Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht
Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/6.1:6.1 Inleiding
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS456832:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
147. Hieronder zal ik in paragraaf 6.2 verschillende situaties aan de orde stellen waarin het object van een beperkt recht wordt gesplitst of gedeeld. Dit kan een splitsing zijn van een ‘fysiek’ object, zoals wanneer bij onroerende zaken een gedeelte ervan wordt vervreemd. Dit wordt doorgaans verticale splitsing genoemd. Uiteraard betreft het hier geenwerkelijke fysieke verdeling of splitsing, de stukken grond kunnen niet fysiek van elkaar worden afgescheiden, maar de ruimtelijke grenzen van de onroerende zaak worden gewijzigd.1 Bij roerende zaken kan van een splitsing in de vorm van een werkelijke fysieke splitsing wél sprake zijn. De splitsing kan ook ideëel2 zijn, namelijk wanneer een gemeenschap komt te ontstaan. Voorts kan gedacht worden aan het splitsen van een vordering, door middel van partiële cessie. Ook de vestiging van beperkte rechten zou gezien kunnen worden als een vorm van ideële splitsing.3
In dit laatste geval is duidelijk wat er gebeurt met het beperkte recht dat reeds rustte op het goed: dat blijft rusten op het goed. Het latere gevestigde beperkte recht kan ingevolge de prioriteitsregel niet aan de oudere beperkt gerechtigde worden tegengeworpen.4 In de andere twee genoemde gevallen is minder duidelijk wat het gevolg van de splitsing is: komt er wellicht één beperkt recht te bestaan op de twee (of meer) nieuw gecreëerde rechtsobjecten? Doet zich hier een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voor? De stand van zaken na splitsing van het object, kan ons wat leren over de situatie waarin wordt getracht van meet af aan één beperkt recht op meerdere objecten te vestigen. De conclusies uit hoofdstuk 5 zouden op basis hiervan bijgesteld kunnen worden.
In paragraaf 6.3 besteed ik nader aandacht aan het recht van erfpacht. Daarbij spelen enkele kwesties van uniciteit die samenhangen met de (on)mogelijkheid van splitsing van het erfpachtrecht en afbakening van het object. De vraag of in een gegeven situatie sprake is van één of meer erfpachtrechten, is namelijk in het bijzonder van belang met het oog op de werking van een beding als bedoeld in art. 5:91 lid 2 BW. In dit kader zal de meer verfijnde regeling van het samenvoegen en splitsen van onroerende zaken en beperkte rechten daarop uit het Duitse recht aan bod komen.