De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.3.2:2.3.2 Rechtsvormen
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.3.2
2.3.2 Rechtsvormen
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS387990:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kroeze, Timmerman & Wezeman 2013, p. 1.
Tervoort 2012.
Artikel 7A:1655 BW (cursivering SvdW).
Het uitkeren van winst is zelfs wettelijk niet toegestaan bij deze rechtsvormen. De vereniging kent immers het winstuitkeringsverbod (art. 2:26 lid 3 BW ) en voor de stichting geldt een uitkeringsverbod (art. 2:285 lid 3 BW). Zie over de uitleg van deze verboden Van Veen 2013a.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
‘Het onderdeel van het privaatrecht dat ondernemingsrecht wordt genoemd, bestrijkt de rechtsvormen met behulp waarvan ondernemingen gedreven worden. De rechtsvormen van het ondernemingsrecht zou men kunnen zien als de juridische jas waarin een onderneming wordt gehuld: ze zijn het juridische omhulsel van de onderneming. De rechtsvorm is een hulpmiddel om een onderneming in rechte te kunnen laten functioneren; de onderneming en zijn functioneren zijn het doel. De rechtsvormen zijn dus in eerste plaats facilitair.’1
Aan het Nederlandse recht ligt de vrijheid van keuze van een rechtsvorm ten grondslag. De personenvennootschappen zijn vanouds de rechtsvormen die het meest geschikt zijn voor samenwerking.2 Zoals gezegd, is de maatschap de rechtsvorm (personenvennootschap) die van oudsher door beroepsbeoefenaren wordt gebruikt.
De wettelijke definitie van de maatschap luidt als volgt:
‘Maatschap is eene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.’3
Kort, en met andere woorden, gezegd is de maatschap (dus) een contractuele samenwerkingsvorm waarvan het kapitaal bestaat uit inbreng van de vennoten (geld, goederen, genot van goederen of arbeid) en waarvan het doel is om gezamenlijk voordeel te behalen. De maatschap die door beroepsbeoefenaren wordt gebruikt, dient bovendien, logischerwijs, beroepsuitoefening tot doel te hebben. Deze beroepsuitoefening zal in de meeste gevallen onder gemeenschappelijke naam naar buiten toe kenbaar zijn. In dat geval gaat het om een zogenoemde openbare maatschap. In hoofdstuk 5 zal het karakter van de maatschap verder worden toegelicht en beschreven.
Omdat de maatschap traditioneel de meest gebruikte én geschikte rechtsvorm is voor het beroep, is ervoor gekozen om de maatschap in dit onderzoek als uitgangspunt te nemen. Deze rechtsvorm zal daarom bij de toetsing aan de verschillende keuzefactoren steeds als eerste worden besproken. Daarna zal aandacht worden besteed aan de BV, de NV en de coöperatie.
De v.o.f. en de commanditaire vennootschap zullen niet worden besproken. De v.o.f. niet omdat deze, zo volgt uit de wettelijke omschrijving van deze rechtsvorm (artikel 16 WvK), niet geschikt is voor de uitoefening van een beroep, maar slechts gebruikt kan worden voor bedrijfsmatige doeleinden. De commanditaire vennootschap zal buiten beschouwing blijven omdat (i) ook in deze rechtsvorm een bedrijf wordt uitgeoefend, (ii) er daarnaast in dit onderzoek wordt gekeken naar beroepsbeoefenaren die willen samenwerken op basis van gelijkwaardigheid (zie voor de uitgangspunten van het begrip ‘samenwerking’ paragraaf 2.4) en die (iii) bovendien allen daadwerkelijk hun beroep uitoefenen in het samenwerkingsverband. Omdat de commanditaire vennootschap naast beherende (en dus naar buiten tredende) vennoten ook zogenoemde stille (commanditaire) vennoten kent (artikel 19 WvK) voor wie een beheersverbod geldt (artikel 20 lid 2 WvK) en die daarmee lastig(er) hun beroep kunnen uitoefenen omdat ze niet naar buiten mogen treden (denk bijvoorbeeld aan het aannemen van een opdracht, acquisitie et cetera), is deze rechtsvorm hiervoor niet geschikt.
De vereniging en stichting zullen ten slotte niet worden besproken omdat dit rechtsvormen zijn die vaak niet primair gericht zijn op het drijven van een onderneming en dus op het maken, verdelen dan wel uitkeren van winst.4 Daarmee zijn deze rechtsvormen dan ook niet geschikt voor de uitoefening van (en samenwerking in) een beroep.