Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.5.1.4:II.6.5.1.4 Invloed van afwijkingen van het nominaliteitsbeginsel
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.5.1.4
II.6.5.1.4 Invloed van afwijkingen van het nominaliteitsbeginsel
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS499082:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hetgeen een kredietnemer nominaal meer of minder moet terugbetalen als gevolg van afwijkingen van het nominaliteitsbeginsel, behoort – naar mijn mening – conform huidig recht ook tot de vergoeding voor de verlening van krediet. Het gaat hier om situaties waarin de terugbetalingsverplichting van een hoofdsom van een lening afhankelijk is van de ontwikkeling van een bepaalde index, de waarde van (een mandje van) valuta of de goudwaarde. Vaak zal dat tot gevolg hebben dat de nominale terugbetalingsverplichting toeneemt bij inflatie onderscheidenlijk bij een daling van de relatieve waarde van de valuta waarin de lening is aangegaan (zie ook par. 6.2.6).
Omdat het de hoofdsom van een lening betreft, is een mogelijke visie dat de toename van de nominale terugbetalingsverplichting niet tot de vergoeding voor het krediet in de zin van artikel 8 Wet OB 1968 behoort. 1 Naast de omstandigheid dat afwijkingen van het nominaliteitsbeginsel betrekking hebben op de hoofdsom van een krediet, pleit voor het buiten beschouwing laten daarvan dat dergelijke afwijkingen in de regel ertoe strekken dat de kredietgever, in koopkracht gemeten, hetzelfde terugkrijgt als hij heeft uitgeleend. Naar mijn mening leidt deze visie in beginsel echter tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Bij reguliere toepassing van het nominaliteitsbeginsel zal immers veelal een compensatie voor het risico op inflatie of relatieve waardedaling zijn verdisconteerd in de rente. Onder normale omstandigheden zie ik daarom geen reden om de (iets) afwijkende opbouw van de terugbetalingsverplichting en de rentebetalingsverplichting gevolgen te laten hebben voor de vergoeding in de zin van de Wet OB 1968. Ofschoon een vrijstellinggeldt, zou een afwijkende vergoeding in principe wel doorwerken naar het recht op aftrek van voorbelasting van de kredietverschaffer. Daarvoor zie ik geen rechtvaardiging. Deze visie is in lijn met wat in het Nederlandse privaatrecht wordt verdedigd en de positie die de Hoge Raad heeft ingenomen onder de Wet IB 1964 (zie par. 6.3.1 en 6.3.4).2
Een andere kwestie is of het wenselijk is dat de compensatie voor inflatie of ontwaarding van een bepaalde valuta tot de vergoeding voor kredietverlening behoort. Daarbij zijn wel bedenkingen mogelijk.3 Dat geldt vooral als de inflatie hoog is. Juist dan zouden ook afwijkingen van het nominaliteitsbeginsel mogen worden verwacht. Te denken valt aan een onzekere, maar naar verwachting hoge ontwaarding van de geldeenheid waarin een krediet wordt verstrekt, zoals de Duitse Mark in de jaren twintig van de vorige eeuw of, recenter, de Zimbabwaanse dollar. In dergelijke extreme situaties wringt het betrekken van de compensatie voor de (toren)hoge inflatie in de vergoeding voor de omzetbelasting.