Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/4.2.4
4.2.4 Gerechtvaardigd perspectief van de wederpartij; vertrouwensbeginsel; eenheid van organisatie
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS596136:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tjittes 2001b, p. 39-40; Klaassen 1999, p. 96.
A-G Langemeijer, conclusie voor Ontvanger/Voorsluijs, par. 2.14; Hof Arnhem 14 oktober 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG2098, r.o. 4.7.
HR 11 mei 1990, NJ 1990/544 resp. HR 11 maart 2005, NJ 2005/576.
HR 11 november 2005, NJ 2007/231, r.o. 3.6.
Tjittes 2001b, p. 44; Dammingh 2002, p. 245 en 249 (t.a.v. de toerekening van kennis van tussenpersoon aan opdrachtgever); Memelink 2009b, p. 591; Jansen 2012a, p. 544.
Castermans 1992, p. 79.
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/161.
Zie de verwijzingen in Faßbender & Neuhaus 2002, p. 1259.
Koller 1998, p. 80; Faßbender & Neuhaus 2002, p. 1259.
Buck 2001, p. 324-325; zie ook Koller 1998, p. 79.
Zie voetnoot 243. Zie voor een omschrijving van de casus van Los Gauchos par. 7.8.2 en voor die van Idee 2 par. 5.6.2.
HR 9 januari 1998, NJ 1998/586 (erven Van Dam/Rabobank Gorredijk).
Zie voor een uitgebreidere omschrijving van de feiten en de beslissing in deze zaak par. 9.7.
Klaassen 1999, p. 96.
Valk 2012, p. 771. In gelijke zin voor het Duitse recht Baum 1999, p. 223.
97. De wederpartij zal de organisatie die zij tegenover zich treft, vaak als eenheid beschouwen en mogen beschouwen. Voor haar is veelal niet duidelijk wie binnen de organisatie welke verantwoordelijkheid heeft, en zij mag erop vertrouwen dat relevante informatie voldoende wordt gedeeld. Dit argument wordt aangevoerd door Tjittes en Klaassen.1 Meer in het algemeen wordt aangenomen dat het gerechtvaardigd perspectief van de wederpartij bepalend is voor de vraag of kennis moet worden toegerekend. 2 Het gerechtvaardigd perspectief van de wederpartij kwam ook tot uiting in Los Gauchos en Idee 2.3 De Hoge Raad oordeelde dat met inachtneming van alle omstandigheden van het geval moest worden beoordeeld of de wederpartij het ervoor mocht houden dat mét het individu aan wie de wederpartij een bepaalde mededeling had gedaan, ook de rechtspersoon van het meegedeelde feit op de hoogte was. In Ontvanger/Voorsluijs oordeelde de Hoge Raad meer in algemene zin dat toerekening van onrechtmatige gedragingen aan de rechtspersoon mede wordt gerechtvaardigd doordat de in feite handelende persoon en de rechtspersoon aan wie dat handelen wordt toegerekend, vanuit het perspectief van de benadeelde tot op zekere hoogte met elkaar zijn te vereenzelvigen.4 De eenheid die een organisatie naar buiten toe vormt, kan in belangrijke mate bijdragen aan het vertrouwen van een wederpartij dat de kennis binnen de organisatie voldoende wordt gedeeld. Volgens Tjittes, Dammingh, Memelink en Jansen moet het vertrouwensbeginsel uiteindelijk de doorslag geven als overkoepelende of beslissende maatstaf voor de toerekening van kennis.5 Castermans vindt datzelfde ten aanzien van kennis opgedaan in de onderhandelingsfase. 6 Kortmann beschouwt het gerechtvaardigd vertrouwen als een belangrijke factor.7
Ook in het Duitse recht worden de bescherming van vertrouwen en de eenheid van organisatie veelal als ratio gezien voor de toerekening van kennis. 8 Op het beginsel van eenheid van de organisatie wordt in Duitsland ook kritiek geuit. Bij grote organisaties zal een wederpartij er juist níet op mogen rekenen dat alle kennis gedeeld wordt.9 Ook zou de eenheid van organisatie onvoldoende onderscheidend zijn: waarom zouden twee filialen van een bank wel de indruk wekken één organisatie te zijn, maar twee samenwerkende coöperatieve banken niet?10 Mogelijk zal een gezamenlijke presentatie van meerdere rechtspersonen als één organisatie ertoe leiden dat de kennis van (medewerkers van) de ene rechtspersoon wordt toegerekend aan de andere.
98. Het vertrouwensbeginsel en het beginsel van eenheid van organisatie zijn voornamelijk van belang in vertrouwensgevallen, dat wil zeggen: gevallen waarin de wederpartij erop vertrouwt dat een mededeling die hij doet aan één functionaris binnen de organisatie, ook terecht zal komen bij andere functionarissen binnen de organisatie voor wiens werkzaamheden de meegedeelde informatie relevant is. Dat was het geval bij Los Gauchos en Idee2.11 Onduidelijker is het wanneer de wederpartij niet daadwerkelijk ergens op heeft vertrouwd, zoals in Rabobank Gorredijk.12 Daarin was het overlijden van de heer Van Dam door een notaris doorgegeven aan een bancaire medewerker Rabobank ten behoeve van onder meer de blokkering van de bankrekening. Hoewel de heer Van Dam een brandverzekering had afgesloten via de afdeling assurantiebemiddeling van de bank, kwam de informatie over zijn overlijden niet bij die afdeling terecht. Toen de leegstaande boerderij van de heer Van Dam was afgebrand en de brandverzekeraar weigerde uit te keren omdat het overlijden niet was gemeld, spraken de erven Rabobank aan wegens verzaking van de zorgplicht van de assurantietussenpersoon. Het argument van Rabobank dat zij alleen als bank, maar niet ook als assurantietussenpersoon van het overlijden wist, werd niet gehonoreerd. 13 Klaassen plaatst deze uitspraak in het kader van het vertrouwensbeginsel: mocht de notaris, toen hij aan een bankmedewerker mededeling deed van het overlijden, erop vertrouwen dat “de bank” hierdoor van dit overlijden op de hoogte was?14 Met andere woorden: mocht hij erop vertrouwen dat de boodschap zou worden doorgegeven aan andere afdelingen van de bank? Het punt is dat de notaris in deze zaak daar vermoedelijk helemaal niet op heeft vertrouwd – aan het bestaan van een brandverzekering en de noodzaak tot het melden van het overlijden van de polishouder heeft vermoedelijk niemand gedacht. De notaris zou er hooguit op hebbenvertrouwd dat het bericht zou worden doorgegeven indien hij op de hoogte was geweest van het feit dat Van Dam via de Rabobank een brandverzekering had afgesloten. Er bestaat dan geen concreet vertrouwen dat moet worden gehonoreerd. Er is hooguit een vertrouwen dat binnen de bank informatiestromen adequaat zullen zijn georganiseerd. Het object van vertrouwen is dan echter zo weinig specifiek dat ik betwijfel of honorering van een dergelijk vertrouwen de toerekening van kennis kan rechtvaardigen.
99. Nog minder waarde heeft het vertrouwensbeginsel in gevallen waarin de wederpartij zich er in het geheel niet van bewust is dat relevante informatie aanwezig is bij een ander dan de functionaris van de rechtspersoon met wie zij te maken heeft. Wanneer, tot slot, kennis van de rechtspersoon relevant is voor de verhouding met een derde, speelt het vertrouwen van de wederpartij helemaal geen rol. Zo is bij de actio pauliana voor de beoordeling van de wetenschap van benadeling van de wederpartij van de schuldenaar niet van belang welke verwachtingen de schuldenaar daaromtrent koesterde. Bij de overbouw te kwader trouw (art. 5:54 lid 3 BW) speelt het perspectief van de eigenaar van het aangrenzende erf geen rol. Bij revindicatie doet het perspectief van de eigenaar niet ter zake bij het bepalen of een bezitter te goeder trouw heeft verkregen (art. 3:86 BW). Valk noemt het criterium ‘gerechtvaardigd vertrouwen’ in de verhouding tussen de revindicerende eigenaar en de bezitter terecht “een vis op het droge”.15