling van de zeggenschap en voor zover de winstverminderingen niet een bepaald bedrag overschrijden, „geblokkeerd bedrag” genoemd.
55 Dit geblokkeerde bedrag – het verschil tussen de aankoopprijs die door de ingezeten aandeelhouder is betaald en de nominale waarde van de aandelen – drukt aldus op de van een niet-ingezetene verkregen aandelen door in wezen de gevolgen van de gedeeltelijke afschrijving van de aandelen ten gevolge van de winstuitkering op te heffen.
56 Dat een belastingplichtige op zijn belastbare winst de uit de gedeeltelijke afschrijving van zijn deelneming in de vennootschap voortvloeiende verliezen in aftrek kan brengen wanneer de waardevermindering van de aandelen het gevolg is van de winstuitkering, vormt zonder meer een belastingvoordeel.
57 Door dit voordeel uitsluitend aan een ingezeten belastingplichtige toe te kennen wanneer hij aandelen in een ingezeten vennootschap verkrijgt van een ingezeten aandeelhouder, worden de deelnemingen van de niet-ingezetenen minder aantrekkelijk en kan de ingezeten belastingplichtige er bijgevolg van worden weerhouden deze deelnemingen te verwerven.
58 Bovendien kan een dergelijk verschil in behandeling ook niet-ingezeten beleggers ervan weerhouden om een deelneming te verwerven in de ingezeten vennootschap en aldus voor die vennootschap een belemmering bij het bijeenbrengen van kapitaal uit andere lidstaten vormen.
59 Hieruit volgt dat een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is een in beginsel door artikel 73 B van het Verdrag verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt."
HvJ EU 17 september 2009, C‑182/08 (Glaxo Wellcome)
Nationale maatregel zonder onderscheid kan eveneens strijdig zijn met het vrije verkeer van kapitaal
"55 Een nationale wettelijke regeling die zonder onderscheid geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers kan evenwel een beperking van het vrije verkeer van kapitaal inhouden. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat zelfs een op objectieve criteria berustend onderscheid grensoverschrijdende situaties de facto kan benadelen (zie in die zin arrest van 5 februari 2014, Hervis Sport- és Divatkereskedelmi, C‑385/12, ECLI:EU:C:2014:47, punten 37‑39)."
HvJ EU 30 januari 2020, C‑156/17 (Köln-Aktienfonds Deka)
Onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen in relatie tot het begrip belemmering/beperking
"26 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten (arrest van 16 september 2020, Romenergo en Aris Capital, C‑339/19, EU:C:2020:709, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De maatregelen die ingevolge deze bepaling verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 22).
27 In het bijzonder kan een verschil in behandeling, wanneer dit leidt tot een minder gunstige behandeling van de inkomsten van een ingezetene van een lidstaat die hun oorsprong hebben in een andere lidstaat, vergeleken met de behandeling van inkomsten uit de eerste lidstaat, een dergelijke ingezetene ervan doen afzien zijn kapitaal te beleggen in een andere lidstaat (zie in die zin arresten van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 80; 24 november 2016, SECIL, C‑464/14, EU:C:2016:896, punt 50, en 20 september 2018, EV, C‑685/16, EU:C:2018:743, punt 63)."
HvJ EU 29 april 2021, C‑480/19 (E)
Woonplaatsvereiste
"41 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling passend is, zij opgemerkt dat deze slechts een woonplaatsvereiste behelst, zonder dat de verkrijger daarbij verplicht is om het onroerende goed zelf te exploiteren. Een dergelijke maatregel lijkt dus op zichzelf niet de verwezenlijking te waarborgen van het gestelde doel, dat erin bestaat dat de op het Bulgaarse grondgebied gelegen landbouwgrond blijvend overeenkomstig zijn bestemming wordt geëxploiteerd (zie naar analogie arrest van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 30).
42 Wat betreft de doelstelling om de verwerving van landbouwgrond voor louter speculatieve doeleinden te voorkomen, kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling inderdaad tot gevolg hebben dat het aantal potentiële verkrijgers van landbouwgrond wordt beperkt, waardoor de speculatie op de landbouwgrondmarkt kan afnemen. Het woonplaatsvereiste in die regeling waarborgt op zichzelf echter niet dat landbouwgrond wordt aangekocht met het oog op gebruik voor landbouwdoeleinden of althans voor niet-speculatieve doeleinden.
43 In de tweede plaats moet hoe dan ook nog worden nagegaan of het woonplaatsvereiste in de nationale regeling een maatregel is die niet verder gaat dan noodzakelijk is om de doelstellingen van deze regeling te bereiken.
44 Voor een dergelijke beoordeling moet rekening worden gehouden met het feit dat dit vereiste niet alleen het vrije verkeer van kapitaal beperkt, maar ook het recht van de verkrijger om vrij zijn woonplaats te kiezen, welk recht hem nochtans wordt gewaarborgd door artikel 2, lid 1, van Protocol nr. 4 bij het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (zie naar analogie arrest van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 35).
45 Het woonplaatsvereiste van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling maakt dus inbreuk op een door dat verdrag gewaarborgd fundamenteel recht, zodat het bijzonder ingrijpend is (arrest van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 37). Bijgevolg rijst de vraag of andere maatregelen hadden kunnen worden vastgesteld die minder afbreuk doen aan het vrije verkeer van kapitaal dan die waarin deze regeling voorziet, teneinde de doelstellingen van deze regeling te bereiken.
46 Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft vermeld kunnen de doelstellingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, namelijk ten eerste, dat landbouwgrond blijvend overeenkomstig zijn bestemming wordt geëxploiteerd en, ten tweede, dat de verwerving van landbouwgrond voor louter speculatieve doeleinden wordt voorkomen, worden bereikt door maatregelen zoals hogere belastingen op de wederverkoop van landbouwgrond binnen korte tijd na de verwerving ervan, of het vereiste van een significante minimumduur voor pachtovereenkomsten (zie naar analogie arrest van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 39). Ook de invoering van een recht van voorkoop ten voordele van de pachters, zodat de grond, indien hij niet door de pachters zelf wordt gekocht, kan worden gekocht door natuurlijke personen of rechtspersonen met een activiteit die niet binnen de landbouwsector valt mits zij zich ertoe verplichten de landbouwbestemming van de grond in kwestie te behouden, kan een maatregel vormen die het vrije verkeer van kapitaal minder beperkt (zie in die zin arrest van 23 september 2003, Ospelt en Schlössle Weissenberg, C‑452/01, EU:C:2003:493, punt 52).
47 Uit een en ander volgt, gelet op de gegevens waarover het Hof beschikt, dat het woonplaatsvereiste van artikel 3c ZSPZZ verder gaat dan noodzakelijk is om de doelstellingen van deze nationale regeling te bereiken.
48 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling van een lidstaat op grond waarvan het verwerven van een eigendomsrecht op landbouwgrond op zijn grondgebied is onderworpen aan de voorwaarde dat de verkrijger sinds meer dan vijf jaar ingezetene is."
HvJ EU 18 januari 2024, C‑562/22 (JD – OB)
Fiscale autonomie EU-Lidstaten
"38 Dienaangaande zij opgemerkt dat het weliswaar aan elke lidstaat staat om zijn stelsel van belastingheffing over winstuitkeringen te organiseren en in dat kader de heffingsgrondslag vast te stellen die van toepassing is op de ontvangende aandeelhouder, maar dat de lidstaten volgens vaste rechtspraak hun fiscale autonomie niettemin moeten uitoefenen met inachtneming van de uit het Unierecht voortvloeiende vereisten, met name die welke worden opgelegd door de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van kapitaal, hetgeen impliceert dat het belastingstelsel niet discriminerend is (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C‑156/17, EU:C:2020:51, punten 42 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 9 september 2021, C‑449/20 (Real Vida Seguros SA)
Door belastingverdragen moeten ingezetenen onder omstandigheden met ingezetenen gelijk worden gesteld
"– Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
44 Volgens vaste rechtspraak van het Hof behoren de directe belastingen weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten, maar moeten zij deze bevoegdheid uitoefenen in overeenstemming met het Unierecht (zie met name arresten van 12 december 2006, Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, C‑374/04, Jurispr. blz. I‑11673, punt 36; 8 november 2007, Amurta, C‑379/05, Jurispr. blz. I‑9569, punt 16; 19 november 2009, Commissie/Italië, C‑540/07, Jurispr. blz. I‑10983, punt 28, en 3 juni 2010, Commissie/Spanje, C‑487/08, Jurispr. blz. I‑4843, punt 37).
45 Het staat met name aan elke lidstaat om met eerbiediging van het Unierecht zijn stelsel van belasting van uitgekeerde winst te organiseren en in dat kader de belastinggrondslag en het belastingtarief voor de ontvangende aandeelhouder te bepalen (zie met name arrest Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, reeds aangehaald, punt 50; arresten van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑446/04, Jurispr. blz. I‑11753, punt 47; 20 mei 2008, Orange European Smallcap Fund, C‑194/06, Jurispr. blz. I‑3747, punt 30, en 16 juli 2009, Damseaux, C‑128/08, Jurispr. blz. I‑6823, punt 25).
46 Tevens moet worden opgemerkt dat de lidstaten bij gebreke van unierechtelijke unificatie‑ of harmonisatiemaatregelen bevoegd blijven om, door het sluiten van overeenkomsten of unilateraal, de criteria voor de verdeling van hun belastingbevoegdheid vast te stellen teneinde met name dubbele belasting af te schaffen (arresten van 12 mei 1998, Gilly, C‑336/96, Jurispr. blz. I‑2793, punten 24 en 30, en 21 september 1999, Saint-Gobain ZN, C‑307/97, Jurispr. blz. I‑6161, punt 57, alsook de reeds aangehaalde arresten Amurta, punt 17; Commissie/Italië, punt 29, en Commissie/Spanje, punt 38).
47 Zoals met name blijkt uit de derde overweging van de considerans ervan, beoogt richtlijn 90/435 door de invoering van een gemeenschappelijke fiscale regeling iedere benadeling van de samenwerking tussen vennootschappen uit verschillende lidstaten ten opzichte van de samenwerking tussen vennootschappen van dezelfde lidstaat op te heffen, en aldus de hergroepering van vennootschappen op het niveau van de Unie te vergemakkelijken (reeds aangehaalde arresten Test Claimants in the FII Group Litigation, punt 103; Amurta, punt 18, en Commissie/Spanje, punt 39).
48 Voor deelnemingen die niet onder richtlijn 90/435 vallen, is het aan de lidstaten om te bepalen of en in hoeverre economische dubbele belasting van en opeenvolgende heffingen over de uitgekeerde winst moeten worden voorkomen, en hiertoe unilateraal of door middel van met andere lidstaten gesloten overeenkomsten regelingen ter voorkoming of vermindering van deze economische dubbele belasting of opeenvolgende heffingen in te stellen. Dit enkele feit betekent evenwel niet dat zij maatregelen mogen treffen die in strijd zijn met de door het Verdrag gewaarborgde vrijheden van verkeer (zie reeds aangehaalde arresten Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, punt 54; Amurta, punt 24; Commissie/Italië, punt 31, en Commissie/Spanje, punt 40).
49 In casu staat vast dat de Duitse wettelijke regeling voorziet in een bronbelasting op dividenduitkeringen door een in Duitsland gevestigde vennootschap aan zowel in dezelfde lidstaat gevestigde vennootschappen als in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen. Aan in Duitsland gevestigde vennootschappen uitgekeerde dividenden worden echter niet in aanmerking genomen bij de berekening van de inkomsten van deze vennootschap overeenkomstig § 8b, lid 1, eerste volzin, KStG, en voorts komen zij in aanmerking voor een belastingkrediet met betrekking tot de bronbelasting. Bovendien wordt dit belastingkrediet overeenkomstig § 36, leden 2 en 4, EStG terugbetaald aan de belastingplichtige voor zover het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting lager is dan het bedrag van het belastingkrediet. Ingezeten ontvangende vennootschappen ondervinden bijgevolg geen uit de bronbelasting voortvloeiende belastingdruk.
50 Indien de in artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 90/435 vastgestelde minimumdrempel voor deelnemingen van een moedermaatschappij in het kapitaal van haar dochteronderneming niet is bereikt, wordt de bronbelasting op aan in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen uitgekeerde dividenden door het Duitse belastingrecht daarentegen als bevrijdend beschouwd.
51 Niet betwist wordt dat de Duitse belastingregeling op die manier een verschil in behandeling van dividenden invoert naargelang die worden uitgekeerd aan ingezeten dan wel aan niet-ingezeten ontvangende vennootschappen.
52 Dienaangaande betoogt de Bondsrepubliek Duitsland evenwel dat de dividendontvangende vennootschappen, gelet op het doel van de betrokken wettelijke belastingregeling, zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden, en voorts dat de belastingdruk op aan in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen uitgekeerde dividenden niet hoger is dan die op aan ingezeten vennootschappen uitgekeerde dividenden.
53 In de eerste plaats dient te worden nagegaan of de dividendontvangende vennootschappen gelet op het doel van deze wettelijke regeling, dat er volgens de Bondsrepubliek Duitsland in bestaat een te hoge belasting van de uitgekeerde winst in Duitsland te voorkomen, zich in een vergelijkbare situatie bevinden al naargelang zij in Duitsland zijn gevestigd of niet.
54 Dienaangaande kan slechts worden vastgesteld dat de doelstelling om een te hoge belasting van de uitgekeerde winst in Duitsland te voorkomen wordt bereikt door op de in punt 49 van het onderhavige arrest beschreven wijze een einde te maken aan de opeenvolgende belastingheffingen op dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten vennootschappen.
55 Stellig blijkt uit de rechtspraak dat ingezeten ontvangende vennootschappen zich met betrekking tot maatregelen die een lidstaat heeft getroffen om opeenvolgende belastingheffingen over of economische dubbele belasting van door een ingezeten vennootschap uitgekeerde winst te voorkomen of te verminderen, niet noodzakelijkerwijs in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van in een andere lidstaat gevestigde ontvangende vennootschappen (zie in die zin arrest van 14 december 2006, Denkavit Internationaal en Denkavit France, C‑170/05, Jurispr. blz. I‑11949, punt 34, en reeds aangehaalde arresten Amurta, punt 37; Commissie/Italië, punt 51, en Commissie/Spanje, punt 50).
56 Zodra een lidstaat, hetzij unilateraal hetzij door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten vennootschappen, maar ook niet‑ingezeten vennootschappen voor het dividend dat zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, aan de inkomstenbelasting onderwerpt, benadert de situatie van deze niet‑ingezeten vennootschappen echter die van de ingezeten vennootschappen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, punt 68; Denkavit Internationaal en Denkavit France, punt 35; Amurta, punt 38; Commissie/Italië, punt 52, en Commissie/Spanje, punt 51).
57 Het is immers uitsluitend de uitoefening door deze staat van zijn heffingsbevoegdheid die, los van enige belasting in een andere lidstaat, een risico van opeenvolgende belastingheffingen of economische dubbele belasting meebrengt. In een dergelijk geval worden de niet‑ingezeten ontvangende vennootschappen alleen dan niet geconfronteerd met een door artikel 56 EG in beginsel verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer, wanneer de staat van vestiging van de uitkerende vennootschap erop toeziet dat, wat de in zijn nationale recht vervatte regeling ter voorkoming of vermindering van opeenvolgende belastingheffingen of economische dubbele belasting betreft, niet-ingezeten vennootschappen op dezelfde wijze worden behandeld als ingezeten vennootschappen (zie reeds aangehaalde arresten Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, punt 70; Amurta, punt 39; Commissie/Italië, punt 53, en Commissie/Spanje, punt 52)."
HvJ EU 21 oktober 2011, C‑284/09 (Europese Commissie - Duitsland)
Ook geen onderscheid naar niet-ingezeten pensioenfondsen
"28 Volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 50).
29 Wat de vraag betreft of de betrokken nationale regeling het vrije kapitaalverkeer beperkt, moet worden vastgesteld dat de dividenduitkeringen door op Portugees grondgebied gevestigde ondernemingen aan pensioenfondsen slechts van IRC zijn vrijgesteld, wanneer zij twee voorwaarden vervullen. Om te beginnen moet het dividend worden uitgekeerd aan naar Portugees recht opgerichte en werkzaam zijnde pensioenfondsen. Voorts moet dit dividend worden uitgekeerd uit aandelen die onafgebroken in het bezit van hetzelfde pensioenfonds zijn geweest gedurende minstens het jaar voorafgaande aan de uitkering of gedurende de voor die periode vereiste duur zijn aangehouden.
30 Wegens de eerste voorwaarde van de betrokken nationale regeling is de investering die een niet-ingezeten pensioenfonds in een Portugese onderneming kan doen bijgevolg minder aantrekkelijk dan de investering die een ingezeten pensioenfonds zou kunnen doen. Enkel in het eerste geval wordt namelijk over het door de Portugese onderneming uitgekeerde dividend 20 % IRC geheven, ook wanneer dat dividend afkomstig is van aandelen die door dat fonds gedurende minstens het jaar voorafgaande aan de uitkering zijn aangehouden. Deze verschillende behandeling weerhoudt niet-ingezeten pensioenfondsen ervan te investeren in Portugese ondernemingen en ontmoedigt in Portugal wonende beleggers te investeren in dergelijke pensioenfondsen.
31 Van een dergelijke verschillende behandeling is echter geen sprake wanneer het door een ingezeten onderneming uitgekeerde dividend afkomstig is van aandelen die gedurende het jaar voorafgaande aan de uitkering niet in het bezit van dezelfde belastingplichtige zijn gebleven. Ingevolge artikel 88, lid 11, CIRC geldt de in artikel 16, lid 1, EBF voorziene vrijstelling in die omstandigheden namelijk niet, zodat over dit dividend IRC wordt geheven ongeacht de plaats waar het dividendontvangende pensioenfonds is gevestigd.
32 Vastgesteld moet dan ook worden dat de betrokken regeling, voor zover zij betrekking heeft op de heffing van belasting over dividend dat door op het Portugese grondgebied gevestigde ondernemingen wordt uitgekeerd uit aandelen die langer dan een jaar door een pensioenfonds zijn aangehouden, een in beginsel bij artikel 63 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt."
HvJ EU 6 oktober 2011, C‑493/09 (Europese Commissie - Portugal)
Dubbele belasting door belastingheffing door de bronstaat en de woonstaat/de staat van vestiging
"28 Volgens vaste rechtspraak zijn de lidstaten, hoewel de directe belastingen tot hun bevoegdheid horen, niettemin verplicht deze bevoegdheid in overeenstemming met het recht van de Unie uit te oefenen (zie arresten van 14 februari 1995, Schumacker, C‑279/93, Jurispr. blz. I‑225, punt 21; 11 augustus 1995, Wielockx, C‑80/94, Jurispr. blz. I‑2493, punt 16, en 6 juni 2000, Verkooijen, C‑35/98, Jurispr. blz. I‑4071 punt 32, en reeds aangehaald arrest Barbier, punt 56).
29 Het staat aan elke lidstaat om met eerbiediging van het recht van de Unie zijn stelsel van belasting op inkomsten uit roerend vermogen te organiseren en in dat kader de belastbare grondslag en het belastingtarief voor de ontvanger van die inkomsten te bepalen (zie naar analogie arresten van 16 juli 2009, Damseaux, C‑128/08, Jurispr. blz. I‑6823, punt 25, en 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 167 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Hieruit volgt dat rente die door een in een lidstaat gevestigde schuldenaar aan een in een andere lidstaat wonende ontvanger wordt uitgekeerd, aan een juridische dubbele belasting kan worden onderworpen wanneer beide lidstaten hun belastingbevoegdheid wensen uit te oefenen en deze rente wensen te belasten, doordat de eerste lidstaat op de rente een inhouding aan de bron toepast en de tweede lidstaat die rente tot het belastbaar inkomen van de ontvanger rekent.
31 Bij gebreke van unificatie‑ of harmonisatiemaatregelen van de Unie, blijven de lidstaten bevoegd om, door het sluiten van overeenkomsten of unilateraal, de criteria voor de verdeling van hun heffingsbevoegdheid vast te stellen teneinde onder meer dubbele belasting af te schaffen (zie arresten van 12 mei 1998, Gilly, C‑336/96, Jurispr. blz. I‑2793, punten 24 en 30; 21 september 1999, Saint-Gobain ZN, C‑307/97, Jurispr. blz. I‑6161, punt 57; 8 november 2007, Amurta, C‑379/05, Jurispr. blz. I‑9569, punt 17, en 20 mei 2008, European Smallcap Fund, C‑194/06, Jurispr. blz. I‑3747, punt 32). Het staat aan hen om de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om situaties van dubbele belasting te voorkomen, door met name de in de internationale belastingpraktijk gehanteerde verdelingscriteria toe te passen (zie arrest van 14 november 2006, Kerckhaert en Morres, C‑513/04, Jurispr. blz. I‑10967, punt 23)."
HvJ EU 8 december 2011, C‑157/10 (Banco Bilbao Vizcaya Argentaria)
"Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
45 Volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Aangaande de vraag of een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding een beperking van het kapitaalverkeer vormt, zij opgemerkt, zoals in de punten 36 tot en met 38 van dit arrest is gepreciseerd, dat wanneer een vennootschap waarvan de zetel of het daadwerkelijke bestuur op het Portugese grondgebied is gevestigd, dividenden ontvangt van een vennootschap waarvan de zetel of het daadwerkelijke bestuur op datzelfde grondgebied is gevestigd, en wanneer de uitkerende vennootschap bovendien is onderworpen aan en niet vrijgesteld van de vennootschapsbelasting, de ontvangende vennootschap deze dividenden in mindering kan brengen op haar belastinggrondslag. Het gaat om een volledige dan wel gedeeltelijke aftrek, naargelang wel of niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 46, lid 1, onder b) en c), CIRC. Bovendien wordt de in dit artikel46, lid 1, CIRC bedoelde aftrek ingevolge artikel 46, lid 11, ervan verminderd tot 50 % wanneer de inkomsten afkomstig zijn uit niet daadwerkelijk belaste winst.
47 Vennootschappen waarvan de zetel of het daadwerkelijke bestuur gevestigd is op het Portugese grondgebied en die dividenden ontvangen van vennootschappen waarvan de zetel of het daadwerkelijke bestuur is gevestigd in een derde land, zoals de Republiek Tunesië of de Republiek Libanon, zijn daarentegen voor de ontvangen dividenden tegen het wettelijke tarief aan de IRC onderworpen.
48 De economische dubbele belasting van door een ingezeten vennootschap ontvangen dividenden wordt aldus voorkomen of verminderd wanneer de uitkerende vennootschap in Portugal is gevestigd, terwijl dat niet het geval is wanneer deze vennootschap is gevestigd in een derde land, zoals de Republiek Tunesië of de Republiek Libanon.
49 Dienaangaande staat vast dat de overeenkomst Portugal-Tunesië geen dergelijke ongunstige behandeling kan voorkomen. Deze overeenkomst strekt immers enkel ertoe de gevolgen van de dubbele belasting te verzachten voor de ingezeten vennootschap die dividenden ontvangt, met betrekking tot de in de vestigingsstaat van de uitkerende vennootschap ingehouden dividendbelasting. Deze overeenkomst voorziet niet in een regeling tot het voorkomen van economische dubbele belasting van dividenden die voor de ontvangende vennootschap voortvloeit uit het feit dat de uitkerende vennootschap wordt belast over de winst waaruit de dividenden worden betaald. Tussen de Portugese Republiek en de Republiek Libanon werd daarentegen geen overeenkomst tot het voorkomen van dubbele belasting gesloten.
50 Dat verschil in behandeling kan ingezeten vennootschappen van Portugal ervan doen afzien, hun kapitaal te beleggen in vennootschappen die zijn gevestigd in een derde land, zoals de Republiek Tunesië of de Republiek Libanon. Aangezien inkomsten uit kapitaal die afkomstig zijn uit een derde land, fiscaal minder gunstig worden behandeld dan dividenden die worden uitgekeerd door een in Portugal gevestigde vennootschap, zijn aandelen in een vennootschap die in een derde land is gevestigd, immers minder aantrekkelijk voor in Portugal gevestigde investeerders dan aandelen in een vennootschap met zetel in die lidstaat (zie in die zin arresten van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑446/04, EU:C:2006:774, punt 64, en 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 80).
51 Een regeling als in het hoofdgeding, volgens welke een vennootschap die ingezetene van een lidstaat is, dividenden volledig of gedeeltelijk van haar belastinggrondslag kan aftrekken, wanneer deze dividenden worden uitgekeerd door een vennootschap die ingezetene van diezelfde lidstaat is, terwijl die aftrek niet mogelijk is wanneer de uitkerende vennootschap ingezetene van een derde land is, vormt een door artikel 63 VWEU in beginsel verboden beperking van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en derde landen."
HvJ EU 24 november 2016, C‑464/14 (Secil)
Een Lidstaat kan niet tot meer worden verplicht dan tot opheffing van de buiten de Lidstaat dubbel geheven belasting
"33 Zoals het Finanzamt en de Duitse regering betogen, kan het in artikel 56, lid 1, EG vastgelegde beginsel van vrij verkeer van kapitaal immers niet tot gevolg hebben dat de lidstaten worden verplicht om verder te gaan dan een opheffing van de door de aandeelhouder op de ontvangen buitenlandse dividenden te betalen nationale inkomstenbelasting en om een bedrag terug te betalen dat zijn oorsprong vindt in het belastingstelsel van een andere lidstaat (zie naar analogie arrest van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑446/04, Jurispr. blz. I‑11753, punt 52), omdat anders de fiscale autonomie van de eerste lidstaat zou worden beperkt door de uitoefening door de andere lidstaat van zijn bevoegdheid tot belastingheffing (zie met name arrest Test Claimants in the FII Group Litigation, reeds aangehaald, punt 47; arresten van 20 mei 2008, Orange European Smallcap Fund, C‑194/06, Jurispr. blz. I‑3747, punt 30, en 16 juli 2009, Damseaux, C‑128/08, Jurispr. blz. I‑6823, punt 25)."
HvJ EU 30 juni 2011, C‑262/09 (Meilicke)
Geen criteria voor de voorkoming van dubbele belasting op grond van door EU-Lidstaten gesloten bilaterale belastingverdragen
"25 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat waarbij, in het kader van een stelsel ter compensatie van de dubbele belasting van dividenden die door een aan de vennootschapsbelasting van die lidstaat onderworpen en in die lidstaat gevestigde vennootschap zijn ontvangen en waarop door een andere lidstaat belasting is ingehouden, aan een dergelijke vennootschap een belastingkrediet wordt verleend dat is begrensd tot het bedrag dat deze eerste lidstaat zou hebben ontvangen indien alleen die dividenden aan de vennootschapsbelasting waren onderworpen, zonder dat de belastingheffing in de andere lidstaat geheel wordt gecompenseerd.
26 Volgens vaste rechtspraak is het aan elke lidstaat om, met eerbiediging van het Unierecht, zijn stelsel van belasting van uitgekeerde winst te organiseren en in dat kader de heffingsgrondslag en het belastingtarief voor de ontvangende aandeelhouder te bepalen (arrest van 20 mei 2008, Orange European Smallcap Fund, C‑194/06, EU:C:2008:289, punt 30, en beschikking van 4 februari 2016, Baudinet e.a., C‑194/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:81, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Enerzijds volgt hieruit dat dividenden die door een in een bepaalde lidstaat gevestigde vennootschap aan een in een andere lidstaat wonende aandeelhouder worden uitgekeerd, aan een juridische dubbele belasting kunnen worden onderworpen wanneer beide lidstaten hun heffingsbevoegdheid wensen uit te oefenen en deze dividenden bij de aandeelhouder wensen te belasten (arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 168 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 4 februari 2016, Baudinet e.a., C‑194/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:81, punt 31).
28 Anderzijds vormen de nadelen die uit de parallelle uitoefening van heffingsbevoegdheden door verschillende lidstaten kunnen voortvloeien, voor zover deze uitoefening geen discriminatie oplevert, geen door het VWEU verboden beperkingen (arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 169 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 4 februari 2016, Baudinet e.a., C‑194/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:81, punt 32).
29 In die context moet worden opgemerkt dat het recht van de Unie in de huidige stand niet voorziet in algemene criteria voor de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten met betrekking tot de afschaffing van dubbele belasting binnen de Europese Unie, zodat de omstandigheid dat zowel de bronstaat van de dividenden als de woonstaat van de aandeelhouder deze dividenden kan belasten, niet impliceert dat de woonstaat krachtens het recht van de Unie de nadelen moet voorkomen die uit de uitoefening van de aldus door de twee lidstaten gedeelde bevoegdheid zouden kunnen voortvloeien (arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, EU:C:2011:61, punt 170 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 4 februari 2016, Baudinet e.a., C‑194/15, niet gepubliceerd, EU:C:2016:81, punt 33).
30 Het staat de lidstaten weliswaar vrij om in het kader van bilaterale verdragen ter voorkoming van dubbele belasting de aanknopingsfactoren voor de verdeling van de heffingsbevoegdheid vast te stellen, maar deze verdeling betekent niet dat zij maatregelen mogen treffen die in strijd zijn met de door het VWEU gewaarborgde vrijheden van verkeer. Bij de uitoefening van hun eventueel in bilaterale verdragen ter voorkoming van dubbele belasting verdeelde heffingsbevoegdheid dienen de lidstaten zich namelijk te houden aan de regels van Unierecht, en meer in het bijzonder het beginsel van gelijke behandeling in acht te nemen (zie in die zin arresten van 24 oktober 2018, Sauvage en Lejeune, C‑602/17, EU:C:2018:856, punt 24, en 14 maart 2019, Jacob en Lennertz, C‑174/18, EU:C:2019:205, punt 25).
(...).
38 Wat betreft het argument dat sprake is van strijd met het vrije verkeer van kapitaal indien voor de berekening van het Franse belastingkrediet een andere heffingsgrondslag wordt vastgesteld dan in de lidstaten van de bronbelasting over de dividenden, terwijl de Franse Republiek en deze lidstaten dubbele belasting hebben willen vermijden, moet worden opgemerkt dat elke lidstaat overeenkomstig de in punt 26 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof vrij is om, met inachtneming van het Unierecht, de heffingsgrondslag vast te stellen die van toepassing is op de aandeelhouder aan wie de dividenden worden uitgekeerd.
39 Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting zoals de overeenkomsten die in het hoofdgeding aan de orde zijn, niet tot doel heeft te waarborgen dat de door de belastingplichtige in een bepaalde lidstaat verschuldigde belasting niet hoger is dan de belasting die hij in de andere lidstaat zou moeten betalen (zie in die zin arrest van 12 mei 1998, Gilly, C‑336/96, EU:C:1998:221, punt 46).
(...).
43 Gelet op een en ander dient op de vraag te worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat waarbij, in het kader van een stelsel ter compensatie van de dubbele belasting van dividenden die door een aan de vennootschapsbelasting van die lidstaat onderworpen en in die lidstaat gevestigde vennootschap zijn ontvangen en waarop door een andere lidstaat belasting is ingehouden, aan een dergelijke vennootschap een belastingkrediet wordt verleend dat is begrensd tot het bedrag dat deze eerste lidstaat zou hebben ontvangen indien alleen die dividenden aan de vennootschapsbelasting waren onderworpen, zonder dat de belastingheffing in de andere lidstaat geheel wordt gecompenseerd."
HvJ EU 25 februari 2021, C‑403/19 (Société Générale SA)
Het begrip 'kapitaalverkeer'
"40 Derhalve moet eerst worden onderzocht of artikel 63, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een belastingpraktijk als die welke aan de orde is in het hoofdgeding.
41 In dit verband blijkt uit de nomenclatuur van de kapitaalbewegingen in bijlage I bij richtlijn 88/361 – die nog steeds indicatieve waarde heeft om het begrip „kapitaalverkeer” te definiëren (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 31) – dat de materiële werkingssfeer van deze vrijheid ziet op verrichtingen die betrekking hebben op tegoeden of verplichtingen in nationale of buitenlandse valuta’s, waaronder het verstrekken van leningen of het schenken van geldsommen.
42 Aangezien de steun die door het 7e of het 9e EOF kan worden toegekend, zowel uit niet-terugvorderbare steun als uit leningen bestaat, moet worden vastgesteld dat een belastingpraktijk als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, in beginsel het vrije verkeer van kapitaal kan belemmeren."
HvJ EU 7 september 2023, C‑15/22 (RF)
"30 Het kapitaalverkeer omvat namelijk handelingen waarmee niet-ingezetenen op het grondgebied van een lidstaat in onroerend goed beleggen, zoals blijkt uit de nomenclatuur van het kapitaalverkeer in bijlage I bij richtlijn 88/361. Deze nomenclatuur behoudt voor de definitie van het begrip kapitaalverkeer de indicatieve waarde die zij voorheen reeds bezat (arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Onder dat begrip vallen met name beleggingen in onroerende goederen die bestaan in het verwerven van eigendomsrechten op landbouwgrond, zoals in het bijzonder blijkt uit de verklarende aantekeningen in deze nomenclatuur, waarin wordt verduidelijkt dat de in die nomenclatuur opgenomen categorie van beleggingen in onroerende goederen de „koop van bebouwde en onbebouwde eigendommen” omvat.
32 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat het hoofdgeding betrekking heeft op de verwerving door een niet-ingezetene, namelijk een Oostenrijks staatsburger, van eigendomsrechten op landbouwgrond op het grondgebied van de Republiek Bulgarije.
33 Aangezien deze situatie betrekking heeft op het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63 VWEU, moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling uitsluitend in het licht van deze vrijheid worden onderzocht."
HvJ EU 18 januari 2024, C‑562/22 (JD – OB)
Schenkingen
"17 Overeenkomstig artikel 63, lid 1, VWEU zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling alsmede tussen lidstaten en derde landen verboden.
18 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de fiscale behandeling van schenkingen, of deze nu worden gedaan in geld of in onroerende of roerende zaken, valt onder de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van kapitaal, tenzij de constituerende elementen hiervan binnen één lidstaat zijn gelegen (zie arrest Mattner, C‑510/08, EU:C:2010:216, punt 20).
19 Hieruit volgt dat een situatie als die in het hoofdgeding, waarin een in een lidstaat wonende persoon een schenking verricht die betrekking heeft op een in een andere lidstaat gelegen onroerend goed, binnen de werkingssfeer van artikel 63, lid 1, VWEU valt.
20 Op het gebied van het successierecht heeft het Hof reeds geoordeeld dat het feit dat als voorwaarde voor de toekenning van belastingvoordelen geldt dat de overgedragen zaak op het nationale grondgebied is gelegen, een in beginsel door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt (zie arrest Jäger, C‑256/06, EU:C:2008:20, punten 28‑35). Voorts vormen ook maatregelen die leiden tot een waardevermindering van de schenking van een ingezetene van een andere lidstaat dan die waar de betrokken zaken zich bevinden en waar de schenking van deze zaken wordt belast, een dergelijke beperking (zie arrest Mattner, EU:C:2010:216, punt 26)."
HvJ EU 18 december 2014, C‑133/13 (Q)
Nalatenschappen
"36 Volgens vaste rechtspraak van het Hof behoren de directe belastingen weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten, maar zijn deze niettemin verplicht om die bevoegdheid uit te oefenen met eerbiediging van het Unierecht en met name van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden [arrest van 21 december 2021, Finanzamt V (Erfopvolging – Beperkte belastingplicht en aftrek van legitieme porties), C‑394/20, EU:C:2021:1044, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling alsmede tussen lidstaten en derde landen.
38 Volgens vaste rechtspraak valt de fiscale behandeling van nalatenschappen onder de bepalingen van het VWEU inzake het kapitaalverkeer, tenzij de constituerende elementen ervan binnen één lidstaat zijn gelegen (arrest van 22 november 2018, Huijbrechts, C‑679/17, EU:C:2018:940, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Een situatie waarin een lidstaat erfbelasting heft over buiten zijn grondgebied gelegen goederen van een nalatenschap, die toebehoren aan een persoon die op het tijdstip van zijn overlijden op het grondgebied van die lidstaat woonde en die worden verkregen door een eveneens in deze lidstaat ingezeten erfgenaam, kan niet als een zuiver interne situatie worden beschouwd. Bijgevolg valt een dergelijke situatie onder het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU."
HvJ EU 12 oktober 2023, C-670/21 (BA)
"15 Ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling alsmede tussen lidstaten en derde landen verboden.
16 Volgens vaste rechtspraak valt de fiscale behandeling van nalatenschappen onder de bepalingen van het VWEU inzake het verkeer van kapitaal, tenzij de constituerende elementen ervan binnen één lidstaat zijn gelegen (arresten van 17 januari 2008, Jäger, C‑256/06, EU:C:2008:20, punt 25, en 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, EU:C:2009:33, punt 27).
17 In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde legaat door een inwoner van België is gedaan aan een belastingplichtige die in Nederland woont, en betrekking heeft op een uit bosgebieden bestaand domein dat op het grondgebied van laatstgenoemde lidstaat is gelegen.
18 Een dergelijke situatie valt derhalve binnen de werkingssfeer van artikel 63, lid 1, VWEU.
19 Inzake de erfbelasting blijkt uit vaste rechtspraak dat het feit dat als voorwaarde voor de toekenning van belastingvoordelen geldt dat het overgedragen goed op het nationale grondgebied is gelegen, een door artikel 63, lid 1, VWEU in beginsel verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt (arresten van 17 januari 2008, Jäger, C‑256/06, EU:C:2008:20, punt 35, en 18 december 2014, Q, C‑133/13, EU:C:2014:2460, punt 20)."
HvJ EU 22 november 2018, C‑679/17 (Huijbrechts)
"19 Allereerst moet dus worden bepaald of op bedoelde wetgeving artikel 49 VWEU, betreffende de vrijheid van vestiging, of artikel 63 VWEU, betreffende het vrije kapitaalverkeer, toepassing moet vinden.
20 Het is thans vaste rechtspraak dat voor het antwoord op de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene of onder de andere vrijheid van verkeer valt, het voorwerp van de betrokken wettelijke regeling in de beschouwing moet worden betrokken (zie in die zin arresten van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, Jurispr. blz. I-305, punt 33, en 15 september 2011, Halley, C‑132/10, Jurispr. blz. I-8353, punt 17).
21 In het hoofdgeding heeft de litigieuze maatregel tot voorwerp de fiscale behandeling van nalatenschappen die onder meer een deelneming in kapitaalvennootschappen omvatten.
22 Ook volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de fiscale behandeling van nalatenschappen in beginsel valt onder artikel 63 VWEU, betreffende het vrije kapitaalverkeer. Bij nalatenschappen, waarbij één of meerdere personen het door een overledene nagelaten vermogen verkrijgen, gaat het immers, daar zij vallen onder rubriek XI („Kapitaalverkeer van persoonlijke aard”) van bijlage I bij richtlijn 88/361, om kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU (zie onder meer arresten van 11 september 2008, Eckelkamp e.a., C‑11/07, Jurispr. blz. I‑6845, punt 39, en Arens-Sikken, C‑43/07, Jurispr. blz. I‑6887, punt 30; 15 oktober 2009, Busley en Cibrian Fernandez, C‑35/08, Jurispr. blz. I‑9807, punt 18, en 10 februari 2011, Missionswerk Werner Heukelbach, C‑25/10, Jurispr. blz. I-497, punt 16)."
HvJ EU 19 juni 2012, C‑31/11 (Scheunemann)
"28 Met betrekking tot een lening tussen burgers die in verschillende lidstaten wonen, dient vooraf de werkingssfeer van artikel 56 EG te worden onderzocht. Het is vaste rechtspraak dat, nu het Verdrag geen definitie bevat van het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van lid 1 van dat artikel, de nomenclatuur in bijlage I bij richtlijn 88/361 indicatieve waarde behoudt, ook al is deze richtlijn vastgesteld op grond van de artikelen 69 en 70, lid 1, EEG-Verdrag (de artikelen 67‑73 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 73 B‑73G EG-Verdrag, nadien de artikelen 56 EG‑60 EG), waarbij de nomenclatuur die zij bevat, zoals in de derde alinea van de inleiding van deze bijlage te kennen wordt gegeven, geen uitputtende lijst van het kapitaalverkeer is (zie met name arresten van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, Jurispr. blz. I‑359, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, Jurispr. blz. I‑8591, punt 39; 15 oktober 2009, Busley en Cibrian Fernandez, C‑35/058, Jurispr. blz. I‑9807, punt 17, en 10 februari 2011, Missionswerk Werner Heukelbach, C‑25/10, Jurispr. blz. I-497, punt 15)."
HvJ EU 26 april 2012, gevoegde zaken C‑578/10 tot en met C‑580/10 (Van Putten)
Aftrek van verplichtingen op de nalatenschap afhankelijk van inwonerschap van de erflater en/of erfgenamen
"56 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 63 en 65 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat inzake de berekening van erfbelasting die bepaalt dat de verplichtingen ter zake van de legitieme porties bij verkrijging van in die lidstaat gelegen onroerende goederen niet als schulden van de nalatenschap in mindering kunnen worden gebracht op de waarde van de nalatenschap, wanneer op de datum van het overlijden noch de erflater noch de erfgenaam zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in die lidstaat had, terwijl die verplichtingen volledig in mindering kunnen worden gebracht indien op die datum ten minste één van hen zijn woonplaats of gewone verblijfplaats wél in die lidstaat had.
57 Uit de overwegingen in de punten 27 tot en met 30 van het onderhavige arrest volgt dat moet worden onderzocht of een dergelijke nationale regeling een beperking van het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU vormt en, zo ja, of een dergelijke beperking gerechtvaardigd is."
HvJ EU 21 december 2021, C‑394/20 (XY)
De relatie tot artikel 49 Handvest grondrechten
"111 Gelet op een en ander moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 63 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 49, lid 3, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die, met het oog op de bestrijding van belastingfraude en -ontwijking, natuurlijke en rechtspersonen verbiedt om op het nationale grondgebied een betaling in contanten te verrichten wanneer het bedrag ervan gelijk is aan of hoger is dan een vastgestelde drempel, en hen verplicht een dergelijk bedrag over te schrijven of te storten op een betaalrekening, ook indien het gaat om de uitkering van dividenden van een vennootschap, en die voorts voorziet in een sanctieregeling voor schendingen van dit verbod waarin het bedrag van de geldboete die kan worden opgelegd wordt berekend op basis van een vast percentage dat wordt toegepast op het totaalbedrag van de in strijd met het genoemde verbod verrichte betaling, zonder dat deze geldboete kan worden aangepast aan de concrete omstandigheden van het geval, mits deze regeling geschikt is om de verwezenlijking van de genoemde doelstellingen te garanderen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om deze te bereiken."
HvJ EU 6 oktober 2021, C-544/19, ECLI:EU:C:2021:803 (Ecotex)
Artikel 13l Wet VPB 1969
"e. Strijdigheid met het EU-recht (hoger beroep Inspecteur)
5.26.
Volgens belanghebbende is toepassing van artikel 13l Wet Vpb in strijd met de vrijheid van vestiging omdat haar buitenlandse dochtervennootschap [E] niet in een fiscale eenheid gevoegd kan worden met belanghebbende, terwijl als dat wel mogelijk zou zijn geweest, artikel 13l Wet Vpb niet van toepassing zou zijn geweest. Zij doet derhalve ten aanzien van deze deelneming een beroep op toepassing van de zogenoemde per-elementbenadering (zie HvJ 22 februari 2018, X B.V. en X N.V., C-398/16 en C-399/16, ECLI:EU:C:2018:110, BNB 2018/92, en het eindarrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1968, BNB 2019/17 (hierna ook: de Italiaanse telecomzaak)).
5.27.
De Rechtbank heeft het beroep op de per-elementbenadering gehonoreerd. Naar het Hof begrijpt heeft de Inspecteur ter zitting van de Rechtbank - terecht - het standpunt van belanghebbende onderschreven dat in de hiervóór onder 5.26 vermelde situatie sprake is van een verschil in behandeling van objectief met elkaar vergelijkbare binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen. Volgens de Inspecteur kan echter (primair) dit verschil in behandeling worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, dan wel dient (subsidiair) bij de berekening van de omvang van het nadeel rekening te worden gehouden met het zogenoemde goodwill-gat alsmede met het bepaalde in artikel 13l, lid 7, Wet Vpb.
Rechtvaardigingsgronden
5.28.
De Inspecteur heeft zich op drie rechtvaardigingsgronden beroepen, te weten: 1) de noodzaak om de samenhang van het Nederlandse (vennootschaps)belastingstelsel te waarborgen; 2) de noodzaak om een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden te behouden; en 3) de bestrijding van belastingontwijking. Naar de kern genomen heeft de Inspecteur aan zijn betoog ten grondslag gelegd dat het gaat om het 'matchen' van belaste baten en aftrekbare lasten en daartoe heeft hij samengevat weergegeven het volgende aangevoerd. De wetgever heeft met de invoering van artikel 13l Wet Vpb de aftrekbaarheid van rentekosten ingeperkt in de situatie waarin tegenover vrijgestelde voordelen uit hoofde van een deelneming bovenmatige aftrekbare rentekosten staan. In geval van voeging van een dochtermaatschappij in een fiscale eenheid, is artikel 13l Wet Vpb niet langer van toepassing ten aanzien van de dochter. Echter, aan de doelstelling van deze bepaling wordt in dat geval geen afbreuk gedaan omdat als gevolg van de vermogensconsolidatie binnen de fiscale eenheid geen vrijstelde voordelen tegenover de bovenmatige rentekosten staan. Bij een grensoverschrijdende situatie ligt dit anders, aangezien de uit hoofde van de deelneming in een buitenlandse dochter genoten voordelen ingevolge de deelnemingsvrijstelling zijn vrijgesteld. Volgens de Inspecteur bestrijdt artikel 13l Wet Vpb ongewenste renteaftrek en is deze bepaling volledig in lijn met de internationale en Europese consensus en uitgangspunten, zoals neergelegd in bijv. action 4 van het BEPS-project van de OESO en artikel 4 van de Anti Tax Avoidance Directive 1 van de Europese Unie (Richtlijn (EU) 2016/11643; hierna: de ATAD).
5.29.
Het Hof is van oordeel dat de door de Inspecteur aangevoerde rechtvaardigingsgronden falen op overeenkomstige gronden als het HvJ heeft gebezigd in de Italiaanse telecomzaak (zie punt 39 tot en met 50 van dat arrest).
5.29.1.
Voorop moet worden gesteld dat, aangezien het in het onderhavige geval in de per-elementbenadering optredende verschil in behandeling niet voortvloeit uit alleen artikel 13l Wet Vpb maar uit de gecombineerde toepassing van die bepaling en artikel 15 Wet Vpb, betreffende de fiscale eenheid, bij het onderzoek naar de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond de doelstellingen van beide bepalingen in ogenschouw dienen te worden genomen (vgl. punt 49 van de Italiaanse telecomzaak). Het betoog van de Inspecteur steunt alleen op de doelstelling van artikel 13l Wet Vpb en moet reeds op die grond worden verworpen. Meer in het bijzonder merkt het Hof het volgende op.
5.29.2.
In casu gaat het - evenals in de Italiaanse telecomzaak - om de mogelijkheid om rentelasten in aftrek te brengen (en niet om de aan de fiscale eenheid inherente compensatie van kosten en baten in het algemeen; vgl. HvJ 25 februari 2010, C-337/08, X Holding, ECLI:EU:C:2010:89, BNB 2010/166). De redenering van het HvJ in punt 40 van de Italiaanse telecomzaak volgend, verkrijgt een moedervennootschap die met haar dochteronderneming een fiscale eenheid vormt derhalve niet een aan de belastingregeling van de fiscale eenheid specifiek verbonden voordeel als zij de beperking van artikel 13l Wet Vpb ontgaat, zodat de noodzaak om de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te behouden, niet als rechtvaardigingsgrond kan dienen.
5.29.3.
Het onder 5.28 weergegeven betoog van de Inspecteur houdt voorts niet in dat de samenhang van de regeling van de fiscale eenheid in gevaar zou komen indien de rente ter zake van een lening voor de financiering van de verwerving van aandelen in een niet-ingezeten dochtervennootschap, in aftrek zou mogen worden gebracht. De noodzaak om de samenhang van het Nederlandse belastingstelsel te verzekeren kan derhalve niet dienen als rechtvaardigingsgrond (vgl. punt 43 tot en met 45 van de Italiaanse telecomzaak). Het Hof voegt daaraan toe dat het door de Inspecteur aangevoerde argument van de fiscale coherentie bovendien faalt op grond van het Bosal-arrest (HvJ 18 september 2003, C-168/01, Bosal Holding BV, ECLI:EU:C:2003:479, BNB 2003/344). Weliswaar staan bij een binnenlandse dochtermaatschappij in een fiscale eenheid tegenover de aftrekbare bovenmatige rente geen vrijgestelde voordelen en bij een buitenlandse dochtermaatschappij wel, maar dit mag niet worden aangemerkt als een samenhangend voordeel voor de toepassing van het primaire EU-recht. Uit het Bosal-arrest volgt immers dat Nederland niet deelnemingsrente in aftrek mag beperken omdat de deelneming in Nederland geen belastbare winst behaalt. De aftrek van rente mag dus niet worden beperkt als er geen belastbaar inkomen tegenover de rente staat, ook als dat in lijn is met de maatregelen in het kader van de ATAD (en het BEPS-project); het Bosal-gat (de asymmetrische behandeling van enerzijds baten en anderzijds de met die baten samenhangende lasten) vindt immers zijn oorsprong in het primaire EU-recht.
5.29.4.
Wat betreft de rechtvaardiging van het verschil in behandeling door de doelstelling van de bestrijding van belastingontwijking en fraude, geldt evenzeer dat de doelstelling van beide bepalingen (artikel 13l Wet Vpb en artikel 15 Wet Vpb) in ogenschouw dient te worden genomen. Hoewel artikel 13l Wet Vpb een antimisbruikdoelstelling heeft - het Hof laat in het midden of deze bepaling ook een proportionele maatregel is om dat doel te bereiken - kan datzelfde niet worden gezegd van de doelstelling van artikel 15 Wet Vpb. Het verschil in behandeling kan derhalve niet worden gerechtvaardigd door het voorkomen van misbruik (vgl. punt 46 tot en met 50 van de Italiaanse telecomzaak)."
Gerechtshof Den Haag 2 oktober 2019, BK-18/00683 en BK-18/00686, ECLI:NL:GHDHA:2019:3065
Leningen
"28 Met betrekking tot een lening tussen burgers die in verschillende lidstaten wonen, dient vooraf de werkingssfeer van artikel 56 EG te worden onderzocht. Het is vaste rechtspraak dat, nu het Verdrag geen definitie bevat van het begrip „kapitaalverkeer” in de zin van lid 1 van dat artikel, de nomenclatuur in bijlage I bij richtlijn 88/361 indicatieve waarde behoudt, ook al is deze richtlijn vastgesteld op grond van de artikelen 69 en 70, lid 1, EEG-Verdrag (de artikelen 67‑73 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 73 B‑73G EG-Verdrag, nadien de artikelen 56 EG‑60 EG), waarbij de nomenclatuur die zij bevat, zoals in de derde alinea van de inleiding van deze bijlage te kennen wordt gegeven, geen uitputtende lijst van het kapitaalverkeer is (zie met name arresten van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, Jurispr. blz. I‑359, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, Jurispr. blz. I‑8591, punt 39; 15 oktober 2009, Busley en Cibrian Fernandez, C‑35/058, Jurispr. blz. I‑9807, punt 17, en 10 februari 2011, Missionswerk Werner Heukelbach, C‑25/10, Jurispr. blz. I-497, punt 15).
29 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat schenkingen en nalatenschappen, die onder rubriek XI („Kapitaalverkeer van persoonlijke aard”) van bijlage I bij richtlijn 88/361 vallen, kapitaalverkeer in de zin van artikel 56 EG vormen, tenzij alle bestanddelen binnen één lidstaat gelegen zijn (zie arrest van 31 maart 2011, Schröder, C‑450/09, Jurispr. blz. I-2497, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hetzelfde geldt voor „Leningen”, die onder dezelfde rubriek van bijlage I bij deze richtlijn vallen."
HvJ EU 26 april 2012, gevoegde zaken C‑578/10 tot en met C‑580/10 (Van Putten)
Definitie 'kapitaalverkeer'
"16 Zoals door de verwijzende rechter is opgemerkt vormen successies, die hierin bestaan dat één of meerdere personen de nalatenschap van een overledene verkrijgen, volgens vaste rechtspraak van het Hof, kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU, tenzij alle constituerende delen binnen één lidstaat gelegen zijn (zie in die zin arresten van 23 februari 2006, Van Hilten-van der Heijden, C‑513/03, EU:C:2006:131, punten 39‑42; 17 januari 2008, Jäger, C‑256/06, EU:C:2008:20, punten 24 en 25; 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punten 19 en 20, en 3 september 2014, Commissie/Spanje, C‑127/12, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2130, punten 52 en 53).
17 De nalatenschap die in het hoofdgeding aan de orde is, omvat een vermogensbestanddeel dat afkomstig is uit een eerdere successie tussen de zuster en de moeder van Feilen in Oostenrijk, alwaar dat vermogensbestanddeel toen was gelegen en waar zij ten tijde van het overlijden van de zuster woonden. Dit grensoverschrijdende element is de reden dat de vermindering van de erfbelasting van § 27 ErbStg niet aan Feilen is toegekend. Aangezien een dergelijke situatie niet als zuiver binnenlandse situatie kan worden aangemerkt, valt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde erfenis onder het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU."
HvJ EU 30 juni 2016, C‑123/15 (Feilen)
"Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
38 Volgens vaste rechtspraak verbiedt artikel 63, lid 1, VWEU op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten (zie arrest van 17 september 2015, F. E. Familienprivatstiftung Eisenstadt, C‑589/13, EU:C:2015:612, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 In casu staat vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schenking onder artikel 63, lid 1, VWEU valt."
HvJ EU 8 juni 2016, C‑479/14 (Sabine Hünnebeck)
"35 Volgens vaste rechtspraak van het Hof verbiedt artikel 56, lid 1, EG op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten (arresten Persche, C‑318/07, EU:C:2009:33, punt 23, en Mattner, C‑510/08, EU:C:2010:216, punt 18).
36 Bij gebreke van een begripsbepaling voor „kapitaalverkeer” in de zin van artikel 56, lid 1, EG in het EG‑Verdrag, heeft het Hof een indicatieve waarde toegekend aan de nomenclatuur in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag [artikel ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam] (PB L 178, blz. 5), ook al is deze vastgesteld op basis van de artikelen 69 en 70, lid 1, van het EEG-Verdrag (na wijziging, artikelen 69 en 70, lid 1, van het EG-Verdrag, ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam), waarbij de lijst die zij bevat, zoals blijkt uit de inleiding van deze bijlage, niet uitputtend is. Schenkingen en giften zijn ingedeeld onder rubriek XI, getiteld „Kapitaalverkeer van persoonlijke aard”, van die bijlage I (arresten Persche, C‑318/07, EU:C:2009:33, punt 24; Mattner, C‑510/08, EU:C:2010:216, punt 19, en Commissie/Spanje, C‑127/12, EU:C:2014:2130, punt 52).
37 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de fiscale behandeling van schenkingen, of deze nu worden gedaan in geld of in onroerende of roerende goederen, onder de bepalingen van het EG‑Verdrag inzake het vrije verkeer van kapitaal valt, tenzij de constituerende elementen hiervan binnen één lidstaat zijn gelegen (zie in die zin arresten Persche, C‑318/07, EU:C:2009:33, punt 27; Mattner, C‑510/08, EU:C:2010:216, punt 20, en Q, C‑133/13, EU:C:2014:2460, punt 18)."
HvJ EU 17 september 2015, C‑589/13 (F.E. Familieprivatstiftung Eisenstadt)
"18 Artikel 56, lid 1, EG verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling, alsook tussen lidstaten en derde landen.
19 Gelet op het feit dat het Verdrag geen definitie van het begrip „kapitaalverkeer” bevat, heeft het Hof erkend dat de in bijlage I bij richtlijn 88/361 opgenomen nomenclatuur indicatieve waarde heeft, met dien verstande dat de lijst die zij bevat, zoals in de inleiding van deze bijlage te kennen wordt gegeven, niet uitputtend is (zie met name arresten van 23 februari 2006, Van Hilten-van der Heijden, C‑513/03, Jurispr. blz. I‑1957, punt 39, en 10 februari 2011, Missionswerk Werner Heukelbach, C‑25/10, Jurispr. blz. I‑497, punt 15).
20 Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak dat erfenissen die bestaan in de overdracht van de nalatenschap van een overledene aan één of meerdere personen, die onder rubriek XI van bijlage I bij richtlijn 88/361, met als opschrift „Kapitaalverkeer van persoonlijke aard”, valt, kapitaalverkeer in de zin van artikel 56 EG vormen, tenzij alle constituerende delen binnen één lidstaat gelegen zijn (zie met name arrest van 11 december 2003, Barbier, C‑364/01, Jurispr. blz. I‑15013, punt 58; arrest Van Hilten-van der Heijden, reeds aangehaald, punten 40‑42, en arrest van 19 juli 2012, Scheunemann, C‑31/11, punt 22).
HvJ EU 17 oktober 2013, C‑181/12 (Welte)
"21 Om te beginnen staat vast dat de verwerving van rechten van deelneming in een beleggingsfonds een directe belegging vormt in de vorm van een deelneming in het kapitaal van een financiële onderneming en, bijgevolg, kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU, zoals overigens wordt vermeld in punt IV van de nomenclatuur in bijlage I bij richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag [dit artikel is ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam] (PB L 178, blz. 5), en in de daarin vervatte toelichtingen (zie, voor wat betreft het bezit van aandelen en de verwerving van effecten, arresten van 4 juni 2002, Commissie/Frankrijk, C‑483/99, Jurispr. blz. I‑4781, punt 37, en Commissie/België, C‑503/99, Jurispr. blz. I‑4809, punt 38)."
HvJ EU 7 juni 2012, C‑39/11 (VBV - Vorsorgekasse)
Wanneer is een ongunstige behandeling verenigbaar met de vrijheid van kapitaalverkeer
"35 Een dergelijke ongunstige behandeling kan slechts verenigbaar zijn met de bepalingen van het VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal, indien zij betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang (zie met name arresten van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑446/04, Jurispr. blz. I‑11753, punt 167, en 18 december 2007, Grønfeldt, C‑436/06, Jurispr. blz. I‑12357, punt 16)."
HvJ EU 8 november 2012, C‑342/10 (Europese Commissie - Finland)
Artikel 40 EER heeft dezelfde strekking als artikel 63 VwEU
"35 Hieruit volgt dat beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal tussen burgers van staten die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, weliswaar moeten worden getoetst aan artikel 40 van deze overeenkomst en bijlage XII bij deze overeenkomst, doch dat deze bepalingen dezelfde juridische strekking hebben als de bepalingen van artikel 63 VWEU (zie met name arrest Établissements Rimbaud, reeds aangehaald, punt 22)."
HvJ EU 24 juni 2011, C‑476/10 (Projektart e.a.)
De relatie met artikel 65 VwEU en artikel 17 Handvest Grondrechten
"130 Gelet op een en ander dient de slotsom te luiden dat Hongarije niet heeft aangetoond dat de afschaffing door de bestreden regeling van rechten van vruchtgebruik die direct of indirect in handen zijn van onderdanen van andere lidstaten dan Hongarije, de verwezenlijking van door de rechtspraak van het Hof aanvaarde of in artikel 65, lid 1, onder b), VWEU genoemde doelstellingen van algemeen belang beoogt te waarborgen en evenmin dat deze afschaffing geschikt en coherent is, of beperkt tot de maatregelen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van deze doelstellingen. Voorts is deze afschaffing niet in overeenstemming met artikel 17, lid 1, van het Handvest. Bijgevolg zijn de belemmeringen van het vrije verkeer van kapitaal die het gevolg zijn van de ontneming van goederen die zijn verkregen met kapitaal dat door artikel 63 VWEU wordt beschermd, niet gerechtvaardigd.
131 In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat Hongarije zijn verplichtingen krachtens artikel 63 VWEU juncto artikel 17 van het Handvest niet is nagekomen door de bestreden regeling vast te stellen en aldus de rechten van vruchtgebruik op landbouwgrond in Hongarije die direct of indirect in handen zijn van onderdanen van andere lidstaten, van rechtswege af te schaffen."
HvJ EU 21 mei 2019, C‑235/17 (Europese Commissie - Hongarije)
De relatie met artikel 49 VwEU
"Toepasselijke vrijheid van verkeer
17 Aangezien in de prejudiciële vragen wordt verwezen naar zowel de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging als de bepalingen van dat Verdrag die betrekking hebben op het vrije verkeer van kapitaal, moet worden uitgemaakt welke vrijheid in het hoofdgeding van toepassing is [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 34].
18 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij de beantwoording van de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening worden gehouden met het voorwerp van de regeling in kwestie (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 In dit opzicht moet in herinnering worden gebracht dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een duidelijke invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend en waarmee de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder artikel 49 VWEU, betreffende de vrijheid van vestiging, valt. Nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen, zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de onderneming uit te oefenen, dienen daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal te worden getoetst [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
20 In casu beoogt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zoals ten uitvoer gelegd door de belastingdienst, de vermogenswinst uit de overdracht van aandelen in micro- en kleine ondernemingen die niet op gereglementeerde of niet-gereglementeerde markten zijn genoteerd, fiscaal te bevoordelen, voor zover zij in Portugal een economische activiteit uitoefenen. Zoals de Europese Commissie heeft opgemerkt, is deze regeling van toepassing op alle overdrachten van aandelen van deze vennootschappen, ongeacht de omvang van de betrokken deelnemingen.
21 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling heeft dus, zonder situaties die onder de vrijheid van vestiging vallen van haar werkingssfeer uit te sluiten, in het algemeen betrekking op deelnemingen, ongeacht of deze zijn verworven met de bedoeling invloed uit te oefenen op het bestuur van en de zeggenschap over een onderneming. Deze regelgeving kan het vrije verkeer van kapitaal derhalve aanzienlijk aantasten. De eventuele beperking van de vrijheid van vestiging ten gevolge van die regeling is een onvermijdelijk gevolg van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal en rechtvaardigt dus geen autonome toetsing van die regeling aan artikel 49 VWEU [zie in die zin arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C‑342/20, EU:C:2022:276, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak]."
HvJ EU 16 november 2023, C‑472/22 (NO)
De relatie met het vrije dienstenverkeer
"73 De Commissie verzoekt het Hof bovendien vast te stellen dat het Koninkrijk België de uit artikel 63 VWEU en artikel 40 van de EER-Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen.
74 Aangezien de bepalingen van het Verdrag en van de EER-Overeenkomst betreffende de vrijheid van dienstverrichting zich verzetten tegen de litigieuze regeling, behoeft deze regeling niet afzonderlijk aan artikel 63 VWEU en artikel 40 van de EER-Overeenkomst inzake het vrije verkeer van kapitaal te worden getoetst (zie naar analogie arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 79)."
HvJ EU 6 juni 2013, C‑383/10 (Europese Commissie - België)
"30 Aangezien de prejudiciële vraag is gesteld uit het oogpunt van zowel artikel 56 VWEU als artikel 63 VWEU, dient vooraf te worden uitgemaakt of – en in voorkomend geval in hoeverre – een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting en/of het vrije verkeer van kapitaal ongunstig kan beïnvloeden.
31 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat om te bepalen of een nationale wettelijke regeling onder de ene of de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening moet worden gehouden met het voorwerp van de regeling in kwestie (zie in die zin arresten van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 3 maart 2020, Tesco-Global Áruházak, C‑323/18, EU:C:2020:140, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Het hoofdgeding heeft betrekking op een verzoek tot nietigverklaring van handelingen waarbij bronbelasting is geheven over dividenden die in 2015 en 2016 door in Portugal gevestigde vennootschappen aan verzoekster in het hoofdgeding zijn uitgekeerd, en de verenigbaarheid met het Unierecht van een nationale regeling die de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor vrijstelling van bronbelasting voorbehoudt aan icb’s die volgens de Portugese regeling zijn opgericht en hun activiteiten uitoefenen, of waarvan de beheersmaatschappij via een vaste inrichting in Portugal actief is.
33 Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling aldus betrekking heeft op de fiscale behandeling van door icb’s ontvangen dividenden, moet ervan worden uitgegaan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie onder het vrije verkeer van kapitaal valt (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punten 35 en 36).
34 Gesteld bovendien dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling de werkzaamheden van een icb die is gevestigd in een andere lidstaat – waar zij rechtmatig soortgelijke diensten verricht – dan de Portugese Republiek verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt, vloeien deze gevolgen onvermijdelijk voort uit de fiscale behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan deze niet-ingezeten instelling, en rechtvaardigen zij niet dat de prejudiciële vragen afzonderlijk worden getoetst aan de vrijheid van dienstverrichting. Deze vrijheid lijkt in casu immers ondergeschikt aan het vrije verkeer van kapitaal en kan daarmee worden verbonden (zie naar analogie arrest van 21 juni 2018, Fidelity Funds e.a., C‑480/16, EU:C:2018:480, punt 37).
35 Gelet op het voorgaande moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling uitsluitend aan artikel 63 VWEU worden getoetst."
HvJ EU 17 maart 2022, C-545/19 (AllianzGI-Fonds AEVN)
De relatie met artikel 267 VwEU
"41 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of een dergelijke uitlegging van artikel 63 VWEU, die is gegeven in een op grond van artikel 267 VWEU gewezen prejudicieel arrest, een verplichting voor de verwijzende rechter met zich meebrengt om de betrokken nationale regeling buiten toepassing te laten, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 267 VWEU verleende bevoegdheid geeft aan een regel van Unierecht, de betekenis en strekking van dat voorschrift verklaart en preciseert, voor zover dat nodig is, zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden begrepen en toegepast (arrest van 7 augustus 2018, Hochtief, C‑300/17, EU:C:2018:635, punt 55). Een prejudicieel arrest is met andere woorden louter declaratoir en niet constitutief van aard (arrest van 28 januari 2015, Starjakob, C‑417/13, EU:C:2015:38, punt 63).
42 Wanneer een vraag over de uitlegging van het Unierecht duidelijk is beantwoord in de rechtspraak van het Hof, moet de nationale rechter dus zelf al het nodige doen om ervoor te zorgen dat deze uitlegging wordt toegepast (zie in die zin arrest van 5 april 2016, PFE, C‑689/13, EU:C:2016:199, punt 42).
43 Bovendien is krachtens het voorrangsbeginsel, indien de nationale regelgeving niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan worden uitgelegd, de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is belast met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht verplicht om de volle werking van deze bepalingen te verzekeren en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke, zelfs latere, met een bepaling van Unierecht strijdige nationale regeling buiten toepassing te laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten (zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punten 58 en 61).
44 Wat artikel 63 VWEU betreft, waarop het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat dit artikel rechtstreekse werking heeft, zodat het voor de nationale rechter kan worden ingeroepen en tot gevolg heeft dat daarmee strijdige nationale bepalingen buiten toepassing worden gelaten (zie in die zin arrest van 14 september 2017, The Trustees of the BT Pension Scheme, C‑628/15, EU:C:2017:687, punt 49).
45 Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling onverenigbaar is met artikel 63 VWEU, zoals volgt uit het arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth (C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157), moet de verwijzende rechter, bij wie een beroep tot nietigverklaring van een met name op deze regeling gebaseerd besluit is ingesteld, in casu de volle werking van artikel 63 VWEU waarborgen door die nationale regeling buiten toepassing te laten voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding."
HvJ EU 10 maart 2022, C-177/20 („Grossmania”)
De fiscale behandeling van dividenden
"76 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de fiscale behandeling van dividenden zowel onder de vrijheid van vestiging als onder het vrije verkeer van kapitaal kan vallen (arrest van 7 september 2017, Eqiom en Enka, C‑6/16, EU:C:2017:641, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77 Voor de beantwoording van de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene of de andere vrijheid van verkeer valt, dient rekening te worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie (arrest van 7 september 2017, Eqiom en Enka, C‑6/16, EU:C:2017:641, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een bepalende invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend en de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder de Verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging valt. Nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de onderneming uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (arrest van 7 september 2017, Eqiom en Enka, C‑6/16, EU:C:2017:641, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 20 december 2017, gevoegde zaken C‑504/16 en C‑613/16 (Deister)
"Het bestaan van een belemmering voor het vrije kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU
44 Volgens vaste rechtspraak omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest Santander Asset Management SGIIC e.a., C‑338/11–C‑347/11, EU:C:2012:286, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...).
56 Uit een en ander volgt dat, zo de verwijzende rechterlijke instantie tot de conclusie mocht komen dat in de hoofdgedingen de toepassing van een bronheffing van 15 % op de dividenden van niet-ingezeten belastingplichtigen ertoe leidt dat op die belastingplichtigen in Nederland een zwaardere definitieve belastingdruk rust dan op ingezeten belastingplichtigen voor dezelfde dividenden, een dergelijk verschil in fiscale behandeling van belastingplichtigen op grond van hun woonplaats niet-ingezeten belastingplichtigen kan doen besluiten om niet in vennootschappen die in Nederland gevestigd zijn te investeren en dus een belemmering voor het vrije kapitaalverkeer vormt, die in beginsel ingevolge artikel 63 VWEU verboden is."
HvJ EU 17 september 2015, gevoegde zaken C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14 (Miljoen)
Evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid
"111 Dit betoog beoogt in wezen de nationale regeling in het hoofdgeding te rechtvaardigen door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen en om de doeltreffendheid van de belastingheffing te verzekeren, met het doel om, zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 16 ZKPO, belastingontwijking te voorkomen.
112 In dit verband is een maatregel die het vrije verkeer van kapitaal beperkt volgens vaste rechtspraak van het Hof slechts toelaatbaar voor zover deze gerechtvaardigd is door dwingende redenen van algemeen belang en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt, wat inhoudt dat die maatregel geschikt is om de verwezenlijking van het rechtmatig nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van dat doel [arrest van 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond), C‑235/17, EU:C:2019:432, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
113 Volgens de rechtspraak van het Hof vormen zowel het behoud van de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid over de lidstaten als de bestrijding van belastingontwijking dwingende redenen van algemeen belang die een belemmering van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden, waaronder het vrije kapitaalverkeer, kunnen rechtvaardigen (arrest van 8 maart 2017, Euro Park Service, C‑14/16, EU:C:2017:177, punt 65). Datzelfde geldt voor de noodzaak om een doelmatige invordering van de belasting te waarborgen (zie in die zin arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114 Wat betreft de geschiktheid voor het beoogde doel van de nationale regeling in het hoofdgeding zij eraan herinnerd dat de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te vrijwaren, een verschil in behandeling kan rechtvaardigen wanneer de onderzochte regeling ertoe strekt gedragingen te voorkomen die afbreuk kunnen doen aan het recht van een lidstaat om zijn belastingbevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot activiteiten die op zijn grondgebied plaatsvinden (arrest van 31 mei 2018, Hornbach-Baumarkt, C‑382/16, EU:C:2018:366, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
115 Wat dat betreft heeft het Hof reeds geoordeeld dat de bronheffingsprocedure een wettig en passend middel vormt voor de fiscale behandeling van de inkomsten van een buiten de heffingsstaat gevestigde belastingplichtige (zie in die zin arrest van 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 68).
116 In casu kan de lidstaat van vestiging dankzij de nationale regeling aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan bronbelasting wordt geheven op fictieve rente over renteloze leningen van niet-ingezeten vennootschappen aan ingezeten vennootschappen, zijn fiscale bevoegdheid uitoefenen in verband met de op zijn grondgebied verrichte activiteiten, met het doel te voorkomen dat die leningen slechts worden verstrekt om de belasting te ontwijken die normaal gesproken verschuldigd zou zijn over de inkomsten uit de op dat grondgebied verrichte activiteiten.
117 Een dergelijke regeling moet dus geschikt worden geacht om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te vrijwaren en om de doeltreffendheid van de belastingheffing te verzekeren teneinde belastingontwijking te voorkomen
118 Wat betreft de vraag of de nationale regeling aan de orde in het hoofdgeding niet verder gaat dan nodig is om deze doelen te bereiken, heeft Viva Telecom Bulgaria ter terechtzitting betoogd dat de teruggaafprocedure volgens artikel 202a ZKPO excessief lang duurt, aangezien een eventuele teruggaaf van de te veel ingehouden bronbelasting die een ingezeten vennootschap heeft afgedragen over de bruto fictieve rente op een renteloze lening van een niet-ingezeten vennootschap mogelijk pas na drie jaar plaatsvindt.
119 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter volgt evenwel uit de toelichting ter terechtzitting van verweerder in het hoofdgeding dat een dergelijke teruggaaf in de regel binnen dertig dagen na de aanvraag plaatsvindt en dat de procedure slechts in uitzonderlijke gevallen drie jaar kan duren. Bovendien heeft de Bulgaarse regering ter terechtzitting aangegeven dat de belastingdienst vanaf de dertigste dag na indiening van de aangifte rente over de verschuldigde bedragen moet betalen, hetgeen eveneens door deze rechter moet worden nagegaan.
120 Onder voorbehoud van deze verificatie lijkt de nationale regeling aan de orde in het hoofdgeding vanuit het oogpunt van de duur van de teruggaafprocedure dus niet verder te gaan dan nodig is om de nagestreefde doelen te verwezenlijken.
121 In deze omstandigheden lijkt deze nationale regeling te kunnen worden gerechtvaardigd door het doel om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te vrijwaren en de doeltreffendheid van de belastingheffing te verzekeren teneinde belastingontwijking te voorkomen."
HvJ EU 24 februari 2022, C-257/20 (“Viva Telecom Bulgaria” EOOD)
Bronbelasting op dividenden van niet-ingezetenen
"61 Uit een en ander volgt dat, zo de verwijzende rechterlijke instantie tot de conclusie mocht komen dat in de hoofdgedingen de toepassing van een bronheffing van 15 % op de dividenden van niet-ingezeten belastingplichtigen ertoe leidt dat op die belastingplichtigen in Nederland een zwaardere definitieve belastingdruk rust dan op ingezeten belastingplichtigen voor dezelfde dividenden, een dergelijk verschil in fiscale behandeling van belastingplichtigen op grond van hun woonplaats niet-ingezeten belastingplichtigen kan doen besluiten om niet in vennootschappen die in Nederland gevestigd zijn te investeren en dus een belemmering voor het vrije kapitaalverkeer vormt, die in beginsel ingevolge artikel 63 VWEU verboden is."
HvJ EU 17 september 2015, gevoegde zaken C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14 (Miljoen)
Het tariefsverschil in de dividendbelasting tussen ingezetenen en niet-ingezetenen
"32 Terwijl dividenduitkeringen aan ingezeten pensioenfondsen derhalve in de praktijk door de litigieuze bepalingen van nationaal recht zijn vrijgesteld of vrijwel zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting, worden dividenduitkeringen aan niet-ingezeten pensioenfondsen daarentegen uit hoofde van deze nationale regeling belast tegen een tarief van 19,5 %, of tegen een tarief van 15 % of minder uit hoofde van de verdragen ter voorkoming van dubbele belasting die de Republiek Finland heeft gesloten.
33 Een dergelijke ongunstige behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten pensioenfondsen in vergelijking met de behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten pensioenfondsen, kan in een andere lidstaat dan de Republiek Finland gevestigde vennootschappen ervan doen afzien in de Republiek Finland te investeren en vormt dus een beperking van het vrije kapitaalverkeer die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (zie arrest van 8 november 2007, Amurta, C‑379/05, Jurispr. blz. I‑9569, punt 28).
34 Anders dan de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk suggereren, kan niet worden aangenomen dat deze ongunstige behandeling wordt geneutraliseerd door de verdragen ter voorkoming van dubbele belasting die de Republiek Finland heeft gesloten. Daartoe is immers noodzakelijk dat de gevolgen van het uit de nationale wettelijke regeling voortvloeiende verschil in behandeling door toepassing van een dergelijk verdrag worden gecompenseerd (arrest van 20 oktober 2011, Commissie/Duitsland, C‑284/09, Jurispr. blz. I-9879, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals blijkt uit de toelichting die de Republiek Finland ter terechtzitting heeft gegeven, heeft zij slechts drie verdragen gesloten waarin het tarief voor de dividendbelasting 0 % bedraagt; in het merendeel van de andere verdragen bedraagt het tarief 15 %.
35 Een dergelijke ongunstige behandeling kan slechts verenigbaar zijn met de bepalingen van het VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal, indien zij betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang (zie met name arresten van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑446/04, Jurispr. blz. I‑11753, punt 167, en 18 december 2007, Grønfeldt, C‑436/06, Jurispr. blz. I‑12357, punt 16).
36 Met betrekking tot de vraag of de situaties in geding objectief vergelijkbaar zijn, moet eraan worden herinnerd dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het door de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel (zie arresten van 25 februari 2010, X Holding, C‑337/08, Jurispr. blz. I‑1215, punt 22, en 6 september 2012, Philips Electronics UK, C‑18/11, punt 17)."
HvJ EU 8 november 2012, C‑342/10 (Finland - Europese Commissie)
De nationale rechter dient te onderzoeken of een belastingverdrag een beperking van het vrije kapitaalverkeer bij de belastingheffing over dividenden kan neutraliseren
"84 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord dat een lidstaat niet met een beroep op het bestaan van een volledig belastingkrediet dat door een andere lidstaat unilateraal wordt verleend aan een in die andere lidstaat gevestigde ontvangende vennootschap, kan ontsnappen aan de uit de uitoefening van zijn heffingsbevoegdheid voortvloeiende verplichting tot het voorkomen van dubbele economische belasting van dividenden, wanneer hij dubbele economische belasting van dividenden uitgekeerd aan op zijn grondgebied gevestigde ontvangende vennootschappen voorkomt. Beroept een lidstaat zich op een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting dat hij heeft gesloten met een andere lidstaat, dan staat het aan de nationale rechter om vast te stellen of in het hoofdgeding rekening moet worden gehouden met dit verdrag en, in voorkomend geval, na te gaan of met dit verdrag de gevolgen van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal kunnen worden geneutraliseerd."
HvJ EU 8 november 2007, C‑379/05 (Amurta)
Samenloop algemeen
"68 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de verdragsregels inzake het vrij verrichten van diensten en het vrij verkeer van kapitaal, inzonderheid de artikelen 56 VWEU, 58 VWEU en 63, lid 1, VWEU, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een bepaling van nationaal recht die kredietinstellingen verbiedt bepaalde bankprovisies in rekening te brengen.
69 Vooraf zij vastgesteld dat er geen reden is om de nationale bepaling die aan de orde is in het hoofdgeding te onderzoeken in het licht van de verdragsregels betreffende het vrij verkeer van kapitaal.
70 Wanneer een nationale maatregel immers zowel met het vrij verrichten van diensten als met het vrij verkeer van kapitaal verband houdt, moet worden onderzocht in hoeverre de uitoefening van die fundamentele vrijheden wordt belemmerd en of, in de omstandigheden van het hoofdgeding, een van die vrijheden voorrang heeft boven de ander. Het Hof toetst de betrokken maatregel in beginsel slechts aan een van deze twee vrijheden, indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (arrest van 3 oktober 2006, Fidium Finanz, C‑452/04, Jurispr. blz. I‑9521, punt 34)."
HvJ EU 12 juli 2012, C‑602/10 (SC Volksbank România)
De samenloop met artikel 49 VwEU/vrijheid van vestiging
"89 De fiscale behandeling van dividenden kan zowel onder artikel 49 VWEU betreffende de vrijheid van vestiging als onder artikel 63 VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal vallen (reeds aangehaalde arresten Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, punt 33, en Accor, punt 30).
90 Met betrekking tot de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene of de andere vrijheid van verkeer valt, blijkt uit ondertussen vaste rechtspraak dat rekening dient te worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie (arresten van 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas, C‑196/04, Jurispr. blz. I‑7995, punten 31‑33; 12 december 2006, Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, C‑374/04, Jurispr. blz. I‑11673, punten 37 en 38, en 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation, C‑524/04, Jurispr. blz. I‑2107, punten 26‑34, en reeds aangehaalde arresten Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, punt 34, en Accor, punt 31).
91 Een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op participaties waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, valt onder artikel 49 VWEU inzake de vrijheid van vestiging (zie arrest Test Claimants in the FII Group Litigation, reeds aangehaald, punt 37; arrest van 21 oktober 2010, Idryma Typou, C‑81/09, Jurispr. blz. I‑10161, punt 47; arrest Accor, reeds aangehaald, punt 32, en arrest van 19 juli 2012, Scheunemann, C‑31/11, punt 23).
92 Nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de onderneming uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (reeds aangehaalde arresten Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, punt 35; Accor, punt 32, en Scheunemann, punt 23)."
HvJ EU 13 november 2012, C‑35/11 (Test Claimants in the FII Group Litigation)
"40 Een nationale regeling die alleen van toepassing is op het verwerven van deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, valt dan ook binnen de werkingssfeer van artikel 49 VWEU inzake de vrijheid van vestiging (arrest van 13 november 2012, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑35/11, EU:C:2012:707, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Nationale bepalingen die van toepassing zijn op deelnemingen die enkel als belegging worden genomen zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur en de zeggenschap van de betrokken onderneming uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (arrest van 13 november 2012, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑35/11, EU:C:2012:707, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 3 september 2020, C‑719/18 (Vivendi)
“17 Aangezien de verwijzende rechter in zijn vraag verwijst naar zowel de vrijheid van vestiging als het vrije verkeer van kapitaal, neergelegd in respectievelijk de artikelen 49 en 63 VWEU, dient vooraf in herinnering te worden gebracht dat de oprichting door een in een lidstaat gevestigde natuurlijke of rechtspersoon van een hem volledig toebehorende vaste inrichting – zoals een filiaal – in een andere lidstaat, binnen de materiële werkingssfeer van artikel 49 VWEU valt (zie in die zin arresten van 15 mei 2008, Lidl Belgium, C‑414/06, EU:C:2008:278, punt 15, en 15 september 2011, Dickinger en Ömer, C‑347/09, EU:C:2011:582, punt 35).
18 In casu heeft het hoofdgeding betrekking op de invloed van de nationale regeling op de fiscale behandeling van een geldoverdracht tussen een in Roemenië gevestigd filiaal en de in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij.
19 Gesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingregeling beperkingen inhoudt voor het vrije verkeer van kapitaal, dan zijn die beperkingen een onvermijdelijk gevolg van een eventuele belemmering van de vrijheid van vestiging en rechtvaardigen zij niet dat genoemde belastingregeling wordt getoetst aan artikel 63 VWEU (zie naar analogie arrest van 15 mei 2008, Lidl Belgium, C‑414/06, EU:C:2008:278, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 Tegen deze achtergrond moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling alleen worden getoetst aan de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging."
HvJ EU 8 oktober 2020, C‑558/19 (Impresa Pizzarotti & C SPA Italia Sucursala Cluj)
"77 Aangezien de verwijzende rechter tegelijk verwijst naar de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal, die zijn neergelegd in de artikelen 49 respectievelijk 63 VWEU, moet eerst worden vastgesteld welke van deze twee vrijheden door een nationale regeling als in het hoofdgeding kan worden aangetast.
78 Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat rekening moet worden gehouden met het voorwerp van de betrokken regeling (arrest van 10 juni 2015, X, C‑686/13, EU:C:2015:375, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 Zo valt een nationale regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder artikel 49 VWEU inzake de vrijheid van vestiging (arrest van 10 juni 2015, X, C‑686/13, EU:C:2015:375, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80 Nationale bepalingen inzake deelnemingen die zijn verworven met het uitsluitende doel te beleggen, zonder dat de houder invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming wenst uit te oefenen, moeten daarentegen uitsluitend aan het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (arrest van 10 juni 2015, X, C‑686/13, EU:C:2015:375, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81 Over de nationale regeling in het hoofdgeding geeft de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing aan dat artikel 16, lid 2, punt 3, ZKPO van toepassing is op renteloze leningen tussen zowel verbonden als niet-verbonden vennootschappen, dus ongeacht of een vennootschap een bepaalde invloed kan uitoefenen op de besluiten en de activiteiten van een andere. Dit blijkt overigens ook uit de tekst van lid 1 van dit artikel, dat uitdrukkelijk niet-verbonden vennootschappen betreft.
82 In een dergelijk geval zijn de feiten van de zaak – waaruit naar voren komt dat de kredietgevende vennootschap ten tijde van de relevante feiten enig aandeelhouder van de kredietnemende vennootschap was – niet van belang om te bepalen of de omstandigheden van dit geding de ene of de andere fundamentele vrijheid betreffen (zie in die zin arrest van 10 juni 2015, X, C‑686/13, EU:C:2015:375, punten 22 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83 Daarom moet op grond van het voorwerp van de nationale regeling in het hoofdgeding worden geconcludeerd dat deze regeling hoofdzakelijk het vrije verkeer van kapitaal betreft zoals neergelegd in artikel 63 VWEU (zie in die zin arrest van 26 februari 2019, N Luxembourg 1 e.a., C‑115/16, C‑118/16, C‑119/16 en C‑299/16, EU:C:2019:134, punt 158 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84 Gesteld dat deze nationale regeling de vrijheid van vestiging beperkt, is deze beperking in deze omstandigheden het onvermijdelijke gevolg van een eventuele belemmering van het vrije kapitaalverkeer en rechtvaardigt zij dus geen autonome toetsing van deze regeling aan artikel 49 VWEU (arrest van 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C‑182/08, EU:C:2009:559, punt 51).
85 Derhalve moet worden onderzocht of deze nationale regeling het vrije verkeer van kapitaal beperkt in de zin van artikel 63 VWEU en, als dat het geval is, of die beperking vanuit het oogpunt van deze bepaling kan worden gerechtvaardigd."
HvJ EU 24 februari 2022, C-257/20 (“Viva Telecom Bulgaria” EOOD)
De samenloop met artikel 56 VwEU/vrije dienstenverkeer
"70 Wanneer een nationale maatregel immers zowel met het vrij verrichten van diensten als met het vrij verkeer van kapitaal verband houdt, moet worden onderzocht in hoeverre de uitoefening van die fundamentele vrijheden wordt belemmerd en of, in de omstandigheden van het hoofdgeding, een van die vrijheden voorrang heeft boven de ander. Het Hof toetst de betrokken maatregel in beginsel slechts aan een van deze twee vrijheden, indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (arrest van 3 oktober 2006, Fidium Finanz, C‑452/04, Jurispr. blz. I‑9521, punt 34)."
HvJ EU 12 juli 2012, C‑602/10 (SC Volksbank România)
Definitie van 'beperking van het kapitaalverkeer'
"Bestaan van een beperking in de zin van artikel 63 VWEU
48 Volgens de rechtspraak van het Hof strekken de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het vrije kapitaalverkeer beperken, zich mede uit tot de maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of die ingezetenen van deze lidstaat ervan kunnen weerhouden in andere lidstaten investeringen te doen (zie met name arresten van 10 april 2014, Emerging Markets Series of DFA Investment Trust Company, C‑190/12, EU:C:2014:249, punt 39, en 22 november 2018, Sofina e.a., C‑575/17, EU:C:2018:943, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Met name het feit dat een lidstaat dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten pensioenfondsen ongunstiger behandelt dan dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten pensioenfondsen, kan in een andere dan die lidstaat gevestigde vennootschappen ervan doen afzien in die lidstaat te investeren, zodat dit een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (zie in die arresten van 8 november 2012, Commissie/Finland, C‑342/10, EU:C:2012:688, punt 33; 22 november 2012, Commissie/Duitsland, C‑600/10, niet gepubliceerd, EU:C:2012:737, punt 15, en 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C‑252/14, EU:C:2016:402, punt 28).
50 Wanneer op dividenden die aan niet-ingezeten pensioenfondsen worden uitgekeerd een zwaardere belastingdruk rust dan op dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten pensioenfondsen, dan is er sprake van een dergelijke minder gunstige behandeling (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C‑10/14, C‑14/14 en C‑17/14, EU:C:2015:608, punt 48). Hetzelfde geldt wanneer aan ingezeten pensioenfondsen uitgekeerde dividenden geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld, terwijl dividenden die aan niet-ingezeten pensioenfondsen worden uitgekeerd, onderworpen zijn aan een definitieve inhouding aan de bron (zie in die zin arrest van 8 november 2012, Commissie/Finland, C‑342/10, EU:C:2012:688, punten 32 en 33)."
HvJ EU 13 november 2019, C‑641/17 (College Pension Plan of British Columbia)
"Het zij herinnerd dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die ingezetenen van een lidstaat kunnen ontmoedigen in een andere lidstaat in onroerend goed investeringen te doen (arrest van 11 september 2014, Verest en Gerards, C‑489/13, EU:C:2014:2210, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 12 april 2018, C‑110/17 (Commissie - België)
"Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de maatregelen die ingevolge artikel 63 VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, in geval van erfenissen mede de maatregelen omvatten die leiden tot waardevermindering van de erfenis van een ingezetene van een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan de betrokken zaken zich bevinden en waar de overdracht van die zaken door vererving wordt belast (zie met name arresten van 11 december 2003, Barbier, C‑364/01, EU:C:2003:665, punt 62, en 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 De regelgeving van een lidstaat, volgens welke de toepassing van een vrijstelling van erfbelasting afhangt van de woonplaats van de erflater of de verkrijger ten tijde van het overlijden, vormt een beperking van het vrij verkeer van kapitaal, wanneer zij tot gevolg heeft dat erfenissen waarbij niet-ingezetenen zijn betrokken zwaarder worden belast dan die waarbij enkel ingezetenen zijn betrokken (zie in die zin arresten van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punten 25 en 26, en 3 september 2014, Commissie/Spanje, C‑127/12, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2130, punt 58)."
HvJ EU 26 mei 2016, C‑244/15 (Europese Commissie - Griekenland)
Beperking genotsrecht voor inwoners andere EU-Lidstaten
"61 Volgens vaste rechtspraak verbiedt artikel 63, lid 1, VWEU op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten (arrest van 22 oktober 2013, Essent e.a., C‑105/12–C‑107/12, EU:C:2013:677, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 In casu moet worden vastgesteld dat een regeling als in de hoofdgedingen, die voorziet in het tenietgaan van bij overeenkomst verkregen rechten van vruchtgebruik op landbouwgrond, waaronder rechten die zijn verkregen ten gevolge van de uitoefening van het recht van vrij verkeer van kapitaal, alleen al op grond van het voorwerp van die regeling die vrijheid beperkt. Dat, zoals de verwijzende rechter in zijn tweede vraag in zaak C‑52/16 in overweging neemt, eventueel wordt voorzien in een vergoeding van personen die, na dergelijke rechten te hebben verworven, daarvan zijn beroofd op grond van die regeling, doet niet af aan die vaststelling.
63 Die regeling ontneemt de belanghebbende namelijk de mogelijkheid om het genot te blijven hebben van het door hem verkregen recht aangezien zij hem met name belet de betrokken landbouwgrond te exploiteren voor het met dat recht beoogde gebruik, alsook de mogelijkheid om dat recht te vervreemden.
64 Aangezien de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling aldus staatsburgers van andere lidstaten dan Hongarije, die vrijheid van kapitaalverkeer genieten, het genot ontzegt van de goederen waarin zij kapitaal hebben geïnvesteerd, vormt zij een belemmering van die vrijheid.
65 Bovendien blijkt uit vaste rechtspraak dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, met name mede de maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien, in een lidstaat investeringen te doen (arresten van 25 januari 2007, Festersen, C‑370/05, EU:C:2007:59, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 1 oktober 2009, Woningstichting Sint Servatius, C‑567/07, EU:C:2009:593, punt 21).
66 Een nationale regeling als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, vormt dus een beperking van de in artikel 63 VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheid."
HvJ EU 6 maart 2018, gevoegde zaken C‑52/16 en C‑113/16 (Segro)
Vrijstelling van erfbelasting die afhankelijk is van de woonplaats van de erflater of de verkrijger vormt een beperking
"Bestaan van een beperking van het vrij verkeer van kapitaal
28 Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de maatregelen die ingevolge artikel 63 VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, in geval van erfenissen mede de maatregelen omvatten die leiden tot waardevermindering van de erfenis van een ingezetene van een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan de betrokken zaken zich bevinden en waar de overdracht van die zaken door vererving wordt belast (zie met name arresten van 11 december 2003, Barbier, C‑364/01, EU:C:2003:665, punt 62, en 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 De regelgeving van een lidstaat, volgens welke de toepassing van een vrijstelling van erfbelasting afhangt van de woonplaats van de erflater of de verkrijger ten tijde van het overlijden, vormt een beperking van het vrij verkeer van kapitaal, wanneer zij tot gevolg heeft dat erfenissen waarbij niet-ingezetenen zijn betrokken zwaarder worden belast dan die waarbij enkel ingezetenen zijn betrokken (zie in die zin arresten van 17 oktober 2013, Welte, C‑181/12, EU:C:2013:662, punten 25 en 26, en 3 september 2014, Commissie/Spanje, C‑127/12, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2130, punt 58)."
HvJ EU 26 mei 2016, C‑244/15 (Europese Commissie - Griekenland)
Artikel 40 EER heeft dezelfde strekking als artikel 63 VWEU
"35 Hieruit volgt dat beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal tussen burgers van staten die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, weliswaar moeten worden getoetst aan artikel 40 van deze overeenkomst en bijlage XII bij deze overeenkomst, doch dat deze bepalingen dezelfde juridische strekking hebben als de bepalingen van artikel 63 VWEU (zie met name arrest Établissements Rimbaud, reeds aangehaald, punt 22)."
HvJ EU 24 juni 2011, C‑476/10 (projektart e.a.)
"Inbreuk op artikel 40 van de EER-Overeenkomst
63 Aangezien de bepalingen van artikel 40 van de EER-Overeenkomst dezelfde juridische strekking hebben als de in wezen identieke bepalingen van artikel 63 VWEU, zijn alle voorgaande overwegingen inzake het bestaan van een beperking van het vrije kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU in omstandigheden als die van het onderhavige beroep mutatis mutandis toepasbaar op dat artikel 40 (arrest van 4 mei 2017, Commissie/Griekenland, C‑98/16, niet gepubliceerd, EU:C:2017:346, punt 49)."
HvJ EU 12 april 2018, C‑110/17 (Commissie - België)
"74 Aangezien de bepalingen van het Verdrag en van de EER-Overeenkomst betreffende de vrijheid van dienstverrichting zich verzetten tegen de litigieuze regeling, behoeft deze regeling niet afzonderlijk aan artikel 63 VWEU en artikel 40 van de EER-Overeenkomst inzake het vrije verkeer van kapitaal te worden getoetst (zie naar analogie arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 79)."
HvJ EU 6 juni 2013, C‑383/10 (Europese Commissie - België)
"42 Aangezien de bepalingen van artikel 40 van de EER-Overeenkomst dezelfde juridische strekking hebben als de in wezen identieke bepalingen van artikel 56 EG (zie arrest van 11 juni 2009, Commissie/Nederland, C‑521/07, Jurispr. blz. I‑4873, punt 33, en arrest Établissements Rimbaud, reeds aangehaald, punt 22), zijn alle voorgaande overwegingen in omstandigheden als die in het hoofdgeding naar analogie toepasbaar op dat artikel 40."
HvJ EU 16 juni 2011, C‑10/10 (Europese Commissie - Oostenrijk)
"Schending van artikel 40 EER-Overeenkomst
50 Een van de belangrijkste doelstellingen van de EER-Overeenkomst is een zo volledig mogelijke verwezenlijking van het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal in de gehele EER, zodat de op het grondgebied van de Unie verwezenlijkte interne markt wordt uitgebreid naar de EVA-staten. In deze optiek beogen meerdere bepalingen van deze Overeenkomst een zo uniform mogelijke uitlegging ervan te waarborgen in de gehele EER (zie advies 1/92 van 10 april 1992, Jurispr. blz. I‑2821). Het staat aan het Hof om er in dit kader over te waken dat de regels van de EER-Overeenkomst die in wezen gelijk zijn aan die van het Verdrag, uniform worden uitgelegd in de lidstaten (arresten van 23 september 2003, Ospelt en Schlössle Weissenberg, C‑452/01, Jurispr. blz. I‑9743, punt 29, en 19 november 2009, Commissie/Italië, C‑540/07, Jurispr. blz. I‑10983, punt 65).
51 Daaruit volgt dat beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal tussen ingezetenen van staten die partij zijn bij de EER-Overeenkomst weliswaar moeten worden getoetst aan artikel 40 van en bijlage XII bij deze Overeenkomst, maar dat deze bepalingen dezelfde juridische strekking hebben als de in wezen identieke bepalingen van artikel 56 EG (zie arrest van 11 juni 2009, Commissie/Nederland, C‑521/07, Jurispr. blz. I‑4873, punt 33, en arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 66).
52 Om de redenen die zijn uiteengezet bij de toetsing van het beroep van de Commissie aan artikel 56, lid 1, EG, moet bijgevolg worden aangenomen dat de verplichting tot aanstelling van een fiscaal vertegenwoordiger die de Portugese wettelijke regeling aan niet-ingezetenen oplegt, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt in de zin van artikel 40 EER-Overeenkomst."
HvJ EU 5 mei 2011, C‑267/09 (Commissie - Portugal)
Nationale bepaling die keuze mogelijk maakt voor niet-discrimerende bepaling heft de strijdigheid met het vrije verkeer van kapitaal niet op
"42 Meteen moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid voor in de Unie of de EER wonende personen om op grond van artikel 72, leden 9 en 10, CIRS te kiezen voor een belastingregeling die vergelijkbaar is met die welke geldt voor Portugese ingezetenen, en aldus in aanmerking te komen voor de in artikel 43, lid 2, van dat wetboek bedoelde aftrek van 50 %, een niet-ingezeten belastingplichtige, zoals MK, in staat stelt te kiezen tussen een discriminerende belastingregeling, namelijk die van artikel 72, lid 1, CIRS, en een andere regeling die dat niet zou zijn.
43 In dit verband moet worden benadrukt dat een dergelijke keuze in casu de discriminerende gevolgen van de eerste van deze twee belastingregelingen niet kan uitsluiten.
44 Indien zou worden erkend dat die keuze een dergelijk effect heeft, zou dat immers tot gevolg hebben dat een belastingregeling als rechtmatig wordt beschouwd die op zich wegens het discriminerende karakter ervan nog steeds in strijd is met artikel 63 VWEU (zie in die zin arrest van 18 maart 2010, Gielen, C‑440/08, EU:C:2010:148, punt 52).
45 Zoals het Hof reeds heeft gepreciseerd, blijft een nationale regeling die een door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheid beperkt, in casu het vrije verkeer van kapitaal, bovendien nog steeds onverenigbaar met het Unierecht, ook al is de toepassing ervan facultatief (zie in die zin arrest van 18 maart 2010, Gielen, C‑440/08, EU:C:2010:148, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Hieruit volgt dat de keuze die in het hoofdgeding openstaat voor de niet-ingezeten belastingplichtige om op dezelfde wijze te worden belast als ingezeten belastingplichtigen, de in punt 32 van het onderhavige arrest vastgestelde beperking niet verenigbaar kan maken met het Verdrag.
47 Gelet op een en ander moet op de voorgelegde vraag worden geantwoord dat artikel 63 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 65 VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die – opdat vermogenswinst die uit de verkoop van een in die lidstaat gelegen onroerend goed wordt verkregen door een in een andere lidstaat wonende belastingplichtige, niet zwaarder wordt belast dan vermogenswinst die bij ditzelfde soort transactie wordt behaald door een ingezetene van eerstbedoelde lidstaat – het van de keuze van die belastingplichtige laat afhangen welke belastingregeling van toepassing is."
HvJ EU 18 maart 2021, C‑388/19 (MK)
Nationale bepalingen omtrent de bewijslast(verdeling)
"39 Dienaangaande heeft het Hof reeds gepreciseerd dat eventuele moeilijkheden bij de vaststelling van de in een andere lidstaat daadwerkelijk betaalde belasting niet een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal kunnen rechtvaardigen (zie reeds aangehaalde arresten Manninen, punt 54, en Test Claimants in the FII Group Litigation, punt 70).
40 In casu moet worden vastgesteld dat een nationale wetgeving als die in het hoofdgeding, volgens welke voor de toekenning van het belastingkrediet de overlegging van een certificaat overeenkomstig het nationale stelsel van de betrokken lidstaat is vereist, zonder dat de aandeelhouder de mogelijkheid heeft om het bedrag van de door de uitkerende vennootschap daadwerkelijk betaalde belasting aan de hand van andere gegevens en relevante informatie te bewijzen, een door artikel 65, lid 3, VWEU verboden verkapte beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt (zie naar analogie arrest van 27 januari 2009, Persche, C‑318/07, Jurispr. blz. I‑359, punt 72).
41 Stellig volgt uit de rechtspraak dat de noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen een dwingende reden van algemeen belang vormt die een beperking van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kan rechtvaardigen, en dat een lidstaat maatregelen mag toepassen die een duidelijke en nauwkeurige controle mogelijk maken van het bedrag van de in een andere lidstaat gemaakte kosten die in die lidstaat mogen worden afgetrokken (zie met name arresten van 15 mei 1997, Futura Participations en Singer, C‑250/95, Jurispr. blz. I‑2471, punt 31, en 10 maart 2005, Laboratoires Fournier, C‑39/04, Jurispr. blz. I‑2057, punt 24).
42 Een beperkende maatregel kan echter slechts gerechtvaardigd zijn, indien hij in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, dat wil zeggen dat hij geschikt moet zijn om het ermee nagestreefde doel te bereiken en niet verder mag gaan dan ter bereiking van dit doel nodig is (zie met name arrest van 18 december 2007, A, C‑101/05, Jurispr. blz. I‑11531, punten 55 en 56, en arrest Persche, reeds aangehaald, punt 52).
43 Een regeling van een lidstaat die personen die in die lidstaat onbeperkt belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting en die hebben geïnvesteerd in kapitaalvennootschappen die in een andere lidstaat zijn gevestigd, volstrekt belet bewijsmateriaal voor te leggen dat voldoet aan andere criteria, met name inzake de overlegging, dan de in de wetgeving van de eerste lidstaat voor binnenlandse investeringen neergelegde criteria, zou echter niet alleen in strijd zijn met het beginsel van behoorlijk bestuur, maar zou vooral verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is ter bereiking van de doelstelling van doeltreffendheid van de fiscale controles.
44 Op voorhand valt immers niet uit te sluiten dat deze aandeelhouders in staat zijn relevante bewijsstukken over te leggen aan de hand waarvan de belastingautoriteiten van de lidstaat van heffing duidelijk en nauwkeurig kunnen controleren welke uitgaven in andere lidstaten daadwerkelijk zijn gedaan (zie naar analogie reeds aangehaalde arresten Laboratoires Fournier, punt 25, en Persche, punt 53).
45 Met betrekking tot de bewijslast en de nauwkeurigheid waaraan het bewijsmateriaal moet voldoen dat vereist is om in aanmerking te komen voor een belastingkrediet met betrekking tot de door een in een andere lidstaat gevestigde kapitaalvennootschap uitgekeerde dividenden, dient eraan te worden herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de belastingautoriteiten van een lidstaat het recht hebben om van de belastingplichtige de bewijzen te verlangen die zij noodzakelijk achten om te oordelen of is voldaan aan de in de betrokken wetgeving gestelde voorwaarden voor toekenning van een belastingvoordeel, en bijgevolg of dat voordeel al dan niet moet worden verleend (zie arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C‑436/08 en C‑437/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Deze beoordeling mag niet te formalistisch worden verricht, zodat de overlegging van bewijsstukken die niet zo gedetailleerd zijn als en niet de vorm hebben van het vennootschapsbelastingcertificaat dat is voorgeschreven door de wetgeving van de lidstaat die heffingsbevoegd is met betrekking tot een aandeelhouder die dividenden heeft ontvangen van een in een andere lidstaat gevestigde kapitaalvennootschap, maar aan de hand waarvan de belastingautoriteiten van de heffingsbevoegde lidstaat niettemin duidelijk en nauwkeurig kunnen nagaan of is voldaan aan de voorwaarden voor de verkrijging van een belastingvoordeel, door deze autoriteiten als gelijkwaardig aan de overlegging van dit certificaat moet worden beschouwd."
HvJ EU 30 juni 2011, C‑262/09 (Meillicke)
De vrijheid van kapitaalverkeer is niet van toepassing op interne situaties
"39 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof een nationale regeling die zonder onderscheid van toepassing is op onderdanen van alle lidstaten, in het algemeen slechts onder de in het VWEU neergelegde bepalingen inzake de fundamentele vrijheden kan vallen voor zover zij van toepassing is op situaties die een verband vertonen met het verkeer tussen de lidstaten (zie in die zin arrest van 5 maart 2002, Reisch e.a., C‑515/99, C‑519/99–C‑524/99 en C‑526/99–C‑540/99, EU:C:2002:135, punt 24).
40 De bepalingen van het VWEU inzake het vrij verkeer van kapitaal zijn immers niet van toepassing op situaties die in alle opzichten geheel in de interne sfeer van één lidstaat liggen (arrest van 20 maart 2014, Caixa d’Estalvis i Pensions de Barcelona, C‑139/12, EU:C:2014:174, punt 42)."
HvJ EU 14 september 2017, C‑628/15 (The Trustees of the BT Pension Scheme)
Kapitaalverkeer tussen EU-Lidstaten en Landen en Gebieden Overzee (LGO)
"19 Aangezien de Britse Maagdeneilanden, waar Lovett en Grebell zijn ingeschreven, zijn vermeld in de lijst van LGO van bijlage II bij het VWEU, dient te worden onderzocht of artikel 63 VWEU van toepassing is op het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en de LGO.
20 Artikel 63 VWEU verbiedt „alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen”. Gelet op de onbeperkte territoriale werkingssfeer van deze bepaling moet worden aangenomen dat deze bepaling noodzakelijkerwijs van toepassing is op het kapitaalverkeer naar en uit de LGO.
21 Bijgevolg dient te worden uitgemaakt of een nationale regeling als die in het hoofdgeding het vrije verkeer van kapitaal kan belemmeren.
22 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling werd door het Hof reeds getoetst aan artikel 63 VWEU, in het arrest van 11 oktober 2007, ELISA (C‑451/05, Jurispr. blz. I‑8251), en aan artikel 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3), in het arrest van 28 oktober 2010, Établissements Rimbaud (C‑72/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie). Uit het arrest ELISA (punt 60) blijkt dat een grensoverschrijdende investering in onroerende zaken een kapitaalbeweging in de zin van artikel 63 VWEU vormt.
(...).
28 In dit opzicht dient eerst te worden bepaald of de LGO met het oog op de toepassing van de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van kapitaal moeten worden gelijkgesteld met lidstaten of derde staten.
29 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de LGO voorwerp zijn van een bijzondere associatieregeling omschreven in het vierde deel van het Verdrag zodat de algemene verdragsbepalingen, waarvan de territoriale werkingssfeer in beginsel tot de lidstaten is beperkt, zonder uitdrukkelijke verwijzing niet op de LGO van toepassing zijn (zie arresten van 12 februari 1992, Leplat, C‑260/90, Jurispr. blz. I‑643, punt 10; 28 januari 1999, Van der Kooy, C‑181/97, Jurispr. blz. I‑483, punt 37; 22 november 2001, Nederland/Raad, C‑110/97, Jurispr. blz. I‑8763, punt 49, en 12 september 2006, Eman en Sevinger, C‑300/04, Jurispr. blz. I‑8055, punt 46). De LGO vallen dus slechts op dezelfde wijze als de lidstaten onder de bepalingen van Unierecht wanneer in het Unierecht uitdrukkelijk is voorzien in een dergelijke gelijkstelling van de LGO met de lidstaten.
30 Evenwel dient te worden vastgesteld dat het EG-Verdrag en het VWEU geen uitdrukkelijke verwijzing naar het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en de LGO bevatten.
31 Bijgevolg genieten de LGO als derde staten de in artikel 63 VWEU voorziene vrijmaking van het kapitaalverkeer.
32 Deze uitlegging vindt steun in de bepalingen van het Zevende LGO-besluit, dat werd vastgesteld toen de vrijmaking van het kapitaalverkeer ten aanzien van derde staten was voltooid. Artikel 47, lid 2, van dit besluit bepaalt immers dat artikel 64 VWEU naar analogie van toepassing is op de LGO."
HvJ EU 5 mei 2011, C‑384/09 (Prunus)
Belastingverdragen als rechtvaardiging van de beperking van het vrije kapitaalverkeer
"44 Volgens vaste rechtspraak is een beperking van het vrije kapitaalverkeer slechts toelaatbaar wanneer zij gerechtvaardigd is uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang (arresten van 13 december 2005, Marks & Spencer, C‑446/03, Jurispr. blz. I‑10837, punt 35; 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas, C‑196/04, Jurispr. blz. I‑7995, punt 47; 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation, C‑524/04, Jurispr. blz. I‑2107, punt 64, en 18 juni 2009, Aberdeen Property Fininvest Alpha, C‑303/07, Jurispr. blz. I‑5145, punt 57).
45 Volgens de verwijzende rechter beoogt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te verzekeren overeenkomstig het territorialiteitsbeginsel. De Bondsrepubliek Duitsland oefent aldus haar heffingsbevoegdheid uit voor op haar grondgebied aangegroeide meerwaarden, die als gevolg van de omzetting van de onderliggende activa in combinatie met de toepassing van een bilateraal dubbelbelastingverdrag, niet door deze lidstaat kunnen worden belast op het tijdstip waarop zij zich daadwerkelijk realiseren.
46 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de handhaving van de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten een door het Hof erkend legitiem doel is (zie in die zin arrest Marks & Spencer, reeds aangehaald, punt 45; arresten van 7 september 2006, N, C‑470/04, Jurispr. blz. I‑7409, punt 42; 18 juli 2007, Oy AA, C‑231/05, Jurispr. blz. I‑6373, punt 51, en 15 mei 2008, Lidl Belgium, C‑414/06, Jurispr. blz. I‑3601, punt 31).
47 Bovendien volgt uit vaste rechtspraak dat de lidstaten bij gebreke van unificatie‑ of harmonisatiemaatregelen die door de Unie zijn aangenomen bevoegd blijven om, door het sluiten van overeenkomsten of unilateraal, de criteria voor de verdeling van hun heffingsbevoegdheid vast te stellen teneinde onder meer dubbele belasting af te schaffen (arrest van 19 november 2009, Commissie/Italië, C‑540/07, Jurispr. blz. I‑10983, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest National Grid Indus, reeds aangehaald, punt 45)."
HvJ EU 23 januari 2014, C‑164/12 (DMC)
Het onderscheid tussen de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van kapitaalverkeer
"29 In dit verband zij allereerst herinnerd aan de afbakening tussen de bepalingen van het Verdrag inzake de vrijheid van dienstverrichting en die inzake het vrije verkeer van kapitaal.
30 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat uit de bewoordingen van de artikelen 56 VWEU en 63 VWEU alsmede uit de plaats ervan in twee verschillende hoofdstukken van titel IV van het Verdrag blijkt dat zij weliswaar nauw met elkaar verband houden, maar verschillende situaties beogen te regelen en elk een eigen werkingssfeer hebben (zie in die zin arrest Fidium Finanz, C‑452/04, EU:C:2006:631, punt 28).
31 Met betrekking tot de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene of de andere van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat rekening dient te worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie (zie in die zin arresten Holböck, C‑157/05, EU:C:2007:297, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak; Dijkman en Dijkman‑Lavaleije, C‑233/09, EU:C:2010:397, punt 26, en Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑35/11, EU:C:2012:707, punt 90).
32 Zoals de advocaat‑generaal in punt 67 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, is een nationale wettelijke regeling die in hoofdzaak het verrichten van financiële diensten betreft, onderworpen aan de bepalingen van het Verdrag inzake de vrijheid van dienstverrichting, ook al kan zij kapitaalverkeer met zich brengen of verband houden met kapitaalverkeer.
33 Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat een nationale regeling van een lidstaat op grond waarvan voor het bedrijfsmatig verstrekken van kredieten op zijn grondgebied door een vennootschap met zetel in een derde land is vereist dat vooraf een vergunning wordt afgegeven en die derhalve tot gevolg heeft dat die vennootschap moeilijker toegang krijgt tot de financiële markt, hoofdzakelijk inbreuk maakt op de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting in de zin van de artikelen 56 VWEU en volgende (arrest Fidium Finanz, C‑452/04, EU:C:2006:631, punten 49 en 50)."
HvJ EU 21 mei 2015, C‑560/13 (Wagner Raith)
Het onderscheid tussen het vrije verkeer van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal
"36 Wanneer op basis van het voorwerp van die regeling niet kan worden uitgemaakt of zij overwegend onder artikel 49 VWEU dan wel onder artikel 63 VWEU valt, houdt het Hof rekening met de feitelijke gegevens van het concrete geval om uit te maken of de situatie waarop het hoofdgeding betrekking heeft, onder de ene of de andere van die bepalingen valt (arrest van 11 juni 2020, KOB, C‑206/19, EU:C:2020:463, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Voorts onderzoekt het Hof, wanneer een nationale maatregel zowel verband houdt met de vrijheid van vestiging als met het vrije verkeer van kapitaal, de betrokken maatregel in beginsel uit het oogpunt van slechts één van deze twee vrijheden, indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (zie naar analogie arrest van 30 april 2020, Société Générale, C‑565/18, EU:C:2020:318, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 In casu heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling betrekking op de vrijstelling voor beleggingsfondsen die rechtens bij overeenkomst zijn opgericht en hoofdzakelijk beleggen in vastgoed en waardepapieren met betrekking tot vastgoed.
39 Wat in de eerste plaats vastgoedinvesteringen betreft, is het vaste rechtspraak dat nationale maatregelen die verband houden met handelingen waarmee niet-ingezetenen dergelijke investeringen op het grondgebied van een lidstaat doen, zowel onder artikel 49 VWEU betreffende de vrijheid van vestiging als onder artikel 63 VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal kunnen vallen (arrest van 16 december 2021, UBS Real Estate, C‑478/19 en C‑479/19, EU:C:2021:1015, punt 29)."
HvJ EU 7 april 2022, C‑342/20 (A SCPI)
Het onderscheid tussen vrij verkeer van vestiging en vrij verkeer van kapitaal bij aandelenbelangen in vennootschappen
"42 Verder moeten de genoemde eisen slechts worden getoetst aan de vrijheid van vestiging, en dus niet aan het vrije verkeer van kapitaal.
43 Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op deelnemingen waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten van die vennootschap kunnen worden bepaald, onder de vrijheid van vestiging valt (arresten van 13 april 2000, Baars, C‑251/98, EU:C:2000:205, punt 22, en 10 juni 2015, X, C‑686/13, ECLI:EU:C:2015:375, punt 18)."
HvJ EU 27 februari 2019, C‑563/17 (Associação Peço a Palavra)
De samenloop tussen een staatssteunonderzoek door de Europese Commissie en de vrijheid van kapitaalverkeer
"45 Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de nationale rechterlijke instanties en de Commissie in het bij het Verdrag ingestelde systeem voor toezicht op staatssteun aanvullende, maar onderscheiden taken vervullen (zie in die zin arresten van 11 juli 1996, SFEI e.a., C‑39/94, EU:C:1996:285, punt 41, en 15 september 2016, PGE, C‑574/14, EU:C:2016:686, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Terwijl de beoordeling van de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de interne markt onder de exclusieve bevoegdheid valt van de Commissie, die daarbij onder toezicht van de rechterlijke instanties van de Unie staat, zien de nationale rechterlijke instanties toe op de vrijwaring van de rechten van de justitiabelen in geval van schending van de bij artikel 108, lid 3, laatste zin, VWEU opgelegde verplichting om staatssteun vooraf bij de Commissie aan te melden (zie in die zin arrest van 8 december 2011, Residex Capital IV, C‑275/10, EU:C:2011:814, punt 27). Wanneer de justitiabelen zich op een dergelijke miskenning beroepen, en de nationale rechter deze miskenning vaststelt, moet hij daaruit overeenkomstig zijn nationale recht alle consequenties trekken, zonder dat zijn beslissing echter een beoordeling impliceert van de verenigbaarheid van de steun met de interne markt, wat tot de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie behoort, onder toezicht van het Hof (zie in die zin arrest van 23 april 2002, Nygård, C‑234/99, EU:C:2002:244, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Uit de rechtspraak van het Hof volgt ook dat een nationale rechter enkel bevoegd is om te beoordelen of de uitvoeringsvoorschriften van een steunregeling verenigbaar zijn met rechtstreeks werkende Verdragsbepalingen – andere dan die inzake staatssteun – wanneer die voorschriften afzonderlijk kunnen worden beoordeeld en wanneer zij, ofschoon zij onderdeel zijn van de betrokken steunregeling, niet noodzakelijk zijn ter bereiking van het doel of voor de goede werking ervan (zie in die zin arresten van 22 maart 1977, Iannelli & Volpi, 74/76, EU:C:1977:51, punt 14, en 23 april 2002, Nygård, C‑234/99, EU:C:2002:244, punt 57).
48 Daarentegen kan er een dermate nauw verband bestaan tussen enerzijds het doel van de steun en anderzijds de uitvoeringsvoorschriften ervan, dat een afzonderlijke beoordeling van die voorschriften niet mogelijk is en ter beoordeling van hun consequenties voor de verenigbaarheid van de steun in zijn geheel noodzakelijkerwijze de procedure van artikel 108 VWEU moet worden gevolgd (zie in die zin arrest van 22 maart 1977, Iannelli & Volpi, 74/76, EU:C:1977:51, punt 14).
49 In casu is dit inderdaad het geval met een woonplaatsvereiste zoals voorzien in de regeling inzake teruggaaf van dividendbelasting die in het hoofdgeding aan de orde is, ervan uitgaande evenwel dat het daarbij om een staatssteunregeling gaat, aangezien dat vereiste onlosmakelijk lijkt samen te hangen met het doel van de betrokken vrijstellingsmaatregelen, te weten het begunstigen van uitsluitend nationale ondernemingen.
50 Bovendien moet worden opgemerkt dat in het hoofdgeding een dergelijk toezicht onvermijdelijk, ook al is het slechts indirect, tot gevolg zou hebben dat het woonplaatsvereiste van artikel 2 van de Wet Vpb 1969 voor de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor publiekrechtelijke ondernemingen, dat een noodzakelijk vereiste is voor de verwezenlijking van het doel en de werking van deze steunregeling, ter discussie wordt gesteld.
51 Het lijkt dan ook niet mogelijk een dergelijk vereiste, dat noodzakelijk blijkt te zijn voor de verwezenlijking van het doel en voor de werking van een steunregeling, te isoleren zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie en de nationale rechterlijke instanties op het gebied van staatssteun.
52 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een nationale rechter beoordeelt of een woonplaatsvereiste als aan de orde in het hoofdgeding verenigbaar is met het vrije verkeer van kapitaal, wanneer de betrokken regeling voor de teruggaaf van dividendbelasting een steunregeling is.
53 Hieruit volgt dat die rechter a fortiori geen gevolgen kan verbinden aan een eventuele schending, wegens dat woonplaatsvereiste, van het vrij verkeer van kapitaal door de teruggaaf van die belasting toe te staan, zodat de in punt 43 van dit arrest vermelde vraag niet hoeft te worden beantwoord.
54 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de artikelen 107 en 108 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter niet kan beoordelen of een woonplaatsvereiste als aan de orde in het hoofdgeding verenigbaar is met artikel 56, lid 1, EG, thans artikel 63, lid 1, VWEU, wanneer de betrokken regeling voor de teruggaaf van dividendbelasting een steunregeling is."
HvJ EU 2 mei 2019, C‑598/17 (A-fonds)
Het voorkomen van economisch dubbele belasting
"69 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de artikelen 49 VWEU en artikel 63 VWEU in de weg staan aan wettelijke bepalingen van een lidstaat ter voorkoming van de economische dubbele belasting van dividend zoals aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan een moedermaatschappij de voorheffing die zij moet betalen wanneer zij van haar dochterondernemingen ontvangen dividend dooruitdeelt aan haar eigen aandeelhouders, mag verrekenen met het belastingkrediet dat aan de uitkering van dat dividend is verbonden indien het dividend een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming betreft, maar die deze mogelijkheid niet bieden wanneer dat dividend afkomstig is van een dochteronderneming die is gevestigd in een andere lidstaat, daar volgens die wettelijke bepalingen in dat laatste geval geen belastingkrediet wordt toegekend ter zake van de uitkering van dat dividend door die dochteronderneming."
HvJ EU 15 september 2011, C‑310/09 (Accor)
Het voorkomen van misbruik
"36Wat het voorkomen van misbruik betreft, volgt overigens uit de rechtspraak van het Hof dat de justitiabelen zich weliswaar niet met het oog op misbruik of bedrog op het Unierecht kunnen beroepen, maar een algemeen vermoeden van misbruik niet kan worden gebaseerd op de omstandigheid dat een in Italië woonachtige persoon in deze lidstaat een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig gebruikt dat hem om niet ter beschikking is gesteld door een in die andere lidstaat woonachtige persoon [beschikking van 10 september 2020, Waals Gewest (Inschrijving van een geleend voertuig), C‑41/20–C‑43/20, niet gepubliceerd, EU:C:2020:703, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].”
HvJ EU 16 december 2021, C‑274/20 (GN en WX)
Literatuur
J.J.A.M. Korving en J.C. van der Have, Brexit en directe belastingen: There’s still a way to escape that Brexit day? Vrij naar: Milqman (feat. Anna & Mimmi), ‘Regrets Won’t Do on Brexit Day’, MBB 2021/40, stellen:
"Zoals reeds is opgemerkt gelden de Europese verdragsvrijheden niet meer voor het VK, hoogstens geldt een ervan – het vrije kapitaalverkeer – nog in relatie tot het VK. Het geografische bereik van de meeste fundamentele vrijheden is immers beperkt tot EU-situaties, waardoor een grensoverschrijdende belemmering niet kan worden bestreden met een beroep op de vrijheden van goederen, diensten en vestiging. De Brexit heeft echter, vanuit het perspectief van de EU, geen invloed op het vrije verkeer van kapitaal. Deze vrijheid werkt immers al in relatie tot niet-EU-lidstaten (of derde landen), zoals het VK nu ook is,33 behoudens toepassing van rechtvaardigingsgronden of de standstillbepaling.Dat betekent dat belemmeringen in de wetgeving van EU-lidstaten die het VK raken, bijvoorbeeld ten aanzien van investeringen in het VK, met een beroep op het vrije kapitaalverkeer teniet kunnen worden gedaan, tenzij deze beperkingen al bestonden op 31 december 1993. Om het VK er toe aan te zetten geen nieuwe belemmeringen te introduceren in het kader van het vrije kapitaalverkeer in relatie tot de EU is ook een met het vrije kapitaalverkeer vergelijkbare bepaling opgenomen in de overeenkomst.Deze bepaalt dat zowel de EU als het VK met betrekking tot verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans het vrije verkeer van kapitaal toestaat met het oog op de liberalisering van investeringen. Wij nemen aan dat hiermee enige wederkerigheid van het vrije kapitaalverkeer moet worden gewaarborgd.