Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/429
429 Geen bescherming van de pandhouder tegen verklaringen of gedragingen van de pandgever
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 23-02-2026
- Datum
23-02-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD46787:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:36 BW. Zie ook Parl. Gesch. Boek 6, p. 537, 543 en 544-545. In dezelfde zin Reehuis 1987, nr. 393. Vgl. ook HR 17 januari 2003, JOR 2003/52 m.nt. M.H.E. Rongen, NJ 2004, 281 m.nt. HJS (Oryx/Van Eesteren). Uit dit arrest blijkt dat een pandhouder tegen een beding tussen de pandgever en de schuldenaar waarin zij onverpandbaarheid van de vordering zijn overeengekomen slechts kan worden beschermd op grond van art. 3:36 BW, indien hij er op grond van verklaringen of gedragingen van de schuldenaar redelijkerwijze op mocht vertrouwen dat de onoverdraagbaarheid niet was overeengekomen. Zie hierover ook par. 6.4.4.2 hiervóór.
De verweermiddelen van de schuldenaar kunnen niet worden aangetast door verklaringen of gedragingen van de pandgever jegens de pandhouder. Aan verklaringen of gedragingen van de pandgever omtrent het bestaan of de kwaliteit van de vordering, alsmede omtrent eventuele verweermiddelen van de schuldenaar, kan de pandhouder jegens de schuldenaar geen bescherming ontlenen. Bescherming kan hij jegens de schuldenaar slechts ontlenen aan gedragingen of verklaringen van de schuldenaar zelve.1