De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.3.1.2:IV.19.3.1.2 Uitwerking van het vertrouwensbeginsel in de §§ 48 en 49 VwVfG
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.3.1.2
IV.19.3.1.2 Uitwerking van het vertrouwensbeginsel in de §§ 48 en 49 VwVfG
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS376530:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Erichsen/Ehlers 2010, p. 719, Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48 VwVfG, Rn. 42. Een en ander ligt genuanceerder wanneer tegenover een derde een toezegging is gedaan dat de beschikking in stand zou blijven. Vgl. Knack/Henneke 2010, § 48 VwVfG, Rn. 35.
Zie hierover meer uitgebreid paragraaf 17.4.2.
Zie over dit begrip nader paragraaf 17.4.1.
Kopp/Ramsauer 2014 § 49 VwVfG Rn. 3a.
Maurer 2011, p. 322.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals blijkt uit de paragrafen 48 en 49 VwVfG normeert het vertrouwensbeginsel de bevoegdheid tot intrekking van beschikkingen. Dit is met name het geval wanneer het een begunstigende beschikking betreft welke wordt ingetrokken.1 Voor bescherming op grond van het vertrouwensbeginsel is vereist dat de burger heeft vertrouwd op het in stand blijven van de beschikking en dat dit vertrouwen beschermenswaardig is. Of sprake is van beschermenswaardig vertrouwen, dient te worden beantwoord aan de hand van § 48 lid 2 VwVfG.2
Genoemde bepaling vereist in de eerste plaats dat sprake is van vertrouwen. De begunstigde moet hebben vertrouwd op het in stand blijven van de beschikking. Vervolgens moet dit vertrouwen schutzwürdig (vrij vertaald in het licht van het Nederlandse vertrouwensbeginsel: gerechtvaardigd) zijn. Op grond van § 48 lid 2 eerste volzin VwVfG dient het feit dat de begunstigde heeft vertrouwd op het in stand blijven van de beschikking, te worden afgewogen tegen het algemeen belang dat is gediend met de intrekking. Weegt het vertrouwensbelang van de begunstigde zwaarder dan het algemeen belang, dan is sprake van gerechtvaardigd vertrouwen. De tweede en derde volzin van § 48 lid 2 VwVfG geven enkele aanknopingspunten voor invulling van deze te maken afweging. Indien de begunstigde de verkregen Leistungen heeft verbruikt dan wel heeft gedisponeerd en een en ander valt niet meer ongedaan te maken of ongedaanmaking leidt tot onredelijk nadeel voor de begunstigde, dan is in de regel sprake van gerechtvaardigd vertrouwen. Van gerechtvaardigd vertrouwen is in beginsel geen sprake indien zich een van de in de derde volzin van § 48 lid 2 VwVfG genoemde situaties voordoet: de beschikking is verkregen door opzettelijk bedrog, bedreiging of omkoping (1), de beschikking is gegeven op grond van door de begunstigde verstrekte onjuiste of onvolledige informatie (2), de begunstigde kende de onrechtmatigheid van de beschikking, dan wel kende deze niet ten gevolge van grove onrechtmatigheid (3).
Aan de aanwezigheid van gerechtvaardigd vertrouwen, verbindt het VwVfG diverse gevolgen naargelang het soort beschikking. Betreft het een Leistungs-beschikking in de zin van § 48 lid 2 VwVfG,3 dan geldt dat voor zover de begunstigde gerechtvaardigd heeft vertrouwd op het in stand blijven van de beschikking, deze niet mag worden ingetrokken. Aanwezigheid van gerechtvaardigd vertrouwen staat aldus in de weg aan intrekking van de beschikking. Heeft de begunstigde gerechtvaardigd vertrouwd op een onrechtmatige begunstigde beschikking, niet zijnde een Leistungs-beschikking (art. 48 lid 3 VwVfG) en wordt deze beschikking ingetrokken, dan dient de schade die de begunstigde lijdt ten gevolge van de intrekking te worden vergoed.
Het vertrouwensbeginsel speelt niet enkel een rol bij de intrekking van onrechtmatige beschikkingen. Ook bij de intrekking van rechtmatige beschikkingen (§ 49 VwVfG) komt hieraan betekenis toe. Zo geldt op grond van § 49 VwVfG dat rechtmatige beschikkingen alleen kunnen worden ingetrokken wanneer zich een specifieke intrekkingsgrond voordoet.4 Daarnaast geldt op grond van § 49 lid 6 VwVfG dat een verplichting bestaat de schade te vergoeden die de geadresseerde leidt, doordat hij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op het in stand blijven van de beschikking. De vraag of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, wordt beantwoord aan de hand van (de hiervoor reeds besproken) § 48 lid 2 VwVfG. Deze schadevergoedingsverplichting geldt slechts in een drietal gevallen, namelijk wanneer intrekking geschiedt wegens het wijzigen van de feiten, wegens verandering van het recht en wanneer de beschikking wordt ingetrokken wegens ernstige schade voor het algemeen welzijn. Wordt een begunstigende beschikking ingetrokken op de andere in § 49 VwVfG neergelegde gronden (voorbehoud tot intrekking, handelen in strijd met een aan de beschikking verbonden voorwaarde), dan biedt het vertrouwensbeginsel geen bescherming.5